Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2016:10119

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-12-2016
Datum publicatie
06-01-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6612
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft uitspraak inzake het beroep van een voormalig ambtenaar van het ministerie van Defensie die een inkomensverlies lijdt vanwege de verhoging van de AOW-leeftijd (AOW-gat).

De rechtbank heeft geoordeeld dat de beëindiging van de (aansluitende) bovenwettelijke werkloosheidsuitkering bij 65 jaar een verboden onderscheid naar leeftijd oplevert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 15/6612

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 december 2016 in de zaak tussen

[eiser]

gemachtigde: mr. W.E. Louwerse

en

de minister van Defensie, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Kalvenhaar.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2015 (toekenningsbesluit) heeft verweerder eiser een (aansluitende) bovenwettelijke werkloosheidsuitkering toegekend tot de eerste dag van de maand volgende op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.

Bij besluit van 22 september 2015 (bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2016.

Eiser is verschenen bij gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Het beroep is ter zitting gevoegd behandeld met zaken ROT 15/4426, ROT 15/5039, ROT 15/6003, ROT 15/6640, ROT 15/6441, ROT 15/6713, ROT 15/6753, ROT 15/7277, ROT 16/3462 en ROT 16/3567. Daarna is onderhavige zaak gesplitst van de andere zaken. In deze zaak wordt separaat uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. Eiser was als burgerambtenaar werkzaam bij verweerder. Aan hem is ontslag verleend met toepassing van artikel 116, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie en het Sociaal Beleidskader Defensie 2012-2016.

2. Op grond van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd en de Wet van 4 juni 2015 tot wijziging van onder meer die wet en de Algemene Ouderdomswet in verband met de versnelling van de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd (Stb. 2015, 218) wordt de pensioengerechtigde leeftijd zoals bedoeld in de Algemene Ouderdomswet (AOW-leeftijd) vanaf 2013 in stappen verhoogd tot 67 jaar in 2021. Vanaf 2022 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. Dit heeft onder andere tot gevolg dat eiser niet vanaf 65-jarige leeftijd recht heeft op een AOW-uitkering, maar pas vanaf de voor hem geldende verhoogde AOW-leeftijd. Sinds 1 januari 2015 kent het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds het ouderdomspensioen vanaf deze verhoogde AOW-leeftijd toe. Omdat de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering niet doorloopt na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar ontstaat er een zogenoemd AOW-gat.

3. Op grond van artikel 2, derde lid, onder a, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie (BWDEF), voor zover hier van belang, heeft de betrokkene die recht heeft op een WW-uitkering na het einde van de uitkeringsduur van de WW-uitkering recht op een aansluitende uitkering tot de dag waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

Op grond van artikel 1 van het BWDEF wordt onder pensioengerechtigde leeftijd voor zover hier van belang verstaan de leeftijd als bedoeld in artikel 122 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (Bard).

Op grond van artikel 122, eerste lid, van het Bard wordt aan ambtenaren, behoudens in zeer bijzondere gevallen, bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar door de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 112, eerste of tweede lid, het ontslag als bedoeld in artikel 121, eerste lid onder h, verleend met ingang van de eerstvolgende maand.

Op grond van artikel 18a van het BWDEF, voor zover hier van belang, kan de minister van Defensie van artikel 2 afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat deze regelgeving beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beëindiging van de bovenwettelijke uitkering op grond van artikel 2, derde lid, van het BWDEF bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd gegeven de mogelijkheid het door het ABP toe te kennen ouderdomspensioen vervroegd te laten ingaan bij het bereiken van die leeftijd, geen verboden onderscheid naar leeftijd oplevert.

5. Eiser betwist dit en is van mening dat verweerder de duur van de aan hem toegekende bovenwettelijke uitkering dient aan te passen zodat deze aansluit op de leeftijd waarop hij het recht op een AOW-uitkering en ABP-pensioen verkrijgt.

6. In de onderhavige zaak is een vergelijkbare situatie, maar niet exact dezelfde regeling, aan de orde als in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 juli 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2614). De rechtbank is van oordeel dat ook in de onderhavige zaak sprake is van een verboden onderscheid naar leeftijd. De rechtbank volgt hierbij de rechtbank Limburg, ECLI:NL:RBLIM:2016:8076.

7. Verweerder heeft beslist de op grond van artikel 2, derde lid, van het BWDEF aan eiser toegekende aansluitende uitkering te beëindigen als hij de leeftijd van 65 jaar bereikt. De beëindiging van de uitkering is daarmee direct gekoppeld aan eisers leeftijd. Daarmee maakt verweerder jegens eiser onderscheid op grond van leeftijd. De rechtbank verwijst in dit verband naar de oordelen van het College voor de rechten van de mens (CRM) van 24 december 2013 (oordeel 2013-178) en de uitspraak van het Europees Hof van Justitie (HvJ) van 26 september 2013 (C-546/11; Dansk Jurist og Økonomforbund tegen Indenrigs og Sundhedsministeriet). Naar het oordeel van de rechtbank doet zich in de onderhavige zaak een vergelijkbaar geval voor.

8. Niet ieder leeftijdsonderscheid is verboden. In artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (Wgbla) zijn situaties neergelegd waarin leeftijdsonderscheid objectief gerechtvaardigd is te achten en het verbod niet geldt. Of sprake is van een objectieve rechtvaardiging moet worden nagegaan aan de hand van een beoordeling van het doel van het onderscheid en het middel dat ter bereiking van dit doel is ingezet. Het doel dient legitiem te zijn, in die zin dat het voldoende zwaarwegend is dan wel dat het doel voorziet in een werkelijke behoefte. Een legitiem doel vereist voorts dat er geen sprake is van een discriminerend oogmerk. Het middel dat wordt gehanteerd moet passend en noodzakelijk zijn. Een middel is passend indien het geschikt is om het beoogde doel te bereiken. Het middel is noodzakelijk indien het doel niet kan worden bereikt met een middel dat niet leidt tot onderscheid, althans minder bezwaarlijk is, en het middel in evenredige verhouding staat tot het doel. Als aan deze voorwaarden is voldaan, levert het onderscheid op grond van leeftijd geen strijd op met de Wgbla.

9. Verweerder heeft betoogd dat met de in artikel 2, derde lid van het BWDEF in verbinding met artikel 122 van het Bard genoemde pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar niet is bedoeld aan te sluiten bij de AOW-gerechtigde leeftijd. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt.

10. De toelichting bij (artikel 6 van) het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel (Stb. 1996, 337), waarnaar wordt verwezen in de toelichting bij artikel 2 van het BWDEF zoals deze volgt uit het Besluit van 8 juni 1999, houdende vaststelling van de regeling inzake de aanvullende voorzieningen bij werkloosheid van defensie personeel (Stb. 1999, 282), vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

“Met de introductie van de verlenging van de loongerelateerde WW-conforme uitkering wordt de verantwoordelijkheid van de minister van Defensie jegens diegene die langere tijd bij het ministerie werkzaam zijn geweest, en voor wie de kansen op de arbeidsmarkt gezien hun leeftijd minder zijn, ingevuld.”

De toelichting bij artikel 2 van het BWDEF, zoals deze volgt uit het Besluit van 2 november 2012 tot vaststelling van regels betreffende tegemoetkomingen ter zake van verhuizing en woon-werkverkeer voor defensiepersoneel en tot wijziging van enige besluiten, in het kader van de arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor de sector Defensie over de periode 1 maart 2012 tot en met 28 februari 2013 (Stb. 2012, 596), vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

“Artikel 2, tweede lid, onder b is een voorziening voor de betrokkene die door zijn langdurig en eenzijdig arbeidsverleden naar verwachting minder snel kans maakt op een betrekking buiten Defensie. De verlenging van de duur van de aansluitende uitkering geldt alleen voor overtolligheidsontslag gegeven onder toepassing van het Sociaal Beleidskader 2012. De duur van de aansluitend uitkering wordt afgeleid van de WW duur zoals deze op 1 januari 2012 luidde.

Artikel 2, derde lid is de garantie-uitkering. Daarmee is rekening gehouden met het feit dat de pensioengerechtigde leeftijd per persoon verschilt.

Artikel 2, vijfde lid geeft weer dat de pensioengerechtigde leeftijd per persoon verschilt. De einddatum van de bovenwettelijke uitkering is in overeenstemming gebracht met de einddatum van de WW-uitkering, verwoord in artikel 19, eerste lid onder h [de rechtbank begrijpt: i] WW.”

11. De rechtbank maakt uit het bovenstaande op dat met de in artikel 2, derde lid, van het BWDEF neergelegde maatregel is bedoeld om bescherming te bieden tegen een inkomensterugval voor personen die wegens hun leeftijd en hun langdurig en eenzijdig arbeidsverleden bij Defensie minder kans maken op de arbeidsmarkt, tot het moment dat voor de betreffende ambtenaar een recht ontstaat op AOW- en ABP-pensioen. Hoewel de laatstgenoemde begrippen niet expliciet worden genoemd in de toelichting, houdt de indertijd gekozen leeftijdsgrens ontegenzeggelijk daarmee verband. Het doel van het leeftijdsonderscheid bestaat er zodoende uit dat alleen diegenen beschermd worden tegen inkomensverlies die beschikbaar zijn voor arbeid en onvoldoende inkomensvoorzieningen hebben uit hoofde van de AOW en het ABP-pensioen. Volgens verweerder was de leeftijd van 65 jaar destijds een te rechtvaardigen leeftijd, die thans is ingehaald door de maatschappelijke ontwikkelingen. Verweerder stelt echter dat ergens een grens gesteld moet worden en dat er altijd wel iemand buiten de begrenzing valt. De vraag die thans voorligt is echter juist of het uit de gestelde grens voortvloeiende leeftijdsonderscheid (nog immer) objectief gerechtvaardigd is te achten.

12. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er thans geen objectieve rechtvaardiging meer voor het hanteren van de leeftijdsgrens van 65 jaar bij de toepassing van artikel 2 van het BWDEF. De leeftijd van 65 jaar is inmiddels volstrekt willekeurig geworden nu deze niet meer samenhangt met de leeftijd waarop daadwerkelijk AOW of pensioen zal worden toegekend. Ook het verband dat in de toelichting bij artikel 2, vijfde lid, van het BWDEF gelegd wordt met de WW gaat thans niet meer op. Er is niets dat erop wijst dat de kansen op de arbeidsmarkt tussen de leeftijd van 65 jaar en de AOW-leeftijd beter zijn dan de kansen in de jaren daarvoor en, anders dan voorheen, ontstaan er thans voor ambtenaren bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar geen inkomensvoorzieningen meer uit hoofde van de AOW of ABP-pensioen. Gelet hierop is het ‘middel’ van de leeftijdsgrens van 65 jaar niet langer passend te achten. Verweerder heeft niet onderkend dat er geen objectieve rechtvaardiging meer is voor het hanteren van deze leeftijdsgrens en heeft, door artikel 2, derde lid, van het BWDEF en artikel 122 van het Bard onverkort toe te passen, een onderscheid op grond van leeftijd gemaakt. Daarbij getuigt de omstandigheid dat de bepaling van artikel 2, derde lid, van het BWDEF en artikel 122 van het Bard niet is aangepast aan de verhoging van de leeftijdsgrens in de AOW, in tegenstelling tot het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk, het ARAR en de WW, van onvoldoende besef van de onmiskenbare bedoeling van de regeling.

13. Het betoog van verweerder dat eiser de inkomensterugval als gevolg van het AOW-gat kan opvangen door zijn pensioen eerder te laten ingaan, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel dan hierboven overwogen. Immers, deze handelwijze kan tot gevolg hebben dat de pensioenuitkering na de pensioengerechtigde leeftijd structureel lager wordt, zodat ook dit tot een inkomensterugval leidt.

14. Gelet op het vorenstaande is sprake van een verboden leeftijdsonderscheid. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd kan onbesproken blijven.

15. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, aangezien verweerder wegens de aard van de materie een zekere mate van vrijheid heeft in de totstandbrenging van nieuwe besluitvorming. Hoewel evident is dat het gebrek, het verboden onderscheid naar leeftijd, zou worden hersteld met de beslissing om de aansluitende uitkering van eiser te beëindigen bij het bereiken van de AOW-leeftijd, tenzij de duur van die uitkering al eerder verstrijkt, is het aan verweerder om het gebrek op een rechtens houdbare wijze te herstellen. De rechtbank zal verweerder opdragen om opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

16. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 992,- te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzitter, en mr. M. Munsterman en

mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2016.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.