Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:9956

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
04-03-2016
Zaaknummer
C/10/479674 / HA ZA 15-729
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een kredietverstrekker vordert nakoming van een particulier die functioneert op het niveau van een 4- tot 5-jarige. De wil van de particulier om de kredietovereenkomst aan te gaan wordt geacht te hebben ontbroken. Beroep op goede trouw van de kredietverstrekker wordt verworpen. De kredietverstrekker had nader onderzoek moeten doen naar de achtergrond van de Wajong-uitkering van de particulier. Beroep op vernietiging van de kredietovereenkomst wordt gehonoreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/645
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/479674 / HA ZA 15-729

Vonnis in verzet van 23 december 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap naar buitenlands recht

HOIST PORTFOLIO HOLDING LTD.,

gevestigd te Jersey, onbekende vestigingsplaats,

domicilie kiezende te Rotterdam,

eiseres,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. A.M. van Heest,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

eiseres in het verzet,

advocaat mr. B. Özateş.

Partijen zullen hierna Hoist en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 19 augustus 2015 en de daarin genoemde processtukken;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 3 november 2015 en de daarin genoemde processtukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

Op 2 februari 2009 is tussen [gedaagde] en [persoon 1] enerzijds en De Nederlandse Voorschotbank B.V. (hierna “DNV”) anderzijds, een kredietovereenkomst tot stand gekomen (hierna: “de kredietovereenkomst”). Bij het aangaan van de kredietovereenkomst heeft DNV navraag gedaan naar de identiteit en de financiële positie van [gedaagde] en [persoon 1] . [gedaagde] heeft destijds aan DNV een overzicht overgelegd van de arbeidsongeschiktheidsuitkering (Wajong) die zij ontvangt.

2.2

Er is een achterstand ontstaan in de maandelijkse betalingen van [gedaagde] en [persoon 1] aan DNV. DNV heeft haar vorderingsrechten uit hoofde van de kredietovereenkomst gecedeerd aan Hoist.

3 Het geschil

3.1.

Hoist heeft in de verstekprocedure gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen het bedrag van € 43.946,34, vermeerderd met de overeengekomen kredietvergoeding van 7,9% per jaar over € 39.480,29 vanaf 20 augustus 2014 tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2.

Hoist stelde daartoe het volgende.

Hoist vordert nakoming van [gedaagde] van de terugbetalingsverbintenis uit hoofde van de kredietovereenkomst. [gedaagde] heeft niet voldaan aan haar rente- en aflossingsverplichtingen, ondanks daartoe in gebreke te zijn gesteld door DNV. De vordering van DNV is daarom op grond van de op de kredietovereenkomst toepasselijke algemene voorwaarden volledig opeisbaar. [gedaagde] is hoofdelijk aansprakelijk voor de volledige vordering.

3.3.

Hoist onderbouwt de hoogte van haar vordering als volgt.

  • -

    hoofdsom € 39.480,29

  • -

    rente t/m 19 augustus 2014 € 3.050,59

  • -

    buitengerechtelijke incassokosten € 1.415,46

Totaal € 43.946,34

3.4.

Bij het verstekvonnis zijn de vorderingen van Hoist toegewezen en is [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van Hoist tot de dag van de uitspraak begroot op in totaal € 2.881,77.

3.5.

[gedaagde] vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van Hoist alsnog worden afgewezen. [gedaagde] voert als verweer aan dat zij een verstandelijke beperking heeft en niet in staat is om haar wil te bepalen. De kredietovereenkomst is daarom onder invloed van een geestesstoornis tot stand gekomen en [gedaagde] vordert vernietiging van de kredietovereenkomst.

4 De beoordeling

4.1

Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld zodat [gedaagde] in zoverre in haar verzet kan worden ontvangen.

Rechtshandeling aangegaan onder invloed van een geestelijke stoornis

4.2

Op grond van artikel 3:34 BW lid 1 en lid 2 BW is een rechtshandeling vernietigbaar wanneer de rechtshandeling door de betrokkene is aangegaan onder invloed van een tijdelijke of blijvende geestelijke stoornis én, in verband met die stoornis, de wil van de betrokkene tot het verrichten van de rechtshandeling ontbrak. Die wil wordt geacht te hebben ontbroken, indien de betrokkene aantoont dat de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette.

4.3

Aan de hand van een uitdraai van haar medische gegevens door haar huisarts, een rapport van de gemeenschappelijke medische dienst en een medisch onderzoeksverslag van het UWV, is door [gedaagde] onderbouwd gesteld dat zij een blijvende geestelijke stoornis heeft sinds haar jeugd en dat zij functioneert op het niveau van een 4- tot 5-jarige. Hoist heeft deze stelling niet betwist. Omdat er sprake is van een blijvende geestelijke stoornis sinds haar jeugd staat vast dat de geestelijke vermogens van [gedaagde] waren verstoord bij het aangaan van de kredietovereenkomst.

4.4

Hoist heeft evenwel betwist dat [gedaagde] niet de wil had om de kredietovereenkomst aan te gaan. Echter, de wil om de kredietovereenkomst aan te gaan wordt geacht te hebben ontbroken, omdat iemand die functioneert op het niveau van een 4- tot 5-jarige niet tot een redelijke waardering kan komen van de bij een kredietovereenkomst betrokken belangen. De kredietovereenkomst kan om die reden, in beginsel, vernietigd worden door [gedaagde] .

Goede trouw

4.5

Op grond van artikel 3:35 BW kan tegen de wederpartij die eens anders verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, geen beroep worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil.

4.6

Hoist heeft gesteld dat DNV te goeder trouw was in de voornoemde zin van artikel 3:35 BW omdat zij niet op de hoogte was van de verstandelijke beperking van [gedaagde] en omdat [gedaagde] over een bankrekening beschikt en geen bewindvoerder of curator heeft. Om die reden zou [gedaagde] geen beroep kunnen doen op het ontbreken van haar wil bij het aangaan van de kredietovereenkomst.

4.7

Op grond van artikel 3:35 BW is daarvoor echter vereist dat het voornoemde vertrouwen van DNV – alle omstandigheden in aanmerking genomen – gerechtvaardigd is geweest. Vast staat dat DNV wist dat [gedaagde] een Wajong-uitkering ontving toen zij de kredietovereenkomst aanging. Om die reden wist DNV, althans zij moet hebben geweten, dat [gedaagde] in meer of mindere mate een ziekte of gebrek had (art. 1.a:1 Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten). Er bestond daarnaast een gerede kans dat, indien de ziekte of het gebrek van [gedaagde] een verstandelijke beperking betrof, [gedaagde] mogelijk daardoor niet de gevolgen van het afsluiten van de kredietovereenkomst kon overzien. Mede gelet op de hoogte van het geleende bedrag – waardoor [gedaagde] niet werd beschermd door de bepalingen van de Wet op het Consumentenkrediet – en dat onbetwist is gesteld door [gedaagde] dat DNV haar nooit heeft gezien of gesproken, had onder die omstandigheden van DNV een nader onderzoek verwacht mogen worden naar de medische achtergrond van de Wajong-uitkering en of deze invloed had op de wil van [gedaagde] om de kredietovereenkomst aan te gaan.

4.8

Dat [gedaagde] een bankrekening had doet aan het voorgaande niet af. Voor het ontvangen van haar Wajong-uitkering heeft zij immers een bankrekening nodig. Ook uit het ontbreken van een curator of een bewindvoerder kan niet – zonder andere omstandigheden, die niet zijn gesteld – het vertrouwen worden ontleend dat [gedaagde] de wil had om de kredietovereenkomst aan te gaan.

4.9

Nu geen nader onderzoek heeft plaatsgevonden door DNV mocht zij, onder de gegeven omstandigheden, aan de ondertekening van de kredietovereenkomst door [gedaagde] niet redelijkerwijs de zin toekennen dat [gedaagde] de wil had om de kredietovereenkomst aan te gaan. [gedaagde] kan daarom de kredietovereenkomst vernietigen.

Een rechterlijke uitspraak vernietigt een rechtshandeling

4.10

Omdat het beroep van [gedaagde] op de vernietiging van de kredietovereenkomst wordt aanvaard, vernietigt deze rechterlijke uitspraak de kredietovereenkomst op grond van artikel 3:51 lid 1 BW. Hoist kan van de kredietovereenkomst derhalve geen nakoming meer vorderen en er is door Hoist geen andere grondslag aangevoerd voor haar vordering. Om die reden zullen de vorderingen van Hoist worden afgewezen.

Kosten

4.11

Hoist zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de verstek- en verzetprocedure worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] in de verzetprocedure worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 94,19

  • -

    griffierecht € 78,00

  • -

    salaris advocaat € 1.158,00 (2 punten maal € 579,00)

Totaal € 1.330,19

5 De beslissing

De rechtbank

1. verklaart het verzet gegrond en vernietigt het door deze rechtbank op 22 oktober 2014 onder zaaknummer/rolnummer C/10/460144 / HA ZA 14-981 gewezen verstekvonnis;

en opnieuw beslissend

2. wijst het gevorderde af;

3. veroordeelt Hoist in de kosten van de verstek- en verzetprocedure aan de zijde van [gedaagde] tot aan deze uitspraak begroot op € 1.330,19.

Dit vonnis is gewezen door L. Daum en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2015.1

1 type: 2457/2744 coll: 2294