Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:10195

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-12-2016
Datum publicatie
20-01-2017
Zaaknummer
10/681210-16, 10/680066-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Grondslag aan de vordering TULalg is komen te ontvallen.

De veroordeelde is door de gesloten uithuisplaatsing rechtens van zijn vrijheid beroofd. Krachtens vaste jurisprudentie gaat het in artikel 14b, vierde lid, Sr niet alleen om strafrechtelijke vrijheidsbeneming, maar ook om vrijheidsbeneming op andere titel.

Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank evenzeer voor artikel 77y, derde lid, Sr. Dit leidt tot de conclusie dat de proeftijd van twee jaar weliswaar formeel is ingegaan, maar dat die termijn niet liep gedurende de gesloten uithuisplaatsing van de veroordeelde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2018/6.10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/681210-16

Parketnummer vordering TUL VV: 10/680066-16

Datum uitspraak: 22 december 2016

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001 ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting aldaar verblijvende in een instelling voor gesloten jeugdhulp,

raadsvrouw W. van der Voet, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek, met gesloten deuren, op de terechtzitting van 8 december 2016.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel).

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit, de poging verkrachting, wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

4.1.2.

Standpunt verdediging

Namens de verdachte is voor het primair ten last gelegde vrijspraak bepleit. Daartoe is gesteld dat uit de verklaringen van betrokkenen en de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van de verdachte niets wijst in de richting van een poging verkrachting.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd, behoudens een bewezenverklaring van opzet danwel voorbedachte rade. De verdachte heeft door zijn handelwijze bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen. Uit het dossier volgt niet dat de verdachte het voornemen had en dus willens en wetens heeft getracht aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, laat staan na rustig en kalm beraad. Hij heeft haar in een opwelling tweemaal met een pan geslagen.

4.1.3.

Beoordeling

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde

In de zich in het dossier bevindende verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] zijn aanwijzingen te vinden voor een voornemen van de verdachte om aangeefster te verkrachten. Beiden hebben verklaard dat de verdachte zich tegenover hen over dat voornemen heeft uitgelaten. Overigens hebben beiden ook verklaard die uitlatingen als niet serieus bedoeld te hebben opgevat. De rechtbank acht deze aanwijzingen niet voldoende sterk om tot een bewezenverklaring van een poging tot verkrachting te kunnen komen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat [getuige 1] en [getuige 2] niet op alle punten consistent verklaren, de omstandigheid dat [getuige 1] en [getuige 2] jonge, kwetsbare getuigen zijn die mogelijk beïnvloed zijn door de groepsgesprekken over het incident die in de instelling hebben plaatsgevonden na het incident, de ontkenning van de verdachte dat hij seksuele intenties had en zijn ontkenning dat hij die intenties met deze getuigen heeft besproken en de omstandigheid dat door de verdachte geen handelingen zijn verricht die naar de uiterlijke verschijningsvorm duiden op seksuele intenties. De rechtbank is derhalve van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte geprobeerd heeft om de aangeefster te verkrachten.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte rade' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Hoewel in het feit dat de verdachte een pan op zijn kamer had, hij daarvoor geen aannemelijke verklaring heeft gegeven en in hetgeen [getuige 1] en [getuige 2] daarover hebben verklaard, aanwijzingen zouden kunnen worden gevonden voor enig vooropgezet plan, acht de rechtbank – mede gelet op de omstandigheid dat de verklaringen van de verdachte en de overige verklaringen in het dossier geen inzicht hebben gegeven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan – niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tevoren daadwerkelijk het plan had opgevat om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank concludeert op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting dat het bewijs dat sprake is geweest van voorbedachte raad, zoals subsidiair ten laste gelegd, niet is geleverd. De rechtbank zal de verdachte dan ook van dat bestanddeel vrijspreken. Wel acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte gepoogd heeft het slachtoffer opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar tweemaal met kracht met een pan op het hoofd te slaan.

4.1.4.

Conclusie

De primair ten laste gelegde poging verkrachting is niet bewezen. Bewezen is de subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling, met dien verstande dat er geen sprake is geweest van voorbedachte rade.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

Subsidiair:

hij op of omstreeks 28 augustus 2016 te [plaats] , ter uitvoering van het voornemen om aan [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal (telkens) na rijp beraad en rustig overleg, (met kracht) met een (steel)pan heeft geslagen op het hoofd van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Subsidiair.

Poging tot zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich, tijdens zijn gesloten civielrechtelijke plaatsing in de instelling Schakenbosch, schuldig gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door twee maal met kracht met een steelpan een groepsbegeleidster op het hoofd te slaan. Dit is een ernstig feit waar de rechtbank zwaar aan tilt. Een dergelijk feit heeft niet alleen een grote impact op het desbetreffende slachtoffer, zoals ook is gebleken uit de door het slachtoffer ter terechtzitting voorgelezen verklaring, maar zorgt tevens voor gevoelens van angst en onveiligheid in de instelling waar de verdachte verbleef.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 november 2016, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld.

7.3.2.

Rapportages

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 2 december 2016. Dit rapport houdt, kort weergegeven, het volgende in. De Raad is zich ervan bewust dat de verdachte opnieuw een ernstig strafbaar feit gepleegd heeft, dit maal in een gesloten setting ten aanzien van een beroepsbeoefenaar. Het is duidelijk dat er voor de verdachte een intensieve en langdurige specialistische

behandeling nodig is, wat ook in het dubbele persoonlijkheidsonderzoek, dat naar aanleiding van de vorige strafzaak van de verdachte is uitgevoerd, bevestigd wordt. Er is echter, door voortdurende wisseling in plaatsingen, nog geen langdurige en structurele behandeling van de grond gekomen. De Raad erkent dat het hier gaat om een delict waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en dat de verdachte door zijn persoonlijke problematiek een gevaar kan vormen voor zijn omgeving. Als het echter gaat om wat in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte, dan is de Raad van mening dat een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel niet aan de orde is. Vanuit het dubbele persoonlijkheidsonderzoek is ook geen advies PIJ gegeven. Gelet op verdachtes persoonlijke problematiek, zijn belaste verleden en zijn bereidheid om mee te werken binnen het kader dat er nu ligt, is de Raad van mening dat het civiele kader prevaleert en dat het in verdachtes belang is om op Harreveld te blijven, om hier verder van behandeling te profiteren. De Raad is derhalve van mening dat er een alternatief is voor de PIJ-maatregel, in de vorm van de intensieve behandeling op Harreveld in een gesloten setting. De Raad adviseert een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- medewerking verleent aan de plaatsing op de gesloten groep van Horizon Harreveld;

- medewerking verleent aan specialistische behandeling en scholing aldaar;

- zich gedurende een door Jeugdbescherming West te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en lang deze instelling dat nodig acht. De Raad adviseert om ten aanzien van de tenuitvoerlegging (parketnummer 10/680066-16) de proeftijd te verlengen.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het trajectplan van 2 november 2016 dat door Harreveld is opgemaakt.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het hetgeen de aanwezige betrokkenen ter terechtzitting omtrent de persoon van de verdachte naar voren hebben gebracht.

De voogd van de verdachte van Stichting Nidos, heeft naar voren gebracht dat de verdachte nog onvoldoende kans heeft gehad om zich in Harreveld te bewijzen en dat het wenselijk is dat hij de kans krijgt om de goede stappen die hij nu zet, voort te zetten. In Harreveld is nu een positieve lijn ingezet, in tegenstelling tot Schakenbosch, waar nog geen specifieke behandeling of therapie was gestart. Een PIJ-maatregel zou alle stappen en positieve ontwikkelingen die tot nu toe zijn ingezet, afbreken.

Namens de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zuid-Holland Zuid (hierna: JBW) is ter terechtzitting aangegeven dat JBW zich kan vinden in het strafadvies van de Raad.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Straffen

De rechtbank ziet zich in korte tijd wederom voor de vraag gesteld of aan de verdachte de PIJ-maatregel moet worden opgelegd, nu de verdachte bij vonnis van deze rechtbank van 7 juli 2016 (10/680066-16) is veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke PIJ-maatregel ter zake verkrachting.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 77s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht voor het opleggen van de PIJ- maatregel, ook in voorwaardelijke zin, onder meer moet worden voldaan aan het vereiste dat de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat, gezien de hiervoor genoemde bevindingen en conclusies die de rechtbank overneemt, niet aan het genoemde wettelijke vereiste is voldaan. Uit de rapportages van de deskundigen en hun toelichting ter zitting volgt immers dat de verdachte gebaat is bij de behandeling in Harreveld. Zij achten een PIJ-maatregel niet in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

Voorts acht de rechtbank mede gezien de aard van het thans bewezen verklaarde feit, zijnde een geweldsdelict, weliswaar ernstig maar van andere aard en ernst dan een (poging tot) verkrachting, de oplegging van de PIJ-maatregel niet aan de orde.

Uit de rapportages en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat de verdachte een intensieve en langdurige specialistische behandeling nodig heeft, doch dat deze behandeling tot op heden nog niet van de grond is gekomen. Gelet hierop en gelet op hetgeen de deskundigen hebben geadviseerd, is het van groots belang dat de verdachte zo snel mogelijk deze behandeling alsnog krijgt. De verdachte is sinds 29 september 2016 geplaatst op Harreveld in een behandelgroep voor jongens met een hoog forensisch profiel, waar hij op zijn plaats lijkt te zijn. De rechtbank acht het in niemands belang de goede lijn en de positieve ontwikkelingen die tot nu toe zijn ingezet te frustreren.

De rechtbank realiseert zich terdege dat er sprake is van ernstige problematiek bij de verdachte en dat er al eerder aan de verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel is opgelegd, maar dit maakt het oordeel in dit geval niet anders.

De rechtbank zal derhalve al het voorgaande in acht nemende de verdachte een jeugddetentie opleggen gelijk aan het voorarrest, zodat hij zo snel mogelijk kan beginnen aan zijn noodzakelijke behandeling.

Algemene afsluiting

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

8 Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde partij] , wonende te [woonplaats] , ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.064,- aan materiële schade en een bedrag van € 1.170,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Tevens heeft de benadeelde partij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering voor wat betreft het materiële gedeelte en matiging tot een bedrag van € 500,- voor wat betreft het immateriële deel, alsmede tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vergoeding ter zake van de materiële schade met betrekking tot het verlies van arbeidsvermogen en de onregelmatigheidstoeslag de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren nu deze posten onvoldoende zijn onderbouwd. De raadsvrouw heeft geconcludeerd tot matiging van het gevorderde immateriële deel tot een bedrag van € 300,-, nu slechts de poging zware mishandeling bewezen kan worden verklaard.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de verdachte de vordering van de benadeelde partij onvoldoende heeft betwist, zal deze worden toegewezen.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 400,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, met afwijzing van hetgeen aan hoofdsom aan immateriële schade meer is gevorderd.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.464,46, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) passend en geboden geacht.

9 Vordering tenuitvoerlegging

9.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 7 juli 2016 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van verkrachting naast een jeugddetentie van 5 maanden veroordeeld tot een voorwaardelijk PIJ-maatregel, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is formeel ingegaan op 22 juli 2016.

9.2.

Standpunt officier van justitie/Standpunt verdediging

Zowel de officier van justitie als de verdediging hebben geconcludeerd tot afwijzing van de vordering.

9.3.

Beoordeling

Voor de vraag of de tenuitvoerlegging kan worden gelast van de bij voornoemd vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf, is het volgende van belang.

De verdachte verbleef krachtens een machtiging tot een gesloten uithuisplaatsing d.d. 7 juli 2016 in de gesloten jeugdhulpinstelling Schakenbosch.

Ingevolge artikel 77y, derde lid, Sr loopt de proeftijd niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

De rechtbank is van oordeel dat de veroordeelde door de gesloten uithuisplaatsing rechtens van zijn vrijheid is beroofd. Krachtens vaste jurisprudentie gaat het in artikel 14b, vierde lid, Sr niet alleen om strafrechtelijke vrijheidsbeneming, maar ook om vrijheidsbeneming op andere titel als bijvoorbeeld civielrechtelijke gijzeling en vreemdelingenbewaring. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank evenzeer voor artikel 77y, derde lid, Sr. De plaatsing in een gesloten accommodatie ex artikel 6.1.2 van de Jeugdwet betreft een vrijheidsbeneming waarop artikel 5 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van toepassing is.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de proeftijd van twee jaar weliswaar formeel is ingegaan, maar dat die termijn niet liep gedurende de gesloten uithuisplaatsing van de veroordeelde.

Gelet hierop is de grondslag aan de vordering komen te ontvallen, zodat deze reeds daarom zal worden afgewezen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 45, 77a, 77g, 77h, 77i en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit (poging zware mishandeling), zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 31 (éénendertig) dagen,

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden;

wijst de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij] wonende te [woonplaats] , toe tot een bedrag van € 1.464,46 (duizendvierhonderdvierenzestig euro en zesenveertig eurocent), bestaande uit € 1.064,46 aan materiële schade en € 400,- aan immateriële schade, en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 1.464,46, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van dit bedrag vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 1 (één) dag; toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij voormeld vonnis van 7 juli 2016 in de zaak met parketnummer 10/680066-16 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke PIJ-maatregel.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.P. van der Stroom, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. M.A. van der Laan-Kuijt en S.C.C. Hes-Bakkeren, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Kandemir-Akkal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 28 augustus 2016 te [plaats] , ter uitvoering van het voornemen om door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te weten het brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer] ,

- met een steelpan, althans een hard voorwerp, die [slachtoffer] meermalen op het hoofd heeft geslagen en/of

- die [slachtoffer] bij haar kleding heeft vastgepakt,

terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid;

(art 242, 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 augustus 2016 te [plaats] , ter uitvoering van het voornemen om aan [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal (telkens) na rijp beraad en rustig overleg, (met kracht) met een (steel)pan heeft geslagen op het hoofd van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid;

(art 302 lid 1, 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 augustus 2016 te [plaats] , [slachtoffer] al dan niet met voorbedachte rade heeft mishandeld door die [slachtoffer] na rijp beraad en rustig overleg meermalen, althans eenmaal (telkens) (met kracht) te slaan op het hoofd;

(art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)