Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:8600

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
24-11-2015
Zaaknummer
486365
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kinderrechter is van oordeel dat sprake is van een medische behandeling in de zin van de WGBO. De vraag is vervolgens of gelet op het bepaalde in artikel 1:265h van het BW door de kinderrechter vervangende toestemming kan worden verleend. De kinderrechter is van oordeel dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Daarbij is van belang dat de minderjarige ouder dan twaalf is - hij is inmiddels veertien jaar - en in staat is gebleken tot een redelijke waardering van zijn belangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0345
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens : C/10/486365 / JE RK 15-3075

datum uitspraak: 17 november 2015

beschikking toestemming medische behandeling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI,

gevestigd te Rotterdam.

betreffende

[Naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [roepnaam] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[Naam moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende op een geheim adres,

[Naam vader] , hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats] .

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 6 oktober 2015, ingekomen bij de griffie op

8 oktober 2015.

Op 20 oktober 2015 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de minderjarige [roepnaam] , die afzonderlijk is gehoord,

- de moeder,

- twee vertegenwoordigers van de GI, mw. [naam] en dhr. [naam] .

Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Arabische taal, heeft het verhoor plaatsgevonden met bijstand van de heer [naam] , tolk in laatstgenoemde taal.

De feiten


Het ouderlijk gezag over [de minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

Bij beschikking van 20 oktober 2015 is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 5 november 2016.

De vader heeft toestemming voor een medische behandeling van [de minderjarige] geweigerd.

Het verzoek


De GI heeft verzocht vervangende toestemming te verlenen voor de noodzakelijke medische behandeling van [de minderjarige] . Deze medische behandeling betreft het afnemen van een psychologisch onderzoek bij [de minderjarige] .

De vertegenwoordigers van de GI hebben ter terechtzitting toegelicht dat een psychologisch onderzoek bij [de minderjarige] noodzakelijk is om zicht te krijgen op zijn mogelijkheden en beperkingen en om de juiste vorm van behandeling en begeleiding in te kunnen zetten om [de minderjarige] te helpen. Op dit moment dreigt [de minderjarige] vast te lopen in zijn ontwikkeling. Naar aanleiding van de weigering van de vader heeft de GI op 28 september 2015 een schriftelijke aanwijzing aan de vader verzonden. De vader heeft hier niet op gereageerd.

Het standpunt van de moeder

De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij het eens is met de medische behandeling die [de minderjarige] moet ondergaan. Volgens de moeder wil de vader niet meewerken omdat zij de relatie met hem niet wel herstellen.

De beoordeling

De Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (artikelen 7:446 tot en met 7:468 van het Burgerlijk Wetboek), hierna WGBO, bevat bepalingen omtrent de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Deze artikelen zien zowel op behandelingen in de somatische als in de geestelijke gezondheidszorg, het onderzoeken en het geven van advies daaronder begrepen.

Ingevolge artikel 7:450 van het BW is voor verrichtingen ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst toestemming van de patiënt vereist voor zover deze zestien jaar of ouder is. Indien de patiënt minderjarig is en de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaar heeft bereikt, is tevens de toestemming van de ouders die het gezag over hem uitoefenen of van zijn voogd vereist. Op deze hoofdregel bestaan twee uitzonderingen. De behandeling kan zonder de toestemming van ouders worden uitgevoerd, indien zij kennelijk nodig is om ernstig nadeel voor de minderjarige patiënt te voorkomen en indien de minderjarige patiënt, ook na de weigering van de toestemming van de ouders, de behandeling weloverwogen blijft wensen.

Artikel 1:265h van het BW bepaalt dat indien een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaren noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid te voorkomen en de ouder die het gezag heeft zijn toestemming daarvoor weigert, deze toestemming op verzoek van de GI kan worden vervangen door die van de kinderrechter. Dit is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een medische behandeling van een minderjarige van twaalf jaar en ouder die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen.

De kinderrechter is van oordeel dat sprake is van een medische behandeling in de zin van de WGBO. Voorts acht de kinderrechter een psychologisch onderzoek bij [de minderjarige] noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van [de minderjarige] te voorkomen. [de minderjarige] laat zorgelijk gedrag zien, waardoor hij lijkt vast te lopen in zijn ontwikkeling. Het is van belang dat een dergelijk onderzoek zo spoedig mogelijk gerealiseerd wordt om zicht te krijgen op zijn mogelijkheden en beperkingen en om de juiste vorm van behandeling en begeleiding in te kunnen zetten om [de minderjarige] te helpen.

De kinderrechter stelt vast dat de vader weigert zijn toestemming voor de noodzakelijke medische behandeling te geven. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de vader plotseling uit het leven van [de minderjarige] is verdwenen. Hij wil geen contact meer met zijn kinderen en hij wil ook niet meer verantwoordelijk voor hen zijn. Ondanks een gegeven schriftelijke aanwijzing weigert de vader zijn toestemming voor het afnemen van een psychologisch onderzoek bij [de minderjarige] te verlenen. De vader is ook niet ter zitting verschenen.

De vraag is vervolgens of gelet op het bepaalde in artikel 1:265h van het BW door de kinderrechter vervangende toestemming kan worden verleend. De kinderrechter is van oordeel dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Daarbij is van belang dat [de minderjarige] ouder dan twaalf is - hij is inmiddels veertien jaar - en in staat is gebleken tot een redelijke waardering van zijn belangen. [de minderjarige] heeft aangegeven dat hij gelet op zijn problematiek ook zelf vindt dat er een psychologisch onderzoek moet plaatsvinden. Hij wil graag duidelijkheid over zijn gedrag, waar hij zelf ook last van heeft. Evenals zijn moeder heeft hij voor het afnemen van het onderzoek daarom toestemming gegeven. In dat geval kan door de kinderrechter geen vervangende toestemming voor een medische behandeling worden verleend.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen moet het verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor een psychologisch onderzoek voor [de minderjarige] worden afgewezen.

Ten overvloede overweegt de kinderrechter dat nu de vader zijn toestemming weigert en kennelijk niet meer de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] wil dragen, er gelet op het bepaalde in artikel 1:266, eerste lid onder a, van het BW wellicht gronden zijn voor een beëindiging van het gezag van de vader en er mogelijk aanleiding is om de vader op grond van het bepaalde in artikel 268, eerste lid, BW in de uitoefening van het gezag te schorsen.

De beslissing

De kinderrechter:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.M. Paling, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mw. P. Thakoerdat als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2015.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.