Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:9269

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-12-2015
Datum publicatie
15-12-2015
Zaaknummer
10/691065-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing vordering op grond van artikel 77tb lid 3 van het Wetboek van Strafrecht. Terugplaatsing voor de duur van zes weken in een justitiële jeugdinrichting tijdens voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel en wijziging van de bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd

Parketnummer: 10/691065-11

Datum uitspraak: 15 december 2015

BESCHIKKING

van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering van de officier van justitie in dit arrondissement tot terugplaatsing van de veroordeelde in een justitiële jeugdinrichting dan wel een penitentiaire inrichting in het kader van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel), opgelegd aan:

[Naam veroordeelde] , hierna te noemen de veroordeelde,

geboren op [geboortedatum] 1994 op [geboorteplaats]

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres]

raadsman mr. M. van Stratum, advocaat te ’s-Gravenhage.

PROCEDURE

Bij arrest van het Gerechtshof ‘s-Gravenhage, uitgesproken op 20 juli 2012 (parketnummer: 22/000371-2), is aan de veroordeelde ter zake van poging tot doodslag de PIJ-maatregel opgelegd.

Bij beschikking van deze rechtbank van 15 juli 2014 is de PIJ-maatregel verlengd met twaalf maanden.

Bij beschikking van 6 augustus 2015 is de vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel afgewezen.

Bij afzonderlijke beschikking van 6 augustus 2015 is de vordering tot het vaststellen van voorwaarden tijdens de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel toegewezen. De algemene en bijzondere voorwaarden die zijn verbonden aan de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel luidden dat:

- veroordeelde zich niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, ook indien deze aanwijzingen een vorm van intensieve begeleiding inhouden;

- veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- veroordeelde zich niet zal onttrekken aan het toezicht op de naleving van de voorwaarden;

- veroordeelde zich naar begeleiders coöperatief en begeleidbaar zal opstellen en openheid van zaken over al zijn leefgebieden zal geven;

- veroordeelde zal minimaal 26 uren dagbesteding hebben en zich voldoende inzetten om deze te behouden;

- veroordeelde ten allen tijde bereikbaar zal zijn voor de reclassering en zijn eventuele begeleiders/behandelaren;

- veroordeelde toestemming verleent om contact op te nemen met relevante referenten/netwerkcontacten;

- veroordeelde zich niet zal begeven buiten de Nederlandse grenzen zonder toestemming van de reclassering;

- veroordeelde niet zonder toestemming vooraf van de reclassering van adres zal wijzigen c.q. zal verhuizen;

- veroordeelde, indien noodzakelijk geacht door de reclassering, hulpverlening op het gebied van middelengebruik zal aanvaarden, ook als dat inhoudt meewerken aan urinecontroles;

- veroordeelde een aantoonbaar inkomen moet hebben en daar openheid over zal geven aan de reclassering;

- veroordeelde zijn ERT-therapie zal afmaken.

De officier van justitie heeft op 6 november 2015 bij de rechtbank een vordering tot terugplaatsing van de veroordeelde in een jeugdinrichting in het kader van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel ingediend.

Op 17 november 2015 is de veroordeelde aangehouden vanwege ernstige redenen voor het vermoeden dat de veroordeelde de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Op 18 november 2015 heeft de officier van justitie bij de rechter-commissaris een vordering ingediend tot voorlopige tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk beëindigde PIJ-maatregel. Deze vordering is bij beschikking van 19 november 2015 door de rechter-commissaris afgewezen.

De behandeling van de vordering heeft gelijktijdig met de behandeling met gesloten deuren van de strafzaak met parketnummer 10/700502-15 plaatsgevonden op de terechtzitting van

1 december 2015. De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer, de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman en mw. [naam] , reclasseringswerker, zijn gehoord.

BEVOEGDHEID

De rechtbank is bevoegd van de vordering kennis te nemen, aangezien zij in eerste aanleg heeft kennis genomen van het misdrijf ter zake waarvan de PIJ-maatregel is opgelegd.

ONTVANKELIJKHEID

Het openbaar ministerie kan worden ontvangen in zijn vordering nu de vordering op grond van artikel 77tb derde lid van het Wetboek van Strafrecht tijdens de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel is ingediend.

BEOORDELING

De reclassering heeft ter terechtzitting verklaard dat de veroordeelde zich gedurende de begeleiding niet heeft gehouden aan de door de reclassering gegeven aanwijzingen. Geadviseerd wordt de veroordeelde terug te plaatsen in een inrichting voor jeugdigen. Ter toelichting is aangegeven dat de veroordeelde door zijn handelen niet alleen zichzelf, maar ook zijn omgeving (zijn moeder) in de problemen brengt. Volgens de reclassering is de veroordeelde gebaat bij een kamertrainingstraject dan wel een vorm van begeleid wonen. Het vinden en behouden van een passende dagbesteding is moeilijk voor de veroordeelde. Dagbesteding is reeds op een aantal laagdrempelige plekken geprobeerd. Door zijn gedrag en houding wordt de veroordeelde echter steeds weggestuurd.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting geconcludeerd tot toewijzing van de vordering voor de duur van zes weken. Die weken kunnen dan worden gebruikt om voor de veroordeelde een geschikte woonplek en dagbesteding te vinden. Verder dient naar de mening van de officier van justitie aan de gestelde bijzondere voorwaarden een nieuwe voorwaarde te worden toegevoegd, te weten dat de veroordeelde zijn medewerking zal verlenen aan het vinden en behouden van een geschikte woonplek, ook als dat een vorm van begeleid wonen of een kamertrainingsproject inhoudt.

De veroordeelde en de raadsman hebben zich ter terechtzitting verzet tegen toewijzing van de vordering tot terugplaatsing tijdens voorwaardelijke beëindiging.

De raadsman heeft primair gesteld dat de officier van justitie niet kan worden ontvangen in zijn vordering, nu deze niet onverwijld is ingediend. De vordering dateert immers van 6 november 2015, terwijl de rapportage welke ten grondslag aan de vordering ligt van 2 oktober 2015 dateert.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de veroordeelde wel degelijk heeft meegewerkt aan de begeleiding en zich grotendeels heeft gehouden aan de gestelde bijzondere voorwaarden. Mede vanwege zijn verstandelijke beperking is het moeilijk voor de veroordeelde om zich strikt aan alle voorwaarden te houden. De veroordeelde heeft voorts ter terechtzitting te kennen gegeven mee te zullen werken aan de begeleiding van de reclassering, ook als dat zal inhouden het meewerken aan een vorm van begeleid wonen. Dit dient eerst te worden geprobeerd, alvorens wordt overgegaan tot terugplaatsing van de veroordeelde in een justitiële jeugdinrichting. Daarnaast is het onduidelijk wanneer de veroordeelde voor de duur van zes weken teruggeplaatst kan worden. Zolang hieromtrent geen duidelijkheid bestaat, dient de behandeling van de vordering te worden aangehouden, aldus de raadsman. Bovendien mag het niet zo zijn dat de veroordeelde wordt teruggeplaatst teneinde een uithuiszetting van de moeder te voorkomen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De PIJ-maatregel is op 20 juli 2012 is opgelegd. Het feit ten aanzien waarvan de maatregel is opgelegd, is gepleegd op 5 september 2011. Op grond van het overgangsrecht (Stb. 2012, 155.) zijn in deze zaak de op 1 juli 2012 geldende wettelijke bepalingen van toepassing.

Ingevolge het met ingang van 1 juli 2012 geldende en op de onderhavige zaak van toepassing zijnde artikel 77s, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht eindigt de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen na twee jaar voorwaardelijk - tenzij de maatregel wordt verlengd op de wijze als bedoeld in artikel 77t -, waarbij op grond van artikel 77ta eerste lid onder a en b, de algemene voorwaarden komen te gelden dat de veroordeelde geen nieuwe strafbare feiten mag plegen en dat hij zijn medewerking dient te verlenen aan het toezicht door de jeugdreclassering of - indien hij inmiddels achttien jaar oud is -, de reclassering. Het tweede lid van artikel 77ta geeft vervolgens aan dat met het toezicht op de naleving van de voorwaarden het openbaar ministerie is belast en dat zij over de wijze waarop de veroordeelde aan de voorwaarden voldoet door de gecertificeerde instelling, de reclasseringsinstelling of de reclasseringsambtenaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt ingelicht.

Ingevolge het met ingang van 1 juli 2012 geldende en op de onderhavige zaak van toepassing zijnde artikel 77tb, derde lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht kan worden bepaald dat de veroordeelde zich binnen het jaar van de voorwaardelijke beëindiging PIJ-maatregel dient te houden aan te stellen bijzondere voorwaarden die het gedrag van de veroordeelde betreffen.

Ingevolge artikel 77tb, derde lid, onder c, van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter bevelen dat de jeugdige tijdens de voorwaardelijke beëindiging wordt teruggeplaatst in een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, dan wel, indien de jeugdige inmiddels de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in een penitentiaire inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Penitentiaire beginselenwet dan wel een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden.

Ingevolge artikel 77tb, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter de duur van de terugplaatsing als in het derde lid, onderdeel c bepalen. Deze duur kan de duur van de voorwaardelijke beëindiging niet overschrijden en bedraagt ten hoogste een jaar. Bij herhaalde terugplaatsing kan de totale duur van de terugplaatsingen de maximale duur van een jaar niet overstijgen. Een terugplaatsing kan maximaal twee keer worden toegepast.

Ten aanzien van de stelling van de raadsman dat de vordering niet onverwijld is ingediend na het advies van de reclassering van 2 oktober 2015, stelt de rechtbank voorop dat de wet voor het indienen van een vordering op grond van artikel 77dd, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht geen termijn stelt. Deze vordering is enkel niet-ontvankelijk indien de vordering later wordt ingediend dan drie maanden na afloop van de proeftijd. Dit is slechts anders indien de veroordeelde vanwege het vermoeden dat enige voorwaarde wordt overtreden wordt aangehouden. Dan dient op grond van het bepaalde in artikel 77ca, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, zowel de vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging als de vordering op grond van 77dd, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht onverwijld te worden ingediend. In dit geval was de vordering op grond van 77dd, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, al ingediend voor de aanhouding van de veroordeelde. De rechtbank is daarom van oordeel dat de officier kan worden ontvangen in zijn vordering.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is vast komen te staan dat de veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de aanwijzingen van de reclassering en de bijzondere voorwaarden die zijn gesteld. Zo heeft de veroordeelde zich misdragen op zijn werkplek en is hij zonder toestemming van zijn werkplek weggebleven. Daarnaast heeft de veroordeelde geen openheid van zaken gegeven aan de reclassering over zijn verblijfplaats en het feit dat de politie bij hem drugs heeft aangetroffen. De rechtbank kan derhalve de terugplaatsing van de veroordeelde bevelen op grond van de door de officier van justitie op 6 november 2015 ingediende vordering.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de veroordeelde tijdelijk, te weten voor een periode van zes weken, dient te worden teruggeplaatst in een justitiële jeugdinrichting, teneinde de veroordeelde te doen beseffen dat aan het overtreden van de voorwaarden daadwerkelijk consequenties worden verbonden. Bovendien kan die periode worden gebruikt om voor de veroordeelde een passende woonplek en dagbesteding te zoeken.

Daarnaast zal de rechtbank de bij beschikking van 6 augustus 2015 gestelde bijzondere voorwaarden wijzigen, in die zin dat een nieuwe voorwaarde zal worden toegevoegd. Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde gebaat is bij een vorm van begeleid wonen, dan wel een traject daartoe. De rechtbank acht de toevoeging van deze nieuwe voorwaarde noodzakelijk en in het belang van de veroordeelde.

BESLISSING

De rechtbank

wijst toe de vordering en beveelt dat de veroordeelde wordt teruggeplaatst in een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen voor de duur van zes weken;

wijzigt de algemene en bijzondere voorwaarden die tijdens de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel bij beschikking van 6 augustus 2015 zijn gesteld, in die zin dat deze algemene en bijzondere voorwaarden thans komen te luiden dat de veroordeelde:

- zich niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, ook indien deze aanwijzingen een vorm van intensieve begeleiding inhouden;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- zich niet zal onttrekken aan het toezicht op de naleving van de voorwaarden;

- zich naar begeleiders coöperatief en begeleidbaar zal opstellen en openheid van zaken over al zijn leefgebieden zal geven;

- zal minimaal 26 uren dagbesteding hebben en zich voldoende inzetten om deze te behouden;

- ten allen tijde bereikbaar zal zijn voor de reclassering en zijn eventuele begeleiders/behandelaren;

- toestemming verleent om contact op te nemen met relevante referenten/netwerkcontacten;

- zich niet zal begeven buiten de Nederlandse grenzen zonder toestemming van de reclassering;

- zijn medewerking zal verlenen aan het vinden en behouden van een geschikte woonplek, ook als dat inhoudt een vorm van begeleid wonen of een kamertrainingsproject;

- niet zonder toestemming vooraf van de reclassering van adres zal wijzigen c.q. zal verhuizen;

- indien noodzakelijk geacht door de reclassering, hulpverlening op het gebied van middelengebruik zal aanvaarden, ook als dat inhoudt meewerken aan urinecontroles;

- een aantoonbaar inkomen moet hebben en daar openheid over zal geven aan de reclassering;

- zijn ERT-therapie zal afmaken.

Deze beslissing is genomen door

mr. G.M. Paling , voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. J. de Gans, en J. Leyenaar-Holleman, rechters, in tegenwoordigheid van V.E. Scholtens griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 december 2015.

De jongste rechter is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

Tegen deze beslissing kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na dagtekening en de veroordeelde binnen veertien dagen na betekening daarvan hoger beroep instellen bij het Gerechtshof te Den Haag.