Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:8534

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-11-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
C/10/448000 / HA ZA 14-362
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Summary in English:

Inland navigation law. Water pollution. Limitation of liability. CLNI convention.

As the Netherlands national regulation on limitation of liability in respect of water pollution is a consequence of the CLNI – the direct applicability of which is excluded on water pollution in the Netherlands – the national regulation cannot be construed in a different (or broader) manner than the respective CLNI regulation would allow.

A party (or its liability insurer) which has formed a water pollution limitation fund cannot make a claim against that fund in respect of cleansing costs it (or its insurer) has made.

Samenvatting:

Binnenvaartrecht. Waterverontreiniging. Beperking van aansprakelijkheid. CLNI-verdrag.

Omdat de Nederlandse regeling van beperking van aansprakelijkheid ten aanzien van waterverontreiniging een voortvloeisel is van de – in Nederland ten aanzien van waterverontreiniging uitgesloten – CLNI, kan de nationale regeling van in dat fonds toelaatbare vorderingen geen andere (of ruimere) strekking hebben dan die welke de betreffende regeling van de CLNI toestaat.

Een partij (of haar aansprakelijkheidsverzekeraar) die een waterverontreinigingsfonds stelt kan niet een eigen vordering (of een van die verzekeraar) wegens opruimingskosten in dat fonds indienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2016/27

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Afdeling privaatrecht

Team haven en handel

Vonnis van 25 november 2015

in de zaak

met zaaknummer / rolnummer: C/10/448000 / HA ZA 14-362

van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VT MINERALS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat: mr. J.F. van der Stelt te Rotterdam,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Milieu; Rijkswaterstaat),

gevestigd te 's-Gravenhage,

verweerder,

advocaat: mr. E.H.P. Brans te ‘s-Gravenhage,

2. de naamloze vennootschap

HAVENBEDRIJF AMSTERDAM N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaat: aanvankelijk mr. V.R. Pool, thans mr. T. van der Valk te Rotterdam.

Partijen zullen hierna “VTM”, “de Staat” en “HbA” genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

De onderhavige zaak is een renvooiprocedure van de door VTM ingeleide procedure tot beperking van aansprakelijkheid, bij de rechtbank aanhangig onder kenmerk C/10/370739 / HA RK 11-9. Bij beschikking van 19 februari 2014 heeft de rechter-commissaris partijen naar de rolzitting van 2 april 2014 verwezen. Partijen hebben zich gesteld.

1.2.

VTM heeft een Conclusie van eis tot verificatie genomen en daarbij dertien producties in het geding gebracht.

De Staat heeft een Conclusie van antwoord in verificatie genomen.

HbA heeft een Conclusie van antwoord in renvooi genomen en daarbij twee producties in het geding gebracht.

1.3.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 22 oktober 2014 een comparitie van partijen gelast.

De rechtbank heeft op 22 december 2014 een zittingsagenda aan partijen toegezonden.

1.4.

De comparitie is gehouden op 12 februari 2015. Van die zitting is proces-verbaal opgemaakt.

Voorafgaande aan c.q. op de comparitie zijn de volgende stukken in het geding gebracht:

van de zijde van VTM:

- Akte voorafgaand aan de comparitie van partijen, met een productie (genummerd 13);

van de zijde van de Staat:

- Brief van mr. Brans van 29 januari 2015.

Mr. Brans heeft brief van 9 juni 2015 opmerkingen gemaakt over het proces-verbaal van de comparitie.

1.5.

Partijen hebben vonnis gevraagd.

2 Het geschil

2.1.

VTM vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal “verklaren voor recht dat de schuldvorderingen die eiseres in renvooi als lasthebber namens Steamship Mutual Underwriting Association Limited heeft ingediend in het waterverontreinigingsfonds van de ‘Vlieland’ voor hun gehele bedrag van EUR 1.648.196,30, althans voor een door de rechtbank [..] te bepalen bedrag, toegelaten zijn tot verificatie in het waterverontreinigingsfonds van de VLIELAND in gelijke rang met de overige ingediende en erkende en geverifieerde vorderingen”, met veroordeling van de Staat en HbA in de proceskosten.

2.2.

Daartoe stelt VTM – samengevat weergegeven – het volgende.

2.2.1.

De ‘Kevin S’ treft als enige schuld aan de aanvaring tussen dat schip en de ‘Vlieland’ van VTM, die op 3 januari 2011 in Amsterdam plaatsvond. Aan de zijde van de ‘Vlieland’ bestaat geen enkele (mede)schuld.

2.2.2.

Het betreft een Nederlands, binnenlands geval, waarop de regeling van Titel 12 van Boek 8 BW van toepassing is.

Het verdrag van Londen van 19 november 1976 (Trb. 1984, 31) inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen (hierna: LLMC) noch het verdrag van Straatsburg van 4 november 1988 (Trb. 1989, 43) inzake beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart (hierna: CLNI) is op dit geval (rechtstreeks) van toepassing.

2.2.3.

De Nederlandse regeling omvat ook de regel van artikel 6:2 BW. Er doen zich hier de bijzondere omstandigheden voor dat VTM bereid en in staat was om substantiële schade beperkende maatregelen te treffen en opruimingswerkzaamheden te verrichten en dat VTM dat ook heeft gedaan met de hulp van Steamship Mutual Underwriting Association Limited (hierna: Steamship). In de meeste gevallen worden dergelijke opruimingswerkzaamheden door of vanwege een havenbedrijf gedaan, die vervolgens verhaal kan nemen om een beperkingsfonds. Nu heeft Steamship als aansprakelijkheidsverzekeraar van VTM die kosten voor haar rekening genomen. Daarom dient de vordering van Steamship in het waterverontreinigingsfonds erkend te worden, al dan niet op grond van (de eisen van) redelijkheid en billijkheid.

2.2.4.

VTM treedt in dezen op als lasthebber van Steamship, zodat – anders dan verweerders betogen – geen sprake is van het indienen van een vordering in het ten verzoeke van VTM zelf gestelde fonds.

2.2.5.

Het formele standpunt van verweerders, dat het niet mogelijk is om een dergelijk vordering van Steamship in het ten verzoeke van VTM gestelde fonds in te dienen, levert een onredelijke benadeling op van de eigenaar van een binnenschip ten opzichte van die van een zeeschip. Redelijkheid en billijkheid brengen daarom mee dat VTM de kosten van die maatregelen en werkzaamheden ook kan verhalen op het van harentwege gestelde beperkingsfonds. Uit de travaux préparatoires van de LLMC, welk verdrag aan de CLNI en de Nederlandse regeling ten grondslag ligt, blijkt dat is overwogen om een vijfde lid aan artikel 12 toe te voegen voor andersoortige vorderingen, onder meer van de schuldenaar zelf, naar analogie van de regeling van het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie 1992 (Londen 27 november 1992; Trb. 1994, 229; oorspronkelijke versie van 29 november 1969; met Protocol van 27 november 1992; Trb. 1996, 194; hierna: CLC). Daarbij is enige rechtsplicht tot opruiming niet van belang. Ook de aansprakelijke partij kan een vordering in een ingevolge de CLC gesteld fonds indienen. VTM en Steamship hebben naar die geest gehandeld. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is het onder deze omstandigheden niet aanvaardbaar dat (de verweerders betogen dat) VTM, respectievelijk Steamship de kosten van de door haar genomen maatregelen en verrichte werkzaamheden niet kan verhalen op het beperkingsfonds.

2.2.6.

Tegen de opstelling van de posten die de vordering vormen, noch tegen de omvang van de vordering van VTM als lasthebber van Steamship is verweer gevoerd. Een verweer van HbA dat bepaalde posten niet thuishoren in het waterverontreinigingsfonds is tardief. Bovendien hoort een dergelijke opstelling van HbA thuis in de andere, desbetreffende renvooiprocedure.

2.3.

De Staat en HbA voeren zelfstandig verweer. Hun respectieve conclusie strekken tot afwijzing van de vordering met veroordeling van VTM in de proceskosten, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis.

2.4.

De Staat en HbA voeren beide – samengevat weergegeven – het volgende aan.

2.4.1.

De ‘Vlieland’ treft (enige) medeschuld aan de aanvaring met de ‘Kevin S’, die op 3 januari 2011 in Amsterdam plaatsvond. Wegens die medeschuld is VTM hoofdelijk (naast de eigenaar van de ‘Kevin S’) aansprakelijk voor de daardoor door schuldloze derden, zoals de Staat en HbA, geleden schade wegens onder meer de verontreiniging van het oppervlaktewater.

2.4.2.

Ingevolge onder meer de Waterwet was VTM verplicht om de maatregelen ter beperking en opruiming van de waterverontreiniging te treffen.

2.4.3.

VTM als aansprakelijke partij, noch Steamship als aansprakelijkheidsverzekeraar van VTM is gerechtigd om (als was zij een schuldeiser) een vordering in te dienen in het ter beperking van aansprakelijkheid van VTM gestelde waterverontreinigingsfonds. VTM is niet aansprakelijk jegens zichzelf; Steamship heeft als aansprakelijkheidsverzekeraar van VTM geen regres op het ter beperking van aansprakelijkheid van VTM gestelde beperkingsfonds.

2.5.

HbA voert voorts het volgende aan.

2.5.1.

De in de conclusie van VTM gestelde eis is onvoldoende duidelijk, zodat de eis daarom niet kan worden toegewezen.

2.5.2.

Enige posten van de vordering die VTM en/of Steamship in het waterverontreinigingsfonds hebben ingediend horen niet thuis in dat beperkingsfonds.

2.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

3 De beoordeling

Bevoegdheid; toepasselijk recht

3.1.

Op 3 januari 2011 zijn het zeeschip ‘Kevin S’ en het binnentankschip ‘Vlieland’ in de gemeente Amsterdam met elkaar in aanvaring gekomen. De ‘Kevin S’ stond geregistreerd in het scheepsregister van Antigua en Barbuda en behoorde in eigendom toe aan Kevin S GmbH & Co K.G. (hierna: KSGC) gevestigd te Seevetal-Horst in Duitsland. De ‘Vlieland’ stond in het Nederlandse scheepsregister ingeschreven en behoorde toe aan VTM.

3.2.

Nu VTM (niet voor zichzelf, maar) optreedt als lasthebber van een buitenlandse partij, Steamship, is sprake van een internationaal geval. Ook de omstandigheid dat de ‘Vlieland’ met het buitenlandse zeeschip ‘Kevin S’ in aanvaring is gekomen maakt deze zaak een internationaal geval. Daarom dient de rechtbank haar bevoegdheid (rechtsmacht) te onderzoeken en het toepasselijk recht te bepalen.

3.3.

Wegens de naar aanleiding van deze aanvaring ingestelde vorderingen hebben zowel VTM als KSGC procedures tot beperking van aansprakelijkheid ingesteld. De onderhavige procedure is een renvooiprocedure voortvloeiend uit de bij deze rechtbank onder kenmerk C/10/370739 / HA RK 11-9 aanhangige procedure tot beperking van aansprakelijkheid van VTM.

Terecht gaan partijen daarom uit van bevoegdheid van deze rechtbank.

3.4.

Het gaat hier om een renvooiprocedure in het kader van de bij deze rechtbank door VTM ingeleide procedure tot beperking van haar aansprakelijkheid, wegens aanspraken vanwege onder andere de Staat en HbA ter zake van waterverontreiniging, ontstaan door het uitstromen van lading stookolie uit de ‘Vlieland’ ten gevolge van de aanvaring.

3.4.1.

Het betreft beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart. Ter zake daarvan gold ten tijde van de aanvaring in Nederland rechtstreeks de CLNI (artikel 15 lid 2 CLNI; Nederland heeft bij gelegenheid van de goedkeuring verklaard dat de CLNI in het gehele land van toepassing zal zijn). Daarom is de CLNI als eenvormig internationaal privaatrecht van toepassing.

3.4.2.

In artikel 18 CLNI is bepaald dat een staat bij toetreding of goedkeuring van dat Verdrag de toepassing van de regels daarvan kan uitsluiten ten aanzien van onder meer vorderingen wegens waterverontreiniging (“voor schade, veroorzaakt door de wijziging van de fysieke, chemische of biologische kwaliteit van het water”; artikel 18 lid 1 aanhef en onder a). Nederland heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt.

Daarom is de beperking van aansprakelijkheid ter zake van vorderingen wegens waterverontreiniging in Nederland niet rechtstreeks op de CLNI gebaseerd, maar op de Nederlandse regeling ter invulling van de uitsluiting van de CLNI ten aanzien van vorderingen wegens waterverontreiniging. Dat betreft de regeling van artikel 8:1062 lid 1, aanhef en onder f BW, artikel 8:1065 BW en artikel 1 lid 1, aanhef en onder b van het op laatstgenoemd wetsartikel gebaseerde KB van 29 november 1996 (Stb. 1996, 587). Waar het een regeling betreft ter invulling van een uitsluiting op de CLNI, vormt de CLNI het kader van die regeling.

3.4.3.

Een vordering tot schadevergoeding gebaseerd op aanvaring, respectievelijk het uitstromen van lading stookolie door beschadiging van een ladingtank ten gevolge van die aanvaring, vormt een niet-contractuele verbintenis als bedoeld in verordening (EG) 864/2007 (Rome II-Vo). De aanvaring heeft zich voorgedaan binnen het gebied van de Rome-II Vo en na de inwerkingtreding van de Rome II-Vo. Het aanvullend toepasselijk recht dient derhalve aan de hand van de Rome II-Vo te worden bepaald.

Partijen hebben geen rechtskeuze gedaan. Nu de uitzonderingen van artikel 4 lid 2 en 3 Rome II-Vo zich niet voordoen, is ingevolge artikel 4 lid 1 Rome II-Vo van toepassing het recht van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen. In deze zaak gaat het om schade wegens verontreiniging van oppervlaktewater, havens, kades en andere schepen ten gevolge van de aanvaring. Die milieuschade heeft zich voorgedaan in Nederland.

Daarom is ook overigens Nederlands recht aanvullend van toepassing.

Eis in renvooi onduidelijk?

3.5.

HbA voert aan dat VTM niet in haar vordering kan worden ontvangen, omdat deze onvoldoende duidelijk is.

De eis van VTM is aangehaald in 2.1.

Ingevolge artikel 3:59 BW zijn op de uitleg van processtukken de artikelen 3:33 en 3:35 BW van overeenkomstige toepassing.

De eis van VTM komt erop neer dat VTM vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis voor recht zal verklaren dat de vorderingen die VTM als lasthebber van Steamship in het waterverontreinigingsfonds heeft ingediend voor het gehele bedrag van EUR 1.648.196,30, althans voor een door de rechtbank [..] te bepalen bedrag, geverifieerd worden in gelijke rang met de overige geverifieerde vorderingen. Kort gezegd vordert VTM dat de vordering die zij als lasthebber van Steamship bij de vereffenaar van het op haar verzoek gestelde waterverontreinigingsfonds heeft ingediend, zal worden geverifieerd in dezelfde rang als de andere geverifieerde vorderingen.

Uit de conclusie van antwoord van HbA blijkt dat deze de eis ook zo heeft opgevat.

Nu HbA in haar conclusie heeft blijk gegeven de eis van VTM behoorlijk te hebben begrepen, is van de gestelde onduidelijkheid geen sprake (geweest), laat staan dat HbA in haar verweer onredelijk bemoeilijkt is.

Daarop stuit het beroep op niet-ontvankelijkheid af.

Komt de vordering in aanmerking voor verificatie in het waterverontreinigingsfonds?

3.6.

Bij op 17 januari 2011 ingediend verzoekschrift heeft VTM bij deze rechtbank een procedure ingesteld tot beperking van haar aansprakelijkheid ter zake van ten gevolge van de aanvaring met de ‘Kevin S’ uit de ‘Vlieland’ in het oppervlaktewater gestroomde lading stookolie. In het verzoekschrift stelt VTM dat zij door onder meer de gemeente Amsterdam (de rechtsvoorgangster van HbA) en de Staat in verband met de uitgestroomde stookolie aansprakelijk is gesteld. VTM heeft ingevolge de beschikking van deze rechtbank van 19 mei 2011 een waterverontreinigingsfonds doen stellen door middel van een garantie van Steamship.

3.7.

VTM heeft bij brief van haar advocaat van 9 september 2011 (productie 9 van VTM) de deze zaak betreffende vordering ingediend bij de vereffenaar van het waterverontreinigingsfonds, mr. H. van der Wiel.

Tussen partijen is niet in geschil dat het hier gaat om een of meer vorderingen (hierna: de vordering) die VTM in eigen naam als lasthebber van haar aansprakelijkheidsverzekeraar Steamship bij de vereffenaar heeft ingediend.

De vordering betreft in opdracht van VTM en/of Steamship gemaakte kosten van maatregelen ter beperking van de verontreiniging van het oppervlaktewater door de uitgestroomde stookolie en van opruiming van stookolie uit het oppervlaktewater.

3.8.

Het meest verstrekkende verweer houdt in dat VTM noch Steamship gerechtigd is de vordering in het waterverontreinigingsfonds in te stellen, omdat VTM jegens de Staat en HbA, schuldloze schadelijdende partijen, voor de (kosten van beperking en opruiming van de) waterverontreiniging aansprakelijk is.

3.9.

Bij de beoordeling stelt de rechtbank het volgende voorop.

3.9.1.

Tussen partijen staat vast dat Steamship in dezen (in geen andere hoedanigheid dan) als aansprakelijkheidsverzekeraar van VTM is opgetreden.

3.9.2.

Gesteld noch gebleken is dat VTM en/of Steamship (een gedeelte van) de vordering heeft moeten betalen op een grond als bedoeld in artikel 12 lid 2 en lid 4 CLNI of artikel 642h Rv of optreedt als gesubrogeerde schuldeiser in de zin van artikel 642j Rv.

3.10.

Zoals gezegd, heeft Nederland gebruik gemaakt van de in artikel 18 CLNI geboden mogelijkheid om bij toetreding of goedkeuring van dat Verdrag de toepassing van de regels daarvan uit te sluiten ten aanzien van vorderingen wegens waterverontreiniging (“voor schade, veroorzaakt door de wijziging van de fysieke, chemische of biologische kwaliteit van het water”; artikel 18 lid 1 aanhef en onder a).

Daarom is de beperking van aansprakelijkheid van VTM voor schade wegens ten gevolge van de aanvaring ontstane waterverontreiniging niet rechtstreeks op de CLNI gebaseerd, maar op de regeling van artikel 8:1062 lid 1, aanhef en onder f BW, artikel 8:1065 BW en artikel 1 lid 1, aanhef en onder b van het op laatstgenoemd wetsartikel gebaseerde KB van 29 november 1996 (Stb. 1996, 587). Omdat deze nationale regeling van beperking van aansprakelijkheid door middel van het stellen van een waterverontreinigingsfonds een voortvloeisel is van de regeling van de CLNI, kan de nationale regeling van in dat fonds toelaatbare vorderingen geen andere (of ruimere) strekking hebben dan die welke de betreffende regeling van de CLNI toestaat.

3.11.

De CLNI en in navolging daarvan de regeling van artikel 8:1060 e.v. BW en artikel 642a e.v. Rv regelen de beperking van aansprakelijkheid van de eigenaar of exploitant van een binnenschip. Slechts vorderingen waarvoor de eigenaar of exploitant aansprakelijk is (gesteld) zijn vatbaar voor beperking, met andere woorden: vorderingen tegen de eigenaar of exploitant. Zo bepaalt artikel 2 lid 1, aanhef en onder f CLNI “vorderingen van een andere persoon dan de aansprakelijke persoon met betrekking tot maatregelen die zijn genomen ter voorkoming of vermindering van schade ..”. Een soortgelijke bepaling is te vinden in artikel 8:1062 lid 1, aanhef en onder f BW. Een vordering van de aansprakelijke persoon zelf, dan wel van diens aansprakelijkheidsverzekeraar is dus niet voor beperking vatbaar (buiten de hier niet terzake doende gevallen van artikel 12 lid 2 en lid 4 CLNI of artikel 642h Rv).

Voor vorderingen wegens waterverontreiniging is dat niet anders.

3.12.

Een persoon kan niet aansprakelijk zijn ten opzichte van zichzelf. Daarvan gaan ook de CLNI en het BW uit. Beperking van aansprakelijkheid ten opzichte van zichzelf, is dus ook uitgesloten.

Omdat in bepaalde rechtsstelsels een vordering tegen een schip kan worden ingesteld, is in artikel 1 lid 4 CLNI bepaald dat de aansprakelijkheid van de eigenaar of exploitant de aansprakelijkheid die voortvloeit uit een tegen het schip ingestelde rechtsvordering omvat. Andere posities lenen zich niet voor beperking van aansprakelijkheid.

3.13.

Een ingevolge de CLNI of de regeling van artikel 8:1060 e.v. BW en artikel 642a e.v. Rv gesteld beperkingsfonds vormt een van het vermogen van de aansprakelijk gestelde eigenaar of exploitant van een binnenschip afgescheiden vermogen, dat strekt tot (afgeknotte) vergoeding van de schade waarvoor die persoon aansprakelijk is. Andere vorderingen kunnen daarin niet worden erkend.

3.14.

Bij vonnis van 30 september 2015 in de zaak tussen KSGC en de Staat enerzijds en VTM anderzijds, met kenmerk C/10/447995 / HA ZA 14-361, heeft deze rechtbank geoordeeld dat de ‘Vlieland’ medeschuld treft aan de aanvaring met de ‘Kevin S’. In de onderhavige zaak zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die een ander licht werpen op de vraag naar aansprakelijkheid van VTM aan de aanvaring.

Daarom is VTM ten opzichte van schuldloze schadelijdende partijen, zoals de Staat en HbA, hoofdelijk (naast KSGC) voor het geheel van de ten gevolge van de aanvaring ontstane schade aansprakelijk. Dus ook voor de schade door de waterverontreiniging.

Bovendien was VTM als eigenaar van de ‘Vlieland’ ingevolge de Waterwet verplicht tot het treffen van maatregelen ter beperking en opruiming van de waterverontreiniging door het uitstromen van de stookolie ten gevolge van de aanvaring. De Waterwet, die is gericht op onder meer bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van het oppervlaktewater (artikel 2.1), verbiedt in artikel 6.2 om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in het oppervlaktewater te brengen, ongeacht de oorzaak daarvan. De uit de ‘Vlieland’ gestroomde stookolie vormt een dergelijke stof. Ingevolge artikel 6.8 Waterwet diende VTM als eigenaar van de ‘Vlieland’, zodra zij wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat stookolie uit het schip was gestroomd, “verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om [..] de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen”. Derhalve had VTM een rechtsplicht tot beperking en opruiming van de waterverontreiniging, ook indien de ‘Vlieland’ geen medeschuld zou treffen aan de aanvaring.

3.15.

Uit het vorenstaande volgt dat de vordering niet in het waterverontreinigingsfonds kan worden erkend.

3.16.

VTM betoogt dat door dergelijke vorderingen niet in een waterverontreinigingsfonds toe te laten, de eigenaren en exploitanten van een binnenschip niet worden gestimuleerd om schadebeperkende maatregelen te treffen.

De rechtbank kan dat betoog niet volgen, gezien de rechtsplicht die voortvloeit uit de Waterwet (en andere regelgeving).

Bovendien vloeit uit de algemene rechtsbeginselen voort dat een ieder die door zijn eigen schuld of door een fout van een ander voor wiens gedragingen hij verantwoordelijk is schade berokkent, de algemene rechtsplicht heeft om die schade te beperken (in gelijke zin: MvT goedkeuringswet LLMC, Kamerstukken II, 1986-1987, 19 769 (R 1317), nr. 3, blz. 6/7; ).

3.17.

VTM betoogt voorts dat door dergelijke vorderingen niet in een waterverontreinigingsfonds toe te laten, een onaanvaardbaar verschil ontstaat tussen de eigenaren en exploitanten van (olie vervoerende) binnenschepen enerzijds en die van zeeschepen anderzijds, daarbij stellende dat een eigenaar of exploitant van een (olie vervoerend) zeeschip een dergelijke vordering wel in een in het kader van de CLC gesteld fonds kan indienen.

Het onderhavige geval wordt niet door de CLC beheerst. Het ten verzoeke van VTM gestelde waterverontreinigingsfonds heeft een ander karakter dan een ingevolge de CLC, of ingevolge de daarop gebaseerde 1992 Fund Convention, gesteld fonds. VTM heeft niet een dergelijk fonds doen stellen. Daaruit laat zich een verschil in toelaatbaarheid van vorderingen verklaren.

In het binnenvaartrecht ontbreekt een verdragssysteem dat vergelijkbaar is met de CLC en het Fondsverdrag voor de aansprakelijkheid en beperking daarvan van eigenaren van olie vervoerende schepen. Het is niet aan de Nederlandse rechter om verschillen tussen binnenvaartrecht en zeerecht op dat punt weg te nemen, met name door één element uit dat zeerechtelijke systeem te lichten en dit toe te passen in het op tal van punten afwijkende systeem van beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart, zulks ook nog in strijd met een aldaar uitdrukkelijk gegeven regel.

3.18.

Voor zover VTM betoogt dat bij de totstandkoming van de LLMC is overwogen om vorderingen zoals de onderhavige in het kader van een op de LLMC te stellen beperkingsfonds toe te laten en dat daarom de vordering ook in dit geval dient te worden toegelaten, ziet dat betoog eraan voorbij dat bij de totstandkoming van de LLMC weliswaar dat voorstel is gedaan, maar dat het voorstel niet de vereiste twee-derden meerderheid van de delegaties heeft verkregen en daarom niet in de LLMC is opgenomen (zie: The travaux préparatoires of the LLMC Convention 1976, uitgegeven door Comité Maritime International, blz. 301 – 317).

Aangezien de LLMC in zekere zin model heeft gestaan voor de CLNI, ligt het niet in de rede om een regel die uitdrukkelijk niet in de LLMC is opgenomen en evenmin in de CLNI, toe te passen op een geval dat door de CLNI wordt bestreken. Ook in de nieuwe versie van de CLNI van 2012 (Verdrag van Straatsburg van 27 september 2012; Trb. 2013, 72) ontbreekt een dergelijke regel en daarin is de tekst van art. 2 lid 1 aanhef en onder f ongewijzigd gebleven (zie hiervoor onder 3.11). Uit niets blijkt dat Nederland bij het maken van het voorbehoud ingevolge artikel 18 CLNI (1988) de bedoeling had een regeling in te voeren waarbij de eigenaar van een olie vervoerend binnenschip de mogelijkheid kreeg om de kosten van door hemzelf (al dan niet vrijwillig) getroffen schadebeperkende maatregelen in zijn eigen beperkingsfonds in te dienen. Bij de invoering van de regeling van beperking van aansprakelijkheid voor vorderingen wegens waterverontreiniging in de Nederlandse regelgeving is die mogelijkheid niet in het leven geroepen.

3.19.

Over het betoog van VTM dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat (de Staat en HbA het standpunt innemen dat) de vordering niet in het waterverontreinigingsfonds wordt toegelaten, overweegt de rechtbank het volgende.

De beperkende werking van redelijkheid en billijkheid dient met terughoudendheid te worden toegepast.

Voor een geslaagd beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid is nodig dat toepassing van een geldende regel in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Bijzondere omstandigheden die de uitkomst in de onderhavige zaak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maken zijn, echter, gesteld, noch gebleken. De omstandigheid dat VTM en haar aansprakelijkheidsverzekeraar Steamship zich moeite en kosten hebben getroost om de milieuschade te beperken en op te ruimen, merkt de rechtbank niet als zodanige bijzondere omstandigheid aan, reeds omdat VTM daartoe verplicht was. De omstandigheid dat VTM en Steamship over financiële middelen beschikten om dat te doen evenmin, omdat van een aansprakelijkheidsverzekeraar mag worden verwacht dat deze over ruime financiële middelen beschikt.

Tegenover het belang van VTM en Steamship dat haar vordering in het waterverontreinigingsfonds wordt geverifieerd, staan de belangen van andere schuldeisers die vorderingen in dat beperkingsfonds hebben ingediend. Naar gelang meer vorderingen in het beperkingsfonds worden geverifieerd, wordt elk van die vorderingen verder beknot wegens de beperkte omvang van het fonds.

Daarom treft het beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid geen doel.

Slotsom

3.20.

De slotsom is dat de vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt.

3.21.

De rechtbank zal VTM als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordelen. De aan de zijde van de Staat en HbA tot deze uitspraak gevallen kosten zal de rechtbank voor ieder van deze eisers bepalen op

  • -

    griffierecht € 282,-,

  • -

    salaris advocaat € 1.130,- (2,5 punten in Liquidatietarief II)

totaal € 1.412,-.

Nu het hier een renvooiprocedure betreft, spelen de (nog te maken) nakosten, geen rol.

3.22.

Nu het hier een renvooiprocedure betreft, ziet de rechtbank geen aanleiding om enige veroordeling bij voorraad uitvoerbaar te verklaren.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst de vordering af;

4.2.

veroordeelt VTM in de proceskosten;

begroot de aan de zijde van de Staat tot deze uitspraak gevallen proceskosten op € 1.412,- en die aan de zijde van HbA op € 1.412,-.

Dit vonnis is gewezen door mrs. W.P. Sprenger, P.C. Santema en A.N. van Zelm van Eldik en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2015 1928/032/10