Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:10140

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-12-2016
Datum publicatie
10-01-2017
Zaaknummer
3960019
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil ziekenhuis en (praktijkvennootschap) specialist. Civiele rechter of Arbitrage. Huurovereenkomst OPG-apparaat, of aanvulling op toelatingsovereenkomst? Vergoeding op basis van NZa-tarief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TVA 2017/33
GZR-Updates.nl 2017-0078
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 3960019 / CV EXPL 15-11666

uitspraak: 23 december 2016

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam] Praktijk voor Kaakchirurgie B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde: mr. M. Snoek, advocaat te Den Haag,

tegen

de stichting,

Stichting Sint Franciscus Vlietland Groep,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde: mrs. T.A.M. van den Ende en F. Lijffijt, advocaten te Zwolle.

Partijen worden hierna aangeduid met ‘[naam] Praktijk voor Kaakchirurgie’ en

‘Sint Franciscus Vlietland Groep’.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen;

  • -

    het tussenvonnis van 8 januari 2016 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

  • -

    de zijdens Sint Franciscus Vlietland Groep nagezonden productie, ontvangen ter griffie op 31 maart 2016;

  • -

    de akte wijziging van eis in conventie;

  • -

    het proces-verbaal van de op 5 april 2016 gehouden comparitie van partijen;

  • -

    de conclusie na comparitie tevens houdende akte uitlating eiswijziging zijdens Sint Franciscus Vlietland Groep, met één productie;

  • -

    de antwoordakte na comparitie, tevens akte uitlaten productie zijdens [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie.

1.2.

De kantonrechter heeft vonnis nader bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling in conventie en in voorwaardelijke reconventie

2.1.

De kantonrechter verwijst naar en blijft bij hetgeen zij heeft overwogen in het tussen partijen gewezen tussenvonnis van 8 januari 2016. In dit tussenvonnis is onder r.o. 7.9 overwogen dat op grond van de in het vonnis samengevat weergegeven stellingen van partijen – die maken dat de kantonrechter op dat moment nog niet kon beoordelen of de rechtbank Rotterdam c.q. de kantonrechter bevoegd is én of [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie kan worden ontvangen in haar vorderingen – de kantonrechter aanleiding zag een comparitie van partijen te gelasten om nadere inlichtingen van partijen te verkrijgen. Om proceseconomische redenen is tijdens de gehouden comparitie tevens aan de orde gesteld de wijze van totstandkoming van de afspraken omtrent de vergoeding voor het ter beschikking stellen van het OPG-apparaat, alsmede de stelling van Sint Franciscus Vlietland Groep dat de verhoging van het NZa-tarief per 1 januari 2014 als een onvoorziene omstandigheid dient te worden aangemerkt.

2.2.

Bedoelde comparitie vond plaats op 5 april 2016, in aanwezigheid van beide partijen, Tijdens die comparitie is uitvoerig ingegaan op een drietal onderwerpen die tevens de kern van het tussen partijen te beslechten geschil betreffen, te weten, kort gezegd,

( i) civiele rechter of arbitrage, (ii) huurovereenkomst en (iii) NZa-tarief.

De kantonrechter zal hierna bij de beoordeling eveneens deze 3 geschilpunten op hun juridische merites beoordelen, in de volgorde waarin deze hiervoor zijn opgesomd.

( i) Civiele rechter of arbitrage ?

2.3.

Sint Franciscus Vlietland Groep heeft als verweer opgeworpen (samengevat weergegeven) dat de overeenkomst ter zake van het OPG-apparaat voortvloeit uit de eerder gesloten toelatingsovereenkomst uit 1986 tussen de rechtsvoorganger van Sint Franciscus Vlietland Groep enerzijds en [naam] (in persoon) anderzijds. Het zou hier met andere woorden gaan om een verlengde van de toelatingsovereenkomst, dan wel een aanvulling daarop, waarin deze partijen afspraken hebben gemaakt over de aanschaf van het OPG-apparaat door [naam]. Nu er een arbitragebeding in die toelatingsovereenkomst is opgenomen, is de rechtbank Rotterdam niet bevoegd om kennis te nemen van het onderhavige geschil, aldus Sint Franciscus Vlietland Groep.

2.4.

Als niet weersproken staat tussen partijen vast dat tussen de rechtsvoorganger van Sint Franciscus Vlietland Groep enerzijds en [naam] (in persoon) anderzijds de zogeheten toelatingsovereenkomst is gesloten, gedateerd 22 september 1986 (overgelegd als productie 1 bij conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie).

Die overeenkomst is derhalve inmiddels ruim 30 jaar geleden gesloten, in de periode dat

[naam] bovendien nog niet werkzaam was als kaakchirurg binnen de door hem later in 1994 opgerichte vennootschap [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie.

2.5.

Artikel 27 van de toelatingsovereenkomst behelst een arbitragebeding dat als volgt luidt: “Alle geschillen naar aanleiding van deze overeenkomst zullen bij wege van bindend advies worden beslecht door het Scheidsgerecht voor het Nederlandse Ziekenhuiswezen”. Sint Franciscus Vlietland Groep heeft in dit verband ter zitting toegelicht en betoogd dat het hier om een oude overeenkomst gaat, tevens een modelovereenkomst, die later is gewijzigd. In die gewijzigde toelatingsovereenkomst is een (nieuw) lid 2 toegevoegd aan het hiervoor aangehaalde artikel 27 dat luidt dat het Scheidsgerecht Gezondheidszorg bevoegd is kennis te nemen van geschillen tussen partijen “welke mochten ontstaan naar aanleiding van de onderhavige overeenkomst, dan wel van nadere overeenkomsten die daaruit voortvloeien.”

Die aangepaste, latere versie is gesloten met de nieuwe kaakchirurgen, maar dat is in geval van [naam] niet gebeurd, aldus Sint Franciscus Vlietland Groep.

Gelet op onder meer het lange tijdsverloop gerekend vanaf het moment van sluiten van de toelatingsovereenkomst uit september 1986 tot aan het moment van sluiten van de onderhavige overeenkomst in juni 2007, valt niet in te zien hoe de onderhavige overeenkomst moet worden aangemerkt als een aanvulling op die toelatingsovereenkomst, zoals bij wijze van verweer is betoogd. Het gaat hier om een ten opzichte van de toelatingsovereenkomst losstaande overeenkomst, die door partijen is aangegaan als oplossing voor het in 2007 gerezen probleem, ontstaan nadat het OPG-apparaat dat werd gebruikt door de rechtsvoorganger van Sint Franciscus Vlietland Groep vervangen moest worden en daarvoor op dat moment niet de financiële middelen voor handen waren. Gesteld noch gebleken is dat de oplossing die partijen gekozen hebben de enige oplossing was die voorhanden was. Sint Franciscus Vlietland Groep had in de gegeven omstandigheden evengoed een andere financieringsmethodiek kunnen kiezen of een andere contractspartij kunnen benaderen. In feite komt het erop neer dat [naam] zich bereid heeft verklaard om het OPG-apparaat zelf aan te schaffen, welk aanbod door Sint Franciscus Vlietlang Groep is aanvaard en heeft geresulteerd in de onderhavige overeenkomst.

Enige feitelijke aanknopingspunten waaruit blijkt dat de onderhavige overeenkomst teruggrijpt op afspraken uit de toelatingsovereenkomst, dan wel daarmee onlosmakelijk is verbonden of daarmee één geheel vormt, zijn gesteld noch gebleken.

2.6.

Geconcludeerd moet daarom worden dat het arbitragebeding uit de toelatingsovereenkomst in deze kwestie toepassing mist, zodat de civiele rechter bevoegd is en daarmee [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie in zoverre ontvankelijk is in haar vorderingen.

(ii) Huurovereenkomst ?

2.7.

Voorts is door Sint Franciscus Vlietland Groep betoogd dat (voortbordurend op de bevoegdheidskwestie die hiervoor is beoordeeld), zo de onderhavige overeenkomst als een losstaande overeenkomst moet worden gekwalificeerd, deze niet kan worden aangemerkt als een huurovereenkomst, om welke reden in haar visie de kantonrechter onbevoegd is van het geschil kennis te nemen (en een verwijzing naar de handelskamer van de rechtbank moet volgen). Zij heeft ter onderbouwing van haar betoog aangevoerd dat [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie het OPG-apparaat niet in gebruik heeft verstrekt aan Sint Franciscus Vlietland Groep maar aan zichzelf. [naam] (als kaakchirurg) dient het apparaat zelf te gebruiken om de röntgenfoto’s te kunnen maken. Om als “huur” in de zin van artikel 7:201 BW te kunnen kwalificeren dient te zijn voldaan aan het noodzakelijke element “in gebruik verstrekken/geven/verschaffen” van een zaak door de verhuurder aan de huurder. Aan dat vereiste is niet voldaan nu [naam] het apparaat niet aan het ziekenhuis maar juist aan zichzelf ter beschikking heeft gesteld. De overeenkomst kwalificeert volgens haar om die reden niet als een huurovereenkomst. Daar komt nog bij, aldus nog steeds Sint Franciscus Vlietland Groep, dat het OPG-apparaat niet ter beschikking staat van “de kaakchirurgen” (derhalve in meervoud, citaat uit de overeenkomst onder punt 3) maar enkel van [naam] omdat hij de enige kaakchirurg was. De vergoeding die Sint Franciscus Vlietland Groep betaalt aan [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie heeft in die zin dan ook geen relatie met het gebruik van het OPG-apparaat.

De kwestie die meer subsidiair door Sint Franciscus Vlietland Groep aan de orde is gesteld en die direct verband houdt met dit tweede geschilpunt, betreft het antwoord op de vraag of de vennootschap [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie als eisende partij ontvankelijk is in dit geschil, omdat de overeenkomst waar het in deze zaak om gaat de facto is gesloten met [naam] in persoon, dat wil zeggen in de hoedanigheid van zelfstandig kaakchirurg, derhalve een natuurlijk persoon en niet een rechtspersoon.

2.8.

De kantonrechter overweegt ten aanzien van dit geschilpunt als volgt. Vooropgesteld wordt dat de enkele stelling van Sint Franciscus Vlietland Groep dat partijen in de overeenkomst geen vaste huurprijs zijn overeengekomen maar een vergoeding die afhankelijk is van het aantal verrichtingen dat per kwartaal wordt afgerekend en derhalve fluctueert, en dat “daarom geen sprake is van huur”, moet worden verworpen.

Dat gegeven is in dit verband niet van doorslaggevende betekenis. Huur wordt gedefinieerd in artikel 7:201 BW. Blijkens de toelichting op dat artikel zijn de kenmerken van huur het verschaffen van het gebruik van een zaak door de verhuurder en het verrichten van een tegenprestatie hiervoor door de huurder. Het begrip huur alsmede de essentialia van de huurovereenkomst dienen volgens diezelfde toelichting ruim te worden genomen. Voorts wordt in dit verband ook onderstreept dat de naam die partijen aan de overeenkomst geven niet bepalend is voor de kwalificatie van de overeenkomst, doch wel de inhoud van die overeenkomst, ook al hebben partijen dit karakter van de overeenkomst bij het aangaan daarvan niet onderkend. Als voorwaarde geldt wel dat de tegenprestatie van de huurder voldoende vastomlijnd moet zijn. Een tijdselement, dat wil zeggen een einddatum, behoort evenwel niet tot de vereisten. Vastgesteld wordt verder dat, hoewel partijen bij het aangaan van de overeenkomst wellicht niet voor ogen hadden een huurovereenkomst als zodanig aan te gaan, daarvan in dit geval wel degelijk sprake is. Aan alle elementen voor de huur zoals in artikel 7:201 BW en de toelichting daarop zijn vermeld, is in dit geval voldaan.

[naam] Praktijk voor Kaakchirurgie heeft het OPG-apparaat aangeschaft en vervolgens aan Sint Franciscus Vlietland Groep, meer in het bijzonder de kaakchirurgische afdeling daarvan, ter beschikking gesteld om te gebruiken tegen een vergoeding die in voldoende mate bepaalbaar is. Dat is een huurovereenkomst, meer concreet de verhuur van het OPG-apparaat tegen een huurprijs. Dat die huurprijs achteraf wordt berekend (elk kwartaal) op basis van het aantal verrichtingen doet aan de voorgaande conclusie niet af. Of [naam] als kaakchirurg de enige is geweest die het apparaat feitelijk ook gebruikte, kan in het midden blijven omdat het antwoord op die vraag niet beslissend is in dit verband. [naam] kon en mocht het apparaat ook aan zichzelf verhuren, maar dat laat onverlet dat het apparaat nog steeds ter beschikking stond van “alle kaakchirurgen” die zijn (of later werden) toegelaten tot Sint Franciscus Vlietland Groep.

2.9.

Als onweersproken staat voorts tussen partijen vast dat sinds de oprichting en de werkzaamheid in 1994 van de praktijkvennootschap, [naam] enkel en alleen via die vennootschap zijn werkzaamheden uitvoert binnen het grote ziekenhuisgeheel dat Sint Franciscus Vlietland Groep vormt.

Sint Franciscus Vlietland Groep heeft haar correspondentie steeds gericht aan [naam] zonder daarbij de vermelding van de vennootschap/praktijk. Ter illustratie dient in dit verband de brief van 12 maart 2007 (overgelegd als productie 2 bij conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie) waarvan de aanhef luidt “Geachte heer [naam]”, daarmee onmiskenbaar doelend op (ook) [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie nu verderop in de brief staat “uw praktijk”. Datzelfde geldt voor de overeenkomst zelf (overgelegd als productie 3 bij conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie), die gericht is aan “dhr. P. [naam]” en voorts ook de brief van 6 december 2011 (overgelegd als productie 4 bij conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie), terwijl die kwestie naar het oordeel van de kantonrechter evident een kwestie betreft die de vennootschap aangaat en niet [naam] in persoon. Kennelijk heeft ook Sint Franciscus Vlietland Groep de gewoonte om, daar waar zij formeel in haar brieven doelt op de vennootschap, zij daarbij de heer [naam] als persoon aanschrijft, omdat

[naam] óók de praktijk in zijn geheel vormde en daarmee vereenzelvigd moet worden. Daar komt nog bij dat vaststaat dat, hoewel de overeenkomst is gesloten met [naam], alle geldstromen van het ziekenhuis naar de praktijkvennootschap lopen.

2.10.

De conclusie van het voorgaande tezamen moet luiden dat de overeenkomst geduid moet worden als een huurovereenkomst, zodat de kantonrechter bevoegdheid toekomt te oordelen en voorts dat [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie in deze kwestie ontvankelijk is om als eiseres om te treden.

(iii) NZa-tarief

2.11.

De kern van het tussen partijen gevoerde debat heeft betrekking op dit derde onderdeel. Kort gezegd vordert [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie betaling van het maximum NZa-tarief over het jaar 2014 voor de verrichtingen met code 239452, zijnde

€ 31,42, in plaats van het door Sint Franciscus Vlietland Groep gehanteerde tarief van

€ 19,10 dat is vastgesteld voor het jaar 2013. In feite komt de discussie tussen partijen erop neer of zij in de overeenkomst onvoorwaardelijk hebben bedoeld het jaarlijks door de NZa vast te stellen (maximum)tarief te hanteren, en dat die afspraak ook moet worden nagekomen, op welke grondslag [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie de gevorderde hoofdsom heeft gegrond.

Het betoog van Sint Franciscus Vlietland Groep komt erop neer dat de afspraak over het NZa-tarief niet bedoeld is zoals door [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie wordt geïnterpreteerd, zodat die afspraak overeenkomstig het in de jurisprudentie ontwikkelde Haviltexcriterium nog nader moet worden uitgelegd. Zij voert ter onderbouwing van dat standpunt voorts nog aan dat bij het sluiten van de overeenkomst ter zake van het

OPG-apparaat (de rechtsvoorganger van) het Sint Franciscus Vlietland Groep voor ogen stond dat de heer [naam] zijn investering geleidelijk zou terugverdienen en niet dat hij forse winsten met het OPG-apparaat zou maken. Partijen hebben dit nimmer voor ogen gehad. Een dergelijk uitgangspunt past ook niet bij de maatschappelijke context waarbinnen partijen zich begeven, te weten de ziekenhuiszorg, aldus Sint Franciscus Vlietland Groep.

2.12.

Bij de beoordeling van dit onderdeel van de vordering in conventie wordt ook betrokken het geschilpunt in voorwaardelijke reconventie (dat afhankelijk is gesteld van de voorwaarde dat [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie ontvankelijk wordt verklaard en de kantonrechter oordeelt dat zij bevoegd is om van dit geschil kennis te nemen, welke voorwaarde is ingetreden). Sint Franciscus Vlietland Groep heeft na eiswijziging in voorwaardelijke reconventie gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de (uitvoering van de) overeenkomst van 11 juni 2007 voor wat betreft het onderdeel “De prijs per verrichting is het NZa-tarief dat voor deze verrichting is vastgesteld”, met terugwerkende kracht per 1 januari 2014 te wijzigen in

De prijs per verrichting is een gedeelte van het NZa-tarief dat voor deze verrichting is vastgesteld, te weten € 19,10”, met veroordeling van [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie in de kosten van de procedure. Zij betoogt daarbij, kort gezegd, dat sprake is van onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 6:258 lid 1 BW die tot waardeverstoring hebben geleid, zodat [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding en uitvoering van de overeenkomst mag verwachten. Het is gebruikelijk dat de NZa de tarieven jaarlijks indexeert, maar een tariefstijging tot € 31,42 die het gevolg was van een gewijzigd declaratiesysteem en het onderzoek van de NZa in 2012 naar de kostprijzen van de kaakchirurgie, was niet te voorzien in 2007 bij het aangaan van de overeenkomst.

2.13.

De beoordeling daarvan is onlosmakelijk verbonden met de beoordeling van het geschilpunt in conventie aangaande het NZa-tarief en kan daarvan niet los worden gezien, zodat een en ander tezamen behandeld en beoordeeld moet worden. Dienaangaande wordt het volgende overwogen. Partijen hebben blijkens de tekst van de door henzelf opgestelde overeenkomst als vergoeding een prijs/tarief afgesproken. De letterlijke bewoordingen van de overeenkomst (onder 4) luiden:

De prijs per verrichting is het NZa-tarief dat voor deze verrichting is vastgesteld.

Voor 2007 is dit 18 euro per verrichting.”

Voorts staat als onweersproken tussen partijen vast dat Sint Franciscus Vlietland Groep die afspraken uit 2007 tot en met 2013 onverkort is nagekomen en daarbij steeds het door de NZa jaarlijks vast te stellen tarief voor de betreffende verrichting heeft vergoed aan

[naam] Praktijk voor Kaakchirurgie. Met andere woorden, gedurende een periode van
7 jaar heeft dit niet geleid tot controverse tussen partijen en is uitvoering gegeven aan de afspraken. Dat werd anders in 2014 toen Sint Franciscus Vlietland Groep voor het eerst bij brief van 4 augustus 2014 heeft aangegeven vanaf het jaar 2014 het naar eigen zeggen “redelijke tarief” van 2013 groot € 19,10 te hanteren. Dat partijen een andere bedoeling hebben gehad dan het autonome NZa-tarief, dan wel dat zij vanaf een bepaalde datum dat tarief hebben willen fixeren (in casu vanaf 2013 op het tarief van dat jaar), of om de bewoordingen van Sint Franciscus Vlietland Groep te gebruiken “een redelijk tarief” te hanteren, zou dan bijvoorbeeld tijdens onderhandelingen die zijn voorafgegaan aan de totstandkoming en sluiting van de overeenkomst aan de orde zijn gesteld. Partijen zouden dat dan hebben kunnen meenemen bij het aangaan van de overeenkomst in 2007, althans daarbij kunnen stilstaan en verdisconteren in de overeenkomst. Dat zij dat hebben gedaan is de kantonrechter niet gebleken nu omtrent die onderhandelingen door partijen geen stukken die daarop betrekking hebben in het geding zijn gebracht. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat dat ook niet ter sprake is gebracht door partijen.

Door Sint Franciscus Vlietland Groep is in dit verband verder nog aangevoerd dat het uitgangspunt van partijen bij de overeenkomst is geweest dat de door [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie gedane investering zou worden terugverdiend en uitdrukkelijk niet een winstmaximalisatie. Dat dat het oogmerk is geweest van partijen, wordt niet door enig stuk onderbouwd en komt in de uiteindelijke tekst van de overeenkomst evenmin tot uitdrukking.

Zo partijen dat oogmerk hebben gehad, dan lag het toch op zijn minst op de weg van een van hen om dat in de overeenkomst of de correspondentie daaromtrent op te nemen. Dat is niet gebeurd, zodat niet kan worden aangenomen dat partijen die bedoeling hebben gehad.

2.14.

Resteert nog het in dit verband bij voorwaardelijke reconventie gedane beroep van Sint Franciscus Vlietland Groep op artikel 6:258 lid 1 BW. Zij verwijst daarbij naar een kostenonderzoek van de NZa waarvan de uitkomst is geweest dat bepaalde zorgactiviteiten een te lage opbrengst hadden, hetgeen heeft geresulteerd in een verhoging van de tarieven. Ook als veronderstellende wijs wordt uitgegaan van de juistheid van die stellingen, en dat het NZa-tarief door de jaren heen is gestegen als gevolg van de overgang naar een ander declaratiesysteem en een kostenonderzoek door de NZa in 2012 naar de kostprijzen van kaakverrichtingen, - en voorts dat dit heeft geleid tot de gestelde waardeverstoring- , rechtvaardigt dit niet zonder meer het door Sint Franciscus Vlietland Groep gedane beroep op onvoorziene omstandigheden ex art. 6:258 lid 1 BW.

Voor een geslaagd beroep op voornoemd artikel zijn zwaardere, bijkomende omstandigheden nodig, van dien aard dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Terughoudendheid moet daarbij worden betracht. Op zichzelf genomen is wel juist de stelling van Sint Franciscus Vlietland Groep dat voor partijen in 2007 niet was te voorzien dat er een onderzoek van NZa zou plaatsvinden en dat dit tot deze uitkomsten zou leiden, laat staan dat zij daarmee rekening kon houden bij het aangaan van de overeenkomst. Maar dat is ook niet doorslaggevend. Het komt er immers op aan, van welke veronderstellingen partijen zijn uitgegaan en of zij in de mogelijkheid van de onvoorziene omstandigheden hebben willen voorzien, althans stilzwijgend die mogelijkheid hebben verdisconteerd.

Niet gebleken is dat de door Sint Franciscus Vlietland Groep aangevoerde omstandigheden zodanig van aard zijn dat geen ongewijzigde instandhouding van de afspraken door [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie mag worden verwacht. Kortom, de “hoge uitzondering” die vereist is, doet zich hier niet voor.

2.15.

Geconcludeerd moet worden dat, omdat verder niet is weersproken dat de door de NZa vastgestelde tarieven weliswaar maximumtarieven zijn maar dat iedereen die maxima gebruikt zodat dat in feite vaste tarieven zijn geworden, [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie op goede gronden heeft aangevoerd dat zij nakoming van de overeenkomst vordert met Sint Franciscus Vlietland Groep op basis van dat maximumtarief over 2014 van € 31,42 per verrichting. Sint Franciscus Vlietland Groep is door haar handelwijze, het toepassen van het tarief van € 19,10, toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de voor haar uit de huurovereenkomst voortvloeiende betalingsverplichtingen. Dat betekent dat het onder r.o. 3.1. onder 1 van het tussenvonnis weergegeven gevorderde voor toewijzing gereed ligt, een en ander als hierna in het dictum is bepaald. In dat oordeel ligt ook besloten dat -op diezelfde gronden- het door Sint Franciscus Vlietland Groep in voorwaardelijke reconventie gevorderde zal worden afgewezen.

2.16.

Ook de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW zoals is gevorderd vanaf de respectieve data van het van rechtswege intredend verzuim ligt voor toewijzing gereed.

Het betreft hier immers een handelsovereenkomst, gesloten tussen twee professionele contractspartijen.

2.17.

[naam] Praktijk voor Kaakchirurgie heeft voorts gevorderd (na wijziging van haar eis in conventie) Sint Franciscus Vlietland Groep te gebieden om over het eerste kwartaal van 2015 en alle daarop volgende kwartalen waarin gebruik wordt gemaakt van het OPG-apparaat, dat gebruik met [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie af te rekenen op basis van het voor de betreffende periode actuele (maximum) NZa-tarief voor de verrichting met code 239452, dan wel vanaf januari 2016 het voor de betreffende periode actuele NZa-tarief voor de verrichting met code 239462 zulks op straffe van een dwangsom van € 25.000,00, althans een dwangsom van een in goede justitie vast te stellen omvang voor elk kwartaal dat Sint Franciscus Vlietland Groep aan dat gebod niet voldoet.

Voortbordurend op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de vergoeding over het jaar 2014, ligt dit onderdeel van de vordering voor wat betreft het jaar 2015 reeds voor toewijzing gereed. Sint Franciscus Vlietland Groep is immers op basis van hetgeen partijen hebben afgesproken gehouden om ook over het jaar 2015 onverkort het (maximum)

NZa-tarief voor de verrichting met code 239452 af te rekenen. De gevorderde dwangsom kan, onder verwijzing naar artikel 611a, lid 1, Rv niet worden toegewezen. Aan de veroordeling tot betaling van een geldsom, waar het in feite in casu op neerkomt, kan geen dwangsom worden gekoppeld. Het onderdeel van deze vordering dat betrekking heeft op het jaar 2016 moet worden afgewezen, nu hierna zal worden geoordeeld dat de huurovereenkomst per 1 januari 2016 is .

2.18.

Door [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie is een verklaring voor recht gevorderd (weergegeven onder r.o. 3.1. onderdelen 3 en 4 van het tussenvonnis) dat Sint Franciscus Vlietland Groep op basis van de overeenkomst met [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie gehouden is tot gebruikmaking van het OPG-apparaat tot het moment waarop de technische levensduur van dat apparaat is verstreken, althans in ieder geval gehouden is tot gebruikmaking van het OPG-apparaat van [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie tot en met maart 2017. Daaraan gekoppeld is ook de gevorderde verklaring voor recht dat Sint Franciscus Vlietland Groep gehouden is om aan [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie alle schade te vergoeden die [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie lijdt als gevolg van een eventueel stoppen door Sint Franciscus Vlietland Groep van het gebruikmaken van het OPG-apparaat van [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie voordat de technische levensduur van dat apparaat is verstreken, althans een eventueel stoppen door Sint Franciscus Vlietland Groep van het gebruikmaken van het OPG-apparaat van [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie vóór 31 maart 2017.

2.19.

Bij de beoordeling van dit onderdeel van de vordering moet worden betrokken het feit dat Sint Franciscus Vlietland Groep de overeenkomst ter zake van het OPG-apparaat per

1 januari 2016 heeft opgezegd (opzegbrief van 19 juni 2015). [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie stelt dat zij ervan mocht uitgaan dat de huurovereenkomst voortduurt zolang het OPG-apparaat naar behoren functioneert, althans tot maart 2017. Zij betoogt daarom dat nu de opzegging van Sint Franciscus Vlietland Groep per 1 januari 2016 hiermee in strijd is, die opzegging geen rechtsgevolg heeft, althans die opzegging Sint Franciscus Vlietland Groep schadeplichtig maakt. Dit betoog van [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie slaagt niet. Met recht heeft Sint Franciscus Vlietland Groep aangevoerd dat het haar vrij stond om de huurovereenkomst -die voor onbepaalde tijd is aangegaan- op enig moment op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn, in dit geval een relatief lange termijn van 6 maanden, waarbij uitdrukkelijk rekening is gehouden met de belangen van de verhuurder. Niet kan worden ingezien waarom de onderhavige huurovereenkomst niet tussentijds opzegbaar is, of dat de opzegging op andere gronden niet rechtsgeldig is geweest. Een en ander betekent dat de overeenkomst op 1 januari 2016 is geëindigd. Het standpunt omtrent de technische levensduur van het OPG- apparaat behoeft gelet op het voorgaande geen afzonderlijke bespreking meer.

2.20.Ten slotte ligt ook de door [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie na wijziging van haar eis (nieuwe) onderdeel 5 voor toewijzing gereed, waarin zij een verklaring voor recht vordert dat Sint Franciscus Vlietland Groep aan haar moet vergoeden alle BTW-lasten plus eventuele kosten, renten en boetes zoals die aan [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie zijn of nog zullen worden opgelegd in verband met de door partijen overeengekomen hoofdverplichting en dat Sint Franciscus Vlietland Groep op toekomstige facturen de BTW over die hoofdverplichting moet verantwoorden. Het betreft immers een BTW belaste prestatie in het kader van de huurovereenkomst met betrekking tot het OPG-apparaat.

2.21.

[naam] Praktijk voor Kaakchirurgie heeft een vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten ingesteld, ten bedrage van € 1.731,99. Daartegen is door Sint Franciscus Vlietland Groep verweer gevoerd, en zij heeft geconcludeerd tot afwijzing van die vordering. Zij heeft daarbij betoogd dat door [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie geen minnelijke regeling is aangeboden, terwijl de Sint Franciscus Vlietland Groep dat wel heeft gedaan en [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie dat aanbod heeft afgeslagen, althans daar niet voor openstond.

De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen. Voor de verschuldigdheid van die kosten dient voldoende te worden gesteld en onderbouwd op grond waarvan deze verschuldigd zijn en verder dat genoemde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie heeft met betrekking tot de aan de procedure voorafgegane incasso(pogingen) echter onvoldoende (gespecificeerd en gemotiveerd) gesteld om daaruit te kunnen concluderen dat werkzaamheden zijn verricht die de normale voorbereiding van een gerechtelijke procedure te buiten gaan, laat staan dat in dat kader kosten zijn gemaakt.

Dat klemt temeer nu Sint Franciscus Vlietland Groep onbetwist heeft aangevoerd dat zij wel een minnelijke poging heeft gedaan en [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie dat aanbod heeft afgeslagen, althans daar niet voor openstond.

2.22.

Tot slot zal Sint Franciscus Vlietland Groep als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, zowel wat betref het geschil in conventie als in voorwaardelijke reconventie.

3 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

veroordeelt Sint Franciscus Vlietland Groep tegen bewijs van kwijting aan [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie te betalen het bedrag van € 75.554,51, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (BW), over:

a. € 15.563,99 vanaf 30 april 2014, zijnde de dag van van rechtswege intredend verzuim, tot de dag der algehele voldoening;

b. € 19.078,43 vanaf 30 juli 2014, zijnde de dag van van rechtswege intredend verzuim, tot de dag der algehele voldoening;

c. € 18.833,53 vanaf 30 oktober 2014, zijnde de dag van van rechtswege intredend verzuim, tot de dag der algehele voldoening;

d. € 22.078,58 vanaf 30 januari 2015, zijnde de dag van van rechtswege intredend verzuim, tot de dag der algehele voldoening;

gebiedt Sint Franciscus Vlietland Groep om over het eerste kwartaal van 2015 en alle daarop volgende kwartalen van 2015 waarin gebruik wordt gemaakt van het OPG-apparaat van [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie tot 1 januari 2016, dat gebruik met [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie af te rekenen op basis van het voor de betreffende periode actuele (maximum) NZa-tarief voor de verrichting met code 239452;

verklaart voor recht dat Sint Franciscus Vlietland Groep aan [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie moet vergoeden alle BTW-lasten plus eventuele kosten, renten en boetes zoals die aan [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie zijn of nog zullen worden opgelegd in verband met de door partijen overeengekomen hoofdverplichting en dat Sint Franciscus Vlietland Groep op toekomstige facturen de BTW over die hoofdverplichting moet verantwoorden;

in voorwaardelijke reconventie:

wijst het gevorderde af;

in conventie en in reconventie:

veroordeelt Sint Franciscus Vlietland Groep in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [naam] Praktijk voor Kaakchirurgie vastgesteld op € 1.009,84 aan verschotten (waarvan € 932,00 aan griffierecht en € 77,84 aan dagvaardingskosten) en € 3.600,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

(741)