Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:9679

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
ROT 15/7580
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Derde afwijzing bijstandsaanvraag wegens onduidelijke woonsituatie. Voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter stelt bij haar beoordeling voorop dat verzoekster een aanvraag om bijstand heeft gedaan, zodat het op haar weg ligt om de nodige informatie aan verweerder te verstrekken over onder meer haar woonsituatie en medewerking te verlenen aan een in dat kader noodzakelijk huisbezoek. Daar komt in dit geval bij dat verweerder eerder twee aanvragen van verzoekster heeft afgewezen juist omdat niet kon worden vastgesteld dat verzoekster haar (hoofd)verblijf had op het door haar opgegeven adres. Gelet op vaste rechtspraak ligt het dan op de weg van verzoekster om feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat haar omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat zij thans wel aanspraak kan maken op een bijstandsuitkering Gelet op de rapportage, die in feite niet is weersproken, zijn er zoveel onjuistheden en onduidelijkheden aan het licht gekomen tijdens het huisbezoek, waaronder het gebruik van de slaapkamers en de verblijfplaats van de wieg, dat niet aannemelijk is dat verzoekster daadwerkelijk ten tijde in geding woonachtig was op het adres van haar ouders.

Wetsverwijzingen
Participatiewet 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 15/7580

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 december 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[Naam] , te Rotterdam, verzoekster,

gemachtigde: mr. T. Şen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Lagrand.

Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een bijstandsuitkering afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2015. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. A. Šimičević, kantoorgenoot van de gemachtigde van verzoekster, en M. Schreuder van Bureau Frontlijn.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

2. In artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. In het tweede lid is bepaald dat de belanghebbende het college desgevraagd de medewerking verleent die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

3. Verzoekster heeft meermaals aanvragen om bijstand naar de norm voor een eenoudergezin ingediend bij verweerder. Bij besluit van 11 september 2014 is haar aanvraag van 12 juni 2014 afgewezen, omdat de woonsituatie van verzoekster niet kon worden vastgesteld door het onvoldoende verstrekken van inlichtingen. Aan die afwijzing lag mede een huisbezoek ten grondslag op het opgegeven woonadres aan de [adres 1] in Rotterdam, de woning van de vader van [X] , welke laatstgenoemde de vader van het kind van verzoekster is. Tijdens dit huisbezoek op 27 augustus 2014 waren er onvoldoende aanwijzingen dat verzoekster met haar kindje verbleef in die woning. De tweede aanvraag van 10 maart 2015 werd afgewezen bij besluit van 24 april 2015 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding en het niet kunnen vaststellen van de woonsituatie op het door verzoekster opgegeven woonadres aan de [adres 1] in Rotterdam. Aan dit besluit ligt wederom een huisbezoek ten grondslag, nu aan het adres aan de [adres 2] , dit nadat pogingen tot een huisbezoek aan de [adres 1] mislukten. Bij het bezoek aan het adres aan de [adres 2] kwam naar voren dat verzoekster daar samenwoonde met [X] . Op 3 augustus 2015 heeft verzoekster, die inmiddels was bevallen van een tweede kindje van [X] , voor de derde maal bijstand aangevraagd naar de norm voor een eenoudergezin. Zij gaf daarbij op weer te wonen bij haar ouders op het adres aan de [adres 3] te Rotterdam. Twee bijstandsconsulenten hebben verzoekster in verband met haar aanvraag gehoord op

13 oktober 2015 en aansluitend een huisbezoek afgelegd. In de rapportage van een van de twee bijstandsconsulenten is naar aanleiding hiervan onder meer het volgende vermeld:

“Gedurende het gesprek op kantoor en het huisbezoek con[stat]eert rapporteur veel vaagheden / tegenstrijdigheden / onjuistheden in de verklaringen van cliënt:

 dhr. [X] is nog steeds de vriend van cliënt. In intakegesprek dd. 06-07-2015

verklaart cliënt nog dat zij graag met haar vriend en kindje wilt samenwonen. Cliënt is vervolgens eind augustus 2015 weer teruggegaan naar haar ouders en verklaart nu niet samen te kunnen wonen met dhr. [X] . Binnen een kort tijdsbestek zijn dit twee uitersten.

 (…)

 (…)

 Cliënt verklaart aan het einde van het gesprek dat ze overdag wel eens verblijft op het adres aan de [adres 2] te Rotterdam. Zeker als zij familie over haar vloer krijgt bij haar ouders aan de [adres 3]. Op het adres aan de

[adres 2] woont nog steeds de vader van het kindje en cliënt zou hier tevens verblijven als ze rust wilt. Cliënt overnacht hier naar eigen zegge niet. Rapporteur vindt dit in combinatie met de voorgaande aanvragen uitkering opmerkelijk en dit geeft twijfels over de daadwerkelijke verblijfsituatie van cliënt.

 (…)

 Cliënt heeft gezien haar verblijf bij haar ouders rond eind augustus tot en met heden (anderhalf maand) heel weinig kleding en verzorgingsspullen voor haar twee kinderen in de woning aan de Polderstraat. Dit is niet gebruikelijk als je een pasgeboren kindje en een kindje van ruim 1 jaar heb. Tevens zou er een koffer met kinderkleding nog in de kelder liggen en cliënt zou geen tijd hebben gehad deze te halen. Cliënt woont echter al anderhalf maand op het adres, dus deze verklaring is niet aannemelijk. Tevens kan het feit dat er een koffer met kinderkleding in de kelder zou liggen ook niet worden gecontroleerd daar er geen sleutel van de kelder op dat moment in huis zou zijn (zusje die niet thuis is zou die in het bezit hebben).

 De verklaring van cliënt inzake de wieg is niet aannemelijk. Cliënt verklaart letterlijk een uur voor het huisbezoek dat er een wieg van haar kindje op haar kamer ligt. Deze lag volgens cli[ë]nt opeens niet meer op haar kamer, maar in de kelder. De verklaring dat haar moeder deze heeft opgeruimd (onbekend wanneer precies) in combinatie met feit dat moeder nog lag te slapen tot een uur voor onze komst en dat er nu geen sleutel van de kelder aanwezig is in het huis, is vaag en dan ook niet aannemelijk. Het is niet aannemelijk dat er in het huishouden maar 1 sleutel van de kelder is en uitsluitend deze ene sleutel het zusje van [cliënt] heeft meegenomen.

 Verklaring van cliënt betreft de slaapkamer van zusjes is vaag. In eerste instantie is verklaard dat beide zusjes zouden slapen op deze kamer, maar bij aankomst in de slaapkamer geeft cliënt aan dat zusje hier slaapt en opeens zou andere zusje ook hier slapen op een matras die niet in de kamer aanwezig is. Deze wordt opgeruimd door moeder. De eerder gegeven verklaring van cli[ë]nt komt kortweg niet overeen met de verklaring van cli[ë]nt, waarna het antwoord van cli[ë]nt wordt gewijzigd.

 Verklaring van cliënt betreft het feit dat zoontje elke keer tandenborstel weggooit blijft vaag. [… D]e vraag waar laatste tandenborstel van zoontje is, blijft onbeantwoord. […].

 Er zijn behalve een aantal baby-verzorgingsspullen en kledingstukken, geen andere attributen aangetroffen in de woning. Denk hierbij aan een wieg, kinderstoel, baby badje, box of dergelijke. De afwezigheid van al deze goederen in combinatie met het feit dat cliënt al een maand met haar kinderen op het adres zou verblijven is niet aannemelijk.

 (…).”

Op grond van deze bevindingen is verweerder van oordeel dat thans wederom het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld wegens een onduidelijke woonsituatie.

4. Verzoekster betoogt dat verweerder is tekort geschoten in het doen van onderzoek. Volgens verzoekster ligt het op de weg van verweerder om bij een belastend besluit als het onderhavige door te vragen en verder onderzoek te verrichten indien de antwoorden van verzoekster vragen opwerpen bij verweerder of wanneer er volgens verweerder sprake is van vaagheden. Een belangenafweging zou volgens verzoekster in haar voordeel moeten uitpakken.

5. De voorzieningenrechter stelt bij haar beoordeling voorop dat verzoekster een aanvraag om bijstand heeft gedaan, zodat het op haar weg ligt om de nodige informatie aan verweerder te verstrekken over onder meer haar woonsituatie en medewerking te verlenen aan een in dat kader noodzakelijk huisbezoek. Op verweerder ligt dus in beginsel niet de bewijslast, maar op de aanvrager. Indien de verklaringen van de aanvrager en de bevindingen ter plaatste onduidelijkheden en ongerijmdheden opleveren – waarvan in dit geval duidelijk sprake is – kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld wegens het niet nakomen van de verplichtingen van artikel 17 van de Participatiewet (zie bijvoorbeeld CRvB 6 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3314 en CRvB 29 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3332).

6. Daar komt in dit geval bij dat verweerder eerder twee aanvragen van verzoekster heeft afgewezen juist omdat niet kon worden vastgesteld dat verzoekster haar (hoofd)verblijf had op het door haar opgegeven adres. Gelet op vaste rechtspraak ligt het dan op de weg van verzoekster om feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat haar omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat zij thans wel aanspraak kan maken op een bijstandsuitkering (bijvoorbeeld CRvB 2 december 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AO1144 en CRvB 25 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:555). Gelet op de rapportage, die in feite niet is weersproken, zijn er zoveel onjuistheden en onduidelijkheden aan het licht gekomen tijdens het huisbezoek, waaronder het gebruik van de slaapkamers en de verblijfplaats van de wieg, dat niet aannemelijk is dat verzoekster daadwerkelijk ten tijde in geding woonachtig was op het adres van haar ouders.

7. Omdat verweerder op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld wegens het door verzoekster niet voldoen aan de inlichtingenplicht, bestaat geen aanleiding voor het treffen van enige voorziening.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Gijzen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

23 december 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.