Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:8658

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
26-11-2015
Zaaknummer
C/10/459186 / HA ZA 14-928
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanbesteding door Havenbedrijf voor de inzameling en verwerking van vaste scheepsafvalstoffen.

De rechtbank oordeelt dat eiseres onvoldoende belang heeft om het Havenbedrijf te verplichten de volledige offerte van de partij aan wie de opdracht is gegund in het geding te laten brengen, mede in aanmerking genomen dat het vertrouwelijk karakter van de destijds ingediende offerte daaraan in beginsel in de weg zou staan.

Eiseres betoogt dat de offerte uitgaat van een werkwijze die niet is toegelaten wegens strijd is met de Verordening dierlijke bijproducten, zodat Havenbedrijf die offerte als niet uitvoerbaar buiten behandeling had moeten laten. De rechtbank oordeelt dat ten tijde van de onderhavige aanbesteding, in 2010, er voor het Havenbedrijf geen, althans geen concrete, aanleiding bestond om de geoffreerde handelwijze in strijd te achten met de Verordening dierlijke bijproducten. Afwijzing vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2016/16
Module Aanbesteding 2016/257
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/459186 / HA ZA 14-928

Vonnis van 4 november 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MARTENS HAVENONTVANGSTINSTALLATIE VLISSINGEN B.V.,

gevestigd te Nieuwdorp,

eiseres,

advocaat mr. C.J. IJdema,

tegen

de naamloze vennootschap

HAVENBEDRIJF ROTTERDAM N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. B.J. Korthals Altes-van Dijk.

Partijen worden hierna Martens en het Havenbedrijf genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 2 september 2014, met de producties 1 tot en met 16;

  • -

    de conclusie van antwoord, met de producties 1 tot en met 13;

  • -

    het tussenvonnis van 14 januari 2015, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 9 juli 2015 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Op de comparitie is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2 Het geschil

2.1.

Martens vordert:

  1. een verklaring voor recht dat het Havenbedrijf aansprakelijk is voor de door Martens geleden schade als gevolg van – primair – het ten onrechte gunnen van de opdracht aan Bek & Verburg (hierna: B&V) en – subsidiair – het vergunnen van een alternatieve werkwijze, en

  2. het Havenbedrijf te veroordelen tot vergoeding van de als gevolg daarvan door Martens geleden schade, nader op te maken bij staat,

  3. met veroordeling van het Havenbedrijf in de proceskosten.

2.2.

Het Havenbedrijf voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Martens in de proceskosten, met nakosten en rente, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

3 De overwegingen

3.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

  1. Op 8 september 2010 heeft het Havenbedrijf de aanbesteding aangekondigd van de inzameling en verwerking van vaste scheepsafvalstoffen. Het ging om een Europese aanbesteding door een procedure van gunning via onderhandeling met voorafgaande bekendmaking. Martens heeft meegedongen naar deze opdracht.

  2. Op 11 oktober 2010 is Martens de offerteaanvraag toegestuurd, waarin de gunningcriteria zijn opgenomen, te weten prijs (30%), kwaliteit waardecreatie (60%) en mate van instemming met algemene voorwaarden van inkoop (10%). Verder is in de offerteaanvraag vermeld dat de opdracht ziet op het inzamelen en (laten) verwerken van "vaste scheepsafvalstoffen MARPOL/Annex V". In de nota van inlichtingen is de vraag van Martens "Heeft de opdracht uitsluitend betrekking op inzamelen en (laten) verwerken van huisvuil, plastic en kga?" beantwoord met "ja".

  3. Op 13 november 2010 heeft het Havenbedrijf Martens bericht dat het voornemens is de opdracht aan B&V te gunnen, met de motivering dat Martens op alle gunningcriteria (iets) lager had gescoord dan B&V.

  4. Op verzoek van Martens, en na aankondiging van een kort geding, heeft het Havenbedrijf bij brief van 26 januari 2011 een nadere motivering verstrekt.

  5. Vervolgens heeft Martens in kort geding gevorderd dat het Havenbedrijf de inschrijvingen opnieuw beoordeelt en dat de opdracht nog niet wordt gegund.

  6. Bij vonnis in kort geding van 21 maart 2011 zijn deze vorderingen afgewezen.

  7. De opdracht is aan B&V gegund.

3.2.

Martens legt aan haar vorderingen ten grondslag dat het Havenbedrijf de inschrijving van B&V buiten behandeling had moeten laten omdat deze uitgaat van een werkwijze die in strijd is met de wet, en dus niet uitvoerbaar is. Door desondanks aan B&V de opdracht te gunnen heeft het Havenbedrijf onrechtmatig jegens Martens gehandeld.

Ter toelichting voert Martens aan dat het Havenbedrijf bij de beoordeling van de inschrijvingen weliswaar enige beoordelingsvrijheid had, maar dat die vrijheid begrensd is door wet en regelgeving, in het bijzonder de Verordening dierlijke bijproducten. In die Verordening is aangegeven wat als zogenoemd "categorie 1-materiaal" moet worden aangemerkt, welk materiaal gescheiden moet worden afgevoerd en vervolgens moet worden verbrand. De inschrijving van B&V gaat uit van een werkwijze die niet is toegelaten en dus niet uitvoerbaar is, zodat deze als ongeldig buiten beschouwing diende te blijven.

Indien een nieuwe aanbesteding zou hebben plaatsgevonden, zou Martens een nieuwe kans hebben gekregen. Door deze gemiste kans heeft Martens schade geleden, waarvan zij vergoeding vordert.

Subsidiair voert Martens aan dat de feitelijke werkwijze van B&V afwijkt van de geoffreerde werkwijze.

Het Havenbedrijf betwist de stelling dat de door B&V aangeboden werkwijze in strijd is met de regelgeving. Wat betreft de stelling dat B&V de opdracht op een alternatieve wijze uitvoert, voert het Havenbedrijf aan dat B&V de opdracht conform de offerte uitvoert. Verder betwist het Havenbedrijf dat zij een andere wijze van uitvoering zou toestaan en betoogt zij dat in elk geval geen sprake is van een ontoelaatbare wezenlijke wijziging.

3.3.

Voor een beoordeling van het primaire betoog van Martens zal de rechtbank in de eerste plaats vaststellen wat hier onder de door B&V geoffreerde werkwijze dient te worden verstaan. In de tweede plaats zal de rechtbank bezien of deze geoffreerde werkwijze botst met de Verordening dierlijke bijproducten. In dat geval moet vervolgens worden beoordeeld of sprake is van zodanige botsing dat het Havenbedrijf hieraan destijds in het kader van de aanbesteding consequenties had behoren te verbinden, mede met het oog op de belangen van andere inschrijvers, zoals Martens.

geoffreerde werkwijze?

3.4.

Martens heeft zich in deze procedure gebaseerd op de uitlatingen die namens B&V zijn gedaan tijdens de behandeling op 7 maart 2011 van het kort geding (dagvaarding 57 en volgende). Op basis hiervan vat Martens de geoffreerde werkwijze als volgt samen:

"Het afval wordt in principe op de schepen gescheiden. Het gescheiden aangeboden afval wordt gescheiden ingezameld. Als het afval ongescheiden wordt aangeboden, dan wordt het door B&V nagescheiden, tenzij zich tussen dat afval etensresten of keukenafval bevindt of hout dat vermengd is met hout zonder ISPM 15-kenmerk."

Het Havenbedrijf betwist deze verwoording op zichzelf niet (antwoord 42) en hanteert zelf de volgende omschrijving van de door B&V geoffreerde werkwijze:

"(…) indien afval door de schepen gescheiden wordt aangeboden, die gescheiden aangeleverde stromen gescheiden worden gehouden en zo nodig en zo mogelijk nog verder worden uitgesorteerd, waarna de stromen gescheiden naar de eindverwerkers gaan. Het afval dat niet of in beperkte mate gescheiden wordt aangeboden, wordt nagescheiden, tenzij zich keukenafval en/of voedselresten in dat afval bevindt."

3.5.

Naar het oordeel van de rechtbank lopen de door partijen gegeven beschrijvingen niet wezenlijk uiteen. Verder stelt de rechtbank vast dat de aldus beschreven werkwijze in de kern overeenstemt met de door het Havenbedrijf bij antwoord in het geding gebrachte delen van de offerte van B&V. Hierin is opgenomen:

" [p.14] Inzameling per lichter.

(…) wordt het afval gecontroleerd door middel van het open trekken van vuilniszakken (…)

[p.15] Bewerking en scheiden van de afvalstromen.

(…) Tevens beschikt B&V over een zeer brede milieu locatie vergunning waardoor de meest uiteenlopende afvalstromen (alsmede dus ook de stromen welke zijn ingezameld in deze casus) op de eigen locatie kunnen worden bewerkt. Hoewel de stromen aan boord al zijn gescheiden, worden een groot aantal stromen die binnen komen nogmaals gesorteerd. Huisvuil wordt separaat opgeslagen in daarvoor ingerichte afzet containers. Daar B&V goedgekeurd is door de keuringsdienst van Waren en de wetgeving met betrekking tot de inzameling van etensresten afkomstig van transportmiddelen buiten de EU van kracht is, wordt al het huisvuil middels een apart protocol behandeld. Dit afval wordt niet gecontamineerd met ander afval en wordt rechtstreeks zonder bijvoeging van ander afval afgedekt en getransporteerd naar een daarvoor goedgekeurde afvalverbrandingsinstallatie. Alle hiervoor gebruikte transportmiddelen en verpakkingsmiddelen worden volgens een opgelegd schema nauwkeurig gereinigd en ontsmet. Dit is van belang ter voorkoming van besmetting bij een eventuele epidemie-uitbraak (denk hierbij aan BSE; Mexicaanse griep; vogelgriep etc.). Tevens is het voor de haven van Rotterdam en voor overheidsinstellingen meteen duidelijk en inzichtelijk wat er met dit afval is gebeurd en controleerbaar.

Hout, metaal, papier, plastic, brandbaar en onbrandbaar afval; alle stromen worden gescheiden en apart opgemerkt. Klein Gevaarlijk Afvalstromen zoals; Incinerator as, oliehoudend afval, oliefilters, verfblikken leeg of vol, accu's, tl-buizen, chemicaliën, reinigingsmiddelen, pyrotechniqs; alle stromen worden in de loods gescheiden en apart gehouden. Een insteek die past binnen de vernieuwde wetgeving "afval scheiden, en gescheiden houden". Het ingezamelde afval uit de casus wordt allemaal in separate containers opgebulkt en minimaal eenmaal per week afgevoerd naar de eindverwerking.

(…)

[p.17] Huisvuil - al het huisvuil/keukenafval dat B&V inzamelt wordt behandeld als categorie 1 afval. Op deze manier wordt het protocol dat B&V heeft opgesteld voor deze speciale stroom te allen tijden nageleefd. Ook bij de verbranding van deze afvalstroom wordt de hitte gebruikt voor de opwekking van energiestromen.

(…)

[p.34] Waardecreatie binnen de keten.

Aan boord van de inzamellichters van B&V en binnen de Haven Ontvangst Voorziening vindt voorscheiding van het aangeboden afval plaats. Tevens worden alle afvalstromen visueel geïnspecteerd en eventueel geaccepteerd. Hierdoor wordt de kwaliteit van het afval verhoogd wat in een later stadium zijn weg vindt naar de eindverwerking. Het sorteren en scheiden in eigen beheer resulteert in meer mogelijkheden tot verhoging van kwaliteit van het afval.

(…)."

[met onderstrepingen en pagina-aanduiding door de rechtbank]

3.6.

Martens kende op het moment van het opstellen van de dagvaarding alleen twee door het Havenbedrijf geciteerde passages uit de offerte van B&V, zijnde de onderstreepte gedeelten van de citaten hierboven. De betwisting bij dagvaarding dat de door het Havenbedrijf geciteerde passages daadwerkelijk afkomstig zijn uit de offerte, is inmiddels achterhaald. De rechtbank stelt vast dat de in de dagvaarding opgenomen geciteerde passages onderdeel uitmaken van het stuk dat door het Havenbedrijf als delen van de offerte van B&V in het geding is gebracht.

De rechtbank volgt niet het standpunt van Martens dat nog steeds onduidelijk en/of oncontroleerbaar is wat de geoffreerde werkwijze was. Uitgangspunt moet immers zijn hetgeen daarover blijkt uit de offerte. De juistheid van de door het Havenbedrijf geciteerde passages, zoals opgenomen in de dagvaarding, is gebleken uit de overgelegde delen van de offerte. Uit de context van die passages, voor zover die context blijkt uit de overgelegde delen van de offerte, vloeit geen enkel concreet aanknopingspunt tot twijfel voort ten aanzien van de vraag of de passages een voldoende getrouw beeld vormen van de geoffreerde werkwijze. Ook anderszins is geen concrete aanleiding gebleken om te twijfelen aan de volledigheid en/of juistheid van de passages. Tot slot, er is geen aanknopingspunt om te betwijfelen dat de in het geding gebrachte delen daadwerkelijk afkomstig zijn uit de door B&V ingediende offerte.

Om deze redenen dient te worden aangenomen dat de geoffreerde werkwijze juist is weergegeven in de door het Havenbedrijf overgelegde delen van de offerte. De door het Havenbedrijf gestelde geoffreerde werkwijze is dan ook voldoende controleerbaar gebleken. Er is daarom onvoldoende belang aan de zijde van Martens om het Havenbedrijf te verplichten de volledige ingediende offerte van Martens in het geding te laten brengen, mede in aanmerking genomen dat het vertrouwelijk karakter van de destijds ingediende offerte daaraan in beginsel in de weg zou staan.

3.7.

De omstandigheid dat in het kader van het kort geding de geoffreerde werkwijze van B&V anders zou zijn omschreven door het Havenbedrijf, leidt niet tot een ander oordeel. Bij dagvaarding heeft Martens gesteld dat in het kort geding (medegedaagde) B&V vertelde dat zij huisvuil nascheidt tenzij zich etensresten en/of keukenafval tussen dat afval bevindt. Het Havenbedrijf heeft dit betwist (antwoord 43). Volgens het Havenbedrijf heeft B&V gesteld dat zij "afval" en dus niet "huisvuil" nascheidt tenzij zich etensresten en/of keukenafval tussen dat afval bevindt. Dit standpunt van het Havenbedrijf vindt steun in de tekst van het kort geding vonnis, in overweging 4.14:

"In dit verband heeft B&V ter zitting verklaard dat in haar, jarenlange, ervaring door grote zeeschepen (op de intercontinentale vaart) de diverse afvalstromen gescheiden worden aangeboden. Het afval dat ongescheiden wordt aangeboden, wordt gescheiden, tenzij zich keukenafval en/of voedselresten en/of onbehandeld hout in dat afval bevinden."

Voor zover deze discussie zou zijn terug te voeren op verwarring omtrent het begrip "huisvuil" zoals dat in de bij de inschrijving voorgelegde casus werd gehanteerd, ligt in het kort geding vonnis in overweging 4.11 al een afdoende verklaring en toelichting besloten.

3.8.

Uit het voorgaande volgt dat in deze procedure als de door B&V geoffreerde werkwijze moet worden aangemerkt de werkwijze die blijkt uit de geciteerde stukken uit de offerte van B&V.

strijd met regelgeving?

3.9.

Ten aanzien van de beoordeling van de inschrijving is de meest verstrekkende stelling van Martens dat uit de offerte blijkt dat B&V een te beperkte opvatting heeft van wat als categorie 1-materiaal moet worden beschouwd en behandeld. Volgens Martens vloeit uit de regelgeving voort dat niet alleen mengsels als categorie 1-materiaal moeten worden behandeld, maar alles wat in aanraking is geweest met categorie 1-materiaal. Het gaat volgens Martens daarom niet alleen om keukenafval en etensresten, maar ook om al het andere materiaal dat daarmee in aanraking kan zijn geweest, dus ook materiaal uit andere ruimten dan de keuken. Dit betekent dat elke dichte vuilniszak als categorie 1-materiaal moet worden behandeld, aldus Martens.

Het Havenbedrijf heeft dit bestreden, stellende dat mengsels van categorie 1-materiaal met categorie 2- of 3-materiaal inderdaad als categorie 1-materiaal worden behandeld, maar niet alles wat daarmee in theorie in aanraking is kunnen komen. Alle afvalzakken uit de keuken worden daarom als categorie 1-materiaal behandeld, zonder dit verder uit te zoeken. Alle zakken die niet uit de keuken afkomstig zijn en waarbij het gewicht en de vorm doen vermoeden dat het niet om keukenafval gaat, worden eerst opengetrokken om te controleren wat er in zit.

3.10.

Op de comparitie hebben partijen mede aan de hand van de Verordening dierlijke bijproducten (Verordening (EG) nummer 1069/2009) hun standpunt toegelicht. Deze in 2009 vastgestelde – voor de onderhavige aanbesteding bepalende – Verordening is voorafgegaan door de Verordening dierlijke bijproducten uit 2002 (Verordening (EG) nummer 11774/2002).

3.10.1.

De Verordening 2002 was, ter voorkoming van verspreiding van ziekteverwekkers, onder meer van toepassing op van internationaal opererende schepen afkomstige keukenafval en etensresten.

De definitiebepaling (Bijlage I) omschreef keukenafval en etensresten als:

"alle voedselresten afkomstig van restaurants, cateringfaciliteiten en keukens, met inbegrip van centrale keukens en keukens van huishoudens."

In artikel 4, lid 1 en onder e Van de Verordening luidde (met onderstreping door de rechtbank):

"Onder categorie I-materiaal wordt verstaan dierlijke bijproducten die aan de onderstaande beschrijving beantwoorden of materiaal dat dergelijke bijproducten bevat :(…)

e) keukenafval en etensresten afkomstig van internationaal opererende middelen van vervoer (…)."

In Bijlage II was in hoofdstuk I geregeld dat alle nodige maatregelen moeten worden getroffen om ervoor te zorgen dat materiaal van de categorieën 1, 2 en 3 tijdens het verzamelen en vervoeren ervan gescheiden en identificeerbaar zijn en blijven.

3.10.2.

De Verordening 2009 (in werking getreden op 4 december 2009) beoogt een verbetering te zijn ten opzichte van de voorschriften van de Verordening 2002. Artikel 8, aanhef en onder f en g, van de Verordening 2009 luidt (met onderstreping door de rechtbank):

"Categorie I-materiaal omvat de volgende dierlijke bijproducten:(…)

f) keukenafval en etensresten afkomstig van internationaal opererende vervoermiddelen;

g) mengsels van categorie 1-materiaal met categorie 2-materiaal en/of met categorie 3-materiaal."

De Verordening 2009 bevat geen nadere omschrijving van wat onder een "mengsel" moet worden verstaan.

Artikel 12 van de Verordening 2009 regelt het verbranden of storten van categorie 1-materiaal als afval.

3.10.3.

De Verordening (EU) nummer 142/2011 van 25 februari 2011 (in werking getreden op 17 maart 2011), een verordening tot uitvoering van de Verordening 2009, bevat nadere voorschriften voor onder meer de verwijdering van dierlijke bijproducten.

Bijlage I bevat een definitie van keukenafval en etensresten:

"alle voedselresten, met inbegrip van afgewerkte bak-en braadolie afkomstig van restaurants, cateringfaciliteiten en keukens, met inbegrip van centrale keukens en keukens van huishoudens."

Bijlage VIII bij deze verordening bepaalt in hoofdstuk I, afdeling 1, onder 4, dat verpakkingsmateriaal overeenkomstig de wetgeving van de Unie moet worden verwijderd door verbranding of volgens een andere methode.

In hoofdstuk II, onder 1, is bepaald dat alle nodige maatregelen moeten worden getroffen om ervoor te zorgen dat zendingen dierlijke bijproducten en afgeleide producten identificeerbaar zijn en tijdens het verzamelen op de plaats van oorsprong van de dierlijke bijproducten als ook tijdens het vervoer gescheiden en identificeerbaar blijven.

3.10.4.

Anders dan door Martens wordt betoogd, leest de rechtbank hierin niet dat alles wat in aanraking is geweest en kan zijn geweest met categorie 1-materiaal ook als categorie 1-materiaal moet worden behandeld. Volgens Martens duidt "bevat" in de Verordening 2002 er op dat dit inclusief 'in aanraking komen' is en is "omvat" in de Verordening 2009 nog ruimer. Naar het oordeel van de rechtbank vindt deze interpretatie onvoldoende steun in de tekst van de Verordening 2009 en/of van haar voorloper, de Verordening 2002. Met name bevat de definitie van keukenafval en etensresten geen aanwijzing dat hieronder mede moet worden verstaan al hetgeen daarmee in aanraking is gekomen en kan zijn gekomen.

Voor verpakkingsmateriaal bestaat uitdrukkelijk de regeling dat dit in beginsel door verbranding moet worden verwijderd. Enerzijds kan dit worden opgevat als een aanwijzing dat materiaal dat in aanraking is gekomen met dierlijke bijproducten, op dezelfde wijze zou moeten worden behandeld. Anderzijds zou deze bepaling niet nodig zijn geweest als uit de overige inhoud van de Verordening al zou voortvloeien dat alles dat in aanraking kan zijn geweest met categorie 1-materiaal als zodanig moet worden behandeld. In dit kader verdient opmerking dat verpakkingsmateriaal in de regel als zodanig herkenbaar zal zijn, hetgeen voor de praktische uitvoervoerbaarheid van belang is.

3.10.5.

Ter onderbouwing van haar betoog dat alles dat in aanraking kan zijn geweest met categorie 1-materiaal als zodanig moet worden behandeld, doet Martens verder een beroep op het voorzorgbeginsel. Ook beroept Martens zich op een brief aan haar van 13 mei 2013 van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, waarin een reactie wordt gegeven op vragen van Martens. In deze brief staat onder meer:

"Zoals in eerdere correspondentie al gemeld moet bij twijfel of een vuilniszak keukenafval en etensresten bevat de gehele inhoud van de vuilniszak als categorie 1 beschouwd worden (voorzorgbeginsel).

(…)

De dierlijke bijproducten verordening geeft ook aan dat bij de verzameling van dierlijke bijproducten, ook disposables, verpakkingsmateriaal en dergelijke, dus het materiaal dat bij het verzamelen van keukenafval en etensresten aan boord in direct contact is geweest met het keukenafval en etensresten, ook tot dergelijk categorie 1 materiaal wordt gerekend.

(…)

De dierlijke bijproducten wetgeving geeft exploitanten de mogelijkheid om dierlijke bijproducten te scheiden of te sorteren. Deze scheiding of sortering kan plaatsvinden op het internationale middel van vervoer of bij erkende verzamelbedijven. Als exploitanten uit het afval materialen sorteren die gerecycled kunnen worden (zoals glas, metaal e.d.) dan moeten deze producten zodanig behandeld en vervoerd worden dat er geen gevaar is voor volks- en diergezondheid. Deze uitgesorteerde materialen zijn nog steeds categorie 1 materiaal totdat een zodanige reiniging en/of ontsmetting heeft plaaatsgevonden dat er geen gevaar meer is voor de volks- of diergezondheid. (…)."

3.10.6.

Met name leidt Martens hieruit af dat wanneer niet is vast te stellen of zich 'catering waste' in een vuilniszak bevindt en/of wanneer niet is vast te stellen of vast scheepsafval is vermengd met 'catering waste', de gehele vuilniszak uit voorzorg als categorie 1-materiaal moet worden behandeld (dagvaarding 34, 35).

In de visie van Martens – zo begrijpt de rechtbank uit haar nadere toelichting ter zitting – moet elke dichte vuilniszak als categorie 1-materiaal worden behandeld omdat men niet weet of de inhoud van een vuilniszak in aanraking is geweest met eten.

3.10.7.

De rechtbank stelt voorop dat de brief van 13 mei 2013 spreekt over de situatie dat twijfel bestaat of een vuilniszak keukenafval en etensresten bevat. Dit is naar de letter niet (helemaal) hetzelfde als de situatie dat dit niet is vast te stellen.

Verder oordeelt de rechtbank dat de handelwijze van B&V waarbij "(…) het afval [wordt] gecontroleerd door middel van het open trekken van vuilniszakken" (pagina 14 van de offerte) niet op voorhand onverenigbaar is met de brief van 13 mei 2013. Op deze wijze wil B&V zich er blijkbaar juist van vergewissen of sprake is van categorie 1-materiaal.

3.10.8.

Aanvaarding van het standpunt van Martens dat aan de inhoud van een vuilniszak nooit is te zien of dit in aanraking is geweest met keukenafval en etensresten en dus elke vuilniszak als categorie 1-materiaal moet worden behandeld, zou een aanscherping opleveren ten opzichte van de tekst van de Verordening.

Hetzelfde geldt voor het geval Martens heeft willen aanvoeren dat ook gescheiden afval als categorie 1-materiaal moet worden behandeld omdat niet te controleren valt in hoeverre het afval aan boord op de juiste wijze gescheiden is gehouden, dat wil zeggen zodanig gescheiden dat het op geen enkele wijze in contact is kunnen komen met categorie 1-materiaal. Volgens Martens valt (uitsluitend) niet onder categorie 1-materiaal: materiaal waarvan bewezen wordt dat het niet categorie 1 is (door een verklaring van de kapitein dat het niet buiten de lidstaten is geweest) en gevaarlijk afval, tl-buizen, verfblikken en dergelijke, dus klein chemisch afval.

3.10.9.

Het argument van Martens dat controle erg arbeidsintensief is, kan geen afbreuk doen aan de aanvaardbaarheid van de geoffreerde werkwijze van B&V. Hetzelfde geldt voor de stellling van Martens dat het onjuist is dat schepen hun afval doorgaans gescheiden aanbieden. Een andere verhouding tussen gescheiden en ongescheiden afval hoeft geen betekenis te hebben voor de wijze waarop enerzijds gescheiden en anderzijds ongescheiden afval wordt behandeld.

3.11.

Tegen deze achtergrond oordeelt de rechtbank dat ten tijde van de onderhavige aanbesteding, in 2010, er voor het Havenbedrijf geen, althans geen concrete, aanleiding bestond om de geoffreerde handelwijze in strijd te achten met de Verordening dierlijke bijproducten.

3.11.1.

Indien geoordeeld zou moeten worden dat de Uitvoeringsverordening en/of de brief van 13 mei 2013 wel een indicatie voor zodanige strijdigheid zou(den) bevatten, is van belang dat deze van ná de onderhavige gunning dateren. Indien al op basis van voortschrijdend inzicht een ontwikkeling gesignaleerd zou kunnen worden, kan deze het Havenbedrijf achteraf niet worden tegengeworpen.

3.11.2.

Voor zover het betoog van Martens is ontleend aan landelijk afvalbeleid (waarin volgens Martens nascheiding van ongescheiden afval niet wordt gestimuleerd), is onvoldoende concreet onderbouwd wat het Havenbedrijf een aanknopingspunt had moeten geven de geoffreerde werkwijze van B&V niet acceptabel te vinden.

Voor zover Martens heeft verwezen naar algemene Europese opvattingen geldt hetzelfde. Bovendien betreft dit met name met 'catering waste' gemengd afval zoals 'wrappers, packaging, disposable containers' en dergelijke. Hiervan moet worden aangenomen dat dit valt onder de categorie huisvuil / keukenafval, dat B&V volgens haar offerte (pagina 17) behandelt als categorie 1-afval.

alternatieve uitvoering opdracht?

3.12.

Het subsidiaire betoog van Martens dat de feitelijke werkwijze van B&V op een ontoelaatbare wijze afwijkt van de geoffreerde werkwijze, slaagt niet.

3.12.1.

Dit betoog is in de eerste plaats gebaseerd op een mededeling in een e-mail van 19 juni 2012 van het Havenbedrijf dat "huisvuil rechtstreeks naar de AVR wordt afgevoerd". Martens heeft het Havenbedrijf om opheldering gevraagd en de reactie gekregen dat met "huisvuil" in de offerte en in de e-mail van 19 juni 2012 is bedoeld het vuil dat uit de keuken en/of messroom komt. Daarbij heeft het Havenbedrijf twee passages – zie hiervoor, onder 3.5 en 3.6 – uit de offerte geciteerd. Martens betwist dit, stellende dat zij de citaten niet kan controleren.

Inmiddels is in dit vonnis vastgesteld dat van de juistheid van deze citaten uit de offerte van B&V moet worden uitgegaan. Uit die tekst blijkt dat met de term "huisvuil" inderdaad is gedoeld op etensresten / keukenafval, zodat de door Martens uit de e-mail van 19 juni 2012 getrokken conclusie reeds daarom niet juist is.

3.12.2.

In de tweede plaats concludeert Martens uit een in haar opdracht uitgevoerd helikopter-onderzoek door Hofman Bedrijfsrecherche dat veel van het afval in plastic vuilniszakken wordt aangeleverd, dat niet te bepalen is uit welk gedeelte van het schip dit afval afkomstig is, dat de inhoud niet wordt gecontroleerd en dat sprake is van een grove wijze van inzameling.

Het Havenbedrijf heeft hierop een gemotiveerde reactie gegeven bij conclusie van antwoord, ter onderbouwing van haar betwisting dat de werkwijze afwijkt van de offerte.

Vervolgens is Martens hierop ingegaan in haar bij brief van 1 juli 2015 verstrekte schriftelijke reactie.

Martens neemt daarin het standpunt in dat volgens de offerte al het huisvuil als categorie 1-materiaal wordt behandeld en wordt verbrand, terwijl uit de door het Havenbedrijf gegeven beschrijving van de feitelijke werkwijze volgt dat alleen gescheiden aangeboden huisvuil afkomstig uit de keuken / messroom als categorie 1-materiaal wordt beschouwd en afval van elders dat vermoedelijk geen keukenafval bevat, niet. Volgens Martens betekent dit dat in afwijking van de offerte niet al het huisvuil als categorie 1-materiaal wordt gezien.

Dit betoog van Martens ziet er aan voorbij dat, ook in haar eigen samenvatting van de geoffreerde werkwijze van B&V, het afval dat ongescheiden wordt aangeboden door B&V wordt nagescheiden, tenzij zich tussen dat afval etensresten of keukenafval bevindt. In dat laatste geval wordt het het afval wel degelijk als categorie 1-materiaal aangemerkt. Verder ligt in hetgeen hiervoor is overwogen (zie onder 3.10.7 en 3.10.8) al het oordeel besloten dat B&V niet elke vuilniszak als categorie 1-materiaal hoeft te behandelen.

3.13.

Het hiervoor genoemde standpunt van Martens mist dus feitelijke grondslag en slaagt daarom niet. De overige in dit kader door partijen naar voren gebrachte argumenten kunnen onbesproken blijven.

eindconclusie

3.14.

Uit het voorgaande volgt dat de stellingen van Martens niet tot de conclusie leiden dat het Havenbedrijf de inschrijving van B&V buiten beschouwing had moeten laten. Verder is niet vastgesteld dat de feitelijke werkwijze van B&V afwijkt van de geoffreerde werkwijze. De eindconclusie is dat niet is gebleken dat het Havenbedrijf onrechtmatig heeft gehandeld. De vorderingen van Martens dienen te worden afgewezen.

3.15.

Martens wordt in het ongelijk gesteld en dient daarom de kosten van de procedure te dragen, als gevorderd met rente indien de kosten niet binnen 14 dagen worden voldaan. De proceskosten worden begroot op € 608,= wegens griffierecht en € 904,= voor advocatensalaris (2 forfaitpunten in tarief II).

3.16.

Voor een zelfstandige veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (voor € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Martens niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak).

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst de vorderingen af;

4.2.

veroordeelt Martens in de proceskosten, aan de kant van het Havenbedrijf tot op heden begroot op € 1.512,=, te betalen binnen 14 dagen na dit vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag indien geen tijdige betaling plaatsvindt;

4.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en is in het openbaar uitgesproken op 4 november 2015.

1694 / 676