Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:8640

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
26-11-2015
Zaaknummer
C-10-478019 - HA RK 15-493
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil over aansprakelijkheidsvraag. Na onjuiste diagnose is schildklier mogelijk ten onrechte (geheel) verwijderd. Geen beroepsfout van de artsen, wel ontbrak informed consent. In deelgeschil geen verwijzing naar schadestaatprocedure.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 448
Burgerlijk Wetboek Boek 7 453
Burgerlijk Wetboek Boek 7 462
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2015-0496
JA 2016/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/10/478019 / HA RK 15-493

Beschikking van 24 november 2015 op het verzoek ex artikel 1019w Rv

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. H. Carels te Rotterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

ERASMUS UNIVERSITAIR MEDISCH CENTRUM,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

advocaat mr. M.S.E. van Beurden te Utrecht.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als ‘ [verzoekster] ’ en ‘Erasmus MC’.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, met vijf producties

  • -

    het verweerschrift, met elf producties

  • -

    de brief van mr. Carels van 25 september 2015 tot wijziging van het verzoek

  • -

    de mondelinge behandeling, gehouden op 29 september 2015

  • -

    de tijdens de mondelinge behandeling door mr. Carels overgelegde en voorgedragen pleitnotities, met één bijlage.

Na de mondelinge behandeling is de zaak op verzoek van partijen vier weken aangehouden ten behoeve van schikkingsonderhandelingen. Mr. Carels heeft op 15 oktober 2015 te kennen gegeven dat partijen er niet in zijn geslaagd een regeling te treffen. De uitspraak van de beschikking is daarom op heden bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] is in 2013 onder behandeling gekomen van de internisten in het Erasmus MC naar aanleiding van verschillende klachten. Bij [verzoekster] was eerder al vastgesteld dat zij leed aan de ziekte van Hashimoto, waarbij de schildklier ontstoken raakt en daardoor niet of niet goed functioneert.

2.2.

In mei 2013 is bij [verzoekster] echografisch onderzoek gedaan en is door middel van een punctie weefsel uit de hals weggenomen. Na een eerste pathologisch onderzoek luidde de conclusie als volgt: ‘Punctie level VI links; lymfeklierachtergrond waarin enkele atypische epitheliale celgroepen. Een metastase van een schildklierproces is niet uitgesloten, gaarne nader histologisch onderzoek’. Deze analyse van de punctie houdt in dat het weefsel mogelijk een uitzaaiing van schildklierkanker betreft. Nadat de punctie door een tweede patholoog was onderzocht, werd de diagnose aangepast: ‘(op verzoek opnieuw bekeken) punctie level VI links: lymfklierachtergrond met focaal metastase van waarschijnlijk papillair schildkliercarcinoom. Indien mogelijk nadere diagnostiek van de schildklier.’ Deze aanpassing houdt in dat de aanwezigheid van schildklierkanker als ‘waarschijnlijk’ in plaats van ‘mogelijk’ werd beoordeeld.

2.3.

De uitslag van het pathologisch onderzoek is op 4 juni 2013 met [verzoekster] besproken. De casus is vervolgens op 5 juni 2013 besproken tijdens een multidisciplinair overleg van verschillende specialisten van het Erasmus MC (hierna: het MDO). Naar aanleiding van de bespreking tijdens het MDO is besloten om de diagnostische hemithyreoïdectomie (gedeeltelijke verwijdering van de schildklier ten behoeve van nader onderzoek) over te slaan en over te gaan tot een totale thyreoïdectomie (gehele verwijdering van de schildklier) met centrale halsdissectie. Dit is op 6 juni 2013 telefonisch met de dochter van [verzoekster] besproken.

2.4.

Op 3 juli 2013 is [verzoekster] in het Erasmus MC opgenomen. Door middel van een operatie is de gehele schildklier verwijderd en heeft een reguliere enkelzijdige lymfeklierdissectie plaatsgevonden. Deze operatie is zonder complicaties verlopen. Na de operatie is het bij deze ingreep verwijderde weefsel nader onderzocht. Toen is vastgesteld dat er, anders dan voorafgaand aan de operatie werd aangenomen, geen sprake was van schildklierkanker. Er was derhalve een onjuiste diagnose gesteld.

2.5. (

De advocaat van) [verzoekster] heeft Erasmus MC bij brief van 7 augustus 2013 aansprakelijk gesteld voor de schade die [verzoekster] als gevolg van een medische fout lijdt en heeft geleden. Bij brief van 12 december 2013 heeft Erasmus MC voorgesteld om de casus door een onafhankelijke deskundige te laten beoordelen. [verzoekster] heeft hiermee ingestemd. De kwestie is daarop voorgelegd aan [Persoon 1] , lid van de juridische commissie van de Nederlandse Vereniging voor Pathologie. [Persoon 1] (hierna: [Persoon 1] ) heeft een herbeoordelingsprocedure uitgevoerd conform het door de Nederlandse Vereniging voor Pathologie opgestelde protocol. Dit houdt in dat aan een panel van vier analisten en zes pathologen een geanonimiseerde set van zes representatieve casus werd voorgelegd, die deze onafhankelijk van elkaar beoordeelden. Tussen de voorgelegde casus zat het weefsel dat bij [verzoekster] was afgenomen.

2.6.

In de definitieve rapportage van [Persoon 1] is onder meer het volgende opgenomen:

Bespreking.

Vraag 1

Kunt u ons de resultaten van de herbeoordelingsprocedure berichten en, in geval het panel anders oordeelt dan de oorspronkelijke patholoog, wat is hiervoor uw verklaring?

De betreffende preparaten zijn (…) middels de objectiverende herbeoordelingsprocedure (…) uitgevoerd. De pathologen zijn allen in de veronderstelling dat de punctie (zij hadden dezelfde klinische gegevens!) afkomstig was van een lymfklier. Een patholoog komt tot de verdenking op maligniteit, een patholoog tot atypie (met weinig verdenking maar wel het verzoek tot uitbreiden van het onderzoek. Twee pathologen uiten geen verdenking waarbij een patholoog wel de kliniek de overweging geeft het onderzoek uit te breiden.

Het panel oordeelt dus niet eensluidend. Er zijn echter duidelijk overeenkomsten met de door de oorspronkelijke patholoog gestelde diagnose. Het panel gaat unaniem uit van een punctie uit de lymfklier. Dit is van belang omdat door dit beeld de aanwezigheid van epitheliale groepen (dit zijn cellen die wel in de schildklier voorkomen en niet in een lymfklier) de verdenking op maligniteit verhogen. In ieder geval een patholoog komt tot een vrijwel gelijk luidende diagnose.

Wat ook van belang is: geen van de pathologen komt tot de juiste diagnose, namelijk de chronische lymfocytaire thryreoïditis die de patiënte bleek te hebben.

Tenslotte, zoals ook hier blijkt is cytologisch onderzoek van schildklierafwijkingen van grote waarde in de diagnostiek maar zoals ook in de richtlijn beschreven slechts toepasbaar in de juiste klinische context.

Vraag 2

Is er volgens uw mening bij een afwijkende beoordeling door het panel sprake van verwijtbaar onzorgvuldig handelen?

Zie vraag 1. De herbeoordeling geeft wisselende conclusies met wisselende verdenkingen op maligniteit, echter geen enkele diagnose Hashimoto, maar ook geen enkele zekere diagnose maligniteit. Derhalve geen verwijtbare onzorgvuldigheid van patholoog 1 en 2 in het kader van wat van een redelijk bekwaam handelend vakgenoot onder gelijke omstandigheden mag worden verwacht (immers het juridische toetsingskader). Patholoog 2 ging verder in zijn verdenking dan het panel.

Vraag 3

Hebt u overigens nog op- en of aanmerkingen?

Deze casus laat zien dat het diagnostisch proces door, in mijn mening, verschillende oorzaken fout is gegaan. Een deel van de onduidelijkheden die hiervoor van belang zijn liggen buiten mijn competentie maar wil ik toch vermelden.

Hoe is de bekende hypothyreoïdie van de patiënte is (de rechtbank leest: in) de diagnostische overwegingen meegenomen?

Hoe is de locatie van de afwijking: schildklier level VI of lymfklier level VI in het MDO in de overwegingen meegenomen?

Dit is van diagnostisch belang. De oorspronkelijke pathologen en ook het panel zijn, door deze gegevens en het cytologisch beeld uitgaan van een lymfklier en zijn door deze aanname op een ander diagnostisch pad geraakt.

Hoe is de cytologisch gegeven diagnose op het MDO in deze setting meegenomen, was het ook klinisch, echografisch meer het beeld van een lymfklier? Waarbij in de beschrijving van het histologisch preparaat (…) een losfragment weefsel, mogelijk afgesnoerd van de schildklier wordt beschreven met hierin het beeld van de chronische lymfoïde thryreoïditis. Mogelijk heeft hierin de punctie plaats gevonden en is het MDO ook op het verkeerde been gezet.

Tenslotte de overwegingen van het MDO om over te gaan tot een totale strumectomie met lymfklier dissectie zijn mij onbekend, blijkbaar was er voldoende zekerheid op de a priori kans van maligniteit. Anders zou, zoals de richtlijn voor schildklier carcinoom beschrijft een diagnostische hemistrumectomie zijn verricht. Dit had de diagnostische fout misschien voorkomen. In dit kader kan nog worden opgemerkt dat de diagnostiek van schildklier afwijkingen een multidisciplinair proces is (zie Richtlijn) en dat bij een achteraf onjuiste diagnose niet een diagnostische modaliteit (i.c. de cytologie) eruit gelicht moet worden maar dat bij de herbeoordeling het gehele diagnostische proces en MDO overleg moet worden meegewogen.”

2.7.

Erasmus MC heeft [Persoon 1] een reactie gestuurd op de door hem bij de beantwoording van vraag 3 opgeworpen onduidelijkheden. In zijn brief van 25 september 2014 aan Erasmus MC heeft [Persoon 1] hierover het volgende opgemerkt:

“Ik heb uw commentaar op de door mij gestelde vragen doorgenomen en niet in mijn rapportage opgenomen.

Ik ga ervan uit dat deze overwegingen ook aan de belangenbehartiger ter hand gesteld worden.

Voor zover door mij, met mijn expertise, te beoordelen, lijken door deze aanvullingen de overwegingen voor de ingreep zorgvuldig te hebben plaats gevonden. En is het diagnostisch en behandelplan in goed overleg multidisciplinair vastgesteld.”

2.8.

In haar brief van 6 november 2014 heeft Erasmus MC naar aanleiding van het deskundigenonderzoek de aansprakelijkheid afgewezen. Na de voltooiing van het onderzoek door [Persoon 1] heeft nader overleg plaatsgevonden tussen partijen en tussen hun medisch adviseurs. De mogelijkheid van nader onderzoek is hierbij aan de orde gekomen, maar dit werd door geen van beide partijen noodzakelijk geacht. De besprekingen tussen partijen bevinden zich thans in een impasse.

3 Het geschil

3.1.

[verzoekster] heeft – na wijziging van haar verzoek bij de brief van 25 september 2015 – de rechtbank verzocht:

  • -

    te verklaren voor recht dat de artsen verbonden aan het Erasmus MC niet de zorg van een goed hulpverlener in acht hebben genomen en daarbij niet hebben gehandeld in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor artsen geldende professionele standaard, althans te verklaren voor recht dat het Erasmus MC toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiende uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst waarvan tussen partijen sprake was;

  • -

    Erasmus MC te veroordelen de nader bij staat op te maken schade die [verzoekster] als gevolg van de tekortkomingen heeft geleden aan haar te vergoeden;

  • -

    de kosten van het deelgeschil te begroten op € 4.789,79 en Erasmus MC te veroordelen deze kosten te betalen aan de advocaat van [verzoekster] .

3.2.

[verzoekster] heeft ter onderbouwing van haar verzoek – kort weergegeven – gesteld dat de behandelend artsen door het in één keer verwijderen van de gehele schildklier in strijd hebben gehandeld met de (destijds) geldende Nederlandse richtlijn op dit gebied. Deze richtlijn schrijft immers voor dat in een dergelijk geval eerst slechts een deel van de schildklier moet worden verwijderd. [verzoekster] stelt dat de behandelend artsen daardoor niet de zorg hebben betracht die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Zij zijn daarom op grond van artikel 7:453 BW aansprakelijk voor de door [verzoekster] geleden schade. Erasmus MC is daarbij mede aansprakelijk op grond van artikel 7:462 BW.

3.3.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] haar verzoek aangevuld met de grondslag dat dat zij, voordat zij toestemming gaf voor de operatieve ingreep, onvoldoende is voorgelicht, in het bijzonder ten aanzien van de twijfel die er bestond ten opzichte van de diagnose en de daaraan ten grondslag liggende pathologische analyse. Als de arts duidelijker was geweest over de bestaande twijfel zou [verzoekster] een second opinion hebben gevraagd en niet hebben ingestemd met de voorgestelde drastische ingreep. Er was derhalve geen sprake van ‘informed consent’.

3.4.

Erasmus MC heeft verweer gevoerd en concludeert tot afwijzing van het verzoek. Zij heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd dat de Nederlandse richtlijn niet in de situatie van [verzoekster] voorziet. In de Amerikaanse richtlijn op dit gebied wordt deze situatie wel besproken. De artsen hebben zoveel mogelijk overeenkomstig de beschikbare richtlijnen gehandeld. Met betrekking tot het ontbreken van informed consent heeft Erasmus MC aangevoerd dat op 4 juni 2013 wel degelijk tegen [verzoekster] is gezegd dat werd gedacht aan kanker.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt, voor zover relevant, onder de beoordeling nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het verschil van mening tussen partijen over de aansprakelijkheid blokkeert een verdere afwikkeling van de schade. Een oordeel van de rechtbank over dit geschilpunt kan derhalve een bijdrage leveren aan het vlot trekken van de onderhandelingen, die uiteindelijk zouden kunnen leiden tot een vaststellingsovereenkomst. De zaak is in zoverre dan ook geschikt voor behandeling als deelgeschil als bedoeld in artikel 1019w Rv.

Beroepsfout

4.2.

Aanvankelijk is Erasmus MC door [verzoekster] aansprakelijk gesteld wegens het stellen van een verkeerde diagnose. Thans is tussen partijen niet (langer) in geschil dat het enkele feit dat er een onjuiste diagnose is gesteld, onvoldoende is om aansprakelijkheid van de behandelend artsen en/of het Erasmus MC jegens [verzoekster] aan te nemen. Door [verzoekster] is in deze procedure aangevoerd dat de behandelend artsen hun zorgplicht hebben geschonden.

4.3.

De rechtsverhouding tussen partijen moet worden gekwalificeerd als geneeskundige behandelingsovereenkomst. Bij de uitoefening van zijn werkzaamheden in het kader van de uitvoering van deze overeenkomst dient een arts de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen (artikel 7:453 BW). Het niet in acht nemen van deze zorgplicht levert een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van deze overeenkomst op. Hiervan is sprake wanneer de arts niet die zorg in acht heeft genomen die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

4.4.

Ter beoordeling van het handelen van de artsen heeft op gezamenlijk verzoek van partijen een deskundigenonderzoek plaatsgevonden (zie 2.5 en 2.6). Hieruit kwam naar voren dat het bij de punctie afgenomen weefsel lastig te beoordelen was. Ook het panel dat de herbeoordeling deed, kwam niet tot een eenduidige conclusie. Tevens heeft geen van de herbeoordelaars de juiste diagnose gesteld. Naar het oordeel van [Persoon 1] zijn de fouten in het diagnostisch proces voor een deel veroorzaakt door het feit dat zowel de behandelend artsen als het panel dat de herbeoordeling deed in de veronderstelling verkeerden dat het verkregen weefsel (waarin schildkliercellen waarin aangetroffen) afkomstig was van een lymfklier, terwijl het feitelijk om schildklierweefsel bleek te gaan. Als gevolg van deze vergissing zijn de artsen en het panel ‘op een ander diagnostisch pad geraakt’, zoals de deskundige het uitdrukt.

4.5.

Erasmus MC leest in het deskundigenrapport bevestiging van haar standpunt dat er geen sprake is van een fout die een toerekenbare tekortkoming oplevert. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het goed onderbouwde en consistente rapport moet worden aangenomen dat een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot kon menen dat waarschijnlijk sprake was van maligniteit. Voor zover [verzoekster] zich nog op het standpunt stelt dat de verkeerde beoordeling van het weefsel, die in belangrijke mate tot de onjuiste diagnose heeft geleid, een beroepsfout oplevert, wordt dat standpunt verworpen.

4.6.

[verzoekster] verwijt Erasmus MC dat de artsen in strijd met de Nederlandse richtlijn voor schildkliercarcinoom hebben geadviseerd tot (en ook zijn overgegaan tot) een gehele verwijdering van de schildklier, terwijl een gedeeltelijke verwijdering daarvan de aangewezen ingreep was. [verzoekster] verwijst in dat verband naar de opmerking van [Persoon 1] hierover in het deskundigenrapport (onder het antwoord op vraag 3):

“Tenslotte de overwegingen van het MDO om over te gaan tot een totale strumectomie met lymfklier dissectie zijn mij onbekend, blijkbaar was er voldoende zekerheid op de a priori kans van maligniteit. Anders zou, zoals de richtlijn voor schildklier carcinoom beschrijft een diagnostische hemistrumectomie zijn verricht. Dit had de diagnostische fout misschien voorkomen.”

4.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat bij een verdenking van een schildkliercarcinoom in de schildklier op basis van de Nederlandse richtlijn in beginsel eerst een gedeeltelijke verwijdering van de schildklier dient plaats te vinden, zodat beoordeeld kan worden of er daadwerkelijk sprake is van maligniteit voordat de rest van de schildklier wordt weggenomen. Door de medisch adviseur van [verzoekster] is in onder meer zijn advies van 20 april 2015 gesteld dat van dit uitgangspunt niet zonder motivering en zonder overleg met de patiënt afgeweken mag worden. Door het Erasmus MC is echter in reactie op het deskundigenrapport aangevoerd dat men – achteraf gezien ten onrechte – uitging van een lymfekliermetastase, een situatie die niet wordt besproken in de betreffende richtlijn. De door [Persoon 1] aangehaalde richtlijn voor schildkliercarcinoom was volgens het Erasmus MC dus niet één-op-één van toepassing op de betreffende situatie. Door het Erasmus MC is gemotiveerd gesteld dat in het onderhavige geval wél algehele verwijdering van de schildklier geïndiceerd was, mede om de risico’s van twee opeenvolgende operaties in een precair gebied te voorkomen. Een algehele verwijdering van de schildklier werd bovendien volgens het Erasmus MC aanbevolen in de Amerikaanse richtlijn op dit gebied, waarin de betreffende casus wel wordt besproken. Tenslotte is meegewogen dat [verzoekster] reeds medicijnen gebruikte omdat haar schildklier nauwelijks functioneerde, zodat de bezwaren van een algehele verwijdering in haar geval minder zwaar wogen.

4.8.

Door [verzoekster] is – in het licht van de nadere toelichting door het Erasmus MC – onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een medische fout. Zij verwijst na de reactie van Erasmus MC opnieuw naar de hierboven aangehaalde opmerking van [Persoon 1] over de keuze van de ingreep, terwijl deze deskundige na kennisneming van de nadere reactie van het Erasmus MC reeds te kennen heeft gegeven dat de overwegingen voor de gekozen ingreep zorgvuldig hebben plaatsgevonden. Hij heeft derhalve in zijn definitieve rapport de conclusie dat er geen sprake is van een medische fout gehandhaafd. Het deskundigenrapport biedt dan ook geen steun voor de opvatting dat in strijd met de richtlijn is gehandeld. Voorts wordt door [verzoekster] verwezen naar het verslag van het gesprek van 22 oktober 2013, waarin door de artsen is gezegd dat achteraf gezien beter een gedeeltelijke verwijdering van de schildklier had plaats kunnen vinden. Daarmee wordt echter gedoeld op de situatie dat voor een gedeeltelijke verwijdering zou zijn gekozen indien het bij de punctie afgenomen weefsel juist geïnterpreteerd zou zijn. Die situatie heeft zich echter niet voorgedaan, nu men helaas van een onjuist uitgangspunt is uitgegaan. Zoals hierboven reeds is overwogen, leverde deze vergissing echter geen toerekenbare tekortkoming op.

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat onvoldoende aannemelijk is dat de behandelend artsen in strijd met de geldende richtlijnen hebben gehandeld. Voorts heeft er voorafgaand aan de keuze voor een totale verwijdering van de schildklier multidisciplinair overleg plaatsgevonden en is tevens de verminderde schildklierfunctie van [verzoekster] in aanmerking genomen. De procedure die is gevolgd en de afweging die is gemaakt voldoen aan meergemelde norm. Er moet derhalve geconcludeerd worden dat de behandelend artsen bij de beslissing tot verwijdering van de gehele schildklier, gegeven de verschoonbare vergissing aangaande de diagnose, de zorg hebben betracht die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Er is op dit onderdeel dan ook geen sprake van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de behandelingsovereenkomst.

Informed consent

4.10.

Ter zitting heeft [verzoekster] naar voren gebracht dat zij voorafgaand aan de operatie onvoldoende is geïnformeerd in de zin van artikel 7:448 BW, voordat zij met de operatie instemde (artikel 7:450 BW). Het verwijt dat geen sprake was van informed consent vormt een extra grondslag voor de gestelde toerekenbare tekortkoming. Het betreft dan ook een wijziging van het verzoek, zij het een geringe. De schending van de verplichting van artikel 7:448 BW heeft immers tot mede tot gevolg dat de arts zich niet heeft gedragen als een goed hulpverlener, als beschreven in het – wel aanstonds door [verzoekster] genoemde – artikel 7:453 BW. De stelling dat geen sprake was van informed consent geeft in die zin dus een nadere invulling aan de gestelde schending van de zorgplicht.

Gelet op de aard van de verzoekschriftprocedure, die in beginsel aan minder vormen is gebonden dan de dagvaardingsprocedure, kan een dergelijke wijziging van het verzoek ook mondeling geschieden, ter zitting. Erasmus MC heeft immers geen bezwaar gemaakt tegen deze wijziging, waarna de kwestie van de informed consent uitgebreid op de mondelinge behandeling is besproken. Hierbij was de patholoog die bij de advisering betrokken was aanwezig, zodat Erasmus MC niet in haar belang is geschaad.

4.11.

Tussen partijen staat vast dat er bij de artsen discussie bestond over de te stellen diagnose. De problemen die de pathologen ervoeren bij de duiding van de in het weefsel aangetroffen cellen was dan ook de reden dat de casus werd besproken tijdens het MDO. Ook daarna was echter de stand nog steeds (slechts) dat waarschijnlijk sprake was van maliginiteit. Voorafgaand aan de bespreking tijdens het MDO is de toenmalige opvatting aangaande de diagnose aan [verzoekster] medegedeeld. Daarna is (de dochter van) [verzoekster] nader op de hoogte gesteld, ook van de aangeraden algehele verwijdering van de schildklier. [verzoekster] verwijt het Erasmus MC dat de twijfels die over de diagnose (en daarmee de aangewezen ingreep) bestonden in die gesprekken niet of onvoldoende zijn overgebracht. Door Erasmus MC is betoogd dat de informatievoorziening correct is verlopen en zij heeft daarvan bewijs aangeboden door gespreksnotities in het geding te brengen en middels het horen van getuigen. Daartoe leent deze procedure zich echter niet. Voorts begrijpt de rechtbank uit de mededelingen ter zitting van de betrokken patholoog (die het weefsel in de tweede instantie had beoordeeld) dat de onzekerheid/twijfels die bestonden over de duiding van het materiaal en daarmee over de vraag of daadwerkelijk sprake was van maligniteit na het MDO niet expliciet aan [verzoekster] zijn medegedeeld. Dit lijkt te worden bevestigd in het door Erasmus MC opgemaakte verslag van het op 22 oktober 2013 gevoerde gesprek.

De regels omtrent informed consent beogen de patiënt in de gelegenheid te stellen een weloverwogen beslissing te nemen over het ondergaan van een, in dit geval, ingrijpende operatie. Twijfel of onzekerheid bij de artsen omtrent de juistheid van de diagnose is daarbij van groot belang als, zoals hier, de aangewezen ingreep daarmee rechtstreeks samenhangt. Dat geldt in dit geval te meer omdat vast staat dat hoe dan ook geen sprake was van een levensbedreigende situatie die geen uitstel duldde. Aan [verzoekster] had dan ook duidelijk moeten worden uitgelegd dat sprake was van moeilijk te duiden materiaal en dat men niet meer kon zeggen dan dat waarschijnlijk sprake was van maligniteit.

Wanneer [verzoekster] (voldoende) deelgenoot was gemaakt van de bij de artsen bestaande twijfel over de diagnose en de met die diagnose samenhangende voorgenomen algehele verwijdering van de schildklier, had zij, in plaats van in te stemmen met de operatie, (eerst) een second opinion kunnen vragen. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat zij dat ook zou hebben gedaan. Gelet op de twijfel die bestond en gezien het inmiddels vaststaande feit dat er een onjuiste diagnose is gesteld, is bepaald niet ondenkbaar dat de voor een second opinion geraadpleegde arts tot een andere diagnose was gekomen, zodat de operatie achterwege was gebleven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat Erasmus MC op dit punt toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. Hierover zal een verklaring voor recht worden gegeven.

4.12.

Erasmus MC is verplicht de als gevolg van de toerekenbare tekortkoming door [verzoekster] geleden schade te vergoeden. Aannemelijk is dat [verzoekster] in elk geval enige schade heeft geleden, bestaande uit het verlies van een kans op een beter behandelingsresultaat (in de vorm van het achterwege blijven van deze ingreep). Meer dan dat kan daarover thans niet worden vastgesteld. Ook hierover zal een verklaring voor recht worden gegeven.

Verwijzing naar schadestaatprocedure

4.13.

Uit het voorgaande volgt dat Erasmus MC jegens [verzoekster] schadeplichtig is. [verzoekster] heeft voor de vaststelling van de hoogte van de schade verwijzing naar de schadestaatprocedure verzocht. De rechtbank zal echter niet tot verwijzing overgaan op grond van het volgende. De deelgeschilprocedure bedoeld om de onderhandelingen tussen partijen vlot te trekken. In de onderhavige zaak waren de besprekingen vastgelopen op het punt van de aansprakelijkheid. Nu in deze procedure daarover een oordeel is gegeven, kunnen partijen de schadeafwikkeling buiten rechte voortzetten. Een uitspraak over de hoogte van de schade is dan ook thans nog niet aan de orde, nu het debat hierover tussen partijen kennelijk in het geheel nog niet is gevoerd. Wanneer partijen daar buiten rechte niet uitkomen, zou een tweede deelgeschil of een schadestaatprocedure uitkomst kunnen bieden. Het bij deze stand van zaken reeds verwijzen naar de schadestaatprocedure zou echter in strijd zijn met het doel van de deelgeschilprocedure.

Begroting buitengerechtelijke kosten

4.14.

[verzoekster] heeft verzocht de door haar in verband met het deelgeschil gemaakt kosten te begroten in de zin van artikel 1019aa lid 1 Rv. Mr. Carels heeft de met dit deelgeschil gemoeide kosten begroot op € 4.789,79, gebaseerd op dertien uur tegen een uurtarief van € 290,00 exclusief kantoorkosten en btw. Het aantal aan het deelgeschil bestede uren komt de rechtbank niet onredelijk voor. Het door mr. Carels gehanteerde uurtarief ligt iets hoger dan het tarief dat doorgaans in deelgeschilprocedures aanvaardbaar wordt geacht in de begroting van de buitengerechtelijke kosten. Nu Erasmus MC echter geen verweer tegen heeft gericht tegen de hoogte hiervan, zal van het opgegeven uurtarief worden uitgegaan. Het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 285,00 zal voorts in de begroting worden meegenomen. De buitengerechtelijke kosten zullen daarom worden begroot op (€ 4.789,79 + € 285,00 =) € 5.074,79. Nu de aansprakelijkheid van Erasmus MC vast staat, zal zij, nu hierom is verzocht, worden veroordeeld om het bedrag van € 5.074,79 aan buitengerechtelijke kosten aan [verzoekster] te betalen. Dit bedrag kan conform het verzoek worden overgemaakt op de derdengeldrekening van de advocaat van [verzoekster] .

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat Erasmus MC jegens Erasmus MC toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst in die zin dat [verzoekster] voorafgaand aan de operatie onvoldoende is voorgelicht over de bij de artsen bestaande onzekerheid aangaande de diagnose,

5.2.

verklaart voor recht dat Erasmus MC gehouden is de door [verzoekster] als gevolg van de onder 5.1 omschreven toerekenbare tekortkoming geleden schade te vergoeden, welke bestaat uit het verlies van een kans op een beter behandelingsresultaat,

5.3.

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv aan de zijde van [verzoekster] op € 5.074,79 en veroordeelt Erasmus MC dit bedrag aan [verzoekster] te betalen door middel van overmaking op de derdengeldrekening van haar advocaat;

5.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2015.

2711/106