Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:9063

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
10-12-2015
Zaaknummer
C/10/459510 / HA ZA 14-949
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Voor de (beantwoording van de) vraag of bestuurder persoonlijk aansprakelijk is omdat hij (i) bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de vennootschap niet of niet binnen een redelijke termijn aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, is van belang dat bestuurder mogelijk niet (steeds) zelf opdrachten verstrekte maar als feitelijke leidinggevende binnen dit betrekkelijk kleine bedrijf (7 personeelsleden), wel namens dit bedrijf zodanig het beleid bepaalde, dat hij geacht moet worden zelf betrokken te zijn geweest bij het aangaan van overeenkomsten van opdracht. Omstandigheid dat bestuurder huwelijksgoederenregime wijzigde met het oog op een een eventueel toekomstig faillissement is onvoldoende voor conclusie dat bestuurder dus wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de vennootschap niet of niet binnen een redelijke termijn aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden.

De vraag of bestuurder aansprakelijk is omdat hij (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt wordt eveneens ontkennend beantwoord. De omstandigheid dat bestuurder bij een crediteur de betalingsachterstand laat oplopen en de andere crediteurs wel voldoet is onvoldoende. Aan een bestuurder komt bij het leiden van een onderneming als regel beleidsvrijheid toe om belangen van bijvoorbeeld crediteuren, af te wegen tegen het belang van zijn bedrijf, bijvoorbeeld bij (het bepalen van een volgorde in) betaling van de crediteuren. Keuze van deze bestuurder niet onbegrijpelijk en evenmin op voorhand onverdedigbaar, gelet op het belang van zijn bedrijf bij de wel betaalde crediteuren voor voortzetting van dat bedrijf.

Voor het standpunt dat de bestuurder voorts onrechtmatig handelde door een bij verkoop (via een holding) van zijn aandelen in het bedrijf gerealiseerde opbrengst niet aan te wenden voor aflossing van schulden van dat bedrijf is geen steun in het recht. Een rechtspersoon bindt in het rechtsverkeer immers in beginsel (uitsluitend) de rechtspersoon. Bestuurder was dan ook niet op voorhand gehouden de opbrengst van zijn aandelen in dat bedrijf aan te wenden voor schuldeisers van het bedrijf. Van een hem persoonlijk treffend voldoende ernstig verwijt blijkt hieruit niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2016-0064
AR 2015/2493

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

Vonnis van 8 juli 2015 (bij vervroeging)

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/10/459510 / HA ZA 14-949 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser] ,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. J. van Londen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Heerjansdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.G.M. Roijers.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, tevens houdende de incidentele vordering tot verwijzing ex artikel 220 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering (Rv) alsmede voeging ex artikel 222 Rv, met producties;
- de incidentele conclusie van antwoord van 29 oktober 2014;
- een vonnis in het incident van 21 januari 2015 waarin de onderhavige zaak is gevoegd met de bij deze rechtbank aanhangige zaak met zaaknummer/ rolnummer C/10/453984/HA ZA 14-664, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding;
- de aantekening van de rolrechter dat laatstbedoelde zaak wegens faillissement van gedaagde krachtens artikel 29 Faillissementswet (FW) van rechtswege is geschorst en naar de parkeerrol is verwezen;
- een akte houdende overlegging producties zijdens [eiser] ;
- een conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 1 april 2015;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 1 april 2015;

  • -

    een brief zijdens [gedaagde] van 16 juni 2015 houdende opmerkingen op het proces-verbaal;
    - een brief zijdens [eiser] van 23 juni 2015 houdende opmerkingen op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] , een transportbedrijf, heeft in de periode van 2012 tot in mei 2014 in opdracht en voor rekening van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Beaver Ships Agents B.V. (hierna: Beaver) diensten verricht en transporten verricht. Op de door [eiser] aan Beaver daarvoor verstuurde facturen staat vermeld dat deze binnen 30 dagen dienen te zijn voldaan.

2.2.

[gedaagde] was in de hiervoor bedoelde periode tot in augustus 2014 blijkens uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel - via Inside Holding B.V. en de stichting Stichting Administratiekantoor [gedaagde] - indirect bestuurder en enig aandeelhouder alsmede volledig gevolmachtigde van Beaver.

2.3.

Op 5 mei 2013 is een aantal ondernemingen waarvan [gedaagde] (indirect) bestuurder was gefailleerd.
heeft met zijn echtgenote bij akte van 4 juli 2013 met ingang van 5 juli 2013 hun huwelijksgoederenregime gewijzigd van een wettelijke gemeenschap van goederen in huwelijksvoorwaarden “ter bescherming voor de toekomst van een eventueel faillissement van een van de partijen, staande hun huwelijk”.

2.4.

[gedaagde] heeft op 11 december 2013, namens Beaver aan [eiser] toegezegd de toen ontstane betalingsachterstand van Beaver terzake van de onder 2.1. bedoelde facturen in termijnen af te lossen.
[gedaagde] heeft voorts naar aanleiding van aanmaningen zijdens [eiser] , bij mails van 8 april 2014, 14 april 2014, 17 april 2014 en 6 mei 2014 in verschillende bewoordingen aangegeven dat Beaver in een positie verkeert waarin niet “alles in een keer kan worden opgelost” en namens Beaver toegezegd tot betaling in termijnen te zullen overgaan.

2.5.

Beaver heeft in totaal een bedrag van meer dan € 263.000,- aan [eiser] betaald, waarvan in januari 2014 € 20.000,- , februari 2014 € 17.000,- , maart 2014
€ 24.000,- en april 2014 € 25.000,- .

2.6.

Beaver heeft op facturen van [eiser] d.d. 26 februari 2014 tot en met 5 mei 2014, in totaal een bedrag van € 85.218,19 onbetaald gelaten.

2.7.

Per 5 augustus 2014 heeft [gedaagde] namens Inside Holding B.V. en de Stichting Administratiekantoor [gedaagde] , de aandelen in Beaver overgedragen aan Carnet B.V. gevestigd in België.
Voorts is [gedaagde] per 29 juli 2014 algemeen directeur geworden van de op diezelfde datum opgerichte besloten vennootschap RTM2 GO Management en Investment Company B.V.

2.8.

[eiser] heeft Beaver tot voldoening van het door Beaver op de facturen d.d. 26 februari 2014 tot en met 5 mei 2014 onbetaald gelaten bedrag van € 85.218,19, gedagvaard bij exploot dd. 5 juni 2014.
Deze zaak, bij de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, aanhangig onder zaak-/rolnummer 453984 HA ZA 11-664, is van rechtswege geschorst als gevolg van het bij vonnis van deze rechtbank in december 2014 uitgesproken faillissement van Beaver.

2.9.

[eiser] heeft krachtens een beschikking van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 15 augustus 2014 conservatoir (derden)beslag gelegd
- op 18 augustus 2014 onder de ABN AMRO Bank
- op 19 augustus 2014 op de door de stichting Administratiekantoor Van Grevenboek uitgegeven certificaten van de aandelen in het kapitaal van Inside Holding B.V.;
- op 19 augustus 2014 op de door [gedaagde] gehouden aandelen in het kapitaal van de besloten vennootschap RTM2GO Management and Investment Company B.V.,

met overbetekening van de beslagen bij exploit van 19 augustus 2014.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, voorzover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:
hoofdzaak:

A. te verklaren voor recht dat [gedaagde] in zijn hoedanigheid van indirect bestuurder doch feitelijk leidinggevende van Beaver onrechtmatig jegens [eiser] heeft

gehandeld door opdrachten aan [eiser] te verstrekken en toezeggingen te

doen dat de desbetreffende facturen zouden worden betaald en hoofdelijk aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade;

B. [gedaagde] hoofdelijk, naast de reeds gevraagde veroordeling van Beaver, te veroordelen, des dat de één zal betalen de ander zal zijn bevrijd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag aan schadevergoeding ter hoogte van
€ 85.218,19, te vermeerderen met de opeisbare wettelijke rente vanaf de onderscheiden vervaldata der facturen tot en met 5 juni 2014 ten belope van € 280,33, te vermeerderen met de opeisbare wettelijke rente vanaf 6 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, te vermeerderen met de (buiten)gerechtelijke incassokosten ten belope van € 1.627,18, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

C. [gedaagde] hoofdelijk, naast de reeds gevraagde veroordeling van Beaver, te veroordelen, des dat de één zal betalen de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van onderhavige procedure, een bedrag aan kosten voor juridische bijstand verleend door de advocaat en tevens de kosten voor het leggen van conservatoir (derden)beslag ten belope van € 1.422,05 daaronder begrepen, alsmede met veroordeling van [gedaagde] in de nakosten conform artikel 237 lid 4 Rv indien en voor zover [gedaagde] niet binnen de wettelijke vereiste termijn van twee dagen, althans binnen een door de rechtbank redelijk geachte termijn, na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, heeft voldaan.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat Beaver de facturen van [eiser] ten onrechte tot het in de dagvaarding vermelde bedrag onbetaald heeft gelaten en dat [gedaagde] , als bestuurder van Beaver, onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] omdat hij
i. namens Beaver verplichtingen is aangegaan, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat Beaver niet of niet binnen een redelijke termijn aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de schade die [eiser] op grond daarvan zou lijden en hem daarvan een ernstig verwijt treft;
ii. heeft bewerkstelligd of toegelaten dat Beaver haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt en hem daarvan een ernstig verwijt treft.
stelt dat [gedaagde] als bestuurder aansprakelijk is voor betaling van het door Beaver op de facturen van [eiser] onbetaald gelaten bedrag van € 85.218,19, de wettelijke rente daarover vanaf de factuurdata en voor door [eiser] gemaakte buitengerechtelijke incassokosten op grond van de Wet Normering Buitengerechtelijke Incassokosten (WIK) en het bijbehorende besluit tot een een bedrag van € 1.627,18.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling
4.1. [gedaagde] betwist voor alles de stelling dat [eiser] in opdracht van Beaver diensten en transporten heeft uitgevoerd ter hoogte van het door haar gefactureerde bedrag en dat Beaver deze facturen zonder protest heeft behouden.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] , nu [eiser] haar stelling nader heeft geadstrueerd door overlegging van een zeer groot aantal daarop betrekking hebbende facturen en mails tussen partijen, niet kon volstaan met een enkele betwisting van deze stelling. De rechtbank gaat aan dit verweer dan ook als onvoldoende gemotiveerd voorbij, zodat dat het ervoor moet worden gehouden dat Beaver op de facturen van [eiser] ten onrechte een bedrag van € 85.218,19 onbetaald heeft gelaten.
4.2. Hiermee komt de vraag aan de orde of [gedaagde] voor betaling van dit bedrag aansprakelijk is omdat hij als bestuurder van Beaver onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] .
De rechtbank stelt voorop dat naast de aansprakelijkheid van de vennootschap ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond kan zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 van het Burgerlijk wetboek (BW) een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak als maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de vennootschap niet of niet binnen een redelijke termijn aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had horen te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.

4.3. (

ad i) [eiser] voert ter onderbouwing van zijn stelling aan dat [gedaagde] feitelijk de leiding had binnen Beaver en dat Beaver cq [gedaagde] , ondanks zijn uitdrukkelijke toezegging tot betaling in december 2013, telkens opnieuw overeenkomsten van opdrachten is aangegaan met [eiser] . [gedaagde] wist toen, althans had moeten weten dat deze rekeningen nooit betaald zouden (kunnen) worden nu andere bedrijven van hem in 2008 en 2013 failliet waren gegaan en [gedaagde] in juli 2013 zijn huwelijksgoederenregime had aangepast in verband met een risico op een (toekomstig) testament.
betwist deze stelling op alle onderdelen.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat ook als [gedaagde] mogelijk niet (steeds) zelf opdrachten aan [eiser] verstrekte, [gedaagde] , als feitelijke leidinggevende binnen dit betrekkelijk kleine bedrijf (7 personeelsleden), wel namens Beaver zodanig het beleid bepaalde, dat hij geacht moet worden zelf betrokken te zijn geweest bij het aangaan van overeenkomsten van opdracht met [eiser] .
[gedaagde] ontkent ook niet dat hij ervan wist en er was hem, blijkens zijn antwoorden op mails van [eiser] van april en mei 2014 over betalingsachterstand en de (on-)mogelijkheid tot voortzetting van hun handelsrelatie, ook toen nog veel aan gelegen dat [eiser] voor Beaver transporten zou blijven uitvoeren.
Waar het bij de beoordeling van deze zaak op aankomt is dan ook de beantwoording van de vraag of [gedaagde] bij het verstrekken van opdrachten tot vervoer of diensten in de periode februari 2014- mei 2014 wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de vennootschap niet of niet binnen een redelijke termijn aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden.
[eiser] legt aan haar standpunt dat dit het geval is geen andere feiten of omstandigheden ten grondslag dan dat andere bedrijven van [gedaagde] in de periode van 2008 tot (en met name in) 2013 failliet zijn gegaan en ook dat hij zijn huwelijksgoederenregime in december 2014 heeft gewijzigd met het oog op een een eventueel toekomstig faillissement.
Deze omstandigheden kunnen - ook indien juist - naar het oordeel van de rechtbank de conclusie niet dragen.
heeft ter comparitie toegelicht dat de eerdere faillissementen aan het besluit tot wijziging van zijn huwelijksgoederenregime ten grondslag lagen en dat dit besluit niet is ingegeven door een toen zodanig slechte financiele situatie bij Beaver dat voor faillissement moest worden gevreesd. Beaver had in de periode februari- begin mei 2014 nog krediet had bij de bank en bediende een grote klant in de United Kingdom.
Na beslaglegging door [eiser] ten laste van Beaver bij de bank, heeft deze in de omstandigheid dat Beaver inmiddels haar klant in de UK verloor, aanleiding gevonden om tot opzegging van het krediet over te gaan.
De omstandigheid dat aan [eiser] vervoersopdrachten werden verstrekt wijzen er naar het oordeel van de rechtbank niet op dat Beaver geen omzet meer genereerde en er op betaling geen uitzicht was. Nu [gedaagde] erop heeft gewezen dat hij niet tijdig zou kunnen betalen maar dit wel in termijnen te zullen doen en dit ook daadwerkelijk deed, is de enkele omstandigheid dat de betalingsachterstand vanwege nieuwe opdrachten toch opliep onvoldoende om daaruit af te leiden dat [gedaagde] in de periode februari 2014- mei 2014 wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de vennootschap niet of niet binnen een redelijke termijn aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden en dat hem dienaangaand persoonlijk een voldoende ernstig verwijt treft.
Hiermee komt bij gebrek aan concrete feitelijke omstandigheden, deze grondslag aan de vordering te vervallen.

4.5. (

ad ii) [eiser] heeft hiertoe niet meer of anders aangevoerd dan dat Beaver, die de betalingsachterstand versus [eiser] liet oplopen, in die periode een andere transporteur die vooruitbetaling eiste wel heeft voldaan en voorts dat [gedaagde] de opbrengst van de verkoop (via de Holding) van zijn aandelen in Beaver, niet heeft aangewend om de facturen van [eiser] te voldoen.
De rechtbank stelt voorop dat aan een bestuurder bij het leiden van een onderneming als regel beleidsvrijheid toekomt om belangen van bijvoorbeeld crediteuren, af te wegen tegen het belang van zijn bedrijf, bijvoorbeeld bij (het bepalen van een volgorde in) betaling van de crediteuren. Tussen partijen staat vast dat Beaver in de periode februari-mei 2015 aan [eiser] een aantal substantiële betalingen heeft verricht. De enkele omstandigheid dat andere transporteurs wel zijn voldaan en [eiser] voor een niet onaanzienlijk bedrag onbetaald is gelaten, niettegenstaande uitdrukkelijke toezeggingen tot betaling door [gedaagde] , is dan ook onvoldoende om tot de hier bedoelde betalingsonwil te concluderen. Dat [gedaagde] , als bestuurder van Beaver, het vooruitbetalen van een andere transporteur, verkoos boven betaling van achterstallige termijnen van reeds uitgevoerd transport door [eiser] , is op zichzelf immers niet onbegrijpelijk en evenmin op voorhand onverdedigbaar, gelet op het belang van Beaver bij die transporten voor voortzetting van haar bedrijf.
Voor het - door Beaver overigens niet nader toegelichte - standpunt dat [gedaagde] voorts onrechtmatig handelde door een bij verkoop (via een holding) van zijn aandelen in Beaver gerealiseerde opbrengst niet aan te wenden voor aflossing van schulden van Beaver is geen steun in het recht. Een rechtspersoon bindt in het rechtsverkeer immers in beginsel (uitsluitend) de rechtspersoon. [gedaagde] was dan ook niet op voorhand gehouden de opbrengst van zijn aandelen in Beaver aan te wenden voor schuldeisers van Beaver. Van een hem persoonlijk treffend voldoende ernstig verwijt blijkt hieruit niet.

4.6.

Uit het voorgaande vloeit voort dat geen concrete omstandigheden zijn aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat [gedaagde] als bestuurder onrechtmatig handelde, zodat de daarop gebaseerde vorderingen dienen te worden afgewezen.

4.7.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 868,00

- salaris advocaat € 1.788,00 (2,0 punt × tarief € 894,00)

Totaal € 2.656,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.656,00;

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling

uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. van der Hoeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2015
39/2537