Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:8536

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-11-2015
Datum publicatie
14-10-2016
Zaaknummer
AWB-15_06661
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 15/6661

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 november 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te Rotterdam, verzoeker,

gemachtigde: mr. A. el Idrissi,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Dinç.

Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoekers recht op bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) vanaf 13 juli 2015 ingetrokken en de teveel ontvangen bijstand over de periode van 13 juli 2015 tot en met 31 oktober 2015 van

€ 1.479,20 van hem teruggevorderd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verzoeker, geboren [geboortedatum] , ontving van verweerder een bijstandsuitkering.

1.1.

Bij besluit van 29 september 2015 (het opschortingsbesluit) heeft verweerder verzoekers recht op bijstand vanaf 1 oktober 2015 opgeschort omdat hij zijn inkomsten uit arbeid niet had opgegeven. Verzoeker is daarbij een hersteldatum gegeven tot 6 oktober 2015 om de in het opschortingsbesluit genoemde gegevens alsnog te verstrekken. Verzoeker is er op gewezen dat als hij onvoldoende gevolg geeft aan deze brief, zijn uitkering wordt beëindigd en hij mogelijk nog een bedrag moet terugbetalen.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verzoeker de in het opschortingsbesluit gevraagde informatie niet heeft verstrekt en geen gebruik heeft gemaakt van de hem gegeven herstelmogelijkheid. Hierdoor is naar de mening van verweerder verzoekers recht op bijstand niet langer vast te stellen.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

4. Verzoeker betoogt dat hem geen verwijt treft van het niet verstrekken van de gevraagde gegevens, omdat hij het opschortingsbesluit niet heeft ontvangen.

4.1.

Uit de stukken komt naar voren dat verweerder het opschortingsbesluit van

29 september 2015 via de koeriersdienst JBM Koeriers heeft verstuurd. In het zendingsbericht van 12 november 2015 van JBM Koeriers is te lezen dat op 1 en 2 oktober 2015 is geprobeerd een poststuk met nummer 1428482 op het adres van verzoeker aan te bieden en dat hij beide keren niet thuis was. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat, wanneer de geadresseerde niet thuis wordt getroffen, JBM een kaartje achterlaat met een terugbelverzoek. Nu geen afspraak voor een levering is gemaakt, is de zending op

16 oktober 2015 teruggestuurd naar verweerder.

4.2.

Er bestaat vaste jurisprudentie over de bewijskracht van aangetekende verzending ingeval tijdige ontvangst van een bezwaar- of beroepschrift in geding is. Op grond van deze vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 november 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB7822 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 juni 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE6080) kan verzending per koeriersdienst niet worden aangemerkt als verzending per post, als bedoeld in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb. Dit omdat alleen de concessiehouder, die de universele postdienst uitvoert, dient te voldoen aan de bij en krachtens de Postwet gestelde eisen die mede zien op de kwaliteit van de postbezorging. Andere postvervoersbedrijven, zoals koeriersdiensten, hebben deze verplichting niet.

4.3.

De voorzieningenrechter overweegt dat, hoewel bovenstaande vaste jurisprudentie ziet op verzending van een bezwaar- of beroepschrift, genoemde vaste jurisprudentie ook van belang is voor het antwoord op de vraag hoe de verzending van het opschortingsbesluit van verweerder van 29 september 2015 aan verzoeker afdoende kan worden bewezen.

4.4.

Verweerder heeft het opschortingsbesluit van 29 september 2015 bij verzoeker willen laten bezorgen via een koeriersdienst. Verzoeker gaf volgens het bericht van de koeriersdienst tweemaal niet thuis. Verzoeker stelt dat hij geen bericht in zijn brievenbus heeft ontvangen dat tevergeefs is geprobeerd een poststuk bij hem aan te bieden.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het aanbieden van een brief per koeriersdienst en het notificeren door deze koeriersdienst dat de bezorging niet is gelukt, niet dezelfde bewijskracht heeft als bezorging door de concessiehouder, thans PostNL. Alleen de concessiehouder dient te voldoen aan de bij en krachtens de Postwet gestelde (kwaliteits)eisen. De voorzieningenrechter acht het op grond hiervan niet buiten twijfel dat verzoeker bericht heeft ontvangen over de bezorgpogingen van het besluit van

29 september 2015.

4.5.

Gelet hierop is het oordeel gerechtvaardigd dat verzoeker niet kan worden verweten dat hij aan verweerders oproep tot verzuimherstel in het opschortingsbesluit van 29 september 2015 geen gehoor heeft gegeven. Hiermee wordt niet aan de in artikel 54, vierde lid, van de Pw gestelde toepassingsvoorwaarden voldaan.

5. Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar het bestreden besluit naar verwachting niet in stand zal blijven, zodat er een aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening, in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst hetgeen betekent dat verzoekers recht op op bijstand herleeft en verweerder tot uitbetaling daarvan zal dienen over te gaan.

6. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoeker;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 980,-, te betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Woudstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 november 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.