Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:8695

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-11-2015
Datum publicatie
27-11-2015
Zaaknummer
10/680300-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Openlijk geweld na avondje uit. Het gooien van een steen tegen het hoofd van het slachtoffer aangemerkt als poging tot doodslag. Herkenning verdachte via camerabeelden. Gevangenisstraf 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Immateriële schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/680300-15

Datum uitspraak: 27 november 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] , [woonplaats] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd

in de PI Dordrecht te Dordrecht,

raadsvrouw mr. R. van den Hemel, advocaat te Dordrecht.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 6 augustus 2015 en 13 november 2015.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 6 augustus 2015 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Luijpen heeft, in aansluiting op het eerder gehouden requisitoir, gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1. primair (impliciet primair) ten laste gelegde (poging tot moord);

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1. primair (impliciet subsidiair) (poging tot doodslag), 2 en 3 (telkens openlijke geweldpleging) ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van voorarrest;

  • -

    toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij voor een bedrag van € 15.000,00.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder

1. primair (impliciet primair) ten laste gelegde (poging tot moord) niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Nadere bewijsoverweging

4.2.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte degene is geweest die een steen of een (stuk van een) stoeptegel tegen het hoofd van het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft gegooid (feit 1) en dat hij heeft deelgenomen aan het openlijk geweld tegen de slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] (feiten 2 en 3). De verdachte ontkent dat hij in de bewuste nacht ter plekke is geweest.

De verdediging is van oordeel dat de herkenningen van vier verbalisanten van de verdachte op de camerabeelden onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te kunnen worden gebezigd. Deze camerabeelden zijn naar het oordeel van de verdediging namelijk te wazig en te onscherp om tot een duidelijke herkenning te kunnen komen. De herkenningen zijn voorts onvoldoende specifiek. Tot slot kan niet worden uitgesloten dat de verbalisanten, mede door de contacten die zij zowel onderling als met de recherche over de zaak hadden, voorafgaand aan het bekijken van de camerabeelden onbewust beïnvloed zijn en dat zij, door hun kennis van de omgeving van de plaats delict en van de samenstelling van de groep jongeren die zich daar vaak ophoudt, vanuit vooringenomenheid (te weten: de dader is afkomstig uit een bepaalde hanggroep) tot de herkenning van verdachte zijn gekomen, aldus de verdediging.

Ten aanzien van het van verdachte aangetroffen DNA op een bekertje dat op enige meters afstand van de plaats delict op straat lag, heeft de verdediging opgemerkt dat daaruit niet kan worden afgeleid dat de verdachte in de bewuste nacht ter plekke is geweest en dat hij toen het bekertje daar heeft achtergelaten. Het is immers niet vast te stellen wanneer, hoe en door wie dat bekertje op de vindplaats is achtergelaten.

4.2.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat op basis van de herkenningen door de vier verbalisanten vaststaat dat de verdachte degene is geweest die de steen naar [slachtoffer 1] heeft gegooid en die heeft gevochten met de [slachtoffers 2 en 3] . De officier van justitie vindt deze herkenningen overtuigend en betrouwbaar. Ze kennen verdachte en daarom kunnen ze hem ook hérkennen. Het van de verdachte aangetroffen DNA op het bekertje bevestigt dat verdachte die nacht ter plekke is geweest. Het betreft namelijk een ‘vers’ spoor.

4.2.3.

Beoordeling

Herkenningen

Blijkens processen-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisanten 1, 2, 3 en 4] van respectievelijk 8 , 10 , 15 en 16 april 2015 hebben zij verdachte herkend op de camerabeelden van het voorval. In hun processen-verbaal hebben zij gerelateerd op grond van welke specifieke kenmerken zij de verdachte op de camerabeelden hebben herkend.

Voorts blijkt uit die processen-verbaal dat zij allen de verdachte kennen van de jongerenontmoetingsplek en hem daar met regelmaat hebben gezien en gesproken.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting op 6 augustus 2015 de bewuste camerabeelden getoond. Bij tussenvonnis van 20 augustus 2015 heeft de rechtbank bepaald de vier verbalisanten als getuige te doen horen door de rechter-commissaris teneinde meer duidelijkheid te krijgen omtrent hun herkenningen, de wijze waarop deze hebben plaatsgevonden en over de totstandkoming van de processen-verbaal van bevindingen. De rechtbank heeft in het tussenvonnis de vraagstelling voor deze verhoren geformuleerd. De rechter-commissaris heeft de verbalisanten gehoord op respectievelijk 6, 9 en 16 oktober 2015.

In hun verklaringen bij de rechter-commissaris hebben de verbalisanten nader uiteengezet op grond van welke specifieke kenmerken zij de verdachte op de camerabeelden hebben herkend. Voorts is nader duidelijk geworden dat voor alle vier de verbalisanten geldt dat zij te maken hebben (gehad) met de jeugdgroep en in dat verband, al dan niet frequent, contact hebben gehad met de verdachte. De verbalisanten zijn stellig in hun herkenning en die herkenning is terug te voeren op die contacten.

De rechtbank heeft, hoewel zij zelf niet tot een herkenning kon komen, gezien de verklaringen van de verbalisanten de overtuiging gekregen dat zij de verdachte wel op de camerabeelden hebben kunnen herkennen en ook hebben herkend. Nu, anders dan de verdediging meent, op grond van die verklaringen evenmin is gebleken van mogelijke beïnvloeding of vooringenomenheid van de verbalisanten, acht de rechtbank deze herkenningen voldoende betrouwbaar om voor het bewijs te bezigen.

Gelet op het voorgaande wordt het verweer van de verdediging de herkenningen niet te gebruiken als bewijsmiddel, verworpen.

DNA

Ten aanzien van het van de verdachte aangetroffen DNA op het bekertje merkt de rechtbank ten overvloede het volgende op. De politie heeft dit bekertje samen met een ander bekertje ongeveer twintig minuten na het voorval aangetroffen in parkeervakken vlakbij de plaats delict. Bij de bekertjes lagen verse plekken vocht zoals te zien is op foto’s die de politie daarvan heeft gemaakt. Op camerabeelden is te zien dat vanuit de bedoelde parkeervakken direct na het voorval een auto met hoge snelheid is weggereden. Uit een door de politie opgemaakt proces-verbaal blijkt voorts dat ter plaatse met uitzondering van het weekend elke dag door een afvalverwerkingsbedrijf wordt schoongemaakt. Dat is voor het laatst gebeurd op 3 april 2015, daags vóór het voorval.

Alles in samenhang beschouwd, gaat de rechtbank er dan ook van uit dat de verdachte het door hem gebruikte bekertje die nacht daar heeft achtergelaten. Zijn verklaring bij de politie dat hij in december/januari voor het laatst in het Lijnbaangebied is geweest, acht de rechtbank dus niet geloofwaardig.

Voorwaardelijk opzet feit 1

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het van het leven beroven van het slachtoffer – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting, waaronder de getoonde camerabeelden, valt het volgende op te maken.

  • -

    De verdachte rent in de richting van het slachtoffer en op korte afstand gooit hij, bovenhands en met een grote zwaai, met kracht een steen in de richting van het hoofd van het slachtoffer;

  • -

    De steen raakt het hoofd van het slachtoffer en valt op straat in twee stukken uiteen;

  • -

    Het slachtoffer valt direct achterover en blijft roerloos liggen;

  • -

    Het gewicht van de stukken steen bedraagt in totaal ruim 1000 gram.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het van het leven beroven van het slachtoffer gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is de rechtbank niet gebleken. Het onder 1. primair ten laste gelegde (poging tot doodslag) is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. primair (impliciet subsidiair), 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1. primair

hij,

op of omstreeks 05 april 2015 te Dordrecht,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk en/of met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer 1] van

het leven te beroven, met dat opzet en/of na kalm beraad en rustig overleg,

een of meer ste(e)n(en) en/of stoeptegel(s) heeft gegooid tegen het hoofd van

die [slachtoffer 1] ,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

hij,

op of omstreeks 05 april 2015 te Dordrecht, op of aan de openbare weg, de

Lijnbaan, in elk geval op of aan een openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] , welk geweld

bestond uit het (meermalen) (telkens):

- gooien van (een) ste(e)n(en) en/of stoeptegel(s) tegen het lichaam van en/of

in de richting van die [slachtoffer 2] en/of

- maken van een flyingkick en/of schoppen en/of trappen tegen het hoofd en/of

gezicht van die [slachtoffer 2] en/of

- slaan en/of stompen tegen de schouder en/of rug en/of in het gezicht van die

[slachtoffer 2] ,

terwijl het door hem, verdachte, gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (te

weten (een) kneuzing(en) in het gezicht en/of de schouder en/of rug) voor die

[slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;

3.

hij,

op of omstreeks 05 april 2015 te Dordrecht, op of aan de openbare weg, de

Lijnbaan, in elk geval op of aan een openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3] , welk geweld

bestond uit het (meermalen) (telkens):

- gooien van (een) ste(e)n(en) en/of stoeptegel(s) tegen het lichaam van en/of

in de richting van die [slachtoffer 3] en/of

- maken van een flyingkick en/of schoppen en/of trappen tegen de rug en/of

het hoofd en/of gezicht van die [slachtoffer 3] en/of

- vasthouden van die [slachtoffer 3] (zodat die [slachtoffer 3] niet weg kon komen) en/of

- slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of in het gezicht van die [slachtoffer 3] en/of

- schoppen en/of trappen in de maagstreek en/of tegen de heup en/of het

gezicht en/of het hoofd van die [slachtoffer 3] (terwijl die [slachtoffer 3] op de

grond lag)

terwijl het door hem, verdachte, gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (te weten (een) kneuzing(en) in het gezicht en/of een blauwe oog) voor die [slachtoffer 3] ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

In het bijzonder ontbreekt ten aanzien van feit 1 het bewijs dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen heeft gehandeld, zodat niet gesproken kan worden van het medeplegen van de poging tot het van het leven beroven van het slachtoffer.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1 (primair)

POGING TOT DOODSLAG

2.

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN PERSONEN

3.

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN PERSONEN.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft op korte afstand van het slachtoffer met kracht een steen tegen diens hoofd gegooid en dusdoende geprobeerd het slachtoffer van het leven te beroven . Het slachtoffer heeft als gevolg hiervan onder meer een schedelbasisfractuur en kneuzingen van de hersenen opgelopen. Volgens de medisch deskundigen kan dit letsel worden gezien als potentieel dodelijk letsel. Dat het slachtoffer in leven is gebleven is niet de verdienste van de verdachte, maar louter te danken aan toeval en geluk. Uit het dossier en uit de ter terechtzitting gegeven toelichting bij de vordering van de benadeelde partij blijkt dat het slachtoffer [slachtoffer 1] enorm is aangedaan door het geweld dat tegen hem is gebruikt en dat hij ook nu nog lijdt aan gevoelens van onveiligheid en in het dagelijks leven nog altijd hinder ervaart van het letsel dat hij door toedoen van verdachte heeft opgelopen.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging doordat hij samen met anderen geweld heeft gepleegd tegen de drie jongens die na een avondje uit aanstalten maakten om weg te fietsen. Daar kwam het niet van, omdat de verdachte en zijn mededaders zich agressief en uitdagend gedroegen en kennelijk uit waren op een confrontatie. Eerst werd vanaf de overzijde van de straat met stenen gegooid en nadat één van de jongens van dichtbij door een steen was geraakt en buiten kennis op de grond lag, ontstond een vechtpartij waarbij de andere twee jongens het zwaar te verduren kregen tegen de groep waartoe de verdachte behoorde. De verdachte en zijn mededaders deinsden er niet voor terug om de slachtoffers te slaan en te schoppen.

De rechtbank merkt voorts op dat zij bij het bekijken van de camerabeelden getroffen is door de wijze waarop de verdachte heeft gehandeld. De verdachte heeft excessief en totaal zinloos geweld uitgeoefend. Toen het slachtoffer [slachtoffer 1] door een steen tegen hoofd was geraakt en daardoor roerloos op de grond bleef liggen, heeft verdachte zich op geen enkele wijze om hem bekommerd. In plaats daarvan is de verdachte mee gaan doen aan het openlijk geweld tegen de andere twee jongens. De rechtbank neem dat de verdachte zeer kwalijk.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

13 oktober 2015, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Straf

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank komt daardoor tot een aanzienlijk lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie geëist.

De rechtbank ziet in het ontbreken van relevante documentatie in combinatie met de leeftijd van de verdachte aanleiding een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk op te leggen, met de voorwaarde die hierna wordt genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Algemene afsluiting

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

8 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 1] , wonende te Dordrecht, ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 496,00 aan materiële schade en een (voorschot)vergoeding van € 15.000,00 aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft, gelet op het betoog strekkende tot vrijspraak van de verdachte, bepleit te bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering. De vordering is niet inhoudelijk betwist.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding door de verdachte niet is weersproken, zal de vordering worden toegewezen, vermeerderd met de hierover gevorderde wettelijke rente zoals in het dictum bepaald.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt voor rechtsbijstand, met dien verstande dat de rechtbank, gelet op de hoogte van het toegewezen schadebedrag, voor de berekening daarvan het liquidatietarief kantonzaken zal hanteren. Derhalve zal de rechtbank de verdachte veroordelen in deze kosten tot een bedrag van € 900,00 en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 15.496,00.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 63, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1. primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , wonende te Dordrecht, toe tot een bedrag van € 15.496,00 (vijftienduizend vierhonderdzesennegentig euro), bestaande uit € 496,00 aan materiële schade en € 15.000,00 aan immateriële schade, en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 5 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op € 900,00 aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 15.496,00 (hoofdsom, zegge: vijftienduizend vierhonderdzesennegentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 april 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 15.496,00 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 112 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.M. Munnichs, voorzitter,

en mr. drs. D.L. Spierings en mr. J. Leyenaar-Holleman, rechters,

in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

[de wijziging is cursief weergegeven in de tenlastelegging]

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1 primair (zaak 1)

hij,

op of omstreeks 05 april 2015 te Dordrecht,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk en/of met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer 1] van

het leven te beroven, met dat opzet en/of na kalm beraad en rustig overleg,

een of meer ste(e)n(en) en/of stoeptegel(s) heeft gegooid tegen het hoofd van

die [slachtoffer 1] ,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

subsidiair

hij,

op of omstreeks 05 april 2015 te Dordrecht, op of aan de openbare weg, de

Lijnbaan, in elk geval op of aan een openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld

bestond uit het:

(meermalen) gooien van een of meer ste(e)n(en) en/of stoeptegel(s) in de

richting van en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] ,

terwijl het door hem, verdachte, gepleegd geweld zwaar lichamelijk letsel (te

weten een schedelbasisfractuur en/of drie hersenkneuzingen), althans enig

lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair

hij,

op of omstreeks 05 april 2015 te Dordrecht,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een

schedelbasisfractuur en/of drie hersenkneuzingen, heeft toegebracht door

een of meer ste(e)n(en) en/of stoeptegel(s) te gooien tegen het hoofd van

die [slachtoffer 1] ;

2 (zaak 2)

hij,

op of omstreeks 05 april 2015 te Dordrecht, op of aan de openbare weg, de

Lijnbaan, in elk geval op of aan een openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] , welk geweld

bestond uit het (meermalen) (telkens):

- gooien van (een) ste(e)n(en) en/of stoeptegel(s) tegen het lichaam van en/of

in de richting van die [slachtoffer 2] en/of

- maken van een flyingkick en/of schoppen en/of trappen tegen het hoofd en/of

gezicht van die [slachtoffer 2] en/of

- slaan en/of stompen tegen de schouder en/of rug en/of in het gezicht van die

[slachtoffer 2] ,

terwijl het door hem, verdachte, gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (te

weten (een) kneuzing(en) in het gezicht en/of de schouder en/of rug) voor die

[slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;

3 (zaak 3)

hij,

op of omstreeks 05 april 2015 te Dordrecht, op of aan de openbare weg, de

Lijnbaan, in elk geval op of aan een openbare weg,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3] , welk geweld

bestond uit het (meermalen) (telkens):

- gooien van (een) ste(e)n(en) en/of stoeptegel(s) tegen het lichaam van en/of

in de richting van die [slachtoffer 3] en/of

- maken van een flyingkick en/of schoppen en/of trappen tegen de rug en/of

het hoofd en/of gezicht van die [slachtoffer 3] en/of

- vasthouden van die [slachtoffer 3] (zodat die [slachtoffer 3] niet weg kon komen) en/of

- slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of in het gezicht van die [slachtoffer 3] en/of

- schoppen en/of trappen in de maagstreek en/of tegen de heup en/of het

gezicht en/of het hoofd van die [slachtoffer 3] (terwijl die [slachtoffer 3] op de

grond lag)

terwijl het door hem, verdachte, gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (te weten (een) kneuzing(en) in het gezicht en/of een blauwe oog) voor die [slachtoffer 3] ten gevolge heeft gehad.