Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:8886

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-12-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
ROT 15/2346 en ROT 15/2545
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BC, boete wegens overtreding opgelegde boete is in overeenstemming draagkracht, eiser heeft onvoldoende inzicht verschaft in zijn financiële positie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummers: ROT 15/2346 en ROT 15/2545

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 december 2015 in de zaken tussen

[eiser]

en

de Stichting Autoriteit Financiële Markten, verweerster (AFM),

gemachtigden: mr.drs. M. van Kwawegen en mr. drs. M.J. Blotwijk.

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2014 (het primaire besluit I) heeft de AFM [eiser] een bestuurlijke opgelegd van € 12.500,- wegens overtreding van artikel 5:48, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht (Wft).

Bij besluit van 12 maart 2015 (het bestreden besluit I) heeft de AFM het bezwaar van [eiser] tegen het primaire besluit I ongegrond verklaard.

[eiser] heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld (zaaknummer ROT 15/2545).

Bij besluit van 16 juni 2014 (het primaire besluit II) heeft de AFM [eiser] een bestuurlijke boete opgelegd van € 12.500,- wegens overtreding van artikel 5:48, zesde lid, van de Wft.

Bij besluit van 12 maart 2015 (het bestreden besluit II) heeft de AFM het bezwaar van [eiser] tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard.

[eiser] heeft tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld (zaaknummer

ROT 15/2346).

De AFM heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2015. [eiser] is verschenen. De AFM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

Overwegingen

1.1

De AFM heeft bij het bestreden besluit I de aan [eiser] opgelegde boete gehandhaafd, omdat [eiser] als commissaris van [onderneming A] zijn aandelenbezit en stemrecht in [onderneming A] niet tijdig heeft gemeld. De AFM heeft overwogen dat geen aanleiding bestaat de boete te verhogen of te verlagen wegens de ernst en duur van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van [eiser]. De AFM heeft het boetebedrag gematigd tot € 12.500,- omdat [eiser] een natuurlijk persoon is met een vermogen kleiner dan € 500.000,-. Daarbij heeft de AFM tevens rekening gehouden met het feit dat [eiser] tweemaal een boete is opgelegd ter zake van overtredingen die een zelfde norm beogen te beschermen. Omdat [eiser] geen duidelijkheid heeft verschaft over zijn vermogens- en inkomenspositie heeft de AFM geen aanleiding gezien voor verdere matiging van de boete.

1.2

De AFM heeft bij het bestreden besluit II de aan [eiser] opgelegde boete gehandhaafd, omdat [eiser] als commissaris van [onderneming A] dertien verkooptransacties van aandelen in [onderneming A] in de periode van 12 december 2011 tot en met 24 januari 2012 niet tijdig heeft gemeld. Ten aanzien van de hoogte van de boete heeft de AFM inhoudelijk dezelfde afweging gemaakt als in het bestreden besluit I.

2. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat [eiser] als commissaris van [onderneming A] artikel 5:48, derde en zesde lid, van de Wft heeft overtreden. De AFM was dan ook bevoegd [eiser] ter zake van beide overtredingen een bestuurlijke boete op te leggen. Dat de opgelegde boetes evenredig zijn aan de ernst en de duur van de overtredingen en de mate van verwijtbaarheid van [eiser], heeft [eiser] in beroep niet bestreden. De rechtbank zal daarom deze elementen met betrekking tot de evenredigheid van de boete niet in haar beoordeling betrekken.

3. De beroepsgrond van [eiser] dat de hoogte van de opgelegde boetes niet evenredig is aan zijn draagkracht, faalt.

3.1.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector (Bbfs) houdt de toezichthouder bij het vaststellen van een bestuurlijke boete rekening met de draagkracht van de overtreder.

Op grond van het tweede lid kan de toezichthouder op basis van het eerste lid de op te leggen bestuurlijke boete verlagen met maximaal 100 procent.

Gelet op artikel 10 van het Bbfs valt overtreding van artikel 5:48, derde of zesde lid, van de Wft in boetecategorie 2. Voor deze categorie geldt het basisbedrag van € 500.000,-.

3.2.

De hoogte van de boetes is vastgesteld conform de daarvoor geldende regelgeving en deze boetes zijn door de AFM gematigd van € 500.000,- naar € 25.000,- per overtreding vanwege het feit dat [eiser] een natuurlijk persoon is met een vermogen van minder dan € 500.000,-.

De AFM heeft de boetes verder gematigd van € 25.000,- naar € 12.500,- per overtreding vanwege het feit dat aan [eiser] twee boetes zijn opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een verdere matiging vanwege de financiële draagkracht van [eiser].

De rechtbank is met de AFM van oordeel dat [eiser] onvoldoende inzicht heeft verschaft in zijn financiële positie. De juistheid van de stelling van [eiser] dat de door hem overgelegde fiscaal rapporten 2011 en 2012 en het concept fiscaal rapport 2013 belastingaangiften zijn, kan de rechtbank niet vaststellen nu hij deze stelling niet met objectieve gegevens heeft onderbouwd. Voorts ontbreken de belastingaanslagen over deze jaren. Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat hij enkele weken geleden meerdere aanslagen van de Belastingdienst heeft ontvangen ter hoogte van ongeveer € 100.000,-. Niet valt in te zien dat [eiser] deze stukken niet tijdig in beroep had kunnen overleggen. Dat voor [eiser] uit de liquidatie van zijn vennootschappen [onderneming b] en [onderneming c] geen baten zijn voortgevloeid, heeft hij op geen enkele wijze onderbouwd.

Voorts is [eiser] niet volledig geweest in de opgave van zijn inkomsten en vermogen, door eerst ter zitting melding te maken van het bestaan van nog een vennootschap, alsmede van zijn genoten inkomsten in het jaar 2014 als zzp-er. [eiser] heeft verder geen ondertekende leningsovereenkomst van de gestelde privé-lening van € 350.000,- overlegd, terwijl hij evenmin het bestaan van de overige door hem gestelde privéschulden heeft onderbouwd.

De AFM heeft er verder terecht op gewezen dat de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 28 mei 2014, waarbij de verplichting tot kinderalimentatie voor [eiser] is verlaagd, berust op een overeenkomst tussen [eiser] en zijn ex-partner en niet op een rechterlijke toetsing van de draagkracht van [eiser], zodat deze beschikking ook geen enkel inzicht geeft in de draagkracht van [eiser]. De stelling van [eiser] dat hij de afgelopen jaren niet heeft kunnen werken als gevolg van de onderzoeken door de AFM, staat haaks op zijn verklaring ter zitting dat hij in het jaar 2014 inkomsten als zzp-er heeft genoten. Voor zover [eiser] het aan de AFM verschuldigde boetebedrag op dit moment niet in één keer kan voldoen, kan hij, zoals de AFM terecht opmerkt, een verzoek om een betalingsregeling indienen.

4. De beroepen zijn ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C Woudstra, voorzitter, en mr. L.A.C. van Nifterick en mr. I.K. Rapmund, leden, in aanwezigheid van mr.drs. M.L. Bosman-Schouten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.