Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:9453

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
18-12-2015
Zaaknummer
C/10/458019 / HA ZA 14-870
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Totstandkoming overeenkomst; derdenbeding; opgewekt vertrouwen; afgebroken onderhandelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2593

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/458019 / HA ZA 14-870

Vonnis van 25 november 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UNILOG PROJECTS B.V.,

gevestigd te Valkenswaard,

eiseres,

advocaat mr. J.C.B.C. Geerts,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

ERASMUS MC UNIVERSITAIR MEDISCH CENTRUM ROTTERDAM,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. G.C. Vergouwen.

Partijen zullen hierna Unilog en Erasmus MC genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 3 juni 2015 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    de brief van 7 september 2015 van mr. Geerts en de daarbij overgelegde producties 26 tot en met 40;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 13 oktober 2015;

  • -

    de comparitieaantekeningen van beide partijen;

  • -

    de brief van 2 november 2015 van mr. Vergouwen;

  • -

    de brief van 9 november 2015 van mr. Geerts;

  • -

    de brief van 9 november 2015 van mr. Vergouwen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

Ook in de met deze zaak gevoegde zaak met zaak-/rolnummer C/10/453162 / HA ZA 14-636 tussen Maatadvies & Partners B.V. (hierna: Maatadvies) en [medewerker 3] (hierna: [medewerker 1] ) als eisers in conventie, verweerders in reconventie en Erasmus MC als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, zal vandaag uitspraak worden gedaan.

2 De feiten

2.1.

Unilog houdt zich onder meer bezig met het verrichten van werkzaamheden op het terrein van de ICT. Haar onderneming staat onder leiding van de heren [medewerker 1] en [medewerker 2] .

2.2.

In de jaren 2011, 2012 en 2013 heeft Unilog ten behoeve van Erasmus MC ICT-gerelateerde werkzaamheden verricht.

2.3.

Gebruikelijk was vanaf 2011 dat Erasmus MC ter zake van die werkzaamheden overeenkomsten sloot met Maatadvies. De onderneming van Maatadvies staat onder leiding van de heer [medewerker 3] . Maatadvies contracteerde ter zake van de door haar met Erasmus MC overeengekomen werkzaamheden met Unilog. Unilog droeg er zorg voor dat de werkzaamheden werden uitgevoerd. Daarbij schakelde Unilog eventueel ook derden in. Die derden gingen daartoe een contractuele relatie met Unilog aan.

2.4.

De contactpersoon van [medewerker 1] binnen Erasmus MC was (aanvankelijk) het toenmalige lid van de Raad van Bestuur mevrouw [medewerker 4] . Zij was portefeuillehouder ICT binnen de Raad van Bestuur. Per 1 januari 2013 vertrok [medewerker 4] bij Erasmus MC. Lopende zaken betreffende de portefeuille ICT werden vanaf haar vertrek behandeld door [medewerker 5] , destijds voorzitter van de Raad van Bestuur van Erasmus MC. Op of omstreeks 19 februari 2013 vertrok ook [medewerker 5] bij Erasmus MC. [medewerker 5] werd opgevolgd door [medewerker 6] .

2.5.

Eind 2012 heeft Erasmus MC besloten de relatie met Maatadvies te willen beëindigen. Daartoe zijn op 7 februari 2013 afspraken gemaakt tussen Maatadvies, vertegenwoordigd door [medewerker 1] , en Erasmus MC, vertegenwoordigd door [medewerker 5] .

2.6.

Bij brief van 12 februari 2013 heeft [medewerker 5] de op 7 februari 2013 met [medewerker 1] gemaakte afspraken als volgt bevestigd:

'Maatadvies & Partners BV is de afgelopen twee jaar bij diverse projecten van het Erasmus MC betrokken geweest, onder meer bij de implementatie van Oracle eBS. Op donderdag 7 februari jl. hebben wij een prettig gesprek gevoerd over de reeds afgeronde en nog lopende overeenkomsten tussen Maatadvies & Partners BV en het Erasmus MC.

Tijdens het gesprek van 7 februari jl. heb ik aangegeven dat er om diverse redenen op dit moment onvoldoende ruimte is om de inzet van Maatadvies & Partners BV binnen het Erasmus MC te continueren. Het staat Maatadvies & Partners BV uiteraard wel vrij om in de toekomst voor eventuele nieuwe projecten offertes uit te brengen.

Wij hebben over de beëindiging van de werkzaamheden door Maatadvies de volgende afspraken gemaakt:

Alle nog lopende contracten en afspraken tussen het Erasmus MC en Maatadvies & Partners BV en/of de eenmanszaak Maatadvies worden per direct (met ingang van 8 februari 2013) met wederzijds goedvinden beëindigd, zonder dat het Erasmus MC Maatadvies & Partners BV en/of de eenmanszaak Maatadvies hiervoor enige vergoeding verschuldigd is. Maatadvies & Partners BV en/of de eenmanszaak Maatadvies beëindigt haar werkzaamheden eveneens per direct (met ingang van 8 februari 2013) en het Erasmus MC is geen vergoeding verschuldigd voor eventuele werkzaamheden die Maatadvies & Partners BV en/of de eenmanszaak Maatadvies onder deze overeenkomsten in de toekomst eventueel nog zou hebben kunnen verrichten.

De op 7 februari 2013 reeds door het Erasmus MC ontvangen en nog openstaande facturen van Maatadvies & Partners BV worden voldaan.

Partijen komen overeen dat de verklaring van 7 januari 2011 (ondertekend door het voormalig lid van de Raad van Bestuur, mevrouw [medewerker 4] ) komt te vervallen. In deze verklaring was een verbod opgenomen voor het Erasmus MC om zonder tussenkomst van Maatadvies & Partners BV en/of de eenmanszaak Maatadvies enige persoon, vennootschap of onderneming te contracteren en/of daar zakelijke contacten mee te onderhouden indien hiermee eerder zakelijk contact is geweest door tussenkomst (in welke zin dan ook) van Maatadvies & Partners BV en/of de eenmanszaak Maatadvies. Het staat het Erasmus MC derhalve volledig vrij contracten te sluiten met personen en/of ondernemingen die eerder door of via Maatadvies & Partners BV en/of de eenmanszaak Maatadvies bij het Erasmus MC geïntroduceerd zijn, zonder dat het Erasmus MC hiervoor enige vergoeding aan Maatadvies & Partners BV en/of de eenmanszaak Maatadvies verschuldigd raakt. Het Erasmus MC is voornemens Unilog projects B.V. op korte termijn in te schakelen voor voorkomende werkzaamheden. Maatadvies & Partners BV zal op geen enkele wijze aanspraak maken op de in de verklaring van 7 januari 2011 opgenomen boete.

Ik ga er vanuit dat ik de afspraken die wij gemaakt hebben met het voorgaande correct heb weergegeven. Om de afspraken goed vast te leggen, verzoek ik u vriendelijk deze brief voor akkoord te ondertekenen en vervolgens aan mij te retourneren.'

2.7.

Bij e-mail van 19 februari 2013 heeft [medewerker 2] [medewerker 5] als volgt bericht:

'Wij begrepen zojuist dat de afspraak van 11.00 vandaag niet door kan gaan. Uiteraard respecteren wij deze agendawijziging. Er ontstaat nu alleen een situatie die we met klem onder je aandacht brengen.

Wij, onze mensen en derde partijen zijn vanaf gisteren zonder juridische status aan het werk binnen EBS. Als er onverhoopt iets ernstigs gebeurd dan ontstaan er heel foute aansprakelijkheden.

In de gesprekken met jou heb je aangegeven vooralsnog stilzwijgend vanaf 15 februari jl te willen verlengen, maar dan wel zonder tussenkomst van [medewerker 1] advies. Daarover is op 7 februari duidelijkheid ontstaan.

De contracten die wij via [medewerker 1] advies voor Erasmus MC uitvoeren zullen wij vandaag achterlaten bij [medewerker 4] . Wij factureren vanaf vandaag rechtsreeks aan Erasmus MC.

Inzake NIAZ zijn wij gevraagd met inzet van [medewerker 3] het onderdeel medische specialisten registratie te ontsluiten. Daarover hadden we graag met je in overleg willen treden.

[medewerker 5] , wat wij nodig hebben is eigenlijk vandaag jouw bevestiging dat de stilzwijgende verlengingen van de lopende contracten rechtstreeks aan Unilog Projects B.V. zijn opgedragen.'

2.8.

Maatadvies/ [medewerker 1] heeft de brief van 12 februari 2013 van [medewerker 5] in maart 2013 voor akkoord ondertekend en aan Erasmus MC geretourneerd.

2.9.

Op 19 maart 2013 hebben [medewerker 2] en [medewerker 2] een gesprek gevoerd met [medewerker 4] en mevrouw [medewerker 6] , directeur SO bij Erasmus MC. Bij e-mail van 19 maart 2013 heeft [medewerker 5] [medewerker 2] en [medewerker 2] als volgt bericht:

'Vanmiddag hadden we een constructieve bespreking over de inzet van Unilog voor het Erasmus MC. Aan de hand van de voortgangsrapportage hebben jullie een beeld gegeven van de stand van zaken bij Oracle eBS en IToperations.

Zoals door [medewerker 3] aangegeven is het Erasmus MC Unilog erkentelijk voor de gedane werkzaamheden en de bereikte resultaten!

Gezien de ontwikkelingen het afgelopen jaar is [medewerker 3] als voorzitter van de RvB van mening dat de ophanging van het IT dossier anders moet worden georganiseerd en niet direct onder de RvB dient te worden gepositioneerd.

Daarnaast is het van belang dat de staande organisatie de regie krijgt over Oracle eBS en IToperations. Daarbij geldt wel dat inzet van externen op basis van specifieke deskundigheid een logische keuze kan zijn.

Tijdens de bespreking zijn de volgende afspraken gemaakt:

- De inzet van Unilog wordt afgebouwd op basis van het plan van aanpak van de Stuurgroep Transitie IT.

- De overdracht van de eindverantwoordelijkheid Oracle eES en IT operations wordt in afstemming met Unilog uitgewerkt.

- De ophanging van Unilog direct onder de RvB wordt aangepast, Unilog communiceert per heden met de voorzitter stuurgroep Transitie IT ( [medewerker 5] [medewerker 7] ) en de directeur SO.

- Unilog kan op basis van haar deskundigheid worden ingezet voor projecten met duidelijke afbakening in kwaliteit, tijd en geld.

- De EDP auditor van de (interne) audit afdeling wordt ingezet om de voortgangsrapportage van Unilog te beoordelen.

- De facturen na 7 februari 2013 worden door Unilog direct naar het Erasmus MC gestuurd. [medewerker 1] checkt de facturen van Unilog en draagt zorg voor betaling.

- Op basis van het transitieplan worden door de voorzitter Stuurgroep en directeur SO afspraken gemaakt met Unilog en worden deze geformaliseerd.'

2.10.

Bij e-mail van 26 maart 2013 heeft [medewerker 2] [medewerker 1] als volgt bericht:

'Na ons eerste overleg van 19 maart jl. hebben wij constructieve afspraken met elkaar gemaakt, zoals ook vastgelegd in de verslaglegging van [medewerker 1] [medewerker 5] .

Wij hebben alle lopende projecten gecontinueerd als besproken en overleggen thans met [medewerker 1] [medewerker 5] en [medewerker 5] [medewerker 7] over precieze inhoud en duur van de verschillende contracten.

Bijgaand treft u een contractvoorstel aan om de huidige juridische positie te expliciteren.

Tot slot vragen wij uw aandacht voor de afwikkeling van de openstaande facturen. Wij bespraken met u de onverklaarbare en onhoudbare achterstanden in de betalingen, maar mochten ook na toezeggingen tot op heden geen betalingen ontvangen. Wij vertrouwen erop dat door uw tussenkomst de betalingen voldaan zullen worden.'

2.11.

Het bij de e-mail van 26 maart 2013 van Unilog gevoegde contractvoorstel vermeldt onder meer:

'Artikel 1 (aansprakelijkheid)
Partijen bevestigen de stilzwijgende verlenging van opdrachten rechtstreeks aan Unilog Projects B.V.'

2.12.

[medewerker 1] heeft het door Unilog ter ondertekening rechtstreeks aan hem toegezonden contractsvoorstel niet ondertekend.

2.13.

Op 9 april 2013 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [medewerker 2] en [medewerker 2] van de zijde van Unilog en [medewerker 5] en [medewerker 7] van de zijde van Erasmus MC. Bij brief van 11 april 2013 met als opschrift 'Betreft: overeengekomen afspraken 9 april jl.' heeft [medewerker 5] Unilog als volgt bericht:

'Naar aanleiding van het gesprek dat de [medewerker 7] en ondergetekende op dinsdag 9 april 2013 met u hadden, bericht ik u als volgt.

Tot 7 februari jl. heeft het Erasmus MC diverse overeenkomsten gehad met Maatadvies & Partners B.V. waarvoor Maatadvies & Partners B.V, op haar beurt onder meer Unilog Projects B.V. heeft ingeschakeld. Er is tot op heden geen rechtstreekse contractuele relatie tussen het Erasmus MC en Unilog Projects B.V. geweest.

Met ingang van 7 februari jl. zijn de nog lopende overeenkomsten met Maatadvies & Partners B.V. met wederzijds goedvinden en zonder voorwaarden beëindigd en heeft Maatadvies & Partners haar werkzaamheden beëindigd.

Unilog Projects B.V. en enkele andere bedrijven en zzp’ers hebben hun werkzaamheden binnen het Erasmus MC ook na 7 februari jl. nog voortgezet, in afwachting van een beslissing van het Erasmus MC omtrent de wenselijkheid en noodzaak van voortzetting van verschillende projecten die met Maatadvies overeen gekomen waren. Voor deze werkzaamheden was echter geen contractuele basis tussen Erasmus MC enerzijds en Unilog Project B.V. en andere externe partijen anderzijds.

Om die reden zijn wij hierover op 9 april 2013 het volgende overeengekomen:

Unilog Project B.V. kan voor de periode 7 februari tot 15 april 2013 de door haar zelf in redelijkheid gemaakte en deugdelijk onderbouwde (door Erasmus MC geaccordeerde) uren factureren voor werkzaamheden met betrekking tot functioneel beheer, technisch beheer en de projecten Oracle eBS, dit betreft alleen werkzaamheden in het vervolg van opdrachten die schriftelijk aan Maatadvies & Partners B.V. zijn verstrekt.

Per 15 april 2013 neemt het Erasmus MC de regie en de aansturing over van Oracle EBs en IT Operations. Werkzaamheden ten behoeve van regulier Functioneel/Technisch beheer, inclusief de afhandeling van VTW’s, na 7 februari 2013 die door derden (de adviesbureaus OCC en Popay) verricht zijn, dienen via Unilog Projects B.V. bij het Erasmus MC in rekening gebracht te worden. Wij Informeren deze partijen aangaande deze afspraken.

Bij een eventuele voortzetting van de werkzaamheden van deze derden na 15 april a.s. (voor zover dit door het Erasmus MC wenselijk en noodzakelijk wordt geacht) zullen rechtstreeks afspraken worden gemaakt met betrokkenen. Derden zullen niet langer via Unilog Project B.V. gecontracteerd worden. Waar nodig zal Unilog Project BV. haar medewerking verlenen aan het realiseren van een ongestoorde overgang en voortzetting van deze werkzaamheden door derden.

U ontvangt hierbij tevens de opdracht om het project Voorraadbeheer d.d. 16 april 2013 conform plan en specificaties (MD050) op te leveren en te zorgen dat issues uiterlijk 1 mei 2013 gereed zijn. [medewerker 8] zal beoordelen of dit conform opdracht opgeleverd is.

In de periode tussen 15 april en 1 mei 2013 zal Unilog Project B.V. haar werkzaamheden overdragen aan het Erasmus MC. De heer [contactpersoon] zal als contactpersoon voor de overdracht van Oracle EBs optreden. De overdracht heeft betrekking op alle lopende projecten zoals vernoemd in uw rapportage Report RvB_HB_v0.5_27072013.pdf plus overdracht van alle beschikbare informatie uit de projecten t.a.v. Harmony en Analyse Licenties.

De aansturing van IT Operations wordt door Unilog Projects B.V. overgedragen aan ondergetekende. Aan de heer [medewerker] , zal Unilog Projects B.V. het beheer van de projecten aangaande Exadata en IT Operations overdragen.

In het kader van deze overdracht wordt inzage gegeven in de status van het project, de beheersstructuur, eventuele openstaande punten, mogelijke risico’s en problemen alsmede hun urgentie. Ook ontvangen wij graag een kopie van eventuele lopende en reeds afgeronde contracten met derden. Voor de overdracht kunt u gebruik maken van overdrachtsdocumenten die de heer [medewerker 7] aan u ter beschikking zal stellen. Tevens verzoek ik u alle informatie en al het materiaal dat betrekking heeft op uw werkzaamheden over te dragen. Nadat alle informatie over of van het Erasmus MC is overgedragen, dient de informatie die niet op de Erasmus MC infrastructuur is opgeslagen, verwijderd te worden.

Zonder omgaand andersluidend tegenbericht ga ik er vanuit dat ik de afspraken die wij gemaakt hebben met het voorgaande correct heb weergegeven en Unilog Project B.V. zich hieraan zal houden, zodat de werkzaamheden op professionele wijze tot een afronding kunnen komen.'

2.14.

Bij brief van 15 april 2013 van haar advocaat heeft Unilog Erasmus MC gesommeerd om een totaalbedrag aan openstaande facturen van € 820.822,26, vermeerderd met een bedrag van € 9.979,11 aan buitengerechtelijke incassokosten, binnen vijf dagen te voldoen.

2.15.

Erasmus MC heeft de facturen grotendeels - behoudens de hierna onder 3.1 onder a en b genoemde facturen - voldaan, maar in belangrijke mate niet binnen de daartoe door Unilog gestelde termijnen.

2.16.

Bij brief van 23 april 2013 van haar advocaat heeft Unilog de inhoud van de brief van 11 april 2013 van [medewerker 5] weersproken. Deze uitvoerige brief namens Unilog vermeldt onder meer:

'(…) Bij cliënte was het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de opdrachten die aanvankelijk door tussenkomst van [medewerker 1] Advies waren verstrekt vanaf 7 februari zouden worden gecontinueerd, zulks op basis van rechtstreeks verleende opdrachten. De werkzaamheden zijn ook stilzwijgend gecontinueerd en het overleg over de rechtstreeks te verstrekken opdrachten is opgevat. Cliënte heeft er gerechtvaardigd op vertrouwd en mogen vertrouwen dat de opdrachten zoals geformuleerd in het planningsdocument dat ook op 19 maart is overhandigd aan de voorzitter van de Raad van Bestuur aldus zouden worden gecontinueerd. Cliënte heeft moeten vaststellen dat deze opdrachten desalniettemin intussen per 15 april eenzijdig zijn beëindigd. Uw cliënte heeft uiteraard daartoe de bevoegdheid, doch is gehouden de schade die cliënte dientengevolge lijdt te vergoeden. Deze schade bestaat uit het positief contractsbelang dat cliënte heeft bij nakoming van de betreffende opdrachten, Voor een deel liepen deze voor een totale periode van twee jaren. De door tussenkomst van [medewerker 1] reeds verstrekte opdrachten zijn ook door laatstgenoemde nimmer beëindigd. Integendeel, in de correspondentie die tussen u (in de persoon van Prof. [medewerker 5] ) en [medewerker 1] is gevoerd inzake de beëindiging van de opdrachten aan [medewerker 1] is uitdrukkelijk bevestigd dat Erasmus MC voornemens was Unilog Projects B.V. op korte termijn in te schakelen voor voorkomende werkzaamheden. In dat verband is bedongen dat [medewerker 1] Advies & Partners B.V. op geen enkele wijze aanspraak zou maken op de boete die is opgenomen in de verklaring van 7 januari 2011, die deel uitmaakt van de afspraken tussen u en [medewerker 1] .

Cliënte is doende haar schade te begroten. Ik zal u dienaangaande nader berichten nadat de uitkomst van de begroting van de schade bekend is. Cliënte acht u verplicht de eerder via [medewerker 1] opgedragen werkzaamheden en de aansluitende werkzaamheden aan haar definitief op te dragen c.q. de opdrachten voort te zetten op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen dat dienaangaande is gewekt. Uit uw opstelling moet worden afgeleid dat uw cliënte daaraan geen gevolg zal geven en dat zij mitsdien met de nakoming van deze verplichtingen in gebreke is. Slechts voor zoveel nodig wordt uw cliënte hierdoor gesommeerd binnen zeven dagen na heden te bevestigen dat zij alsnog bereid is de eerder via [medewerker 1] opgedragen werkzaamheden, zoals ook nader uiteengezet in de op 19 maart overhandigde planning, onder de gebruikelijke voorwaarden aan cliënte op te dragen en te continueren, Bij gebreke daarvan houdt cliënte u aansprakelijk voor alle schade die zij dientengevolge lijdt, inclusief de gevolgschade. Voortbouwend op het gerechtvaardigd vertrouwen en de reeds verleende opdrachten heeft cliënte aan subcontractors opdrachten gegeven. De eenzijdige onmiddellijke beëindiging daarvan leidt tot schade, welke cliënte op u zal verhalen. (…)'

2.17.

Op verzoek van Unilog is een voorlopig getuigenverhoor gelast. Op 28 maart 2014 zijn in het kader van dat voorlopig getuigenverhoor als getuigen gehoord [medewerker 4] , [medewerker 5] en [medewerker 1] . Unilog en Erasmus MC waren bij die verhoren aanwezig, althans vertegenwoordigd.

3 Het geschil

3.1.

Unilog vordert dat:

'het Uw Rechtbank moge behagen ter zake voormeld, bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen aan eiseres te betalen:

a. de factuur van Unilog aan EMC d.d. 15 maart 2013 met kenmerk [kenmerk 1] ten bedrage van € 33.085,64 inclusief BTW ter zake Licentiebeheer vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf de vervaldatum, zijnde 29 maart 2013, althans vanaf heden, zulks tot de dag der algehele voldoening;

b. de factuur van Unilog met nummer [kenmerk 2] ten bedrage van € 43.560,-- inclusief BTW ter zake de levering aan EMC van honderd tablets die in januari 2013 heeft plaatsgevonden vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf de vervaldatum 22 maart 2013, althans vanaf heden, zulks tot de dag der algehele voldoening;

c. alsmede gedaagde te veroordelen aan eiseres tot vergoeding van haar buitengerechtelijke incassokosten te betalen een bedrag van € 4.842,87 exclusief BTW, vanwege de niet betaling van de hiervoor onder a. en b. voornoemde facturen en vanwege de niet tijdige betaling van de facturen van eiseres, uitgebracht aan gedaagde tot en met 15 maart 2014;

d. alsmede gedaagde te veroordelen aan eiseres te betalen de somma van € 1.062.700,43, exclusief BTW, althans van enig door Uw Rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag ter zake de door gedaagde aan haar verschuldigde schadevergoeding en/of ter zake de door gedaagde aan eiseres verschuldigde redelijke vergoeding in verband met de eenzijdige voortijdige beëindiging van de opdrachten die door gedaagde in rechtstreekse opdracht zijn gecontinueerd vanaf 7 februari 2013 tot en met 14 april 2013 c.q. vanwege het onrechtmatig afbreken van de onderhandelingen over de lopende en nieuwe opdrachten bij brief van 11 april 2013, zulks vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 april 2073, althans vanaf 25 april 2013, althans vanaf 30 april 2013, althans vanaf heden, tot de dag der algehele voldoening;

e. alsmede gedaagde te veroordelen aan eiseres te betalen de somma van € 717.000,--, althans van enig door Uw Rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag ter zake de door gedaagde aan haar verschuldigde schadevergoeding en/of ter zake de door gedaagde aan eiseres verschuldigde redelijke vergoeding in verband met de eenzijdige voortijdige beëindiging van de vervolgopdracht Harmony c.q. wegens de niet verdere verlenging daarvan, dan wel van het overleg daarover, zulks vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 april 2013, althans vanaf 25 april 2013, althans vanaf 30 april 2013 althans vanaf heden tot de dag der algehele voldoening;

f. het bovenstaande met veroordeling van gedaagde tot betaling van de proceskosten, zijnde daaronder de kosten voor het voorlopig getuigenverhoor begrepen;

g. alsmede gedaagde te veroordelen in de nakosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten vanaf veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis tot en met de dag der algehele voldoening.'

3.2.

Erasmus MC voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Unilog in de kosten van het geding.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Gelet op het financiële belang betreffen de belangrijkste geschilpunten tussen partijen de vorderingen als weergegeven onder 3.1 onder d. en e. Daarom zal de rechtbank die geschilpunten eerst behandelen en daarna de overige vorderingen.

4.2.

Aan de vordering als weergegeven onder 3.1 onder d. legt Unilog achtereenvolgens ten grondslag:

a. dat er tussen haar en Erasmus MC een contractuele relatie tot stand is gekomen doordat Unilog een derdenbeding heeft geaccepteerd dat was opgenomen in de beëindigingsovereenkomst tussen Maatadvies/ [medewerker 1] en Erasmus MC;

b. dat Unilog rechtstreeks mondeling opdracht heeft gekregen om de door tussenkomst van [medewerker 1] door Erasmus MC in de periode tot 7 februari 2013 opgedragen werkzaamheden te continueren;

c. dat Erasmus MC heeft gehandeld in strijd met opgewekt vertrouwen dat de opdrachten zouden worden geformaliseerd en gecontinueerd ook voor de periode na 15 april 2013.

4.3.

De rechtbank zal deze vordering afwijzen op de volgende gronden.

4.4.

ad a. derdenbeding

De beëindigingsovereenkomst van 7 februari 2013 tussen Maatadvies en Erasmus MC bevat geen derdenbeding ten gunste van Unilog. Uit de tekst van de door [medewerker 1] voor akkoord ondertekende schriftelijke bevestiging van de gemaakte afspraken (zie hiervoor onder 2.6), blijkt niet van een derdenbeding ten gunste van Unilog. Unilog heeft ook geen feiten of omstandigheden gesteld die meebrengen dat zij er in haar verhouding tot Erasmus MC niettemin op mocht vertrouwen dat tussen Maatadvies en Erasmus MC een derdenbeding ten behoeve van Unilog was overeengekomen.

4.5.

Erasmus MC heeft, voor zover hier relevant, bij Maatadvies en [medewerker 1] slechts bedongen dat het haar voortaan, in afwijking van de tekst van het relatiebeding, vrij zou staan om contracten te sluiten met personen en/of ondernemingen die eerder door of via Maatadvies en/of [medewerker 1] bij Erasmus MC geïntroduceerd zijn, zonder dat Erasmus MC hiervoor enige vergoeding aan Maatadvies en/of [medewerker 1] verschuldigd zou raken. Daarbij heeft Erasmus MC Maatadvies en [medewerker 1] er uitdrukkelijk op gewezen dat zij het voornemen had om Unilog op korte termijn in te schakelen voor voorkomende werkzaamheden. Dit kennelijk om buiten iedere twijfel te stellen dat zij daartoe gerechtigd zou zijn zonder dat Maatadvies en/of [medewerker 1] jegens haar aanspraak kon maken op een te verbeuren contractuele boete.

4.6.

Evident is dat Erasmus MC bij de beëindigingsovereenkomst in haar verhouding tot Maatadvies en [medewerker 1] weliswaar het recht heeft bedongen om na beëindiging van de relatie met Maatadvies en [medewerker 1] rechtstreeks met Unilog te contracteren, maar dat zij zich daartoe niet heeft verplicht. Daarom is van een derdenbeding ten behoeve van Unilog geen sprake. Dat kennelijk Maatadvies/ [medewerker 1] en Unilog beide de hoop hadden dat Unilog de positie die Maatadvies/ [medewerker 1] tot dan toe in de relatie tot Erasmus MC had ingenomen, zou kunnen overnemen, brengt niet mee dat zij daarop aanspraak konden maken. Indien Maatadvies/ [medewerker 1] en/of Unilog voor beëindiging van de contractuele relaties tussen Maatadvies/ [medewerker 1] en Erasmus MC zekerheid wenste(n) te verkrijgen dat Erasmus MC vervolgens overeenkomsten met een bepaalde inhoud zou sluiten met Unilog, had Maatadvies/ [medewerker 1] dat ten behoeve van zichzelf en/of Unilog moeten bedingen. Dat is niet geschied.

4.7.

ad b. mondeling opdracht

Gesteld noch gebleken is dat [medewerker 5] Unilog meer of anders heeft verzocht dan om na 7 februari 2013 de werkzaamheden te continueren die nodig waren voor de continuïteit van de bedrijfsvoering van Erasmus MC, zulks in afwachting van de afwikkeling van de contractuele relatie met Maatadvies/ [medewerker 1] . [medewerker 5] heeft hierover als getuige als volgt verklaard:

'(…) Contractueel moest het alleen eerst goed worden geregeld met [medewerker 1] . Hij moest er eerst tussenuit voordat we contracten rechtstreeks met Unilog konden sluiten. Er was een afspraak gepland op 19 februari 2013 maar die is niet meer doorgegaan omdat ik op die datum bij EMC ben vertrokken. Daarna ben ik niet meer betrokken geweest.

(…)

Ik zei al dat we waren gebonden aan [medewerker 1] . Zodra van hem de bevestiging zou komen omtrent de afspraken van beëindiging van de relatie hadden wij de handen vrij om met Unilog concrete afzonderlijk opdrachten af te spreken met een helder tijdpad en kostenplaatje.

(…)

De intentie was om met Unilog door te gaan op basis van heldere contracten. Er zou geen sprake zijn van blindelings tekenen. Er zou gekeken worden naar urgentie en prioriteit en daar zouden heldere contracten voor worden gesloten. In mijn brief van 12 februari 2013 (productie 19 verzoekschrift) heb ik aan [medewerker 1] bevestigd het mondeling akkoord dat hij mij op 7 februari had gegeven. De schriftelijke bevestiging van de zijde van [medewerker 1] is pas na mijn vertrek gekomen.

(…)

Het contract met [medewerker 1] was ingewikkeld en kende veel overlap. In onze ogen was het veel te open en te breed. Aan die situatie wilden wij een einde maken om daarna een op een met Unilog heldere afspraken te maken over concrete trajecten en kosten.

(…)

Voor wat betreft de voortzetting van de werkzaamheden na het mondeling akkoord van [medewerker 1] van februari 2013 zou Unilog nog concrete voorstellen doen. Het was de bedoeling dat die uiteindelijk tot contracten zouden leiden. De geplande afspraak van 19 februari was bedoeld om, als op dat moment het akkoord van [medewerker 1] was ontvangen, de verschillende contracten te benoemen en daar verder over in gesprek te gaan. Het was de intentie om door te gaan en in de tussentijd moest er natuurlijk wel worden doorgewerkt. Dat heb ik Unilog ook gevraagd. Voor wat betreft het doorwerken heb ik gezegd dat we goed naar de kosten daarvan moesten kijken. Het moest helder zijn om welke werkzaamheden het ging, door wie ze werden uitgevoerd en voor welke duur. Ik had het idee dat we daar wel uit zouden komen.

(…)

Ik heb Unilog gevraagd om door te gaan met de werkzaamheden die nodig waren voor de continuïteit van de bedrijfsvoering hangende het gesprek met [medewerker 1] omtrent de beëindiging. (…)'

4.8.

Indien Unilog van mening was dat [medewerker 5] hierover niet naar waarheid, althans niet juist, had verklaard, had het op haar weg gelegen dat gemotiveerd te stellen. Dat heeft zij niet gedaan. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de hiervoor onder 2.16 geciteerde brief van 23 april 2013 van de advocaat van Unilog. Uit die brief blijkt dat Unilog wist dat er na formele beëindiging van de relatie tussen Erasmus MC en Maatadvies/ [medewerker 1] overleg tussen Unilog en Erasmus MC zou dienen te worden gevoerd over door Erasmus MC (eventueel) rechtstreeks aan Unilog te verstrekken opdrachten.

4.9.

Uit het feit dat [medewerker 5] Unilog had gevraagd om de voor de continuïteit van de bedrijfsvoering noodzakelijke werkzaamheden te continueren, mocht Unilog niet afleiden - en heeft zij feitelijk ook niet afgeleid - dat zij ter zake van alle tussen Maatadvies en Erasmus MC beëindigde contracten zonder meer de positie van Maatadvies als contractspartner had overgenomen of zou kunnen overnemen. In de e-mail van 19 februari 2013 van [medewerker 2] aan [medewerker 5] stelde Unilog zelf vast dat op dat moment door haar en derden werkzaamheden werden verricht zonder juridische status. Weliswaar is die vaststelling onjuist - er was immers een mondelinge opdracht van [medewerker 5] namens Erasmus MC om de noodzakelijke werkzaamheden te continueren - maar het maakt wel duidelijk dat Unilog zich er terdege van bewust was dat zij niet eenvoudigweg als contractspartij in de plaats van Maatadvies was getreden voor wat betreft de contractuele relatie(s) die voorheen bestonden tussen Maatadvies en Erasmus MC.

4.10.

ad c. afgebroken onderhandelingen

Bij beoordeling van de vraag of Erasmus MC jegens Unilog schadeplichtig is omdat zij opdrachten aan Unilog had behoren te formaliseren en continueren, is het volgende van belang. Als maatstaf voor de beoordeling van de schadevergoedingsplicht bij afgebroken onderhandelingen heeft te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen - die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen - vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, terwijl, in het geval onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over een lange tijd worden voortgezet, wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend is hoe daaromtrent ten slotte op het moment van afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen.

4.11.

De rechtbank acht onjuist de stelling van Unilog dat Erasmus MC heeft gehandeld in strijd met opgewekt vertrouwen dat de opdrachten zouden worden geformaliseerd en gecontinueerd ook voor de periode na 15 april 2013. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaraan Unilog dat gestelde vertrouwen had mogen ontlenen. Uit hetgeen [medewerker 5] als getuige heeft verklaard, blijkt dat hij inderdaad het voornemen had om na ontvangst van het schriftelijk akkoord van Maatadvies/ [medewerker 1] op de bevestiging van de op 7 februari 2012 gemaakte afspraken met Unilog in onderhandeling te treden over het sluiten van nieuwe overeenkomsten tussen Erasmus MC en Unilog. Daarbij was de inzet van [medewerker 5] echter om vanaf dat moment heldere afspraken met Unilog te maken over concrete trajecten en kosten. Dat van de zijde van Erasmus MC door [medewerker 5] of anderen toezeggingen zijn gedaan waaruit Unilog mocht afleiden dat de met wederzijds goedvinden beëindigde contracten tussen Erasmus MC en Maatadvies één op één zouden worden geconverteerd in contracten met dezelfde, of enigszins aangepaste, inhoud tussen Erasmus MC en Unilog, danwel dat Erasmus MC de plek van Maatadvies als contractspartij zou innemen in lopende contracten tussen Maatadvies en Unilog, kan uit de stellingen van Unilog niet worden afgeleid.

4.12.

Dat Unilog op verzoek van [medewerker 5] ten behoeve van Erasmus MC de noodzakelijke werkzaamheden heeft gecontinueerd gedurende de periode dat Erasmus MC doende was de verhouding met Maatadvies/ [medewerker 1] af te wikkelen, brengt niet mee dat Unilog er zonder meer aanspraak op kon maken dat haar vervolgens, na afwikkeling van die verhouding, alle contracten zouden worden gegund die Maatadvies eerder had kunnen sluiten met Erasmus MC, dan wel dat Erasmus MC de plek zou innemen van Maatadvies in tussen Maatadvies en Unilog tot stand gekomen overeenkomsten. Unilog wist in ieder geval vanaf 7 februari 2013 dat het onzeker was of, in welke mate en tegen welke tarieven/beloningsafspraken zij haar werkzaamheden ten behoeve van Erasmus MC op termijn zou kunnen continueren. Unilog had uiteraard belang bij het handhaven van een goede relatie met Erasmus MC, mede met het oog op haar wens om in de nabije toekomst met Erasmus MC overeenkomsten te kunnen sluiten met voor Unilog zo gunstig mogelijke voorwaarden. Het is dan ook alleszins verklaarbaar dat zij bereid was om op verzoek van [medewerker 5] haar werkzaamheden voorlopig te continueren - tegen vergoeding - in afwachting van de nadere ontwikkelingen, uiteraard in de hoop op het alsnog kunnen afsluiten van lucratieve overeenkomsten met Erasmus MC. Dat dit anders is gelopen omdat Erasmus MC uiteindelijk heeft besloten om niet (meer) met Unilog te willen contracteren, impliceert niet dat Erasmus MC jegens Unilog toerekenbaar tekort is geschoten dan wel onrechtmatig heeft gehandeld of nagelaten. Het was geenszins onaanvaardbaar dat Erasmus MC besloot geen (verdere) onderhandelingen met Unilog te willen voeren over na 15 april 2013 door Unilog voor Erasmus MC te verrichten werkzaamheden. Het stond Erasmus MC vrij om de besluiten te nemen zoals die zijn af te leiden uit de brief van 19 maart 2013 van [medewerker 5] aan Unilog (zie hiervoor onder 2.9).

4.13.

Aan Unilog kan worden toegegeven dat er na 19 maart 2013 door Erasmus MC vrij abrupt een einde is gemaakt aan de samenwerking met Unilog. De rechtbank is echter van oordeel dat dit verklaarbaar is uit de inhoud van de contacten tussen partijen in die periode. Gelet op het ter zitting van de zijde van Unilog hiervoor getoonde onbegrip zal de rechtbank hier kort op ingaan. Op 19 maart 2013 was tussen Erasmus MC en Unilog afgesproken, en is door Erasmus MC schriftelijk bevestigd: 'De ophanging van Unilog direct onder de RvB wordt aangepast, Unilog communiceert per heden met de voorzitter stuurgroep Transitie IT ( [medewerker 5] [medewerker 7] ) en de directeur SO'. Niettemin benaderde [medewerker 2] op 26 maart 2013, met voorbijgaan van [medewerker 7] en [medewerker 5] , rechtstreeks [medewerker 1] , de voorzitter van de Raad van Bestuur, met de intentie om [medewerker 1] ertoe te bewegen een door Unilog eenzijdig opgestelde overeenkomst te ondertekenen volgens de tekst waarvan sprake zou zijn van 'stilzwijgende verlenging van opdrachten rechtstreeks aan Unilog'. De rechtbank kan dat niet anders zien dan als een poging van Unilog om buiten het afgesproken kader om een juridische basis te creëren voor door Unilog in deze procedure ingenomen standpunten. Unilog beoogde [medewerker 1] ertoe te brengen door ondertekening van die overeenkomst te bevestigen dat opdrachten die in het verleden waren verstrekt aan/door Maatadvies stilzwijgend zouden zijn verlengd en door Erasmus MC aan Unilog zouden zijn opgedragen. Die handelswijze van Unilog, het trachten voorbij te gaan aan de haar aangewezen contactpersonen binnen Erasmus MC, heeft uiteraard niet bijgedragen aan een goede verstandhouding. Dit zal het vertrouwen van Erasmus MC in Unilog als (potentiële) contractspartner aanmerkelijk hebben doen afnemen. Dat Erasmus MC er na ontvangst door [medewerker 1] van de mail van 26 maart 2013 voor heeft gekozen om op heel korte termijn definitief afscheid te nemen van Unilog, acht de rechtbank in de gegeven omstandigheden verklaarbaar en gerechtvaardigd. Dat er van de zijde van Erasmus MC tot dan toe geen kritiek was uitgeoefend op de kwaliteit van de werkzaamheden van Unilog, doet daar, wat daar ook van zij, niet aan af.

4.14.

Opmerking verdient dat het voor risico van Unilog komt indien zij na 7 februari 2013 nog verplichtingen jegens derden is aangegaan of contracten heeft verlengd ter zake van ten behoeve van Erasmus MC uit te voeren werkzaamheden. Indien en voor zover het aangaan of het verlengen van contracten met derden noodzakelijk was voor de continuïteit van de bedrijfsvoering van Erasmus MC lag het op de weg van Unilog om Erasmus MC daarop te wijzen en eventueel met Erasmus MC in overleg te treden over de eventuele verlenging van die overeenkomsten en de in de visie van Unilog voor Erasmus MC daaraan verbonden financiële gevolgen. Dat Unilog dat heeft gedaan, is gesteld noch gebleken. Voor zover Unilog overeenkomsten met derden is aangegaan of heeft verlengd vanuit onterecht vertrouwen dat zij de door haar gewenste overeenkomsten met Erasmus MC in de nabije toekomst zou kunnen aangaan, kan zij zich daar jegens Erasmus MC niet op beroepen. Het is immers niet aan Erasmus MC toerekenbaar dat Unilog daar ten onrechte op heeft vertrouwd. Dat Unilog haar relaties - tevens potentiële concurrenten - er wellicht om commerciële redenen niet over wilde informeren dat zij vooralsnog slechts in opdracht van [medewerker 5] de noodzakelijke werkzaamheden continueerde, betreft door Unilog bewust genomen ondernemersrisico. Unilog had er ook voor kunnen kiezen om haar relaties er wel op te wijzen dat zij met Erasmus MC nog geen overeenkomsten had kunnen sluiten waarbij Erasmus MC zich voor langere termijn aan Unilog committeerde. Dan zou zij uiteraard wel het risico hebben gelopen dat potentiële concurrenten van Unilog hun diensten rechtstreeks aan Erasmus MC zouden kunnen aanbieden. De eventuele schadelijke gevolgen van de door Unilog gemaakte commerciële keuze om te handelen alsof Erasmus MC zich reeds voor langere termijn jegens Unilog had gecommitteerd, kan Unilog in de gegeven omstandigheden niet op Erasmus MC afwentelen. Van een toerekenbaar tekortschieten en/of onrechtmatig handelen of nalaten van de zijde van Erasmus MC jegens Unilog is geen sprake.

4.15.

Aan de vordering als weergegeven onder 3.1 onder e. legt Unilog ten grondslag dat voor de vervolgopdracht Harmony mondeling opdracht is verstrekt door Erasmus MC. Bij dagvaarding onder 42 stelt zij in dit verband:

'(…) Op basis van dit vooronderzoek is de aanbieding voor het vervolgtraject gedaan (zie hiervoor productie 4d). Ten aanzien van dit project is reeds een opdracht verstrekt aan [medewerker 1] . Mevrouw [medewerker 4] heeft in een bespreking met Unilog d.d. 11 december 2012 daarover navraag gedaan bij de secretaris van de Raad van Bestuur, [medewerker 9] . Deze heeft expliciet bevestigd dat er een daartoe strekkend besluit was genomen door de Raad van Bestuur. De opdracht aan [medewerker 1] staat derhalve vast, zodat ook [medewerker 1] bevoegd was de opdracht aan cliënte te verstrekken.'

4.16.

De rechtbank zal deze vordering afwijzen. Unilog heeft haar door Erasmus MC betwiste stelling dat mondeling opdracht is verstrekt niet adequaat onderbouwd.

4.17.

De offerte van Unilog aan Erasmus MC voor het vervolgtraject Harmony waar Unilog naar verwijst (haar productie 4d) is gedateerd 2 januari 2013. Het is dan ook niet voorstelbaar dat Unilog al vóór die datum, namelijk reeds op 11 december 2012 mondeling opdracht heeft ontvangen met betrekking tot dit project. Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Nu het aanbod niet eerder dan op 2 januari 2013 is gedaan, kan dat aanbod niet reeds in 2012 zijn aanvaard.

4.18.

Opvallend is verder dat [medewerker 4] , die op 11 december 2012 - zeer kort voor haar vertrek bij Erasmus MC - nog een bespreking met Unilog voerde, zelf kennelijk niet wist of er met betrekking tot het project Harmony een besluit was genomen door de Raad van Bestuur. Wat [medewerker 4] vervolgens precies heeft gevraagd aan Maas, de secretaris van de Raad van Bestuur, is onduidelijk. Dat geldt evenzeer voor het door Maas gegeven antwoord. Op welke wijze de vervolgens door [medewerker 4] aan Unilog verstrekte informatie in de beleving van Unilog heeft geleid tot een opdracht van Erasmus MC aan Unilog voor de uitvoering van het project Harmony conform de enkele weken later uitgebrachte offerte wordt uit de stellingen van Unilog ook niet duidelijk.

4.19.

De offerte waar Unilog zich op beroept, zou blijkens de tekst daarvan voor akkoord dienen te worden ondertekend door [medewerker 5] . Vast staat dat dat in ieder geval niet is geschied. [medewerker 5] heeft als getuige over het project Harmony desgevraagd verklaard dat hij niet bekend was met besluitvorming daarover in de Raad van Bestuur, welke in december 2012 zou moeten hebben plaatsgevonden. Voorts heeft hij verklaard dat bedragen zoals die voor het project Harmony benodigd waren, niet waren gereserveerd in de begroting en dat het niet de bedoeling was om over het project Harmony op korte termijn een contract af te sluiten.
Het lag tegen de achtergrond van het voorgaande op de weg van Unilog om helder uiteen te zetten hoe niettemin door een daartoe bevoegd persoon een mondelinge opdracht voor uitvoering van het project Harmony door Erasmus MC aan Unilog is verstrekt.

4.20.

Unilog heeft gesteld dat [medewerker 1] bevoegd was de opdracht aan Unilog te geven omdat 'de opdracht aan [medewerker 1] ' vast zou staan. Uit de stellingen van Unilog blijkt echter niet op grond waarvan de opdracht aan [medewerker 1] vast zou staan en evenmin op grond waarvan [medewerker 1] vervolgens bevoegd zou zijn geweest om namens Erasmus MC opdracht te verstrekken aan Unilog. [medewerker 1] was niet bevoegd om Erasmus MC te vertegenwoordigen. Wanneer [medewerker 1] overeenkomsten aanging, handelde hij namens Maatadvies dan wel namens een eenmanszaak met die naam. Gesteld noch gebleken is op grond waarvan [medewerker 1] in dit geval namens Erasmus MC kon contracteren.

4.21.

Nog afgezien van het voorgaande ligt het ook niet voor de hand dat voor het project Harmony mondeling opdracht zou zijn verschaft. Volgens de offerte van Unilog betrof het financiële belang van Erasmus MC bij het project vele miljoenen. De projectkosten die Erasmus MC aan Unilog verschuldigd zou raken bij acceptatie van haar offerte bedroegen € 1.188.000,00 per jaar voor een periode van drie jaar, nog te vermeerderen met een resultaatsafhankelijke additionele vergoeding. Met betrekking tot een dergelijke offerte zal de offrerende partij niet al te lichtvaardig mogen aannemen dat de wederpartij betreffend aanbod (reeds) mondeling heeft aanvaard. Temeer niet indien die offerte aan de wederpartij wordt toegezonden met het verzoek om die offerte door een bevoegde vertegenwoordiger van de wederpartij voor akkoord te doen ondertekenen.

4.22.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, bestaat er geen grond om Unilog toe te laten tot bewijsvoering ter zake van haar - te vage - stellingen inzake het project Harmony.

4.23.

Dan dienen nog beoordeeld te worden de vorderingen van relatief ondergeschikte betekenis als weergegeven onder 3.1 onder a. tot en met c.

4.24.

Aan de vordering als weergegeven onder 3.1 onder a. legt Unilog ten grondslag een opdracht van Erasmus MC om werkzaamheden inzake licentiebeheer te verrichten. Ter zake van die werkzaamheden heeft Unilog op 15 maart 2013 een factuur aan Erasmus MC verzonden voor een bedrag van € 33.085,64 inclusief BTW (productie 14). Unilog heeft haar vordering voor de zitting nader onderbouwd met de door haar overgelegde producties 37, 38 en 39, welke inzicht bieden in de in het kader van deze opdracht uitgevoerde werkzaamheden.

4.25.

Mede in het licht van de nadere onderbouwing van deze vordering heeft Erasmus MC het daartegen gevoerde verweer onvoldoende onderbouwd. In het voorlopig getuigenverhoor hebben [medewerker 4] , [medewerker 5] en [medewerker 1] over een opdracht inzake licentiebeheer verklaard. [medewerker 4] heeft verklaard dat de opdracht voor licentiebeheer via Maatadvies is verstrekt. [medewerker 1] heeft verklaard dat betreffende opdracht op 15 september 2011 via hem aan Unilog is verstrekt. [medewerker 5] heeft verklaard dat Unilog is gevraagd om gezamenlijk richting Oracle op te trekken voor de licenties en EXA data. Dat over onder andere deze onderwerpen volgens [medewerker 5] nog overeenkomsten gesloten zouden dienen te worden na afwikkeling van de verhouding met Maatadvies neemt niet weg dat [medewerker 5] Unilog had verzocht om na 7 februari 2013 de werkzaamheden te continueren die nodig waren voor de continuïteit van de bedrijfsvoering van Erasmus MC.

4.26.

Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat Unilog terecht aanspraak maakt op voldoening van deze factuur. Dat de werkzaamheden ten dele vóór 7 februari 2013 zijn verricht en voor dat deel wellicht strikt genomen door Unilog aan Maatadvies en door Maatadvies aan Erasmus MC hadden moeten worden gefactureerd en voor het overige rechtstreeks aan Erasmus MC, doet daar niet aan af. De op 19 maart 2013 tussen Erasmus MC en Unilog gemaakte afspraken over de wijze van facturering (zie hiervoor onder 2.9): 'De facturen na 7 februari 2013 worden door Unilog direct naar het Erasmus MC gestuurd. [medewerker 1] checkt de facturen van Unilog en draagt zorg voor betaling', laat minst genomen ruimte voor de interpretatie dat Unilog betreffende factuur van na 7 februari 2013 niet hoefde te splitsen, maar rechtstreeks bij Erasmus MC mocht indienen en volledig op naam van Erasmus MC mocht stellen, als waren de werkzaamheden volledig in opdracht van Erasmus MC verricht. Deze vordering zal derhalve worden toegewezen.

4.27.

De gevorderde wettelijke rente ex artikel 6:119a BW zal worden toegewezen vanaf 30 dagen na factuurdatum. De door Unilog overgelegde offertes vermelden een betalingstermijn van 30 dagen (producties 4a tot en met 4f). Ter zitting is van de zijde van Unilog desgevraagd bevestigd dat zij de op haar facturen vermelde termijn van 14 dagen niet is overeengekomen. In de praktijk hanteerde zij geen termijn van 14 dagen, maar van 30 dagen en soms een langere termijn. De enkele vermelding van een betalingstermijn van 14 dagen op de facturen brengt in de gegeven omstandigheden niet mee dat de gebruikelijke door Unilog gehanteerde betalingstermijn van 30 dagen jegens Erasmus MC alsnog, vanaf het moment dat geschillen tussen partijen zijn ontstaan, is verkort tot 14 dagen.

4.28.

Aan de vordering als weergegeven onder 3.1 onder b. legt Unilog ten grondslag een opdracht van Erasmus MC om 100 tablets te leveren. Ter zake van die levering en de daarmee verband houdende werkzaamheden heeft Unilog Erasmus MC op 22 februari 2013 een factuur verzonden voor een bedrag van € 43.560,-- inclusief BTW (productie 18). Unilog heeft zich in dit verband beroepen op de door [medewerker 4] als getuige afgelegde verklaring waarin zij heeft verklaard dat zij deze opdracht heeft verstrekt.

4.29.

De rechtbank zal deze vordering toewijzen.

4.30.

Vast staat dat [medewerker 4] via Maatadvies opdracht heeft gegeven aan Unilog om de tablets te leveren. Weliswaar levert dat geen rechtstreekse vordering op van Unilog jegens Erasmus MC, maar in de gegeven omstandigheden wel een vordering van Unilog op Maatadvies, alsmede een vordering van Maatadvies jegens Erasmus MC. Maatadvies heeft haar vordering op Erasmus MC aan Unilog gecedeerd.

4.31.

Erasmus MC heeft weliswaar aangevoerd dat de levering gebrekkig zou zijn, maar dat verweer is onvoldoende onderbouwd. Unilog heeft gemotiveerd gesteld dat zij de tablets heeft ingericht conform hetgeen met [medewerker 4] was afgesproken. Die stelling heeft Erasmus MC niet weersproken. Erasmus MC heeft vervolgens nog aangevoerd dat er problemen met de beveiliging zouden zijn, maar dat verweer is niet geconcretiseerd zodat Unilog daar niet op heeft kunnen reageren. Daarom zal de rechtbank daaraan voorbij gaan.

4.32.

Het komt de rechtbank voor dat de tablets niet in gebruik zijn genomen in verband met het vertrek van [medewerker 4] bij Erasmus MC. Het plan dat zij als lid van de Raad van Bestuur kennelijk had met de 100 tablets, is vanaf enig moment niet verder uitgevoerd. Die omstandigheid komt voor rekening van Erasmus MC. Dat Erasmus MC na het vertrek van [medewerker 4] kennelijk geen behoefte meer had aan de tablets, en geen serieuze poging heeft gedaan om deze alsnog in gebruik te nemen, rechtvaardigt niet dat zij de factuur niet voldoet.

4.33.

Ook ter zake van deze factuur zal de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW worden toegewezen vanaf 30 dagen na factuurdatum.

4.34.

Aan de vordering als weergegeven onder 3.1 onder c. legt Unilog ten grondslag dat Erasmus MC facturen niet tijdig had voldaan, in verband waarmee Unilog zich genoodzaakt zag tot het maken van buitengerechtelijke incassokosten teneinde die facturen te doen incasseren. De door Unilog overgelegde brief van 15 april 2013 van haar raadsman (productie 10 bij dagvaarding) noemt een bedrag aan openstaande facturen van € 820.822,16.

4.35.

Erasmus MC voert aan dat zij alle werkzaamheden heeft betaald, met uitzondering van de twee hiervoor behandelde facturen waarover nog een dispuut bestond. Erasmus MC wijst erop dat in haar visie Unilog de situatie nodeloos heeft laten escaleren. Erasmus MC had Unilog laten weten dat bestede uren betaald zouden worden, mits die zouden worden aangetoond.

4.36.

De rechtbank is van oordeel dat Erasmus MC gehouden was facturen in beginsel binnen 30 dagen na factuurdatum te voldoen. Ter zake van het bij de brief van de raadsman van Unilog gevoegde overzicht aan facturen was op 15 april 2013 voor een totaalbedrag van € 570.013,70 de betalingstermijn van 30 dagen verstreken. In verband met de buitengerechtelijke kosten die Unilog ter zake van die facturen heeft gemaakt, heeft zij recht op vergoeding. Weliswaar is denkbaar dat ten aanzien van specifieke facturen het gerechtvaardigd was dat Erasmus MC die nog niet had voldaan omdat zij Unilog terecht om een nadere toelichting of specificatie had gevraagd, maar dat verweer heeft Erasmus MC onvoldoende gespecificeerd zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat. De rechtbank zal aan buitengerechtelijke kosten een bedrag toewijzen van € 3.500,00. Daarbij gaat de rechtbank uit van de gebruikelijke tarieven (staffel buitengerechtelijke kosten). Tevens gaat de rechtbank er daarbij van uit dat BTW voor Unilog geen schade vormt.

4.37.

Dan resteert de beslissing over de proceskosten. De rechtbank zal de kosten van deze procedure tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen. Weliswaar is Unilog met betrekking tot de vorderingen als weergegeven onder 3.1 onder d. en e. in het ongelijk gesteld, maar daar staat tegenover dat wel enkele vorderingen van Unilog worden toegewezen, terwijl het voeren van deze procedure inclusief het doen horen van getuigen in een voorlopig getuigenverhoor voor Unilog mede noodzakelijk is geweest om die vorderingen in rechte toegewezen te krijgen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt Erasmus MC om aan Unilog te betalen de factuur van Unilog aan Erasmus MC d.d. 15 maart 2013 met kenmerk [kenmerk 1] ten bedrage van € 33.085,64 inclusief BTW ter zake Licentiebeheer vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW daarover vanaf 15 april 2013 tot de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt Erasmus MC om aan Unilog te betalen de factuur van Unilog aan Erasmus MC d.d. 22 februari 2013 met kenmerk [kenmerk 2] ten bedrage van € 43.560,00 inclusief BTW ter zake de levering aan EMC van honderd tablets die in januari 2013 heeft plaatsgevonden vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW daarover vanaf 24 maart 2013 tot de dag der algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt Erasmus MC om aan Unilog te betalen ter zake van buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 3.500,00;

5.4.

compenseert de proceskosten tussen partijen, zo dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman, mr C. Sikkel en mr. J.W. Langeler en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2015.
[1729/1573/182]