Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:9961

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-10-2015
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
C/10/14/527 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ondanks verzoeken tot herstel tekortkomingen en een verhoor RC niet juist en volledig geïnformeerd. Niet voldaan aan de (aanvullende) sollicitatieverplichting. Zonder schriftelijke stukken is bewindvoerder niet in staat om de juistheid van mondeling gedane verklaringen te controleren. Verlenging regeling niet meer aan de orde door niet tijdige reactie op voorstel van verlenging looptijd regeling.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

tussentijdse beëindiging

insolventienummer: [nummer]

uitspraakdatum: 15 oktober 2015

Bij vonnis van deze rechtbank van 24 april 2014 is de toepassing van de

schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:

[naam]

[adres]

[woonplaats]

schuldenares,

bewindvoerder: T.P.F. Eisses.

1 De procedure

De rechter-commissaris heeft op 6 juli 2015 een voordracht gedaan om de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen.

De bewindvoerder heeft bij brief van 25 september 2015 de laatste stand van zaken medegedeeld.

De bewindvoerder en schuldenares zijn gehoord ter terechtzitting van 1 oktober 2015.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De standpunten

Voor de standpunten van de bewindvoerder en de rechter-commissaris verwijst de rechtbank naar de desbetreffende processtukken en het verhandelde ter zitting.

Schuldenares heeft ter terechtzitting verklaard dat zij alle (ontbrekende) stukken aan de bewindvoerder heeft verstrekt. Ook wil de bewindvoerder geen contact met haar. Verder heeft zij sinds april een baan in de schoonmaak voor 15 uur per week bij haar oude werkgever. Omdat een collega gestopt is, worden haar uren binnenkort uitgebreid naar 25 uur per week. Schuldenares hoopt op meer uren. Schuldenares heeft erkend niet aanvullend te hebben gesolliciteerd. Schuldenares heeft verder verklaard dat zij tijdens het verhoor met de rechter-commissaris akkoord is gegaan met het voorstel tot verlenging. Zij snapt niet dat dit niet bekend was. Tot slot heeft zij een betalingsregeling met haar zorgverzekeraar, die door haar wordt nagekomen. Maandelijks gaat € 75,00 van haar kindgebondenbudget naar de zorgverzekeraar. Schuldenares kan hiervan geen uitdraai maken omdat zij thuis niet kan printen. Verder houdt de sociale dienst in op toeslagen vanwege terugvorderingen.

De bewindvoerder heeft ter terechtzitting aangegeven zich te blijven aansluiten bij de voordracht tot tussentijdse beëindiging van de regeling nu de situatie in de voordracht niet aantoonbaar anders is geworden.

3. De beoordeling

De schuldsaneringsregeling biedt een schuldenaar in een problematische schuldensituatie de mogelijkheid om na drie jaar een schone lei te verkrijgen. Dit betekent in de voorliggende regeling dat een groot deel van de schuld van € 8.969,80 niet langer opeisbaar is. Tegenover dit perspectief staat een aantal niet lichtvaardig op te vatten verplichtingen. Zo dient de schuldenaar gedurende de toepassing van de regeling onder meer de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd te informeren, zijn inkomen boven het vrij te laten bedrag af te dragen aan de boedelrekening en zich aantoonbaar tot het uiterste in te spannen om een fulltime dienstbetrekking te verkrijgen. Hiernaast mogen tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling geen nieuwe schulden ontstaan. Van de schuldenaar wordt een actieve houding verwacht bij het naleven van voornoemde verplichtingen.

De rechtbank oordeelt dat schuldenares toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen en overweegt daartoe als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is vast komen te staan dat schuldenares haar informatieverplichting al vanaf het begin van de schuldsaneringsregeling onvoldoende is nagekomen. Zo ontbraken bij het tweede verslag van de bewindvoerder van 15 december 2014 de sollicitatiebewijzen over de maanden mei 2014, oktober en november 2014 en een aantal specificaties. Verzoeken van de bewindvoerder om de tekortkomingen te herstellen hebben niet geleid tot verbetering, zodat op 13 februari 2015 een verhoor door de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden. Ook na dit verhoor zijn de in het proces-verbaal van het verhoor opgenomen gemaakte afspraken niet, althans onvoldoende, nagekomen. Nog steeds wordt de bewindvoerder niet volledig geïnformeerd en worden geen (bewijs-)stukken van onder meer de voortgang van de afbetaling op de nieuwe schulden aan het Zilveren Kruis ontvangen, noch wordt ontbrekende informatie alsnog aangeleverd. Zelfs ter terechtzitting heeft schuldenares geen sollicitatiebewijzen of betalingsbewijzen overgelegd, terwijl zij bij herhaling erop is gewezen deze te overleggen. Zonder schriftelijke stukken is een bewindvoerder niet in staat om de juistheid van mondeling gedane verklaringen te controleren. Het is schuldenares aan te rekenen dat zij heeft nagelaten de bewindvoerder juist en volledig te informeren.

Daarnaast heeft schuldenares niet voldaan aan haar sollicitatieverplichting. Over de maanden juni 2014 tot en met september 2014 is schuldenares in verband met haar zwangerschap en bevalling door de rechter-commissaris vrijgesteld van de sollicitatieverplichting. Echter, vanaf oktober 2014 diende zij weer aantoonbaar (aanvullend) te solliciteren. Dit heeft zij nagelaten, omdat zij daar, naar eigen zeggen, niet toe in staat was vanwege de gezondheidsproblemen van haar baby. Tijdens het verhoor is vervolgens afgesproken dat schuldenares stukken zou overleggen waaruit dit zou kunnen worden afgeleid. Zowel de bewindvoerder als de rechter-commissaris hebben uit de door schuldenares overgelegde stukken niet kunnen afleiden dat schuldenares in de betreffende periode niet in staat was te solliciteren; wel heeft de rechter-commissaris schuldenares de mogelijkheid gegeven in te stemmen met een verlenging van de regeling om de tekortkoming in de nakoming van de sollicitatieplicht te compenseren. Binnen de door de rechter-commissaris in haar brief van 31 maart 2015 gestelde termijn heeft schuldenares niet gereageerd. Eerst ter terechtzitting van 1 oktober 2015 heeft zij verklaard in te stemmen met een verlenging. Met de rechter-commissaris is de rechtbank van oordeel dat thans geen aanleiding meer bestaat om schuldenares door middel van een verlenging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling in de gelegenheid te stellen haar tekortkoming te compenseren. Ter terechtzitting heeft schuldenares geen sollicitatiebewijzen overgelegd en daarmee staat vast dat schuldenares in mei 2014 en van oktober 2014 tot en met heden niet aantoonbaar (aanvullend) heeft gesolliciteerd. Dat schuldenares een parttime baan heeft gevonden per april 2015 is een positieve ontwikkeling, maar daarmee is haar (aanvullende) sollicitatieverplichting niet komen te vervallen.

Dat bovengenoemde tekortkomingen schuldenares niet te verwijten zijn, is niet aannemelijk geworden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat schuldenares, in elk geval na het verhoor door de rechter-commissaris op 13 februari 2015, van de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling goed op de hoogte moet zijn geweest.

De toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, onder c, Faillissementswet (hierna: Fw).

De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.

De rechtbank stelt vast dat er geen baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Er is daarom geen sprake van een faillissement van rechtswege zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde gaat.

4 De beslissing

De rechtbank:

- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling;

- stelt het salaris van de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal € 2.071,16;

- stelt vast, gelet op het tussenvonnis van 13 april 2015 dat de kosten van de keuring ten laste van de boedel komen voor zover de boedel toereikend is en voor het overige ten laste van de staat.

Dit vonnis is gewezen door mrs. W. Reinds, W.J. Roos-van Toor, A.J. van Spengen, rechters, en in aanwezigheid van de griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2015.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.