Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:8807

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-12-2015
Datum publicatie
14-12-2015
Zaaknummer
4227404 CV EXPL 15-26055
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kennelijk onredelijk ontslag, 7:681 (oud) BW, valse of voorgewende reden, gevolgencriterium

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2534
AR-Updates.nl 2015-1257
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 4227404 CV EXPL 15-26055

Uitspraak: 4 december 2015

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te Rotterdam,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 12 juni 2015,

gemachtigde: mr. D.C.A. van Wessel te Barendrecht,

tegen

de stichting

Stichting TriviumLindenhof,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. H.E. Meerman te Dordrecht.

Partijen worden hierna verder aangeduid als “[eiseres]” en “TriviumLindenhof”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

 de dagvaarding, met producties;

 de conclusie van antwoord, met producties;

 het vonnis d.d. 3 september 2015, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

 de brief d.d. 23 oktober 2015 van de gemachtigde van [eiseres], met aanvullende producties;

 het proces-verbaal van de op 3 november 2015 gehouden comparitie van partijen alsook de daarbij door de gemachtigde van [eiseres] overgelegde schriftelijke toelichting.

1.2

De datum van deze uitspraak is door de kantonrechter nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten, nu deze enerzijds zijn gesteld dan wel uit de overgelegde stukken blijken en anderzijds zijn erkend dan wel niet althans onvoldoende gemotiveerd zijn bestreden:

2.1

[eiseres], geboren op [geboortedatum] 1978, is met ingang van 1 november 2001 in dienst getreden van Stichting Lindenhof. Dit dienstverband is met ingang van 1 december 2006 geëindigd als gevolg van opzegging door [eiseres].

2.2

Met ingang van 1 november 2006 is [eiseres] in dienst getreden van Stichting Trivium, in de functie van gedragswetenschapper.

2.3

Per 1 januari 2009 zijn Stichting Lindenhof en Stichting Trivium gefuseerd tot (stichting) TriviumLindenhof.

2.4

Het maandloon van [eiseres] bedroeg laatstelijk € 2.871,92 bruto exclusief emolumenten waaronder 8% vakantietoeslag, dit op basis van een 24-urige werkweek.

2.5

Op 30 juni 2014 heeft TriviumLindenhof bij het UWV een ontslagvergunning voor [eiseres] op grond van bedrijfseconomische redenen ingediend. Nadat [eiseres] in de UWV-procedure verweer had gevoerd tegen de ontslagaanvraag, heeft het UWV bij beslissing van 3 september 2014 TriviumLindenhof medegedeeld de verzochte toestemming te weigeren. Aan dit besluit wordt het volgende ontleend:

“(…)

Het Ontslagbesluit bepaalt dat werknemers volgens het afspiegelingsbeginsel voor ontslag in aanmerking moeten worden gebracht. Het afspiegelingsbeginsel wordt toegepast per categorie uitwisselbare functies van de bedrijfsvestiging op basis van de leeftijdsopbouw binnen de betreffende categorie uitwisselbare functies.

Wij constateren dat met mevrouw [V.], die in de functie van gedragswetenschapper is aangesteld, is overeengekomen dat zij tijdelijk, tot en met 31 december 2014, een andere functie vervult. Daarna zal zij weer haar oorspronkelijke functie van gedragswetenschapper gaan vervullen, zo blijkt uit een door u overgelegd afschrift van de gewijzigde arbeidsovereenkomst.

Uw ontslagverzoek is gebaseerd op een structurele vermindering van werkzaamheden in de functie van gedragswetenschapper waardoor een aanpassing van de formatie noodzakelijk is. Omdat mevrouw [V.] per 1 januari 2015 weer de functie van gedragswetenschapper zal gaan vervullen, dient zij in deze functie – en niet in haar huidige tijdelijke functie, als u daarin werknemers voor ontslag zou voordragen – te worden afgespiegeld, zo zijn wij van oordeel.

Dit in ogenschouw genomen, komt werknemer [[eiseres], kantonrechter] niet voor ontslag in aanmerking zodat uw ontslagverzoek niet voor toewijzing vatbaar is.

(…)”.

2.6

Op 10 oktober 2014 heeft TriviumLindenhof het UWV opnieuw verzocht haar wegens bedrijfseconomische redenen een ontslagvergunning voor [eiseres] te verlenen. Ook in die procedure heeft [eiseres] verweer gevoerd. Bij beschikking van 9 december 2014 heeft het UWV die toestemming verleend. Aan die beslissing wordt het volgende ontleend:

“(…)

Het Ontslagbesluit bepaalt dat werknemers volgens het afspiegelingsbeginsel voor ontslag in aanmerking moeten worden gebracht. Het afspiegelingsbeginsel wordt toegepast per categorie uitwisselbare functies van de bedrijfsvestiging op basis van de leeftijdsopbouw binnen de betreffende categorie uitwisselbare functies.

Nu onweersproken door u is gesteld dat mevrouw [V.] sinds november 2013 niet meer als gedragswetenschapper werkzaam is geweest, vinden wij dat daarmee in voldoende mate aannemelijk is geworden dat zij in de door u overgelegde afspiegelingsberekening niet is meegenomen.

Voorts is met de door u overgelegde intentieverklaring van het CJG voldoende aannemelijk geworden dat mevrouw [V.] per 1 januari 2015 niet meer zal terugkeren in de functie van gedragswetenschapper. Dit in ogenschouw genomen, zijn wij van oordeel dat het afspiegelingsbeginsel niet aan de beëindiging van het dienstverband van werknemer [[eiseres], kantonrechter] in de weg staat.

Ofschoon werknemer zich op het standpunt stelt dat de stichting Lindenhof als uw rechtsvoorganger moet worden beschouwd, wat tot gevolg heeft dat u met de door u overgelegde afspiegelingsberekening, van een onjuiste datum van indiensttreding bent uitgegaan, stellen wij ons op het standpunt dat er in deze geen sprake is van opvolgend werkgeverschap. Werknemer was immers al enkele jaren in dienst van stichting Trivium voordat er sprake was van een fusie met de stichting Lindenhof. Indien werknemer zich op het standpunt blijft stellen dat er wel sprake is van opvolgend werkgeverschap, is een uitspraak daarover voorbehouden aan de civiele rechter.

(…)”.

2.7

Bij brief van 12 december 2014 heeft TriviumLindenhof gebruik gemaakt van de haar door het UWV verleende toestemming en heeft zij de arbeidsovereenkomst met [eiseres], rekening houdend met de geldende opzegtermijn, opgezegd tegen 1 februari 2015. Per laatstgenoemde datum is de arbeidsovereenkomst geëindigd.

3 Het geschil

3.1

[eiseres] heeft gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht te verklaren dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst met [eiseres] door TriviumLindenhof kennelijk onredelijk is als bedoeld in artikel 7:681 (oud) BW;

  2. voor recht te verklaren dat [eiseres] vanaf 2001 in dienst is bij TriviumLindenhof dan wel haar rechtsvoorgangers en te bepalen dat 2001 voor de rangorde naar dienstjaren het uitgangspunt dient te zijn voor de afspiegeling c.q. ook voor eventueel toekomstige afspiegeling van [eiseres];

  3. (primair)TriviumLindenhof te veroordelen tot herstel van de dienstbetrekking alsmede (haar) te veroordelen tot de doorbetaling van het overeengekomen salaris, zijnde € 2.709,34 (bruto) inclusief vakantietoeslag alsmede wettelijke rente en vertragingsrente ex artikel 7:625 BW;

  4. subsidiair: TriviumLindenhof te veroordelen om aan [eiseres] binnen zeven dagen na het te wijzen vonnis tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een schadevergoeding ad € 4.306,94 bruto als bedoeld in artikel 7:681 (oud) BW in verband met een kennelijk onredelijke beëindiging van het dienstverband, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen vergoeding, onder gelijktijdige verstrekking van een deugdelijke bruto/netto-specificatie, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

  5. TriviumLindenhof te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde van [eiseres].

3.2

Aan die vordering heeft [eiseres] -naast voormelde feiten en samengevat en voor zover thans van belang- ten grondslag gelegd dat TriviumLindenhof de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk heeft opgezegd, in verband waarmee zij het volgende heeft toegelicht.

Allereerst is de opzegging van het dienstverband kennelijk onredelijk omdat deze is geschied onder opgave van een valse of voorgewende reden. In de tweede UWV-procedure heeft TriviumLindenhof het UWV namelijk ten onrechte voorgehouden dat een andere gedragswetenschapper, te weten mevrouw [V.] (zie 2.5 en 2.6), per 1 januari 2015 niet meer als gedragswetenschapper voor TriviumLindenhof werkzaam zou zijn en daarom niet mee-afgespiegeld zou moeten worden. Daarnaast heeft TriviumLindenhof het UWW bij de bepaling van de anciënniteit van [eiseres] ten onrechte voorgehouden dat uitgegaan moet worden van 1 november 2006 (zie 2.2) terwijl dit 1 november 2001 (zie 2.1) had moeten zijn. Vanaf laatstbedoelde datum is [eiseres] immers in dienst van TriviumLindenhof of haar rechtsvoorgangers, waaronder Stichting Lindenhof, en indien van die indiensttredingsdatum was uitgegaan, zou [eiseres] niet voor ontslag in aanmerking zijn gekomen.

Verder is de opzegging kennelijk onredelijk omdat, mede in aanmerking de voor [eiseres] getroffen voorzieningen en de voor haar bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor haar te ernstig zijn in vergelijking met het belang van TriviumLindenhof bij de opzegging. In dat verband wijst [eiseres] erop dat de reden voor het ontslag geheel in de risicosfeer van TriviumLindenhof ligt en dat zij altijd naar behoren heeft gefunctioneerd. Ware het niet dat [eiseres] inmiddels op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor TriviumLindenhof werkzaam is, dan was zij teruggevallen op een WW-uitkering met een aanvulling vanuit het geldende sociaal plan. TriviumLindenhof heeft [eiseres], naast het sociaal plan, geen enkele vergoeding toegekend ter voorkoming of verzachting van de schadelijke gevolgen van het ontslag, hoewel zij wel over de middelen daartoe beschikt. Ook heeft TriviumLindenhof geen enkele serieuze inspanning gedaan om [eiseres] te herplaatsen of om haar kansen op de arbeidsmarkt te verbeteren, terwijl de kansen voor de [eiseres] om ander passend werk te vinden, gelet op haar achtergrond en opleiding en de huidige arbeidsmarkt, zeker in de zorgsector, gering zijn. Door het ontslag heeft [eiseres] niet alleen haar vaste dienstbetrekking verloren, maar lijdt zij ook inkomens- en pensioenschade. Rekening houdend met de aanvulling vanuit het sociaal plan heeft [eiseres] haar schade becijferd op € 4.306,94 bruto.

3.3

TriviumLindenhof heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat strekt tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eiseres], uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten. Op hetgeen TriviumLindenhof daartoe en hetgeen [eiseres] overigens nog hebben aangevoerd, wordt hierna, voor zover van belang voor de uitkomst van de procedure, teruggekomen.

4 De beoordeling

4.1

Volgens vaste rechtspraak (HR 27 november 2009, JAR 2009, 305, Van de Grijp/Stam en HR 12 februari 2010, JAR 2010,72, Rutten/Breed) geldt in het kader van de beoordeling van een vordering uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag ex artikel 7:681 (oud) BW als uitgangspunt dat eerst aan de hand van de omstandigheden van het geval zoals deze zich voorafgaand aan, en ten tijde van, de beëindiging van de arbeidsovereenkomst hebben voorgedaan, tezamen en in onderling verband beschouwd, moet worden vastgesteld of er sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag, voordat kan worden toegekomen aan de beantwoording van de vraag welke vergoeding aan de werknemer toekomt. Na het tijdstip van het ontslag intredende omstandigheden kunnen in aanmerking worden genomen voor zover zij aanwijzingen opleveren voor wat niet later dan op vermeld tijdstip kon worden verwacht. Ook geldt dat het enkele feit dat geen passende voorziening voor de werknemer is getroffen, niet voldoende is om aan te nemen dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Ook dan hangt het af van alle vast te stellen omstandigheden van het geval, waaronder het ontbreken van een passende vergoeding ter zake van het ontslag en of voldaan is aan de in de wet neergelegde maatstaf die in de kern inhoudt dat het ontslag gegeven is in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap. Gegeven dat juridisch toetsingskader wordt het volgende overwogen.

Valse of voorgewende reden (artikel 7:681 lid 2 sub a (oud) BW)

4.2

[eiseres] heeft aangevoerd dat het ontslag kennelijk onredelijk is omdat het is gegeven wegens een valse dan wel voorgewende reden. Het onderscheid tussen beide soorten is daarin gelegen dat een voorgewende reden een bestaande reden is die niet de werkelijke ontslaggrond is, terwijl een valse reden een niet bestaande reden is.

4.3

Concreet verwijt [eiseres] TriviumLindenhof -kort en goed- dat zij het UWV onjuiste informatie zou hebben verstrekt ten aanzien van de anciënniteit van [eiseres] en ten aanzien van de vraag of de collega van [eiseres], mevrouw [V.], in de afspiegeling had moeten worden betrokken. TriviumLindenhof heeft beide verwijten gemotiveerd bestreden.

4.4

Geoordeeld wordt dat [eiseres] niet kan worden gevolgd in haar standpunt dat bij de bepaling van haar anciënniteit haar eerdere dienstverband bij Stichting Lindenhof zou moeten worden betrokken omdat dit een rechtsvoorganger van TriviumLindenhof zou zijn dan wel omdat er sprake zou zijn van opvolgend werkgeverschap. In verband daarmee is van belang dat TriviumLindenhof onweersproken heeft gesteld dat Stichting Lindenhof en Stichting Trivium tot de fusie per 2009 twee op zichzelf staande stichtingen met ieder een eigen locatie en eigen bedrijfsmiddelen waren en dat in 2006, het jaar waarin [eiseres] haar dienstverband bij Stichting Lindenhof heeft opgezegd, iedere band tussen beide stichtingen ontbrak. Om [eiseres] in voormeld standpunt te kunnen volgen is immers vereist dat TriviumLindenhof de door [eiseres] gestelde hoedanigheid van rechtsopvolger of opvolgend werkgever van Stichting Lindenhof heeft verkregen op een moment dat [eiseres] nog bij Stichting Lindenhof nog in dienst was en daarvan is, anders dan voor wat betreft haar dienstverband bij Stichting Trivium, geen sprake. Anders gezegd: het feit dat [eiseres] in 2006, toen er nog geen relatie bestond tussen Stichting Lindenhof en TriviumLindenhof, door opzegging de arbeidsovereenkomst met Stichting Lindenhof heeft beëindigd, staat er nu aan in de weg dat TriviumLindenhof als rechtsopvolger of opvolgend werkgever van Stichting Lindenhof voor wat betreft dat dienstverband kan worden beschouwd. De enkele omstandigheid dat die stichting drie jaar nadien met Stichting Trivium is gefuseerd, met TriviumLindenhof als resultaat, maakt dat niet anders.

4.5

Ook het door [eiseres] betrokken standpunt dat TriviumLindenhof ten onrechte mevrouw [V.] niet bij de afspiegeling heeft betrokken (in welk geval [eiseres] niet voor ontslag in aanmerking zou zijn gekomen), kan haar niet baten. Ter zitting is van de zijde van [eiseres] immers bevestigd dat genoemde mevrouw [V.], die door TriviumLindenhof niet was mee-afgespiegeld omdat zij tijdelijk elders werkzaam was en niet als gedragswetenschapper bij TriviumLindenhof zou terugkeren, per 1 januari 2015 elders in dienst is getreden. Niet gezegd kan dus worden dat TriviumLindenhof op dit punt het UWV onjuist geïnformeerd heeft dan wel dat de door het UWV verleende toestemming de arbeidsovereenkomst op te zeggen steunt op door TriviumLindenhof aan het UWV verschafte onjuiste informatie.

4.6

Gezien het voorgaande wordt het standpunt van [eiseres] dat TriviumLindenhof de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk heeft opgezegd omdat de opzegging is geschied onder opgave van een valse of voorgewende reden, verworpen.

Gevolgencriterium (artikel 7:681 lid 2 sub b (oud) BW)

4.7

Bij de beantwoording van de vraag of de gevolgen van de opzegging voor [eiseres], mede in aanmerking genomen de voor haar getroffen voorzieningen en de voor haar bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, te ernstig zijn in vergelijking met het belang van TriviumLindenhof bij de opzegging, wordt hier herhaald dat (zie 4.1)

het enkele feit dat, naar [eiseres] met zoveel woorden stelt, geen passende voorziening voor de werknemer is getroffen, niet voldoende is om aan te nemen dat het ontslag kennelijk onredelijk is, maar dat het ook dan afhangt van alle vast te stellen omstandigheden van het geval, waaronder het ontbreken van een passende vergoeding ter zake van het ontslag en of voldaan is aan de in de wet neergelegde maatstaf die in de kern inhoudt dat het ontslag gegeven is in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap.

4.8

Dat zo zijnde stelt de kantonrechter eerst vast dat niet in geschil is dat TriviumLindenhof een zwaarwegend belang, in de zin van bedrijfseconomische omstandigheden, bij de door haar gedane opzegging had.

4.9

Anderzijds weegt mee dat [eiseres] als gevolg van de opzegging haar baan en daarmee haar vaste inkomsten, na een dienstverband van ruim acht jaar bij Stichting Trivium en aansluitend TriviumLindenhof, op 36-jarige leeftijd is kwijtgeraakt. Niet in geschil is overigens dat zij steeds (tenminste) naar behoren heeft gefunctioneerd.

4.10

Ook weegt mee dat, naar TriviumLindenhof onbetwist en met stukken onderbouwd naar voren heeft gebracht, de toepasselijke CAO voorziet in een wachtgeldregeling, die er voor [eiseres] op neerkomt dat haar uitkering of elders te verwerven inkomen gedurende 42 maanden wordt aangevuld, eerst tot 100% van het laatstgenoten inkomen, welk percentage daarna wordt afgebouwd tot 70%. Ook heeft zij onbetwist aangevoerd dat het sociaal plan onder meer voorziet in een budget van € 3.000,- voor mobiliteitsbevorderde faciliteiten en dat [eiseres] daarvan ook gebruik heeft gemaakt, meer bepaald door deel te nemen aan de cursus ‘DSM-5 voor kinderen & jeugdigen’. Daarnaast heeft TriviumLindenhof onbetwist erop gewezen dat zij in het kader van herplaatsingsmogelijkheden [eiseres] tijdelijk heeft gedetacheerd bij ‘Stichting Arosa’ en haar ook heeft geattendeerd op een functie voor onbepaalde tijd bij ‘Familie First’.

4.11

Voor wat betreft de mogelijkheden voor [eiseres] om ander passend werk te vinden, is van belang dat zij ten tijde van het ontslag betrekking [eiseres] was (36 jaar), zij universitair geschoold is en zij na het voltooien van die opleiding in 2004 steeds heeft gewerkt, zo blijkt uit het overgelegde curriculum vitae, en ook cursussen en trainingen heeft gevolgd. Het moge zo zijn dat het in het huidige tijdsgewricht lastiger dan voorheen is ander passend werk te vinden, maar [eiseres] heeft niet, ook niet met de overgelegde sollicitatiebrieven, aannemelijk gemaakt dat dit voor haar zo lastig is dat hieraan doorslaggevende betekenis moet worden gehecht bij de beantwoording van de vraag of de door TriviumLindenhof gedane opzegging als kennelijk onredelijk dient te worden beschouwd.

4.12

Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter, alle (overige) omstandigheden in ogenschouw nemend, tot het oordeel dat niet gebleken is dat de gevolgen van de opzegging voor [eiseres], mede in aanmerking genomen de voor haar getroffen voorzieningen en de voor haar bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, in vergelijking met het belang van TriviumLindenhof bij de opzegging, zodanig ernstig zijn dat er van een kennelijk onredelijk ontslag gesproken kan worden.

4.13

Dat alles leidt tot de slotsom dat de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen. Bij die uitkomst past ook dat zij in de kosten van de procedure wordt veroordeeld. In die zin wordt dan ook beslist.

5 De beslissing

De kantonrechter:

 wijst de vorderingen af;

 veroordeelt [eiseres] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van TriviumLindenhof vastgesteld op € 500,- aan salaris voor haar gemachtigde en verklaart dit vonnis voor wat betreft deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. van Die en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

654