Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:9675

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
ROT 15/7342
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Voorlopige voorziening. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit de observaties en het fotomateriaal onmiskenbaar dat verzoekster structureel werkzaamheden heeft verricht in de horecazaak van haar zoon vanaf in ieder geval 2 september 2015. Die werkzaamheden zijn van dien aard – eten bereiden, serveren en afrekenen met klanten – dat die op geld waardeerbaar zijn. Met de werkzaamheden die zij heeft uitgevoerd in de te beoordelen periode heeft zij in die periode inkomsten verworven of kunnen verwerven.

Wetsverwijzingen
Participatiewet 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 15/7342

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 december 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[Naam], te Rotterdam, verzoekster,

gemachtigde: mr. J. Oversluizen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. I. Yaman.

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering van verzoekster ingetrokken met ingang van 2 september 2015 en de ten onrechte verstrekte uitkering over de periode 2 september 2015 tot en met 30 september 2015 tot een bedrag van € 547,- teruggevorderd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2015. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

2. In artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de Participatiewet is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

In artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet is bepaald dat onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

Artikel 54 van de Participatiewet luidt:

“1. Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

2. Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.

3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

4. Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.”

In artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet is – voor zover hier van belang – bepaald dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvordert voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet.

3. Verzoekster ontving laatstelijk een bijstandsuitkering voor een alleenstaande, met een toeslag van 10% wegens het kunnen delen van de bestaanskosten met haar meerderjarige inwonende kinderen. Naar aanleiding van een melding op 23 juni 2015 door gemeentelijke toezichthouders belast met nalevingstoezicht van de Drank- en Horecawet, waarbij verzoekster bij een controle op 28 mei 2015 van de horecazaak [Naam] aan de [adres] werkend in de horecazaak is aangetroffen, hebben toezichthouders van het cluster Werk & Inkomen observaties verricht. Zij hebben in de periode van 2 september 2015 tot 18 oktober 2015 bijna dagelijks waargenomen dat verzoekster in de horecazaak aanwezig was. Bij al die waarnemingen waar zij in de zaak is aangetroffen, is gezien dat zij werkzaamheden heeft verricht. Meestal stond verzoekster alleen achter de toonbank, stond klanten te woord, bereidde maaltijden, serveerde die en rekende af met klanten. Voorts zijn foto’s gemaakt van diverse keren dat zij in de ochtenduren de zaak opende. Toen verzoekster op 15 oktober 2015 werd bevraagd naar haar werkzaamheden gaf zij aan niet te werken en soms geld van haar zoon die horecazaak runt te ontvangen (later corrigeerde zij dit door aan te geven dat het een eenmalige betaling van

€ 500,- betrof). Nadat zij met de waarnemingen werd geconfronteerd, gaf verzoekster aan haar activiteiten in de zaak niet als werken te beschouwen, omdat zij er niet voor wordt betaald.

4. Verzoekster betoogt dat zij geen inkomsten heeft gehad, dat zij bijstandsbehoeftig is en dat niet duidelijk is op welke feiten verweerder zich baseert voor het nemen van het bestreden besluit. Ter zitting is van de zijde van verzoekster voorts betoogt dat sprake is van een onbehoorlijke handelwijze van verweerder, omdat het verhoor gericht was op intrekking van de uitkering, geen cautie is gegeven en dit verhoor vijf en een half uur heeft geduurd. Voorts is ter zitting aangevoerd dat de bijstand niet eerder dan met ingang van

15 oktober 2015 zou kunnen worden ingetrokken, omdat verzoekster eerst op die datum is verhoord. Omdat verzoekster – naar zij stelt – vanaf die datum een 0-urencontract had, kon het recht op bijstand vanaf die datum wel worden vastgesteld, zodat – de voorzieningenrechter begrijpt het betoog aldus – een volledige intrekking achterwege kon blijven.

5. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit de observaties en het fotomateriaal onmiskenbaar dat verzoekster structureel werkzaamheden heeft verricht in de horecazaak van haar zoon vanaf in ieder geval 2 september 2015. Die werkzaamheden zijn van dien aard – eten bereiden, serveren en afrekenen met klanten – dat die op geld waardeerbaar zijn. Met de werkzaamheden die zij heeft uitgevoerd in de te beoordelen periode heeft zij in die periode inkomsten verworven of kunnen verwerven. Anders dan verzoekster meent, gaat het hier dus om middelen die betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan. Verzoekster had die werkzaamheden derhalve dienen op te geven aan verweerder. Omdat zij dit heeft nagelaten en geen openheid heeft gegeven over de eventuele inkomsten kon verweerder het recht op bijstand niet (langer) vaststellen (vgl. CRvB 19 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO1969 en CRvB

2 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4037).

6. Wat verzoekster verder naar voren heeft gebracht kan hier niet aan afdoen. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat in het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de verstrekking van bijstand geen cautieplicht geldt en dat de belanghebbende dient mee te werken aan een dergelijk onderzoek (vgl. CRvB

21 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3772 en CRvB 3 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6621). De omstandigheid dat het verhoor lang heeft geduurd en verzoeksters stelling dat het was gericht op intrekking van de uitkering, brengt niet reeds met zich dat sprake is van onbehoorlijk bestuur waardoor de verklaringen van verzoekster ter zijde zouden moeten worden geschoven. Daar komt bij dat voldoende wilsonafhankelijk materiaal – observaties en fotomateriaal – voorhanden is voor het nemen van het bestreden besluit. Daarnaast valt geen rechtsregel aan te wijzen waaruit volgt dat intrekking van de bijstandsuitkering eerst mogelijk is vanaf het moment dat verzoekster is geconfronteerd met de waarnemingen en het beeldmateriaal en heeft verweerder genoegzaam gemotiveerd op grond waarvan voor 2 september 2015 is gekozen als datum van intrekking. Ten slotte heeft verzoekster noch in het kader van de onderhavige besluitvorming noch in het kader van het verzoek om voorlopige voorziening een 0-urencontract overgelegd, zodat reeds om die reden daar aan voorbij wordt gegaan.

7. Gelet op het voorgaande kan de intrekking naar verwachting in rechte stand houden. Dat brengt met zich dat vooralsnog een grondslag bestaat voor de terugvordering van de ten onrechte verstrekte bijstand over de periode 2 september 2015 tot en met 30 september 2015. Er zijn geen afzonderlijke gronden tegen de terugvordering aangevoerd, zodat het besluitonderdeel dat daarop ziet, verder geen bespreking behoeft.

8. Er is geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Gijzen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

23 december 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.