Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:8662

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-11-2015
Datum publicatie
26-11-2015
Zaaknummer
C/10/469868 / HA ZA 15-163
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkoop voertuig paar maanden vóór faillietverklaring; overdrachtstitel niet in strijd met artikel 3:84 lid 3 BW?; geldige levering c.p.;

overdracht en daaropvolgende verrekening niet paulianeus ex artikel 42 FW in verband met ontbreken wetenschap bij verkrijger.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2015-0353
AR 2015/2332
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/469868 / HA ZA 15-163

Vonnis van 11 november 2015

in de zaak van

[curator]

in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Ammerse Smid,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.C.G. van Essen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] ,

gevestigd te Schiedam,

gedaagde,

advocaat mr. E.J.L. Mulderink.

Partijen zullen hierna de curator en [gedaagde 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 13 mei 2015 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 7 juli 2015;

  • -

    de reactie op het proces-verbaal aan de zijde van de curator van 3 augustus 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Ammerse Smid B.V. (hierna: De Ammerse Smid) had onder meer als bedrijfsactiviteiten het vervaardigen van constructiewerken, siersmeedwerk, interieur- en etagetrappen alsmede de reparatie van interne transportmiddelen. [gedaagde 2] houdt zich onder andere bezig met de vervaardiging van (delen van) constructiewerken en het snijden van diverse metalen.

2.2.

[gedaagde 2] heeft in de periode van 29 januari 2013 tot en met 7 mei 2013 voor een bedrag van € 27.936,48 inclusief BTW aan materialen en diensten aan De Ammerse Smid geleverd en in rekening gebracht. Eind mei 2013 had De Ammerse Smid hiervan een bedrag van € 27.293,02 inclusief BTW nog niet betaald. Hierop heeft een bespreking tussen [gedaagde 2] en De Ammerse Smid plaatsgevonden.

2.3.

De Ammerse Smid was in mei 2013 eigenaar van een truck van het merk Iveco met kenteken [kenteken 1] alsmede van een oplegger van het merk Kuiper met kenteken [kenteken 2] . Genoemde truck en oplegger worden hierna gezamenlijk als ‘het voertuig’ aangeduid. Op 27 mei 2013 is het kenteken van het voertuig overgeschreven op naam van [gedaagde 2] . Na wijziging van de tenaamstelling heeft De Ammerse Smid het gebruik van het voertuig voortgezet.

2.4.

[gedaagde 2] heeft in de periode van 28 mei 2013 tot en met 24 juni 2013 voor een bedrag van € 17.829,35 inclusief BTW aan materialen en diensten aan De Ammerse Smid geleverd en in rekening gebracht. Dit bedrag is onbetaald gebleven.

2.5.

Op 18 juli 2013 heeft De Ammerse Smid een factuur aan [gedaagde 2] gezonden, waarvan de inhoud – voor zover relevant – hierna is weergegeven:

Datum Omschrijving Bedrag

[…]

Betreft: Leveren van een BE combinatie

Aan u geleverd volgens afspraak een BE combinatie met kraan en oplegger

Volgens afspraak voor een totaalprijs van: 20.000,00

_________

Totaal bedrag excl. BTW € 20.000,00

21,00 % € 4.200,00

Totaal bedrag € 24.200,00.

2.6.

[gedaagde 2] heeft in de periode van 23 juli 2013 tot en met 7 augustus 2013 voor een bedrag van € 2.819,30 inclusief BTW aan materialen en diensten aan De Ammerse Smid geleverd en in rekening gebracht. Dit bedrag is onbetaald gebleven.

2.7.

De Ammerse Smid B.V. is na eigen aangifte van 13 september 2013 op 24 september 2013 in staat van faillissement verklaard met aanstelling van de curator.

2.8.

Op de datum van faillietverklaring stond het voertuig bij de vaste garage van De Ammerse Smid, te weten garage Schouten. Op 7 oktober 2013 verzocht de advocaat van [gedaagde 2] aan de curator om de vordering van [gedaagde 2] ad € 28.424,41 inclusief BTW op de lijst van voorlopig erkende crediteuren te plaatsen. Tevens vroeg de advocaat wanneer (een medewerker van) [gedaagde 2] het voertuig kon ophalen. Op 16 januari 2014 is de (indirect) bestuurder van [gedaagde 2] naar garage Schouten gegaan en heeft het voertuig aan garage Schouten verkocht.

2.9.

Op 28 oktober 2013 werd namens de bestuurder van De Ammerse Smid, de heer [bestuurder 1] (hierna: [bestuurder 2] ), een e-mailbericht aan de curator gezonden (hierna: de e-mail van 28 oktober 2013), waarvan de inhoud – voor zover relevant – hierna is weergegeven:

“Hieronder de reactie, in opdracht van Peter.

[…]

[gedaagde 5] eiste eind mei 2013 het volledige openstaande bedrag op van +/- 30k.

[gedaagde 3] was hiervoor langsgekomen bij ons op kantoor. Peter gaf tekst en uitleg aan [gedaagde 4] van de financiële situatie van de Ammerse Smid. [gedaagde 4] wilde hieraan meewerken, alleen moest hij een bepaalde zekerheid hebben om de openstaande vordering te dekken.

Daarom werd gekozen om de Iveco te verkopen/verpanden aan [gedaagde 5] . Op 27 mei 2013 is de Iveco daarom op naam gezet van [gedaagde 5] , met die verstande dat wanneer de openstaande vorderingen in waren gelopen, de Iveco weer op naam van de Ammerse Smid zou komen te staan.

Dit is de reden dat de Ammerse Smid b.v. ook nog steeds de Iveco gebruikte.

Bijgaand de factuur welke wij hadden gestuurd aan [gedaagde 5] , dit bedrag is op basis van een taxatiewaarde welke is uitgevoerd door [gedaagde 5] .

Dit bedrag is niet betaald, maar stond als “borg” op de openstaande posten.”

2.10.

Bij brief van 21 juli 2014 heeft de curator de door [gedaagde 2] gestelde overdracht van het voertuig en verrekening van de koopprijs van het voertuig met haar vordering vernietigd.

3 De vordering

3.1.

De curator heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 2] te veroordelen aan hem te betalen € 24.200,- aan hoofdsom, de wettelijke rente over deze hoofdsom vanaf 1 maart 2014, de buitengerechtelijke kosten van € 1.017,-, alsmede de wettelijke rente hierover. Ten slotte heeft de curator gevorderd om [gedaagde 2] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Aan zijn vordering legt de curator – samengevat – ten grondslag dat het voertuig niet rechtsgeldig is overgedragen in de zin van artikel 3:84 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van het derde lid van dat artikel is de titel van de overdracht niet geldig, omdat de verkoop van het voertuig door De Ammerse Smid aan [gedaagde 2] moet worden aangemerkt als een overdracht tot zekerheid en deze de strekking miste om het voertuig na de overdracht in het vermogen van [gedaagde 2] te doen vallen. Daarnaast ontbrak een geldige leveringshandeling. Ondanks deze ongeldige overdracht heeft [gedaagde 2] het voertuig aan een derde verkocht. Met deze toerekenbare inbreuk op het eigendomsrecht van De Ammerse Smid heeft [gedaagde 2] een onrechtmatige daad gepleegd en is zij gehouden om de schade daarvan te vergoeden. Mocht er wel sprake zijn van een geldige overdracht van het voertuig, dan geldt dat de overdracht en de daarop volgende verrekening van de koopprijs als paulianeuze rechtshandeling in de zin van artikel 42 van de Faillissementswet (Fw) moet worden aangemerkt. [gedaagde 2] en De Ammerse Smid wisten immers of behoorden te weten dat deze overdracht benadeling van de crediteuren tot gevolg had. Daarom heeft de curator de vermeende overdracht en de daarop volgende verrekening vernietigd en dient [gedaagde 2] het voertuig terug te leveren. Nu [gedaagde 2] hierin toerekenbaar is tekortgeschoten, dient zij de curator schadevergoeding te betalen. De omvang van de schadevergoeding is gelijk aan de waarde van het voertuig op de faillissementsdatum en is voorlopig begroot op de verkoopprijs van het voertuig van € 24.200,- inclusief BTW. Nu [gedaagde 2] ondanks schriftelijke aanmaningen en correspondentie niet tot betaling overgaat, is zij tevens de buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente verschuldigd, aldus de curator.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde 2] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid, althans tot ontzegging van de vordering van de curator.

4.2.

[gedaagde 2] voert daartoe – samengevat – het volgende aan. De overdracht van het voertuig is wel degelijk rechtsgeldig. Het voertuig is niet aan [gedaagde 2] verkocht met als doel het stellen van zekerheid, maar ter voldoening van een gedeelte van de openstaande vordering door De Ammerse Smid. Blijkens de factuur van 18 juli 2013 is het voertuig ook aan [gedaagde 2] geleverd. Ondanks diverse verzoeken daartoe heeft de curator geweigerd om het voertuig aan [gedaagde 2] te geven. Nu [gedaagde 2] rechthebbende van het voertuig was, heeft zij het voertuig rechtsgeldig aan een derde verkocht. Ook van een paulianeuze handeling is geen sprake, nu de wetenschap van benadeling van de crediteuren ontbrak en [gedaagde 2] op het moment van de overdracht niet wist dat De Ammerse Smid failliet zou gaan. [gedaagde 2] is dan ook niet verplicht tot betaling van schadevergoeding, de gevorderde rente of kosten, aldus [gedaagde 2] .

5 De beoordeling

5.1.

Gezien de stellingen van partijen dient te worden bepaald of de eigendom van het voertuig vóór faillietverklaring van De Ammerse Smid rechtsgeldig aan [gedaagde 2] is overgedragen.

Geldige titel?

5.2.1.

In de eerste plaats moet worden beoordeeld of sprake is van een overdrachtstitel die in strijd is met artikel 3:84 lid 3 BW.

5.2.2.

De maatstaf van artikel 3:84 lid 3 BW moet volgens de Hoge Raad (HR 19 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1735) worden gezocht in het antwoord op de vraag of de rechtshandeling ertoe strekt de verkrijger een zekerheidsrecht op het goed te verschaffen waardoor deze in zijn belangen als schuldeiser ten opzichte van andere schuldeisers wordt beschermd. Wanneer deze verkrijger slechts het recht krijgt om, in geval van wanprestatie, het hem overgedragen goed te gelde te maken ten einde zich uit de opbrengst daarvan te bevredigen onder gehoudenheid een eventueel overschot aan zijn wederpartij ten goede te doen komen, levert dit op grond van artikel 3:84 lid 3 BW niet een geldige titel voor overdracht op. Strekt daarentegen de rechtshandeling van partijen tot ‘werkelijke overdracht’ en heeft zij derhalve de strekking het goed zonder beperking op de verkrijger te doen overgaan – en deze aldus meer te verschaffen dan enkel een recht op het goed, dat hem in zijn belang als schuldeiser beschermt – dan staat art. 3:84 lid 3 BW daaraan niet in de weg.

5.2.3.

In het licht van de voorgaande uitleg van de Hoge Raad is niet gebleken van een met artikel 3:84 BW strijdige titel. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht die erop duiden dat er sprake was van een verboden zekerheidsoverdracht dan wel dat de rechtshandeling de strekking miste om het voertuig na de overdracht in het vermogen van [gedaagde 2] te doen vallen. Datgene wat de curator wel naar voren heeft gebracht, kan niet tot een dergelijke conclusie leiden.

5.2.4.

De curator heeft in de eerste plaats gesteld dat de overdracht enkel ten doel had om [gedaagde 2] zekerheid te verschaffen. Voor zover dat al juist zou zijn, blijkt uit genoemde rechtspraak dat niet elke zekerheidsoverdracht in strijd is met artikel 3:84 lid 3 BW. Slechts de overdracht tot zekerheid, waarbij niet is beoogd om de verkrijger de volledige eigendom te geven, is ongeldig.

5.2.5.

De curator heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat geen sprake van een werkelijke overdracht was nog gesteld dat partijen zijn overeengekomen dat de tenaamstelling van het voertuig na betaling van de vordering weer zou worden gewijzigd en de overdracht op die manier teruggedraaid zou worden. Uit de e-mail van 28 oktober 2013 kan dit inderdaad worden afgeleid. Deze stelling laat echter onverlet dat, als De Ammerse Smid de vordering van [gedaagde 2] niet zou voldoen, de tenaamstelling ongewijzigd zou blijven en [gedaagde 2] over het voertuig mocht beschikken als haar eigendom. De wijziging van de tenaamstelling bij niet-voldoening is dus onvoldoende feitelijke onderbouwing voor de conclusie dat slechts sprake is van een op grond van artikel 3:84 BW verboden overdrachtstitel.

5.2.6.

Verder heeft de curator gesteld dat de ongeldige overdrachtstitel blijkt uit het feit dat [gedaagde 2] het voertuig meteen heeft verkocht, nadat zij hierover de beschikking kreeg. Deze omstandigheid vormt echter evenmin onderbouwing van de stelling dat een verboden overdracht heeft plaatsgevonden. Weliswaar heeft [gedaagde 2] niet betwist dat zij het voertuig in januari 2014 heeft verkocht, maar niet gesteld of gebleken is dat het recht van [gedaagde 2] op het voertuig zich enkel beperkte tot het recht om het voertuig te gelde te maken ten einde zich uit de opbrengst daarvan te verhalen onder gehoudenheid een eventueel overschot aan de De Ammerse Smid ten goede te doen komen. Slechts een dergelijke beperkte overdrachtstitel is volgens artikel 3:84 lid 3 BW ongeldig.

5.2.7.

Ten slotte wijst de curator op het feit dat De Ammerse Smid het voertuig is blijven gebruiken en het voertuig op de dag van de faillietverklaring in opdracht van De Ammerse Smid bij haar ‘huisgarage’ ter onderhoud en reparatie stond. Het enkele gebruik van het voertuig door De Ammerse Smid kan echter niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een ongeldige titel. Artikel 3:84 lid 3 BW verzet zich volgens de Hoge Raad in eerdergenoemde uitspraak niet tegen een regeling waarbij een partij de volledige eigendom heeft, en de andere partij louter persoonlijke rechten en verplichtingen heeft, zoals een persoonlijk gebruiksrecht. De vraag die in dit verband beantwoord moet worden is of [gedaagde 2] het gebruik kon beëindigen en dan volledig over het voertuig kon beschikken, oftewel zich het voertuig mocht toe-eigenen. [gedaagde 2] heeft aangevoerd dat hiervan sprake was. [gedaagde 2] heeft immers gesteld dat zij met De Ammerse Smid was overeengekomen dat De Ammerse Smid het voertuig nog zes tot acht weken mocht gebruiken, dat [gedaagde 2] het voertuig daarna zou ophalen en dat zij dat half juli 2013 ook daadwerkelijk heeft geprobeerd te doen. Volgens [gedaagde 2] had De Ammerse Smid het voertuig echter vanwege gebreken bij garage Schouten gestald, waardoor zij het voertuig op dat moment nog niet in ontvangst kon nemen. De curator heeft deze geschetste gang van zaken niet (gemotiveerd) betwist en evenmin aangevoerd dat een beding was overeengekomen dat toe-eigening door [gedaagde 2] verbood. Het gebruik van het voertuig na de overdracht door De Ammerse Smid kan dan ook zonder nadere onderbouwing niet leiden tot de slotsom dat sprake is van strijd met het derde lid van artikel 3:84 BW. Dit geldt eveneens voor het feit dat het voertuig bij de ‘huisgarage’ van De Ammerse Smid stond. Uit deze omstandigheid blijkt niet of De Ammerse Smid het voertuig als eigenaar/bezitter of als houder bij haar huisgarage heeft gebracht. Bovendien is een beding op grond waarvan onderhoud en risico voor rekening van de overdrager blijven, blijkens de eerdergenoemde uitspraak van de Hoge Raad geen aanwijzing voor een verboden zekerheidsoverdracht. Het feit dat De Ammerse Smid opdracht tot reparatie en onderhoud aan garage Schouten heeft gegeven, wijst dus ook niet op een overdracht in strijd met artikel 3:84 lid 3 BW.

5.2.8.

Gezien het voorgaande heeft de curator – mede in het licht van de gemotiveerde betwisting van [gedaagde 2] – onvoldoende gesteld om te concluderen dat sprake is van een verboden overdracht in de zin van artikel 3:84 lid 3 BW. De overeenkomst tot (ver)koop van het voertuig moet dan ook als geldige titel voor de overdracht worden aangemerkt.

Geldige levering?

5.3.1.

Gezien de standpunten van partijen moet vervolgens beoordeeld worden of een geldige levering heeft plaatsgevonden. Partijen zijn het erover eens dat geen levering in de vorm van een feitelijke bezitsverschaffing (artikel 3:114 BW) heeft plaatsgevonden, nu De Ammerse Smid het voertuig ook na de verkoop mocht blijven gebruiken en het voertuig in haar macht bleef.

5.3.2.

De vraag is dan ook of een bezitsoverdracht in de zin van artikel 3:115 BW aanhef en sub a heeft plaatsgevonden oftewel door middel van een tweezijdige verklaring waarbij is overeengekomen dat De Ammerse Smid het voertuig voortaan voor [gedaagde 2] zou houden. [gedaagde 2] heeft in dit verband aangevoerd dat partijen eind mei 2013 mondeling hebben afgesproken dat De Ammerse Smid het voertuig nog tijdelijk mocht lenen. Daaruit vloeit voort dat De Ammerse Smid vanaf dat moment nog slechts houder was. Ter verdere onderbouwing van de levering wijst [gedaagde 2] nog op de wijziging van de tenaamstelling, de verstrekking van de reservesleutels door De Ammerse Smid en de tekst van de factuur van 18 juli 2013 zoals opgenomen onder 2.5. De curator betwist dat de reservesleutels aan [gedaagde 2] zijn verstrekt, nu dit niet zou blijken uit de e-mail van 28 oktober 2013. Verstrekking van de reservesleutels is naar het oordeel van de rechtbank echter niet noodzakelijk voor levering ex artikel 3:115 BW, nu het blijkens dat artikel juist gaat om bezitsoverdracht zonder feitelijke handeling. Verder heeft de curator in dit verband gesteld dat een levering in de zin van artikel 3:115 BW niet uit de stukken blijkt. De tweezijdige leveringsverklaring hoeft echter niet schriftelijk te worden vastgelegd, maar kan op grond van artikel 3:37 BW ook mondeling worden gedaan of in gedragingen besloten liggen. De door [gedaagde 2] gestelde mondelinge afspraak vindt steun in de wijziging van de tenaamstelling door partijen. Bovendien kan uit de tekst van de factuur van 18 juli 2013 zoals opgesteld door De Ammerse Smid worden afgeleid dat levering heeft plaatsgevonden. Dat deze factuur pas enige tijd na de overdracht is opgesteld, doet hier niet aan af. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat een geldige levering in de zin van artikel 3:90 lid 1 BW juncto artikel 3:115 aanhef en sub a BW heeft plaatsgevonden.

5.3.3.

De door de curator in dit verband aangehaalde uitspraken betreffen geen vergelijkbare gevallen en behoeven derhalve geen nadere bespreking.

Geen inbreuk op eigendomsrecht

5.4.

Nu sprake is van zowel een geldige titel als een geldige levering en van beschikkingsonbevoegdheid niet is gebleken, is het voertuig rechtsgeldig overgedragen aan [gedaagde 2] . Dat betekent dat de verkoop van het voertuig door [gedaagde 2] geen inbreuk op het eigendomsrecht van De Ammerse Smid vormt. De vordering tot schadevergoeding zal op basis van de primaire grondslag van de vordering daarom worden afgewezen.

Overdracht in strijd met artikel 42 Fw?

5.5.1.

Vast staat dat [gedaagde 2] de koopprijs van het voertuig met haar vordering heeft verrekend; slechts over de datum van verrekening bestaat tussen partijen verschil van inzicht. De overdracht en de daarop volgende verrekening zijn door de curator op grond van artikel 42 Fw vernietigd. Beoordeeld moet worden of deze vernietiging terecht was.

5.5.2.

Niet betwist is dat de koopovereenkomst en de daarop volgende verrekening van de koopprijs van het voertuig als een onverplichte rechtshandeling anders dan om niet moet worden aangemerkt en dat schuldeisers door de overdracht zijn benadeeld. Ook heeft de curator onbetwist en gemotiveerd gesteld dat De Ammerse Smid wist of behoorde te weten dat haar schuldeisers door de overdracht en de daarop volgende verrekening van de koopprijs werden benadeeld. Nu het gaat om een rechtshandeling anders dan om niet, diende echter eveneens [gedaagde 2] wetenschap van benadeling van schuldeisers te hebben. [gedaagde 2] heeft deze wetenschap betwist.

5.5.3.

Van ‘weten of behoren te weten dat benadeling van schuldeisers het gevolg van de rechtshandeling zal zijn’ zoals bedoeld in artikel 42 Fw is sprake indien ten tijde van de handeling het faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien. Dit uitgangspunt brengt mee dat op de curator die op de voet van artikel 42 Fw een rechtshandeling heeft vernietigd de bewijslast en dus ook de stelplicht rust van feiten en omstandigheden die meebrengen dat het faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid voor [gedaagde 2] waren te voorzien (HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8493).

5.5.4.

In de eerste plaats heeft de curator gesteld dat de voertuigen slechts als verkapt zekerheidsrecht op naam van [gedaagde 2] zijn gesteld. Daarvoor zou volgens de curator alleen aanleiding zijn als een faillissementsscenario voorzienbaar is. De rechtbank is van oordeel dat de gang van zaken rond de overdracht van het voertuig in dit verband vragen oproept. Immers, de overdracht vond pas plaats nadat [gedaagde 2] om betaling had gevraagd en nadat De Ammerse Smid had gemeld dat zij wegens financiële problemen de vordering op dat moment niet kon voldoen. De Ammerse Smid was niet tot deze overdracht verplicht. Door desondanks het voertuig aan [gedaagde 2] over te dragen en verrekening te laten plaatsvinden, werd een deel van de vordering van één schuldeiser ( [gedaagde 2] ) voldaan, terwijl het voertuig als vermogensbestanddeel niet meer beschikbaar was voor andere schuldeisers van De Ammerse Smid. Op het moment van de overdracht bestond er dus een mogelijke kans op benadeling van schuldeisers. De wetenschap van de kans op benadeling is volgens vaste rechtspraak echter onvoldoende; [gedaagde 2] behoorde wetenschap van daadwerkelijke benadeling van de schuldeisers te hebben.

5.5.5.

Ter verdere onderbouwing heeft de curator gesteld dat [gedaagde 2] eind mei 2013 door [bestuurder 2] op de hoogte was gesteld van de liquiditeitsproblemen van De Ammerse Smid en dat zij wist dat De Ammerse Smid haar vordering van ruim € 47.000,- op dat moment niet kon voldoen. Een tijdelijk liquiditeitsprobleem betekent echter nog niet dat een faillissement naderend is. De curator heeft niet gesteld dat aan [gedaagde 2] is meegedeeld dat het liquiditeitsprobleem zodanig groot was dat een faillissement aanstaande of te verwachten was. Dit blijkt ook niet uit de e-mail van 28 oktober 2013. Hierin staat slechts vermeld dat [bestuurder 2] aan [gedaagde 2] tekst en uitleg over de financiële situatie van De Ammerse Smid heeft gegeven. Ook deze omstandigheid brengt derhalve niet mee dat [gedaagde 2] wetenschap van benadeling van schuldeisers had.

5.5.6.

Daar komt bij dat [gedaagde 2] na de wijziging van de tenaamstelling nog diverse materialen en diensten heeft geleverd. Het verweer van de curator dat het slechts ging om beperkte leveringen met een beperkt risico gaat gezien de aanzienlijke hoogte van de facturen niet op. Het gaat immers om een bedrag van € 20.648,65 inclusief BTW in ruim twee maanden vanaf juni 2013, terwijl [gedaagde 2] in de periode van januari 2013 tot en met mei 2013 voor een bedrag van € 27.936,48 inclusief BTW aan materialen en diensten aan De Ammerse Smid in rekening heeft gebracht. De aanzienlijke leveringen van [gedaagde 2] in de periode na de overdracht van het voertuig bevestigen de stelling van [gedaagde 2] dat zij eind mei 2013 niet uitging van een aanstaand faillissement(stekort). Deze leveringen van [gedaagde 2] geven bovendien steun aan de stelling van [gedaagde 2] dat er nog diverse lopende projecten waren en betalingen van opdrachtgevers aan De Ammerse Smid te verwachten waren.

5.5.7.

Gezien het voorgaande en mede gezien de gemotiveerde betwisting door [gedaagde 2] is de rechtbank van oordeel dat de curator in dit verband onvoldoende aan zijn stelplicht heeft voldaan, zodat niet is gebleken van een grond tot vernietiging in de zin van artikel 42 Fw. De overdracht van het voertuig en de daaropvolgende verrekening is dan ook ten onrechte door de curator vernietigd. De vordering tot schadevergoeding slaagt evenmin op deze grondslag.

Conclusie

5.6.

De vordering komt dan ook bij gebreke van een deugdelijke grondslag niet voor toewijzing in aanmerking. Dat betekent dat het verzoek van de curator op grond van artikel 162 van het Wetboek van Rechtsvordering geen nadere bespreking behoeft en eveneens zal worden afgewezen.

5.7.

De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde 2] worden begroot op:

- griffierecht 1.909,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 3.067,00

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

veroordeelt de curator in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 2] tot op heden begroot op € 3.067,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.A. Hut en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2015.

2148 / 2355