Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:9681

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-12-2015
Datum publicatie
08-01-2016
Zaaknummer
4519460 HA ZA 15-214
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

voorlopige voorziening loondoorbetaling. Nu bewijslevering aan de orde is, is er geen zicht op een beslissing in de hoofdzaak binnen afzienbare termijn. belang van wn om voor de duur van het geding een inkomensvoorziening te hebben, dient te prevaleren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0028
AR 2016/80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4519460 HA VERZ 15-214

uitspraak: 15 december 2015

beschikking ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te Rotterdam,

verzoeker,

gemachtigde: mr. C.J.M.M. Vermijmeren, FNV,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Tokheim Netherlands B.V.,

gevestigd te Rotterdam en kantoorhoudende te Dordrecht,

verweerder,

gemachtigde: mr. P.P.H. Verheijden, advocaat.

Partijen worden hierna aangeduid als “[verzoeker]” respectievelijk “Tokheim”.

Het verloop van de procedure

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 12 oktober 2015;

  • -

    het verweerschrift, tevens verzoekschrift tot voorwaardelijke ontbinding, met bijlagen;

  • -

    de bij faxen van 13 en 16 november 2015 door Tokheim in het geding gebrachte producties;

- de pleitaantekeningen aan de zijde van [verzoeker].

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 november 2015, gelijktijdig met de zaak onder nummer 4519429 HA VERZ 15-213. [verzoeker] is in persoon verschenen, vergezeld van zijn echtgenote en bijgestaan door zijn gemachtigde. Aan de zijde van Tokheim is verschenen de heer [J.], HR-manager, bijgestaan door de gemachtigde van Tokheim. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekening gehouden.

De feiten

1.1

Tokheim is een onderneming die zich bezig houdt met de verkoop en installatie van, en service en onderhoud aan pompen en electronische besturingsapparaten voor benzinestations. Tokheim heeft 140 medewerkers waarvan ongeveer de helft in de buitendienst werkzaam is.

1.2

[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1969, is op 1 november 2000 in dienst getreden bij Tokheim als tankinstallatiemonteur, laatstelijk tegen een salaris van € 2.630,99 bruto per maand exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.

1.3

Op 23 september 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de heer [J.], de heer [B.], service manager bij Tokheim, enerzijds en [verzoeker], anderzijds. Na afloop van dit gesprek is [verzoeker] op staande voet ontslagen.

1.4

Bij brief, gedateerd 24 september 2015, is het aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet bevestigd. Die brief luidt, voor zover relevant, als volgt:

“Hierbij bevestigen wij, dat wij u tijdens ons gesprek van woensdag 23 september jl. op staande voet hebben ontslagen wegens dringende reden. Deze dringende reden bestaat uit het navolgende:

Op dinsdag 22 september jl. hebben wij vernomen, dat u zich op woensdag 16 september jl. tijdens een gesprek met een opdrachtgever, Ecocare, en een klant, Q8/Tango, op volstrekt onoirbare wijze hebt uitgelaten over ons bedrijf. U hebt daarbij onder meer de kwaliteit en de integriteit van onze bedrijfsvoering in twijfel getrokken (hetgeen door u wordt erkend). Tevens hebt u zich onheus uitgelaten over de directeur van ons bedrijf (hetgeen door u werd betwist).

(…)”

1.5

De gemachtigde van [verzoeker] heeft bij brief van 1 oktober 2015 aangegeven dat [verzoeker] zich niet kan verenigen met het ontslag op staande voet, dat hij aanspraak maakt op loondoorbetaling en dat hij zich beschikbaar houdt voor werk.

Het geschil

2.1

[verzoeker] heeft een verzoek gedaan om het aan hem gegeven ontslag op staande voet te vernietigen. Gelijktijdig verzoekt [verzoeker] de kantonrechter om op grond van artikel 223 Rv een voorlopige voorziening te treffen, te weten dat Tokheim wordt veroordeeld tot doorbetaling van loon, alsmede alle andere verschuldigde bedragen, vanaf 23 september 2015 tot het rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst, dan wel voor de duur van de procedure, vermeerderd met de wettelijke verhoging en rente.

2.2

Aan dit verzoek legt [verzoeker] ten grondslag -kort weergegeven- dat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet en dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek.

2.3

Tokheim verweert zich tegen het verzoek en voert daarbij aan dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd per 23 september 2015.

De beoordeling

3.1

Op grond van artikel 223 Rv kan tijdens een aanhangig geding worden gevorderd dat de rechter een voorlopige voorziening treft voor de duur van het geding, indien deze vordering samenhangt met de hoofdvordering. Artikel 223 Rv is van overeenkomstige toepassing op een verzoekschriftprocedure als hier aan de orde (zie: HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR: 2014:3533). Het verzoek van de werknemer hangt samen met de hoofdvordering, nu in de hoofdzaak is verzocht om het ontslag op staande voet te vernietigen.

3.2

De werknemer heeft een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening, omdat het gaat om een verzoek tot loonbetaling na een ontslag op staande voet, en omdat in de hoofdzaak op korte termijn geen uitspraak zal worden gedaan. Van [verzoeker] kan niet worden gevergd dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht. Gelet daarop zal op het verzoek om een voorlopige voorziening in deze beschikking eerst en vooraf wordt beslist.

3.3

Voor toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening is een belangenafweging vereist, tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak, en van de proceskansen daarin. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit incident geen plaats. Dat moet gebeuren in de hoofdzaak.

3.4

Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet – naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter – al dan niet rechtsgeldig is. Daarover wordt het volgende overwogen. De heer [J.], HR-manager van Tokheim heeft [verzoeker] tijdens een gesprek op 23 september 2015 op staande voet ontslagen nadat hij via de heer [A.], supervisor tankinstallations, telefonisch had vernomen dat de heer [V.] van Ecocare, opdrachtgever van Tokheim, telefonisch zijn beklag had gedaan over uitlatingen van [verzoeker] over (de directeur van) Tokheim. Nadien is men navraag gaan doen om een en ander geverifieerd te krijgen. In de hoofdzaak is Tokheim in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van het doen van [verzoeker] van de in de ontslagbrief genoemde uitlatingen. Gelet daarop kan in het kader van het incidentele verzoek niet redelijkerwijs worden vooruitgelopen op de proceskansen.

3.5

Nu bewijslevering aan de orde is, is er geen zicht op een beslissing in de hoofdzaak binnen afzienbare termijn. Het belang van [verzoeker] om voor de duur van het geding een inkomensvoorziening te hebben, dient te prevaleren. Dat betekent dat het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden toegewezen. De werkgever zal worden veroordeeld tot betaling van loon, zoals weergegeven in de hiernavolgende beslissing.

De gevorderde wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat de werkgever het loon te laat heeft betaald, waarbij de wettelijke verhoging zal worden beperkt tot 10%.

3.6

Gelet op de aard van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

3.7

Gelet op de aard van de vordering begrijpt de kantonrechter dat om uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt verzocht.

4. De beslissing

De kantonrechter treft voor de duur van de procedure in de hoofdzaak de volgende voorlopige voorziening:

veroordeelt Tokheim tot betaling aan [verzoeker] van het loon ad € 2.630,99 bruto per maand en alle andere bedragen, voorzover reeds verschuldigd, vanaf 23 september 2015, te vermeerderen met de wettelijke verhoging in de zin van artikel 7:625 BW met een maximum van 10% over het achterstallig loon, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente, telkens te rekenen vanaf de datum van verzuim tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat iedere partij in het incident de eigen proceskosten draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. drs. E. van Schouten en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

745