Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:9316

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
05-01-2016
Zaaknummer
KTN-4518025_16122015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vernietiging ontslag op staande voet. Ontbinding arbeidsovereenkomst met transitievergoeding en billijke vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0021
AR 2016/41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4518025 VZ VERZ 15-20132

uitspraak: 16 december 2015

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te Schiedam,

verzoeker,

verweerder in het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. J. de Jong, werkzaam bij CNV Vakmensen te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam B.V.].,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

verzoekster in het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. M.P.V. den Engelsman, advocaat te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “[verzoeker].” en “[naam B.V.]”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • -

    het verzoekschrift van [verzoeker]., met producties, ontvangen op 8 oktober 2015;

  • -

    het verweerschrift van [naam B.V.], tevens houdende een tegenverzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [verzoeker]., met producties;

  • -

    het verweerschrift van [verzoeker]. tegen het tegenverzoek, met producties;

  • -

    de na de eerste behandeling ter zitting door [verzoeker]. genomen akte met producties.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 november 2015 en is voortgezet op 3 december 2015. [verzoeker]. is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde mw. mr. J. de Jong. [naam B.V.] is verschenen bij haar bestuurder [B.], bijgestaan door haar advocaat, mr. M.P.V. den Engelsman. Bij de behandeling ter zitting van 3 december 2015 is [B.Sr.]. als getuige gehoord. Van dat verhoor alsmede van het verhandelde op die zitting is proces-verbaal opgemaakt.

1.3

De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten.

2.1

[verzoeker]., geboren op [geboortedatum], is op 1 november 2010 in dienst getreden bij [naam B.V.] in de functie van administratief medewerker, op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Toentertijd waren zowel zijn vader, [B.Sr.], als zijn oom, [B.] statutair directeur van [naam B.V.].

2.2

Op 4 juni 2013 hebben [verzoeker]. en [B.Sr.]. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam nieuwe BV]. (hierna: [NNB]) opgericht.

2.3

[verzoeker]. is op 25 augustus 2015 op non-actief gesteld / geschorst door [naam B.V.]. Bij brief van 29 augustus 2015 heeft [verzoeker]. tegen die non-actiefstelling geprotesteerd, waarbij hij zich uitdrukkelijk bereid en beschikbaar heeft verklaard tot het verrichten van de bedongen werkzaamheden.

2.4

[B.] heeft op 2 september 2015 [B.Sr.]. uit het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel laten uitschrijven als statutair directeur van [naam B.V.]. Tevens is [B.Sr.]. op 16 september 2015 op staande voet ontslagen als statutair directeur wegens - kort gezegd - verduistering van 1.7 miljoen euro in 2012 en ruim € 25.000,- in 2014/2015. [B.Sr.]. heeft de vernietiging van dat ontslag op staande voet verzocht, terwijl [naam B.V.] hem in een dagvaardingsprocedure bij de Handelskamer van deze rechtbank heeft aangesproken tot terugbetaling van (een deel van) de verduisterde gelden. In beide procedures is nog niet definitief beslist.

2.5

Per e-mail van 16 september 2015 is [verzoeker]. door [naam B.V.] op staande voet ontslagen. In dat e-mailbericht heeft de advocaat van [naam B.V.] [verzoeker]. voor zover thans van belang onder meer het volgende medegedeeld

“(…)
Wat wel zeker is, is dat cliënte er gisterochtend te 11.09 uur op is gestuit dat u op uw woonadres klaarblijkelijk sedert 4 juni 2013 samen met een zekere [P.] een met cliënte concurrerende besloten vennootschap bestuurt met de naam [naam nieuwe BV] Cliënte was daar volstrekt niet mee bekend. Dat is zonder meer een reden voor een ontslag op staande voet.
Uit de eerdere contacten tussen cliënte en u komt daarenboven het beeld naar voren dat met name de communicatie met u als werknemer de afgelopen tijd steeds moeilijker is geworden en dat u er helemaal geen zin in hebt om terug te keren op de werkvloer, hetgeen uiteindelijk in een situatie is geculmineerd, die nu zonder meer het karakter draagt van de druppel die de emmer doet overlopen. U heeft cliënte in ieder geval door al geruime tijd zonder reden niet verschenen te zijn, in samenhang met de thans blijkende oneigenlijke concurrentie die u uw werkgever aandoet, voorzien van een dringende reden om de arbeidsovereenkomst onverwijld en met onmiddellijke ingang te beëindigen, een en ander als bedoeld in artikel 7:677 BW. Namens cliënte ga ik hierbij dan ook over tot een dergelijke beëindiging van het dienstverband per heden”.

2.6

Namens [verzoeker]. is tegen het ontslag op staande voet geprotesteerd bij brief van zijn gemachtigde d.d. 18 september 2015.

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1

[verzoeker]. verzoekt om bij beschikking:


PRIMAIR:

I. de opzegging van de arbeidsovereenkomst ingevolge artikel 7:681 lid 1 sub a jo. 671 lid 1 sub c jo. 677 lid 1 BW te vernietigen;

alsmede [naam B.V.] bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot:

II. het binnen 24 uur na betekening van deze beschikking toelaten van hem op het werk en hem in de gelegenheid te stellen zijn gebruikelijke werkzaamheden als administratief medewerker zonder enige beperking te hervatten, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of een gedeelte daarvan, dat [naam B.V.] in gebreke blijft daaraan te voldoen;

III. a. aan [verzoeker] te betalen het achterstallig salaris over de maand september 2015,

neerkomende op een bedrag van € 2.520,00 bruto;

b. aan [verzoeker] te betalen het loon ad € 2.520,00 bruto per maand, plus emolumenten

vanaf 1 oktober 2015, tot aan het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen van rechtswege eindigt;

c. aan [verzoeker] te betalen de op grond van artikel 7:625 BW verschuldigde

wettelijke verhoging over het onder III a gevorderde;

d. aan [verzoeker] te betalen de wettelijke rente over het onder III a gevorderde

bedrag vanaf 16 september 2015 alsmede de wettelijke rente over de wettelijke

verhoging, vanaf de dag der dagvaarding, dan wel vanaf een andere

ingangsdatum, tot aan de dag der algehele voldoening;

IV. voldoening van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 410,00;

V. voldoening van de kosten van het geding, inclusief het salaris van de gemachtigde.

VI. het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding ten aanzien

van de onder II en III genoemde vorderingen.

SUBSIDIAIR:

I. te verklaren voor recht dat er geen sprake is van een dringende reden voor het

ontslag op staande voet;

II. betaling van een billijke vergoeding aan [verzoeker] van minimaal € 10.000,00

bruto, omdat de opzegging in strijd is met artikel 7:681 lid 1 sub a BW;

III. betaling van de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:672 lid 9 BW ter hoogte

van € 8.163,00 bruto, over de periode van 1 september 2015 tot 1 december 2015;

IV. betaling van een transitievergoeding ex artikel 7:673 BW ter hoogte van

€ 4.082,00 bruto;

V. betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 410,00;

VI. betaling van de wettelijke rente over de onder sub 1, 2 en 3 gevorderde bedragen

vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot aan de dag der

algehele voldoening;

VII. betaling van de kosten van het geding, inclusief het salaris van de gemachtigde.

MEER SUBSIDIAIR:

I. indien er onverhoopt toch sprake is van een dringende reden voor het ontslag op

staande voet, te verklaren voor recht dat de dringende reden niet ernstig

verwijtbaar is;

II. tot betaling van een transitievergoeding ex artikel 7:673 BW ter hoogte van een

bedrag van € 4.082,00 bruto;

III. betaling van de wettelijke rente over het onder sub 2 gevorderde bedrag vanaf de

dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot aan de dag der algehele

voldoening;

IV. betaling van de kosten van het geding, inclusief het salaris van gemachtigde.

3.2

[verzoeker]. legt aan zijn verzoek - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - ten grondslag dat het op 16 september 2015 gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is.

3.3

[naam B.V.] heeft verweer gevoerd tegen het verzoek.

4 Het (voorwaardelijke) tegenverzoek

4.1

[naam B.V.] verzoekt om bij beschikking de arbeidsovereenkomst met [verzoeker]. te ontbinden, voor het geval geoordeeld wordt dat het ontslag op staande voet geen stand houdt, met veroordeling [verzoeker]. in de kosten van de procedure en deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Aan het (voorwaardelijk) ontbindingsverzoek legt [naam B.V.] de e-grond alsmede de g-grond van artikel 7:669 lid 3 BW ten grondslag.

4.2

[verzoeker]. heeft verweer gevoerd tegen het tegenverzoek. Hij heeft primair tot afwijzing van het verzoek geconcludeerd en subsidiair, voor het geval de arbeidsovereenkomst (voorwaardelijk) ontbonden zou worden, heeft hij aanspraak gemaakt op toekenning van de transitievergoeding ten bedrage van € 4.082,- bruto alsmede een billijke vergoeding van minimaal € 10.000,- bruto. Tevens heeft hij verzocht bij het bepalen van de datum van de ontbinding rekening te houden met de opzegtermijn, zonder aftrek van de proceduretijd, nu in de ogen van [verzoeker]. sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [naam B.V.].

5 De beoordeling van het geschil

Het ontslag op staande voet

5.1

Niet gebleken is van gronden die moeten leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van [verzoeker]. in zijn verzoek. Het verzoek is - gelet op het bepaalde in artikel 7:686a, lid 4, aanhef en onder a, ten tweede, gelezen in samenhang met artikel 7:681 lid 1 BW - tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

5.2

Uit artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan vernietigen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Gelet op dat artikel kan de werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer. Op grond artikel 7:671 lid 1 sub c BW geldt die eis niet wanneer de opzegging geschiedt op grond van artikel 7:677 lid 1 BW, waarin is bepaald dat ieder der partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.

5.3

Uit het onder 2.5 vermelde e-mailbericht van 16 september 2015 blijkt dat [naam B.V.] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker]. per direct heeft opgezegd om drie redenen, verwoord (kort gezegd) als oneigenlijke concurrentie, de steeds moeilijker verlopende communicatie de afgelopen tijd en het gedurende geruime tijd zonder reden niet verschenen zijn op het werk.

5.4

De “oneigenlijke concurrentie” is volgens [naam B.V.] gelegen in de omstandigheid dat [verzoeker]. de onder 2.2 vermelde vennootschap [NNB] bestuurt, waarvan [naam B.V.] niet op de hoogte was. [verzoeker]. wijst er echter terecht op dat hij [NNB] heeft opgericht samen met [B.Sr.]., die op dat moment statutair directeur was van [naam B.V.]. [B.Sr.]. heeft als getuige verklaard dat hij inderdaad samen met zijn zoon destijds [NNB] heeft opgericht. Tevens heeft [B.Sr.]. als getuige verklaard dat [NNB] geen concurrerend bedrijf is van [naam B.V.] en dat [NNB] nooit een cent aan omzet heeft gegenereerd.

De medewerking van [B.Sr.]. aan de oprichting van [NNB] en diens bekendheid met de betrokkenheid van [verzoeker]. bij die vennootschap moeten aan [naam B.V.] worden toegerekend, nu [B.Sr.]. destijds bestuurder was van [naam B.V.]. Onder die omstandigheden valt ook niet in te zien dat de betrokkenheid van [verzoeker]. bij [NNB] onrechtmatig is jegens [naam B.V.]. Voor een dergelijke conclusie bestaat des te minder grond, nu op basis van de getuigenverklaring van [B.Sr.]. als vaststaand moet worden aangenomen dat [NNB] nooit daadwerkelijk activiteiten heeft ontplooid, laat staan dat sprake is geweest van concurrerende activiteiten. In dat verband is tevens van belang dat [B.Sr.] als getuige heeft verklaard dat het de bedoeling was dat [NNB] zich zou gaan richten op de markt van diervoedertoevoegingen, met name in Latijns Amerika en dat [naam B.V.] zich niet richt op die markt. De ontslaggrond “oneigenlijke concurrentie” houdt derhalve geen stand.

5.5

De tweede ontslaggrond, te weten de steeds moeilijker verlopende communicatie de afgelopen tijd, kan het ontslag op staande voet evenmin rechtvaardigen. Immers uit de toevoeging “afgelopen tijd” blijkt al dat niet is voldaan aan het onverwijldheidsvereiste.

5.6

Ook de derde ontslaggrond, te weten het gedurende geruime tijd zonder reden niet verschenen zijn op het werk, houdt geen stand, omdat de onder 2.3 vermelde op non-actiefstelling / schorsing de reden was waarom [verzoeker]. in de weken voorafgaand aan het ontslag op staande voet niet op zijn werk is verschenen. Dat hij voorafgaand aan de schorsing al ongeoorloofd afwezig zou zijn geweest, is niet gebleken en bovendien niet als reden aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd.

5.7

Kortom, de drie redenen die aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd, kunnen dat ontslag op staande voet niet dragen.

5.8

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft plaatsgevonden in strijd met het bepaalde in artikel 7:671 lid 1 aanhef en onder c gelezen in samenhang met artikel 7:677 lid 1 BW en dus voor vernietiging in aanmerking komt, zodat het primair, onder I, verzochte toegewezen zal worden.

5.9

Voor toewijzing van de primair, onder II, verzochte tewerkstelling bestaat naar het oordeel van de kantonrechter geen aanleiding, gezien het feit dat op grond van het tegenverzoek van [naam B.V.] de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt uitgesproken met ingang van 1 maart 2016. Gezien die ontbinding en het feit dat de arbeidsverhouding tussen partijen ernstig is verstoord, zoals uit het hierna volgende nog nader zal blijken, moet een wedertewerkstelling niet in belang geacht worden van een der partijen, zodat het daartoe strekkende verzoek afgewezen zal worden.

5.10

Hetgeen primair onder IIIa is verzocht is wel toewijsbaar en [naam B.V.] zal worden veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon van [verzoeker]. over de maand september 2015, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW. Over het loon en de verhoging is vanaf de momenten waarop [naam B.V.] met de betaling daarvan in verzuim is, rente verschuldigd. De hoogte van het te betalen loon wordt daarbij vastgesteld op € 2.520,00 bruto per maand, omdat dit bedrag wordt genoemd in de door [verzoeker]. in het geding gebrachte salarisspecificatie, terwijl voor het door [naam B.V.] genoemde bedrag van € 2.250,00 geen steun te vinden is in de door haar overgelegde salarisspecificatie waarin immers een bedrag van € 2.225,00 wordt vermeld.

[naam B.V.] heeft geen beroep gedaan op matiging van de verzochte wettelijke verhoging en de kantonrechter ziet ook ambtshalve geen reden om tot matiging over te gaan.

Voorts is toewijsbaar het primair gevorderde onder IIIb te weten het salaris vanaf 1 oktober 2015 ten bedrage van € 2.520,- bruto per maand tot het moment van rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Over dat salaris heeft [verzoeker] niet de wettelijke verhoging en de wettelijke rente gevorderd. Wel heeft [verzoeker]. de emolumenten gevorderd over het lopende salaris vanaf 1 oktober 2015, doch hij heeft niet nader geconcretiseerd op welke emolumenten hij daarbij het oog heeft, zodat voor toewijzing daarvan geen grond bestaat. Voor zover [verzoeker] met de emolumenten het oog heeft op de vakantiebijslag wijst de kantonrechter erop dat de werkgeefster deze aanspraak pas verschuldigd is in mei 2016.

5.11

Het primair, onder IV verzochte bedrag van € 410,00 aan buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, omdat niet is gebleken van verrichtingen door de gemachtigde van [verzoeker]. waarvoor de proceskostenveroordeling niet in een vergoeding voorziet. Buiten rechte heeft de gemachtigde van [verzoeker]. de werkgeefster immers slechts één keer aangeschreven, te weten bij de hiervoor genoemde brief van 18 september 2015 en daarna is het onderhavige verzoekschrift ingediend, dat ter griffie is ontvangen op 8 oktober 2015.

5.12

Het primair, onder VI verzochte wordt afgewezen, omdat het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding ten aanzien van de vorderingen onder II en III thans zinloos is en aangenomen moet worden dat [verzoeker]. bij die verzochte voorlopige voorziening geen belang meer heeft, nu immers bij deze beschikking een beslissing gegeven wordt ten aanzien van de bodemprocedure en het ontslag op staande voet door de kantonrechter vernietigd wordt en werkgeefster tevens veroordeeld wordt tot loondoorbetaling.

5.13

Gezien het vorenstaande kan het subsidiair en meer subsidiair verzochte onbesproken blijven.

5.14

[naam B.V.] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld, aan de zijde van [verzoeker]. vastgesteld op € 78,00 aan griffierecht en

€ 600,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Het ontbindingsverzoek:

5.15

Gesteld is dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen verband houdt met een opzegverbod en er is geen aanleiding om daaraan te twijfelen.

5.16

De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden opgezegd indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Die eisen gelden ingevolge artikel 7:671b lid 2, eerste volzin, BW ook voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter. In artikel 7:669 lid 3 BW is (limitatief) omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan.

5.17

[naam B.V.] heeft primair de e-grond van artikel 7:669 lid 3 BW aan haar verzoek ten grondslag gelegd, waarbij zij stelt dat [verzoeker]. haar onrechtmatig “harde concurrentie” heeft aangedaan. Die grond kan niet leiden tot toewijzing van de verzochte ontbinding, gezien hetgeen hiervoor sub 5.4 is overwogen en beslist. Van “harde” concurrentie zoals [naam B.V.] heeft gesteld is al helemaal niet gebleken, nu op basis van de getuigenverklaring van [B.Sr.] als vaststaand moet worden aangenomen dat [NNB] nooit activiteiten heeft ontwikkeld en nooit één cent omzet heeft gegenereerd. [naam B.V.] heeft geen stukken in het geding gebracht die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de getuige [B.Sr.].

5.18

Subsidiair heeft [naam B.V.] de g-grond van artikel 7:669 lid 3 BW aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag gelegd. Daarbij stelt zij dat [verzoeker]. en [B.Sr.]. “twee handen op één buik zijn”, waardoor - gegeven het conflict met [B.Sr.]. - de werkrelatie met [verzoeker]. thans enorm belast is. Ter zitting heeft [naam B.V.] gesteld dat zij [verzoeker]. ziet als “de spion van zijn vader”.

Tevens legt [naam B.V.] aan haar tegenverzoek ten grondslag de inhoud van een e-mailbericht van [verzoeker]. van 25 augustus 2015. In dat e-mailbericht, dat [verzoeker]. heeft geschreven naar aanleiding van de onder 2.3 vermelde schorsing, heeft [verzoeker]. - zakelijk weergegeven - een collega van provocatie, leugens en diefstal beschuldigd en [B.] verweten die collega de hand boven het hoofd te houden. Daarnaast heeft hij geschreven dat hij “de hele gang van zaken bij [naam B.V.] van de afgelopen jaren op zijn zachts gezegd walgelijk en zeer beschamend” vindt. [verzoeker]. heeft verder geschreven er weinig vertrouwen in te hebben dat zijn oom
[B.] de problemen spoedig zal oplossen.

5.19

Gezien alle verwikkelingen tussen partijen staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat de arbeidsrelatie tussen partijen ernstig en duurzaam is verstoord, zodanig dat verdere continuering van de arbeidsovereenkomst volstrekt zinloos is en voortzetting in redelijkheid ook niet van [naam B.V.] verlangd kan worden. Het verzoek is derhalve op de g- grond toewijsbaar en de kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst onvoorwaardelijk ontbinden, nu immers op de hiervoor ontwikkelde gronden aangenomen moet worden dat het ontslag op staande voet rechtskracht ontbeert en de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog steeds voortduurt.

Met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 1 maart 2016. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd. Als de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, behoeft de proceduretijd niet in mindering te worden gebracht. Op de hierna te noemen gronden is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de kant van [naam B.V.].

5.20

[verzoeker]. heeft verzocht bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan hem de transitievergoeding en een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:671 lid 8, onderdeel c, BW toe te kennen.

5.21

Dat [naam B.V.] onder de gegeven omstandigheden de transitievergoeding verschuldigd is aan [verzoeker]. volgt uit de wet, meer in het bijzonder het bepaalde in artikel 7:673 lid 1 onderdeel a ten tweede BW. Hij heeft de hoogte van de transitievergoeding berekend op een bedrag van 4.082,- bruto. [naam B.V.] heeft dat bedrag cijfermatig niet weersproken, zodat dat bedrag toewijsbaar is.

5.22

Gelet op artikel 7:671b lid 8, onderdeel c, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier voor. Immers aangenomen moet worden dat [naam B.V.] op volstrekt ondeugdelijke gronden [verzoeker]. op staande voet heeft ontslagen en dat zij hem ten onrechte betrokken heeft in het conflict dat is gerezen tussen de beide broers, tevens bestuurders van de vennootschap. Door op die wijze te handelen en [verzoeker]. te betitelen als spion van zijn vader, zonder dat ook maar op enigerlei wijze gebleken is dat hij zodanig gehandeld heeft, moet naar het oordeel van de kantonrechter worden geconcludeerd dat [naam B.V.] ernstig verwijtbaar gehandeld heeft.

Anders dan [naam B.V.] heeft gesteld kan het e-mailbericht van [verzoeker]. d.d. 25 augustus 2015 in dit verband niet tot een andere conclusie leiden. Immers, dat bericht is door [verzoeker]. verstuurd, nadat hij door de werkgeefster op non-actief was gesteld, zonder dat daarvoor deugdelijke redenen bestonden. [verzoeker]. valt in dat verband niet te verwijten dat hij in dat bericht naar aanleiding van die onterechte non-actiefstelling stevige bewoordingen heeft gebruikt.

5.23

Over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de hoogte van de billijke vergoeding - naar haar aard - in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever, en niet tot de gevolgen van het ontslag voor de werknemer (zie: Kamerstukken II, 2013–2014, 33 818, nr. 3, pag. 32-34 en Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 7, pag. 91). Als ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan dient de werknemer hiervoor volgens die wetsgeschiedenis te worden gecompenseerd, ook om dergelijk handelen of nalaten van de werkgever te voorkomen. In de billijke vergoeding kan niet tot uitdrukking komen of het ontslag redelijk is mede in het licht van de gevolgen van het ontslag voor de werknemer, omdat dit al is verdisconteerd in de transitievergoeding. De hoogte van de billijke vergoeding moet daarom worden bepaald op een wijze die en op het niveau dat aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval, waarbij criteria als loon en lengte van het dienstverband geen rol hoeven te spelen. Uitgaande van het voorgaande zal de kantonrechter de billijke vergoeding vaststellen op een bedrag van € 7.500,- bruto. Bij de bepaling van de hoogte van dat bedrag heeft de kantonrechter tevens laten meewegen de omstandigheid dat [naam B.V.] veroordeeld is tot doorbetaling van het salaris vanaf 1 september 2015 zonder dat daar een arbeidsprestatie van [verzoeker] tegen over heeft gestaan.

5.24

Nu aan de ontbinding een vergoeding wordt verbonden, wordt [naam B.V.], gelet op artikel 7:686a lid 6 BW, in de gelegenheid gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn.

5.25

Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat de proceskosten ten aanzien van het tegenverzoek ook voor rekening van [naam B.V.] komen, ook in het geval zij besluit tot intrekking van het verzoek.

6 De beslissing

De kantonrechter:

ten aanzien van het verzoek van [verzoeker].:

vernietigt het ontslag op staande voet d.d. 16 september 2015;
veroordeelt [naam B.V.] tot betaling aan [verzoeker]. van:

  • -

    diens loon over september 2015 ten bedrage van € 2.520,00 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% op basis van artikel 7:625 BW, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop [naam B.V.] met de betaling hiervan in verzuim verkeert;

  • -

    het loon van [verzoeker]. van € 2.520,00 bruto per maand vanaf 1 oktober 2015 tot aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig eindigt;

veroordeelt [naam B.V.] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker]. vastgesteld op € 78,00 aan griffierecht en € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart voormelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders verzochte;

ten aanzien van het verzoek van [naam B.V.]:

stelt [naam B.V.] in de gelegenheid het verzoek in te trekken door middel van een uiterlijk op 29 december 2015 te 12.00 uur ter griffie te ontvangen schriftelijke mededeling met gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan de wederpartij;

en voor het geval het verzoek niet of niet tijdig wordt ingetrokken:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 maart 2016;

veroordeelt [naam B.V.] aan [verzoeker]. een transitievergoeding van

€ 4.082,00 bruto te betalen alsmede een billijke vergoeding ten bedrage van € 7.500, - bruto;

en in beide gevallen:

veroordeelt [naam B.V.] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker]. vastgesteld op € 300,00 aan salaris voor zijn gemachtigde;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

465/710