Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:8588

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
26-11-2015
Zaaknummer
4488742 VZ VERZ 15-19593
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

uitleg Hoofdstuk 13 CAO Ziekenhuiswezen, artikel 96 Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-1169
GZR-Updates.nl 2015-0500
AR 2015/2328

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4488742 VZ VERZ 15-19593

uitspraak: 24 november 2015

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

op het gezamenlijk verzoek ex artikel 96 Rv van:

de stichting

Sophia Stichting

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

(mede)verzoekster,

gemachtigde: mr. M. Fontijne (Fontijne arbeidsrecht & mediation te Leiden),

en

[medeverzoeker] ,

wonende te Rotterdam,

(mede)verzoeker,

gemachtigde: mr. F. Madani (LAD Utrecht)

Partijen worden hierna “Sophia” en “[medeverzoeker]” genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Op 1 oktober 2015 is ter griffie van de rechtbank, kamer voor kantonzaken, ontvangen het exemplaar van het gezamenlijk verzoekschrift ex artikel 96 Rv van Sophia, vergezeld van producties, waarbij beide partijen tevens hun standpunt hebben toegelicht ten aanzien van het tussen hen gerezen geschil. Op 5 oktober 2015 is ter griffie ontvangen het exemplaar van het gezamenlijk verzoekschrift zijdens [medeverzoeker].

In het gezamenlijk verzoekschrift hebben beide partijen te kennen gegeven geen prijs te stellen op een mondelinge behandeling van de zaak.

De kantonrechter heeft daarop de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet voldoende gemotiveerd weersproken staat tussen partijen het volgende vast.

2.1

[medeverzoeker] is van 1 juli 1999 tot 1 oktober 2015 bij Sophia in dienst geweest in de functie van revalidatiearts. Op 11 juni 2015 zijn partijen overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 oktober 2015 met wederzijds goedvinden beëindigd wordt, onder toekenning van de wettelijke transitievergoeding aan [medeverzoeker]. In de beëindigingsovereenkomst is als reden voor de beëindiging genoemd “een verschil van inzicht over de wijze waarop de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, waarbij Werkgeefster van mening is dat Werknemer niet langer geschikt is voor de uitoefening van zijn functie”.

2.2

De arbeidsovereenkomst wordt beheerst door de CAO Ziekenhuiswezen (hierna: “de CAO”) . Van die CAO maakt deel uit de zogenaamde Activeringsregeling, welke regeling vanaf 1 juli 2015 van kracht is. Deze Activeringsregeling biedt naast de wettelijke transitievergoeding een aanvulling op de WW-uitkering en enkele andere voorzieningen. In het geval van [medeverzoeker] biedt de Activeringsregeling een voorziening van ruim € 150.000,- bruto, naast de wettelijke transitievergoeding.

2.3

Hoofdstuk 13 van de CAO Ziekenhuiswezen is met ingang van 1 juli 2015 in werking getreden. Artikel 13.1 luidt als volgt:

“Aan de werknemer die voor onbepaalde tijd is aangesteld en die wordt ontslagen wegens:

vermindering of beëindiging van de werkzaamheden; of

reorganisatie; of

onbekwaamheid c.q. ongeschiktheid voor de in de instelling te vervullen functie die niet aan zijn schuld of toedoen te wijten is,

wordt met ingang van de dag, volgend op de dag waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, door de werkgever een activeringsregeling toegekend overeenkomstig de bepalingen uit dit hoofdstuk.

2. De activeringsregeling bestaat uit een activeringsbudget ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding en een aanvulling op de uitkering op basis van de Werkloosheidswet. Het activeringsbudget bedraagt ten minste 5000 euro bij een voltijd dienstverband. Voor de werknemer met een van de voltijdnorm afwijkende arbeidsduur wordt het naar rato-beginsel toegepast.

3. In geval van onbekwaamheid dient de werknemer vijftien jaar of langer bij de werkgever in dienst te zijn. Onder onbekwaamheid wordt geen arbeidsongeschiktheid verstaan.

4. De activeringsregeling wordt uitsluitend toegekend indien de werknemer recht heeft op een uitkering op basis van de Werkloosheidswet als gevolg van ontslag wegens één van de in lid 1 genoemde redenen.

5. Ten aanzien van de werknemer die reeds voor 1 juli 2015 is ontslagen en waarbij de Wachtgeldregeling uit voorgaande cao’s is toegepast of indien reeds toezeggingen op grond van de wachtgeldregeling zijn gedaan, geldt de toepassing van de wachtgeldregeling en worden bestaande toezeggingen gerespecteerd. Voor deze werknemers is de activeringsregeling niet van toepassing”.

2.3

Partijen twisten over de vraag of [medeverzoeker] recht heeft op de hiervoor bedoelde Activeringsregeling en partijen hebben dat dispuut opengelaten in de gesloten beëindigingsovereenkomst, waarbij zij zijn overeengekomen om dat geschil in een procedure ex artikel 96 Rv aan de kantonrechter te Rotterdam voor te leggen.

3 Het gezamenlijk verzoek

3.1

Onder toepassing van artikel 96 Rv hebben partijen gezamenlijk aan de kantonrechter verzocht vast te stellen of [medeverzoeker] aanspraak heeft op de Activeringsregeling van hoofdstuk 13 CAO Ziekenhuizen.

3.2

Partijen hebben zich het recht van hoger beroep voorbehouden, onder meer gezien het grote financiële belang en de mogelijke precedentwerking die eventueel zou kunnen uitgaan van de uitspraak van de kantonrechter.

4 Het standpunt van Sophia

Sophia stelt zich op het standpunt dat de hiervoor opgeworpen vraag ontkennend beantwoord moet worden. Daarbij stelt zij - uiterst kort weergegeven - op basis van een viertal argumenten die nader besproken zullen worden in het kader van de beoordeling van het geschil dat met de zinsnede “die niet aan zijn schuld of toedoen te wijten is” in de derde bullet van artikel 13 van de CAO gedoeld wordt op omstandigheden die buiten de invloedssfeer en/of persoon van de werknemer liggen, zoals wijzigingen in de organisatie of wijzigingen ten aanzien van functie of beroep. Van dat soort omstandigheden is in de situatie van [medeverzoeker] geen sprake. Sophia stelt in dat kader dat gedurende het gehele dienstverband van [medeverzoeker] sprake is geweest van een aantal kritiekpunten op zijn functioneren, zoals op het gebied van communicatie, samenwerking en het niet oppakken van neventaken. Sophia heeft die kritiekpunten beheersbaar gehouden door begeleiding te bieden. Om een verstoorde verhouding met collega’s op te lossen is werkgeefster op enig moment overgegaan tot overplaatsing van [medeverzoeker], waarbij tevens is gekozen voor een inzet op meerdere locaties om een passende werkplek te kunnen bieden ten behoeve van [medeverzoeker]. Al die maatregelen hebben volgens Sophia steeds geleid tot voldoende verbetering in het functioneren van [medeverzoeker], zij het dat die verbetering later weer afnam.

In 2013 is de situatie echter dermate verslechterd dat een verbetertraject met externe begeleiding is ingezet. Dat traject heeft langer geduurd dan bedoeld, omdat [medeverzoeker] tijdens dat traject (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is geworden. Het traject heeft uiteindelijk in totaal bijna twee jaar geduurd en tijdens zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is [medeverzoeker] in staat gesteld zijn werkzaamheden in rustig tempo op te pakken. Het verbetertraject heeft volgens Sophia niet tot de noodzakelijke verbetering geleid en Sophia had onvoldoende vertrouwen dat een extra verlenging van het traject alsnog tot de noodzakelijke verbetering zou leiden, terwijl bovendien de goodwill van collega’s richting [medeverzoeker] hard achteruit ging. Om die reden zijn partijen op 11 juni 2015 een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden overeengekomen.

Sophia stelt samenvattend dat zij zonder meer aanneemt dat [medeverzoeker] zijn uiterste best heeft gedaan zijn functioneren te verbeteren, maar dat dit niet is gelukt ligt in zijn invloedssfeer en niet in die van Sophia, zodat hij niet voldoet aan het derde criterium van artikel 13 van de CAO en hij dus geen recht heeft op de Activeringsregeling.

5 Het standpunt van [medeverzoeker]

stelt zich op het standpunt dat de tussen partijen gerezen vraag bevestigend beantwoord moet worden. De zinsnede “die niet aan zijn schuld of toedoen te wijten is” heeft betrekking op niet verwijtbare ongeschiktheid c.q. onbekwaamheid. Uit de tekst van de CAO blijkt niet dat genoemde zinsnede dient te worden beperkt tot omstandigheden die buiten de invloedssfeer en/of persoon van de werknemer moeten liggen, zoals wijzigingen in de organisatie of wijzigingen in functie of beroep, zoals Sophia betoogt.

[medeverzoeker] benadrukt dat in zijn geval geen sprake is van verwijtbare ongeschiktheid of onbekwaamheid, waarbij hij stelt dat tot 2013 zijn functioneren geen onderwerp van gesprek is geweest. De overplaatsing in 2004 heeft op zijn eigen verzoek plaatsgevonden wegens de stroeve samenwerking. Omdat in 2012/2013 een verschuiving van de aansturing van de medisch specialisten plaatsgevonden heeft en van [medeverzoeker] meer dan voorheen verwacht werd dat hij neventaken en beleidstaken oppakte, is afgesproken dat [medeverzoeker] in 2013 een ontwikkelassessment zou doen om zijn sterke en zwakke punten in kaart te brengen. Over de verbeterdoelen die in dat assessment naar voren zijn gekomen, hebben gesprekken tussen werkgever en werknemer plaatsgevonden en Sophia heeft [medeverzoeker] externe begeleiding geboden. Tijdens dat verbetertraject is [medeverzoeker] in januari 2014 gedeeltelijk arbeidsongeschikt geworden, waardoor het verbetertraject dat eind september 2013 gestart was, niet goed voortgezet kon worden. In mei 2014 is [medeverzoeker] vervolgens volledig uitgevallen en na zijn betermelding heeft Sophia te kennen gegeven dat zijn arbeidsovereenkomst zou worden beëindigd in verband met disfunctioneren.
wilde graag de kans krijgen om verder te werken aan zijn verbeterpunten, doch omdat Sophia geen mogelijkheden meer zag om de arbeidsovereenkomst te continueren, heeft [medeverzoeker] uiteindelijk ingestemd met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Nu de gronden van de beëindiging niet aan hem verweten kunnen worden, concludeert [medeverzoeker] dat hij wel degelijk recht heeft op de Activeringsregeling.

6 De beoordeling van het tussen partijen gerezen geschil

6.1

Het tussen partijen gerezen geschil spitst zich toe op de uitleg van het hiervoor geciteerde artikel 13 uit de CAO, meer in het bijzonder de vraag hoe de zinsnede “die niet aan zijn schuld of toedoen te wijten is” in derde bullet uitgelegd moet worden.

6.2

Bij de beantwoording van die vraag stelt de kantonrechter voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad bij de uitleg van een bepaling van een CAO de bewoordingen waarin deze is gesteld, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst en een eventuele, voor derden kenbare toelichting daarop, in beginsel van doorslaggevende betekenis is. Daarbij komt het niet aan op een strikt grammaticale uitleg maar op het vaststellen van de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de bepaling is gesteld. Bij deze uitleg kunnen als - objectief kenbare - gezichtspunten onder meer betrokken worden de elders in de CAO gebruikte formuleringen en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook kan bij deze uitleg rekening worden gehouden met de kennelijke ratio en strekking van de regeling waartoe de bepaling behoort en de bedoeling van de opstellers, voor zover deze objectief, uit de tekst van de CAO en de eventuele toelichting daarop voor derden kenbaar is (o.a. HR 17 september 1993, NJ 1994, 173, HR 31 mei 2002, NJ 2003, 110, HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493 en HR 11 november 2005, JAR 2005, 286).

6.3

Gezien dit uitgangspunt komt allereerst betekenis toe aan het eerste argument van Sophia dat de situaties genoemd in de eerste en tweede bullet van artikel 13 van de CAO betrekking hebben op gevallen dat de werknemer ontslagen wordt om redenen die geheel buiten zijn invloedssfeer vallen. Gezien de strekking van die twee criteria moet ook het derde criterium zo worden uitgelegd dat het moet gaan om werknemers die werkloos zijn geworden als gevolg van wijzigingen van de functie die te maken hebben met bedrijfseconomische of organisatorische omstandigheden en die derhalve buiten de invloedssfeer van de werknemer tot stand zijn gekomen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Sophia terecht betoogd dat de derde categorie niet los gezien kan worden van de twee voorgaande categorieën. De drie voorwaarden voor toepasselijkheid van de Activeringsregeling moeten in onderling verband worden gelezen, waardoor ook het derde criterium betrekking heeft op een wijziging wegens organisatorische omstandigheden en dus niet enkel ongeschiktheid van de werknemer als gevolg van de persoon betreffende omstandigheden, zoals [medeverzoeker] betoogt.

6.4

Als tweede argument heeft Sophia gewezen op de schriftelijke toelichting op artikel 13 van de CAO door de NVZ (Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen), die aan de zijde van de werkgevers betrokken is geweest bij de totstandkoming van de onderhavige CAO. In die toelichting wordt onder meer gesteld dat onbekwaamheid kan ontstaan doordat de functie van de werknemer in de loop der tijd veranderd is, waardoor er nu andere competenties en/of vaardigheden vereist zijn, die de werknemer onvoldoende bezit en zich ook na extra begeleiding, scholing of training onvoldoende eigen kan maken. Daarbij wordt het voorbeeld gegeven van een medisch secretaresse die altijd handmatig de patiëntendossiers bijhield en door invoering van het elektronisch patiëntendossier nu met een PC moeten leren werken. Terecht heeft [medeverzoeker] geconcludeerd dat, mede gezien de hiervoor bedoelde rechtspraak van de Hoge Raad, aan die verklaring in het kader van de uitleg van de onderhavige CAO geen zelfstandige betekenis toekomt, nu vaststaat dat die toelichting voor derden niet kenbaar en toegankelijk is, aangezien die toelichting alleen voor leden van de NVZ te raadplegen is op de website van genoemde werkgeversorganisatie. Bovendien is niet gebleken dat de werknemersorganisaties die bij de CAO betrokken zijn geweest, bedoelde uitleg van de NVZ onderschrijven en daarmee instemmen.

6.5

Op de derde plaats heeft Sophia gewezen op de sterke overeenkomsten tussen de onderhavige CAO en de CAO Gehandicaptenzorg, die beide als het ware voortspruiten uit de CAO Ziekenhuiswezen, zij het dat sprake is van een opvallend verschil, nu in de CAO Gehandicaptenzorg gekozen is voor een uitgebreidere omschrijving van “onbekwaamheid” te weten “onbekwaamheid c.q. ongeschiktheid voor de in de instelling te vervullen functie die niet aan zijn schuld of toedoen te wijten is, als gevolg van ontwikkelingen in de organisatie of ten aanzien van zijn functie dan wel beroep, die buiten de persoon van de werknemer liggen” (…).

Met Sophia is de kantonrechter van oordeel dat het weinig waarschijnlijk is dat dezelfde onderhandelingspartijen aan werknemerszijde hebben beoogd ten aanzien van werknemers in de gehandicaptenzorg een andere en beperktere definitie van ongeschiktheid te hanteren dan ten aanzien van de werknemers in de ziekenhuiszorg.

Een dergelijk verschil in benadering ligt des te minder voor de hand nu een en ander niet past in het systeem van de sedert 1 juli 2015 geldende Wet werk en zekerheid, aan welke wet het Sociaal Akkoord ten grondslag ligt dat door sociale partners is gesloten. Een van de doelstellingen van de Wwz respectievelijk het Sociaal Akkoord was dat het ontslagrecht voor werkgevers minder kostbaar zou worden. De door [medeverzoeker] bepleite uitleg van het derde criterium van artikel 13 van de CAO leidt echter tot forse beëindigingsvergoedingen krachtens de Activeringsregeling, naast de wettelijke transitievergoeding, bijvoorbeeld in alle gevallen dat de arbeidsovereenkomst beëindigd wordt wegens de g-grond (verstoorde verstandhouding) of de d-grond (disfunctioneren) van artikel 7:669 lid 3 BW. Nu voorts vaststaat dat cao-partijen bij het sluiten van de onderhavige CAO rekening hebben kunnen houden met de consequentie van de Wwz, acht de kantonrechter de door [medeverzoeker] bepleite uitleg van meergenoemd artikel niet aannemelijk. In de CAO zijn voorts geen aanwijzingen te vinden dat bedoeld is de Activeringsregeling die volgens de eerste twee criteria van artikel 13 van de CAO geldt voor de relatief beperkte groep medewerkers die slachtoffer is geworden van vermindering van werkzaamheden of reorganisatie, tevens geldt voor alle werknemers die langer dan 15 jaar in dienst zijn en wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid in het algemeen (dus niet beperkt tot wijzigingen in de organisatie, functie of beroep) worden ontslagen.

Dat oordeel van de kantonrechter sluit aan bij het vierde argument van Sophia, waarbij zij stelt dat de door [medeverzoeker] verdedigde uitleg van de Activeringsregeling tot ongewenste uitkomsten leidt en bovendien grote financiële consequenties heeft, omdat een en ander zou betekenen dat alle werknemers die 15 jaar of langer in dienst zijn en die niet wegens een dringende of andere verwijtbare reden ontslagen worden, in aanmerking komen voor de Activeringsregeling. Dat argument overtuigt des te meer wanneer bedacht wordt dat bij ontslagen wegens reorganisaties of werkvermindering wordt afgespiegeld op basis van leeftijd én diensttijd, waarbij de werknemers met het kortste dienstverband als regel als eerste afvloeien. Dat heeft gevolgen voor de hoogte en duur van de aanvullingsverplichting ingevolge de Activeringsregeling. Wordt echter de visie van [medeverzoeker] gevolgd, dan betekent dit dat een grote groep werknemers met een lang dienstverband aanspraak kan maken op de Activeringsregeling, waarbij ook geldt dat de aanvulling op de WW-uitkering van die groep werknemers niet alleen extra hoog is, omdat werknemers met een lang dienstverband vaak een salaris genieten dat het maximumdagloon ingevolge de WW te boven gaat, maar ook extra lang is, omdat de duur van de aanvulling gekoppeld is aan de duur van de arbeidsovereenkomst.

6.6

De verwijzing van [medeverzoeker] naar de uitspraak van de Hoge Raad van 16 oktober 1997 (NJ 1988, 257) kan in dit verband niet tot een andere conclusie leiden. In dat arrest ging het om de uitleg van artikel 39 van de CAO Dagverblijven en Tehuizen voor Gehandicapten, dat als volgt luidde:“ Aan de werknemer die voor onbepaalde tijd is aangesteld en die uitsluitend wordt ontslagen wegens vermindering of beëindiging der werkzaamheden dan wel wegens reorganisatie dan wel wegens onbekwaamheid voor de in de instelling te vervullen functies, welke niet aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt met ingang van de dag van ontslag door de werkgever een wachtgeld toegekend”.

De Hoge Raad heeft onder meer beslist dat tekst noch strekking van genoemde CAO bepaling aanleiding geven tot het maken van onderscheid tussen onbekwaamheid en ongeschiktheid. Dat onderscheid zou volgens de Hoge Raad ook moeilijk te hanteren zijn in de praktijk. In het arrest van de Hoge Raad is echter geen antwoord te vinden op het dispuut dat partijen in de onderhavige zaak verdeeld houdt, te weten de vraag of met de zinsnede “die niet aan zijn schuld of toedoen te wijten is” al dan niet gedoeld wordt op omstandigheden die buiten de invloedssfeer en/of persoon van de werknemer liggen, zoals bijvoorbeeld wijzigingen in de organisatie of wijzigingen ten aanzien van functie of beroep.

Voorts acht de kantonrechter van belang dat partijen betrokken bij de totstandkoming van de CAO Dagverblijven en Tehuizen voor Gehandicapten in de uitspraak van de Hoge Raad kennelijk aanleiding hebben gevonden om de definiëring van het begrip “onbekwaam” in opvolgende CAO’s, waaronder de CAO Gehandicaptenzorg, aan te scherpen, waarbij in de tekst van de CAO tot uitdrukking is gebracht dat het moet gaan om ongeschiktheid als gevolg van ontwikkelingen in de organisatie of ten aanzien van zijn functie dan wel beroep, die buiten de persoon van de werknemer liggen.

Op de hiervoor in rechtsoverweging 6.5 ontwikkelde gronden komt aan die wijziging van de CAO Gehandicaptenzorg ook betekenis toe bij de uitleg van artikel 13 van de CAO Ziekenhuizen.

6.7

[medeverzoeker] heeft voorts nog aangevoerd dat hij onvoldoende kans heeft gekregen om zijn functioneren te verbeteren. Dit argument kan echter niet de conclusie leiden dat de Activeringsregeling op hem van toepassing is. Immers als [medeverzoeker] meende dat Sophia te snel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst overging en hem langer de kans had moeten bieden zijn functioneren te verbeteren, had het op zijn weg gelegen om verweer te voeren tegen de voorgenomen beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In dat geval zou de kantonrechter in een ontbindingsprocedure ex artikel 7:671b BW hebben kunnen beoordelen of sprake was van een voldragen d- of g-grond als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 BW. Nu [medeverzoeker] zelf heeft ingestemd met beëindiging van de arbeidsovereenkomst, komt de kantonrechter niet meer toe aan toetsing van de noodzaak van het ontslag.

6.8.

Vorenstaande overwegingen leiden tot de conclusie dat [medeverzoeker] geen aanspraak op een vergoeding op basis van Activeringsregeling toekomt, zodat zijn aanspraken op die vergoeding dienen te worden afgewezen.

6.9

De kantonrechter stelt vast dat partijen geen beslissing hebben gevraagd omtrent de proceskosten. Uit het gezamenlijk verzoekschrift blijkt wel dat partijen zijn overeengekomen dat Sophia het voor deze procedure verschuldigde griffierecht voor haar rekening neemt. Die afspraak zal de kantonrechter op de hierna te noemen wijze vastleggen in het dictum van deze uitspraak.

7 De beslissing

De kantonrechter:

Rechtdoende op basis van artikel 96 Rv;

- wijst de aanspraken van [medeverzoeker] op de Activeringsregeling van Hoofdstuk 13 van de CAO Ziekenhuizen af;

- bepaalt dat Sophia het voor deze procedure verschuldigde griffierecht voor haar rekening dient te nemen.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

710