Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:8495

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
26-11-2015
Zaaknummer
C/10/421779 / HA ZA 13-373
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkoop particulier en zakelijk gedeelte assurantieportefeuille. Is assurantieportefeuille een goed? Verpanding mogelijk?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2016-0052

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/421779 / HA ZA 13-373

Vonnis van 18 november 2015

in de zaak van

[eiser 1] [eiser 1] [eiser 1] ,

wonende en zaakdoende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. R.B.J.M. van der Linden,

tegen

[curator 1] , in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van de besloten vennootschappen

[gedaagde 2] ,

[gedaagde 3] ,

[gedaagde 4] ,

[gedaagde 5] ,

[gedaagde 6] ,

[gedaagde 7] ,

[gedaagde 8] en

[gedaagde 9] ,

welke vennootschappen allen gevestigd zijn te Sliedrecht,

kantoorhoudende te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.P.M. Borsboom.

Partijen zullen hierna [eiser 2] en de curator genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 17 juli 2013 en de daarin genoemde processtukken;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 13 maart 2015 en de daarin genoemde processtukken;

  • -

    de akte houdende wijziging van eis van [eiser 2] ;

  • -

    de antwoordakte van de curator.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

Op de voet van artikel 15 lid 2 Rv is deze zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde 1] heeft op 2 april 2010 een e-mail (productie 3 bij dagvaarding) gestuurd aan [eiser 2] luidende als volgt:

Beste Geert,

Aanvullend op het aan jou uitgereikte basiscontract ontvang je bijgaand een opsomming van de extra afspraken, die worden vastgelegd in het definitieve contract.

Mocht ik wat vergeten zijn, voegen we dat puntje uiteraard ook nog toe.

Extra afspraken:

(…)

  • -

    [gedaagde 10] koopt de particuliere portefeuille met een doorloop van ca. € 140.000 (kan afwijken)

  • -

    Uitgesloten van koop is de zakelijke portefeuille met ca € 30.000 doorloop, die jij volledig zelf blijft bewerken

  • -

    Nieuwe particuliere productie gaat naar de winstrechtportefeuille

  • -

    Nieuwe zakelijke productie komt in jouw eigen zakelijke portefeuille

  • -

    Recht om op termijn de zakelijke portefeuille te verkopen aan [gedaagde 10] , tegen op dat moment reële condities

  • -

    (…)

[gedaagde 10] gaat een aantal diensten voor jou verrichtten, wat jou € 300 per maand gaat kosten. Voor [gedaagde 10] is het hooguit kostendekkend, maar gezien de interessante particuliere portefeuille willen we toch dit aanbod doen. (…)"

2.2.

[eiser 2] , als verkoper en [gedaagde 3] , als koper hebben op 8 april 2010 een “Overeenkomst betreffende de koop, verkoop en levering van een assurantieportefeuille tegen een winstrecht” gesloten (hierna: de overeenkomst, productie 1 bij dagvaarding), met – voor zover thans van belang – de volgende inhoud:

Koop en verkoop

Artikel 1

1. Verkoper zal per 8 april 2010 zijn assurantieportefeuille, betreffende enkel het deel van de portefeuille bevattende de particuliere relaties, verkoper aan koper, die deze per gelijke datum van verkoper zal kopen, waarbij onder assurantieportefeuille wordt verstaan:

a. de portefeuillerechten, bestaande uit het recht op provisie en het recht op beheer, (waaronder het recht op premie-incasso), verbonden aan de verzekeringen welke verkoper in beheer heeft. Tot het recht op beheer behoren alle cliënt- en contractgegevens behorende bij de kring van relaties, die door bemiddeling van de verkoper overeenkomsten van verzekering en/of financiering bij verzekeringsmaatschappijen hebben gesloten en tot het tijdstip van de koop en verkoop zijn gecontinueerd.

b. alle boeken, correspondentie, (computer)bestanden en andere bescheiden betrekking hebbende op de hiervoor sub a. vermelde rechten.

2. Vanaf de in lid 4 te noemen leveringsdatum is de prolongatieprovisie behorende bij de verkochte assurantieportefeuille voor rekening en risico van de koper. (…)

3. (…)

4. De levering en aanvaarding van de in lid 1 sub a vermelde rechten per 1 augustus 2010 zal geschieden door ondertekening door partijen van deze overeenkomst en voor zover nodig door het ter beschikking stellen van de benodigde informatie/ gegevens. De verkoper verplicht zich om mededeling van de overdracht te doen aan de verzekeringsmaatschappijen. De levering en de aanvaarding van de in lid 1 sub b vermelde zaken wordt geacht op de datum van levering van de assurantieportefeuille te hebben plaatsgevonden door feitelijke overgave door verkoper aan koper.

Garanties

Artikel 2

(…)

Winstrecht

Artikel 3

  1. De verkoop van de assurantieportefeuille geschiedt tegen vestiging van een winstrecht, inhoudende dat door de koper gedurende een periode van 120 maanden een percentage van de prolongatieprovisie van de verkochte assurantieportefeuille, te verminderen met eventuele door verzekeringsmaatschappijen of gevolmachtigden in rekening te brengen incassokosten, aan de verkoper zal worden betaald. Dit percentage wordt vastgesteld op 60% van de door koper ontvangen provisie.

  2. Het winstrecht gaat in op 1 augustus 2010 en eindigt op 20 september 2020. (…)

  3. (…)

  4. (…) De prolongatieprovisie van de verkochte assurantieportefeuille, na aftrek van eventuele incassokosten, bedraagt op het moment van overdracht € 140.000,-. (…)

  5. Na de betaling van de laatste termijn van het winstrecht is koper tegenover verkoper volledig gekweten.

Zekerheid/eigendomsvoorbehoud

Artikel 4

  1. Tot zekerheid voor de nakoming door de koper van haar verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst zal de koper ten behoeve van de verkoper een pandrecht, eerste in rang, vestigen op de door de verkoper verkochte assurantieportefeuille. De vestiging van het pandrecht zal geschieden bij afzonderlijke akte van pandrecht, waaraan jaarlijks een pandlijst zal worden toegevoegd.

  2. (…)

  3. (…)

  4. In aanvulling op en zo nodig in afwijking van het bepaalde in artikel 1 hiervoor bepaalde maakt de verkoper gedurende de periode dat hij recht heeft op winstrechttermijnen een eigendomsvoorbehoud ten aanzien van de verkochte assurantieportefeuille voor het geval dat:

  • -

    ten behoeve van de koper dan wel rechtsopvolger een faillissementsaanvraag wordt ingediend,

  • -

    (…)

Nadere bepalingen met betrekking tot de assurantieportefeuille

Artikel 5

1. Gedurende de periode dat de verkoper nog recht heeft op winstrechttermijnen zal de verkochte assurantieportefeuille in de administratie van de koper zodanig afzonderlijk worden geadministreerd dat de omvang van de assurantieportefeuille traceerbaar is. (…)

Relatiebeding

Artikel 8

  1. Het is verkoper verboden ná 1 augustus 2010 voor eigen rekening of voor rekening van anderen of voor gezamenlijke rekening met anderen, te bemiddelen in assurantiën en financiële diensten bij relaties wier verzekeringen behoren tot de aan koper verkochte assurantieportefeuille. (…)

  2. Uitgesloten van de bepaling van Artikel 8 lid 1 zijn de relaties behorende tot de zakelijke portefeuille zoals bij partijen genoegzaam bekend. (…) Relaties kunnen slechts tot de door koper gehouden portefeuille of tot de koper voor verkoper geadministreerde portefeuille behoren. Verkoper dient eenmalig, bij het aandragen van de nieuwe relatie, aan koper aan te geven tot welke portefeuille deze relatie gaat behoren. Bij ondertekening van deze overeenkomst zal een lijst (aanhangsel 1) (opm. rechtbank: hierbij staat handgeschreven `volgt later`) met zakelijke relaties en de eventueel daarbij behorende particuliere relaties worden toegevoegd die in de door koper voor verkoper geadministreerde portefeuille zullen worden ondergebracht.

  3. (…)

Extra bedingen

Artikel 15

  1. Uitgesloten van de koop en verkoop is het zakelijk deel van de assurantieportefeuille, groot circa € 30.000,- prolongatieprovisie, van verkoper. Nieuwe particuliere productie zal aan het winstrecht worden toegevoegd en nieuwe zakelijke productie zal aan de zakelijke portefeuille worden toegevoegd.

  2. In geval van overlijden van verkoper zal het winstrec)ht worden toegekend/ uitbetaald aan zijn nabestaanden/erfgenamen.

  3. Het zakelijk deel van de assurantieportefeuille zal separaat worden geadministreerd waarbij koper aan verkoper de nodige software ter beschikking zal stellen.

  4. Koper zal aan verkoper tevens de volgende diensten aanbieden:

(…)

Verkoper zal hiervoor aan koper een maandelijkse vergoeding van € 300,- exclusief omzetbelasting verschuldigd zijn.

(…)"

2.3.

Door [gedaagde 10] is op 14 juni 2010 aan een aantal verzekeringsmaatschappijen door [gedaagde 3] en [eiser 2] ondertekende brieven (productie 1 bij conclusie van antwoord) met de volgende inhoud gestuurd:

“ [woonplaats] , 9 juni 2010

Betreft: overvoer van portefeuille t.n.v. Lancyr Efides

Geachte heer/mevrouw,

Hierbij deel ik u mede, dat vanaf 01.08.2010 de provisierechten van de hypotheek, leven- en schadeverzekeringen alsmede de bancaire posten t.n.v. Lancyr Efides met agentschapnummer (…) zijn overgedragen aan:

[gedaagde 3] (…)

De gewenste incassomethode is geheel MAATSCHAPPIJ-INCASSO.

De overdracht vindt plaats tegen winstrecht. Dit impliceert dat de huidige agentschapnummers in stand moeten worden gehouden en een afzonderlijke financiële administratie moet worden uitgevoerd.

De tenaamstelling van het huidige agentschapnummer van Lancyr Efides dient te worden gewijzigd in [gedaagde 3] (v/h Lancyr Efides) zodat de overgenomen portefeuille apart geadministreerd kan worden. (…)

Vanaf 01.08.2010 wordt ten behoeve van verkoper pandrecht gevestigd op de assurantieportefeuille. Voorafgaande impliceert dat de huidige agentschapnummers in stand moeten worden gehouden aangezien er een afzonderlijke financiële administratie moet worden gevoerd. (…)”

2.4.

Op 1 oktober 2010 heeft er e-mail correspondentie plaats gevonden tussen [gedaagde 10] en [eiser 2] (productie 20 van [eiser 2] ).

[gedaagde 10] schreef: “Graag ontvang ik ook nog van je, voor het opmaken van een verrekening inzake jouw klanten van je assurantieportefeuille, de rekeningen courant van boekmaand augustus die je nog van diverse maatschappijen hebt ontvangen.”

[eiser 2] reageerde als volgt: “Deze heb ik al naar portefeuileovervoer gezonden (per post)

PS ik had tevens verzocht (besproken met Eeltjo) om de zakelijke portefeuille, die buiten de overeenkomst valt, terug over te voeren naar provinciaal zodat ik weer rechtstreeks zaken kan doen met de provinciale maatschappijen. Ik heb hiervoor verklaringen gezonden naar Eelco, ter ondertekening door [gedaagde 11] en [gedaagde 12] Zijn deze inmiddels in behandeling?”

[gedaagde 10] beantwoordde laatstgenoemde e-mail als volgt:

“Bedankt voor het aanleveren van de gegevens. De verklaringen zijn naar de betreffende personen gestuurd.”

2.5.

Op 12 oktober 2010 heeft [gedaagde 10] per brief aan Belastingdienst Rotterdam, t.a.v. Registratieteam Pandrecht (productie 14 bij dagvaarding) het volgende bericht:

"Hierbij verzoeken wij u om de bijgevoegde overname overeenkomst, pandlijst en portefeuilleoverzichten te registreren.

De registratie houdt verband met de verkoop van de assurantieportefeuille van Lancyr Efides aan [gedaagde 10] , waarbij de heer [eiser 2] deze portefeuille heeft overgedragen, zoals afgesproken in de verkoopovereenkomst.

(…)"

De bijgevoegde pandlijst luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

"BORDEREL

(VERPANDING VAN ASSURANTIEPORTEFEUILLE)

Aan:

Lancyr Efides

(…)

Ter voldoening aan de jegens u bestaande verplichtingen tot verpanding van de assurantieportefeuille, geven wij bij deze aan u in pand, de bij ons in beheer zijnde assurantieportefeuille. Als volgt gespecificeerd:

De specificatie van de portefeuille Lancyr Efides is als volgt:

(…)

Datum : 7 oktober 2010

Totaal doorlopende provisie : € 156.143.96

[gedaagde 10] BV verklaard hierbij dat [gedaagde 10] BV tot verpanding van deze bevoegd is en dat op de assurantieportefeuille geen beslag is gelegd en geen beperkte rechten rust (Artikel 3:237 lid 2 BW)."

2.6.

Op 7 juli 2011 is de op 6 juli 2011 ondertekende “(vervolg)-pandakte” tussen [eiser 2] als pandhouder en [gedaagde 3] als pandgever geregistreerd bij de Belastingdienst te ’s-Hertogenbosch (productie 15 bij dagvaarding). In die akte komt, onder meer, het volgende voor:

"(…)

Verklaren als volgt:

Artikel 1.

1.1

Pandgever geeft hierbij aan pandhouder in pand de assurantieportefeuille zoals bedoeld in de koopovereenkomst, waartoe onder meer behoren en derhalve verpand worden alle huidige en toekomstige tot de assurantieportefeuille behorende boeken, bescheiden, correspondentie, computerbestanden en andere informatiedragers alsmede alle huidige en toekomstige vorderingen en daaraan verbonden zekerheden en nevenrechten van pandgevers, verbandhoudende met de aan pandgevers toebehorende assurantieportefeuille (waaronder vorderingen ter zake verzekerings-, beleggings-, en hypotheekprovisies, premies en ter zake van afkoopsommen).

1.2

De verpanding strekt tot meerdere zekerheid van de nakoming door [gedaagde 3] van al hetgeen [gedaagde 3] uit hoofde van de in de considerans bedoelde koopovereenkomst, althans de in de considerans bedoelde geldleningsovereenkomst, aan pandhouder verschuldigd is of zal zijn.

1.3

Pandhouder aanvaardt deze verpanding.

(…)"

2.7.

De advocaat van [eiser 2] heeft een brief gestuurd aan verschillende verzekeringsmaatschappijen (productie 16 bij dagvaarding), die luidt als volgt:

“Veldhoven, 18 juli 2011

Inzake : Diverse Intermediairs/ [gedaagde 13]

Betreft : Mededeling (stil)verpande vordering op naam

(…)

Enige tijd geleden verkocht de heer G.J. [eiser 2] h.o.d.n. “ [eiser 2] Assurantiën” de door hem in zijn eenmanszaak gehouden portefeuille aan “V.O.F. [gedaagde 10] ” ingebracht in de vennootschap “ [gedaagde 2] ” respectievelijk [gedaagde 3] Deze vennootschappen hebben daartoe een geldlening verstrekt. Op haar beurt hebben deze vennootschappen, althans één van hen, tot zekerheid van betaling van de geldlening, een (stil) pandrecht verleend op de assurantieportefeuille die de heer [eiser 2] heeft verkocht.

Namens de heer [eiser 2] doe ik u thans mededeling van de door hem verkregen pandrechten op de assurantieportefeuille die hij destijds heeft verkocht, maar thans behoort tot de portefeuille van één van de genoemde [gedaagde 13] vennootschappen.

Een en ander heeft tot gevolg dat per heden slechts [eiser 2] bevoegd is tot inning van de vorderingen op basis van voornoemde polissen. U kunt derhalve per heden slechts bevrijdend betalen aan de heer [eiser 2] . (…)”

2.8.

Op 19 respectievelijk 26 juli 2011 zijn de [gedaagde 13] -vennootschappen failliet verklaard met benoeming van [curator 2] tot curator. Op 15 augustus 2013 is [curator 2] vervangen door [curator 1] .

2.9.

De (toenmalige) curator heeft op 7 september 2011 (productie 17 bij dagvaarding) aan [eiser 2] een brief gestuurd die, voor zover thans van belang, luidt als volgt:

“(…)

Naar aanleiding van het schrijven van TRC Advocaten d.d. 9 augustus 2011 bevestig ik u hierbij dat ik uw vordering ten bedrage van totaal 801.794,- heb ontvangen. Voor het geval u bij uw indiening tevens aanspraak heeft gemaakt op een zekerheidsrecht, deel ik u het volgende mede:

Ongeldigheid pandrecht e.a. op assurantieportefeuilles

1. (…)

Vernietiging middels Actio Pauliana

2. Ingeval uw (zekerheids)rechten op de portefeuille zijn gebaseerd op rechtshandelingen, die hebben plaatsgevonden in het zicht van het faillissement en tot gevolg hebben dat andere schuldeisers zijn benadeeld, zijn deze mogelijk paulianeus en vernietigbaar op grond van artt 42 resp. 47 Fw. Dit geldt in ieder geval voor alle rechtshandelingen die hebben plaatsgevonden ná 28 juni 2011, de dag waarop de faillissementsaanvraag werd ingediend. In uw situatie betreft dit dus in ieder geval de pandakte van 6 juli 2011. Deze rechtshandelingen worden bij deze vernietigd.

(…)”

3 Het geschil

3.1.

[eiser 2] vordert na wijziging van eis samengevat - dat de rechtbank:

  1. de curator gebiedt de maatschappijen en volmachtbedrijven die zijn genoemd in producties7 en 8 bij dagvaarding bij aangetekend schrijven, en al degenen die het betreffen, met een brief met de aanhef “to whom it may concern”, mede te delen dat met de in die producties 7 en 8 genoemde natuurlijke of rechtspersonen gesloten verzekeringsovereenkomsten behoren tot de assurantieportefeuille van [eiser 2] en niet behoren tot de failliete boedel van enige [gedaagde 13] -vennootschap althans al datgene te doen wat redelijkerwijs noodzakelijk is om te bewerkstelligen dat de in producties 7 en 8 genoemde maatschappijen en volmachtbedrijven in relatie tot de zakelijke portefeuille als bedoeld in het lichaam van de dagvaarding op geen enkele wijze hinder of beperking ondervinden van het faillissement van de [gedaagde 13] -vennootschappen;

  2. de curator veroordeelt aan [eiser 2] te voldoen de op de boedelrekening van de gefailleerde [gedaagde 13] -vennootschappen (eventueel te) ontvangen provisies voortvloeiende uit het beheer van de zakelijke portefeuille door [eiser 2] sedert 19 juli 2011 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;

  3. primair: verklaart voor recht dat het ten behoeve van [eiser 2] gevestigde pandrecht op het verkochte deel van de assurantieportefeuille rechtsgeldig is gevestigd, bestaat en niet is vernietigd;

subsidiair: verklaart voor recht dat [eiser 2] ten aanzien van het verkochte, particuliere, deel van de assurantieportefeuille zijn eigendomsrecht rechtsgeldig heeft voorbehouden,

4. de curator veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

In het vonnis in incident van 17 juli 2013 zijn de grondslagen van de vorderingen van [eiser 2] reeds kort en zakelijk weergegeven. Ten aanzien van het sub 3, subsidiair gevorderde, stelt [eiser 2] in zijn akte wijziging van eis dat uit de correspondentie volgt dat hij zijn eigendom heeft voorbehouden zolang de tegenprestatie niet volledig was voldaan.

4 De beoordeling

De zakelijke relaties

4.1.

Als eerste ligt de vraag voor of [eiser 2] naast het particuliere gedeelte van zijn assurantieportefeuille tevens de zakelijke relaties heeft verkocht aan [gedaagde 3]

De curator betoogt dat [eiser 2] en [gedaagde 3] ten aanzien van de particuliere relaties van [eiser 2] wel uitvoering aan de overeenkomst hebben gegeven maar ten aanzien van de zakelijke relaties niet en dat het blijkbaar de bedoeling van partijen is geweest om alle relaties van [eiser 2] over te voeren naar [gedaagde 3] Voorts voert de curator aan dat “wat [gedaagde 3] en [eiser 2] ook zijn overeengekomen met betrekking tot de zakelijke relaties, ze hebben er geen uitvoering aangegeven.“

De rechtbank begrijpt dat de curator betoogt dat de bedoelingen van partijen afwijken van de letterlijke bewoordingen van de overeenkomst alsmede dat bij de uitleg van hetgeen partijen met elkaar zijn overeengekomen ook feiten en omstandigheden mogen worden meegewogen die zich hebben voorgedaan na het sluiten van de overeenkomst maar een licht kunnen werpen op hetgeen eerder is overeengekomen.

4.2.

Voor de bepaling van de inhoud van een akte is niet slechts van belang wat uit de akte zelf blijkt, het komt ook aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex-maatstaf). Bij de uitleg van hetgeen partijen met elkaar zijn overeengekomen mogen ook feiten en omstandigheden worden meegewogen die zich hebben voorgedaan na het sluiten van de overeenkomst maar een licht kunnen werpen op hetgeen eerder is overeengekomen.

De curator beroept zich op de volgende omstandigheden:

  1. de zakelijke relaties zijn ex artikel 6:159 lid 1 BW overgedragen aan [gedaagde 3] , er is sprake van contractsovername met mededeling aan de verzekeraars (productie 1 conclusie van antwoord);

  2. op grond van artikel 4:102 Wft is [gedaagde 3] voor de verzekeraars de bemiddelaar van alle overgevoerde polissen en daarmee rechthebbende op de provisies;

  3. de overnamesom is bepaald inclusief zakelijke relaties, dit blijkt uit het verpandingsborderel (onder 12 conclusie van antwoord);

  4. gezien de inhoud van het verpandingsborderel wilden partijen de zakelijke relaties ook verpanden aan [eiser 2] ;

  5. partijen hebben niet geprobeerd om de situatie te herstellen, ook niet nadat [eiser 2] kon constateren dat hij geen provisie meer ontving uit de zakelijke portefeuille.

4.2.1.

[eiser 2] heeft ter comparitie uitleg gegeven over de door de curator aangevoerde omstandigheden. Hij heeft als volgt gereageerd:

ad a. de brieven die als productie 1 door de curator zijn overgelegd zijn aldus opgesteld omdat de transactie anders administratief niet uit te voeren viel omdat de particuliere relaties naar [gedaagde 13] gingen en [gedaagde 13] voor de zakelijke relaties de back office ging regelen;

ad b en e. [gedaagde 13] zou vervolgens de zakelijke relaties terug overvoeren op naam van [eiser 2] . Aan Aegon is op 10 februari 2011 een brief terzake verzonden (productie 19 van [eiser 2] );

ad d en e. [eiser 2] heeft er erg lang achteraan moeten zitten om de verpanding tot zekerheid voor de betaling van de koopsom te regelen. Toen dit stuk uiteindelijk kwam, heeft [eiser 2] het maar ondertekend. Het was weliswaar niet helemaal correct maar dan had [eiser 2] ten minste iets.

4.2.2.

Gelet op de gemotiveerde en in het licht van de geschetste omstandigheden aannemelijke verklaringen van [eiser 2] over de gang van zaken, doen de door de curator gestelde omstandigheden niet af aan de duidelijke bewoordingen van de overeenkomst, en dan met name de artikelen 1 lid 1, 8 lid 2 en 15 (zie 2.2) in samenhang met de daaraan voorafgaande e-mail (zie 2.1). In die e-mail staat expliciet vermeld dat:

- [gedaagde 10] de particuliere portefeuille koopt;

- uitgesloten van de koop is de zakelijke portefeuille;

- [eiser 2] het recht verkreeg om op termijn de zakelijke portefeuille te verkopen aan [gedaagde 10] ,

- [gedaagde 10] diensten voor [eiser 2] zou gaan verrichten voor een hooguit kostendekkend tarief maar dat zij tot dit aanbod bereid was gezien de aantrekkelijke particuliere portefeuille.

Het beroep van de curator op de inhoud van de pandakte/verpandingsborderel respectievelijk de (vervolg)-pandakte waarin volgens de curator staat dat partijen ook de zakelijke relaties aan [eiser 2] wilden verpanden, slaagt evenmin. Zowel in de pandakte als in de (vervolg)-pandakte hebben partijen het begrip assurantieportefeuille als volgt omschreven: “met assurantieportefeuille steeds wordt bedoeld de assurantieportefeuille zoals gedefinieerd in de koopovereenkomst (bijlage I);”. Zoals hiervoor is overwogen zijn de bewoordingen van de koopovereenkomst duidelijk, in die zin dat van de koop de zakelijke portefeuille van [eiser 2] was uitgesloten. De redenering van de curator dat de verpanding wel ziet op de zakelijke klanten van [eiser 2] kan dan ook niet worden gevolgd.

Het vorenstaande rechtvaardigt de slotsom dat in de overeenkomst de bedoelingen van de partijen bij die overeenkomst correct zijn weergegeven, te weten dat de zakelijke portefeuille was uitgesloten van de transactie tussen [eiser 2] en [gedaagde 3]

4.2.3.

De opmerking van de curator ter gelegenheid van de comparitie van partijen dat hij navraag heeft gedaan bij de heer [naam] en bij mevrouw [gedaagde 11] , en dat zij zich - voor zover zij zich iets konden herinneren - met betrekking tot deze portefeuille geen uitzonderingen konden herinneren, is onvoldoende om het vorenstaande te weerleggen.

4.3.

Het argument van de curator dat er geen juridische grond is om hem te veroordelen tot het ongedaan maken van de ontstane situatie, die bovendien - zoals hij stelt - reeds lang voor faillissement door de betrokken partijen is bewerkstelligd, gaat niet op. Ten eerste geldt dat de zakelijke relaties geen onderdeel vormen van de faillissementsboedel. Voorts kan met inachtneming van het vorenstaande niet worden geoordeeld dat [eiser 2] de ontstane situatie heeft bewerkstelligd maar dat dit veeleer te wijten is aan [gedaagde 3] en/of [gedaagde 10] B.V. Er is bovendien geen sprake van ongedaanmakingsverbintenissen als bedoeld in artikel 6:271 BW. Het gaat erom dat de curator richting derden duidelijkheid schept ten aanzien van de - hiervoor weergegeven - juridische en feitelijke situatie.

4.4.

De curator heeft nog betoogd dat de enige grond voor de boedel om voor verificatie aan een individuele schuldeiser een uitkering te doen, een (samenwerkings)overeenkomst tussen [eiser 2] en de boedel zou zijn en dat de curator een zodanige overeenkomst niet kent en hem evenmin is gevraagd om een dergelijke overeenkomst gestand te doen. Er is dan ook geen grond om de curator te veroordeling tot betaling van eventueel ontvangen provisies, aldus de curator.

4.4.1.

Zoals hiervoor is overwogen, waren de zakelijke relaties uitgezonderd van de transactie tussen [eiser 2] en [gedaagde 3] zodat het betoog van de curator reeds daarom faalt.

4.5.

Gelet op het hiervoor overwogene liggen de vorderingen van [eiser 2] aangehaald onder 3.1.1 en 3.1.2 voor toewijzing gereed.

Verpanding?

4.6.

Het volgende onderdeel van de vordering van [eiser 2] ziet op de geldigheid van het op het verkochte deel van de assurantieportefeuille gevestigde pandrecht. In dat licht dient allereerst de vraag te worden beantwoord in hoeverre een assurantieportefeuille als zodanig vatbaar is voor verpanding, zoals [eiser 2] stelt en de curator betwist.

4.7.

Een assurantieportefeuille is vatbaar voor verpanding voor zover sprake is van een goed dat vatbaar is voor overdracht (artikel 3:228 BW jo. artikel 3:83 BW). Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval.

4.7.1.

[eiser 2] betoogt dat - kort gezegd – uit de Wft voortvloeit dat een assurantieportefeuille als zelfstandig (voorwerp van) vermogensrecht voor overdracht vatbaar is en dat daar dus ook een pandrecht op kan worden gevestigd. Dit betoog gaat niet op. Het begrip portefeuille zoals dat wordt gebruikt in de artikelen 4:102 en 4:103 Wft ziet op de relatie tussen verzekeraar en bemiddelaar. De aldaar bedoelde overdraagbaarheid sorteert geen goederenrechtelijk effect. Artikel 4:104 Wft biedt evenmin een aanleiding om tot de slotsom te komen dat een pandrecht kan worden gevestigd op een assurantieportefeuille. Dit artikel biedt in feite een goodwillbescherming. Uit de Wft kan derhalve niet worden afgeleid dat overdracht van de assurantieportefeuille als zodanig mogelijk is, zodat de Wft evenmin een basis biedt voor de verpanding van de assurantieportefeuille als zodanig.

4.7.2.

Nu er (ook) geen (andere) wettelijke regeling is die de (goederenrechtelijke) overdracht en levering van een portefeuille als zelfstandig goed mogelijk maakt, moet de conclusie zijn dat geen pandrecht is gevestigd op de assurantieportefeuille als zodanig. In zoverre faalt het betoog van [eiser 2] .

4.8.

Dit neemt niet weg dat wel op afzonderlijke onderdelen van de assurantieportefeuille een pandrecht kan worden gevestigd conform de eisen die voor het betreffende goed gelden. Daarbij wordt vooropgesteld dat, zoals hiervoor reeds is aangehaald onder 4.2.2, in de akte van verpanding door partijen is verwezen naar de overeenkomst. In de overeenkomst staat omschreven wat door partijen onder de assurantieportefeuille werd verstaan, te weten:

a. de portefeuillerechten, bestaande uit het recht op provisie en het recht op beheer, (waaronder het recht op premie-incasso), verbonden aan de verzekeringen welke verkoper in beheer heeft. Tot het recht op beheer behoren alle cliënt- en contractgegevens behorende bij de kring van relaties, die door bemiddeling van de verkoper overeenkomsten van verzekering en/of financiering bij verzekeringsmaatschappijen hebben gesloten en tot het tijdstip van de koop en verkoop zijn gecontinueerd.

b. alle boeken, correspondentie, (computer)bestanden en andere bescheiden betrekking hebbende op de hiervoor sub a. vermelde rechten.

4.8.1.

Ten aanzien van de hierboven onder a genoemde rechten is een rechtsgeldig pandrecht gevestigd wat betreft de vorderingen die voortvloeien uit het daar genoemde recht op provisie. Voor het vestigen van een pandrecht op die vorderingen is nodig een authentieke of geregistreerde onderhandse akte ex artikel 3:239 BW. [eiser 2] en [gedaagde 13] Schadeverzekeringen hebben de op 13 oktober 2010 aan de Belastingdienst ter registratie aangeboden stukken (zie 2.5) en een (vervolg)-pandakte (zie 2.6) opgesteld zodat daarmee aan bedoelde eis is voldaan. Vervolgens heeft de advocaat [eiser 2] op 7 juli 2011 mededeling gedaan (zie 2.7) als bedoeld in lid 3 van artikel 3:239 BW; vanaf dat moment is derhalve sprake van een openbaar pandrecht.

4.8.2.

Voor een bezitloos pandrecht op de onder b genoemde roerende zaken (art. 3:236 BW) bestaat de vestigingshandeling (eveneens) in een geregistreerde onderhandse akte. Aan die eis is door de bij de verpanding betrokken partijen voldaan door het opstellen van de twee hiervoor aangehaalde akten van verpanding.

4.8.3.

Het vorenstaande brengt met zich dat de pandrechten op de beide omschreven onderdelen van de assurantieportefeuille rechtsgeldig zijn gevestigd. In zoverre kan de gevorderde verklaring voor recht worden gegeven. De rechtbank tekent daarbij aan dat in deze procedure niet aan de orde is wat de gevolgen zijn voor het pandrecht op de provisievorderingen en de roerende zaken door het intussen ingetreden faillissement. Zo is bijvoorbeeld thans niet aan de orde in hoeverre dit pandrecht meebrengt dat [eiser 2] recht zou hebben op betaling (door derden of de curator) van provisievorderingen, zodat de rechtbank dat in het midden zal laten.

4.8.4.

De curator heeft nog een beroep gedaan op vernietiging van de verpanding op grond van de pauliana (zie 2.9). Voor zover de curator daarbij het oog heeft op de rechtshandeling waarbij partijen de vestiging van een pandrecht zijn overeengekomen (op 8 april 2010) faalt het omdat uit de stellingen van de curator niet voortvloeit dat [eiser 2] op dat moment het faillissement van [gedaagde 13] en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid had moeten voorzien; de bewijsvermoedens van artikel 43 Fw zijn niet aan de orde. Ook het beroep van de curator op artikel 47 Fw faalt. Voor vernietiging op grond van artikel 47 Fw is vereist dat [eiser 2] ten tijde van de verpanding wist dat het faillissement van [gedaagde 13] reeds was aangevraagd, althans dat de verpanding het gevolg was van samenspanning tussen [gedaagde 13] en [eiser 2] , waarbij bij beide partijen het oogmerk heeft voorgezeten van begunstiging van [eiser 2] boven andere schuldeisers. De curator heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat daarvan sprake was.

Rente

4.9.

Tegen de gevorderde wettelijke rente noch de ingangsdatum is verweer gevoerd, zodat deze zal worden toegewezen zoals gevorderd, met dien verstande dat ten aanzien van de provisies die na 18 maart 2013 zijn ontvangen geldt dat de wettelijke rente zal zijn verschuldigd veertien dagen na ontvangst van deze gelden.

Proceskosten

4.10.

De curator zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 2] begroot op:

verschotten € 92,82

griffierecht € 274,00

advocaatkosten € 1.356,00 (3 punten* x tarief II à € 452,00)

€ 1.722,82
*(dv, conclusie incident, cvp)

4.11.

Voor een zelfstandige veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten (€ 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de curator niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak) een executoriale titel oplevert.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

gebiedt de curator om de maatschappijen en volmachtbedrijven die zijn genoemd in producties 7 en 8 bij dagvaarding bij aangetekend schrijven, en al degenen die het betreffen, met een brief met de aanhef “to whom it may concern”, mede te delen dat met de in die producties 7 en 8 genoemde natuurlijke of rechtspersonen gesloten verzekeringsovereenkomsten behoren tot de assurantieportefeuille van [eiser 2] en niet behoren tot de failliete boedel van enige [gedaagde 13] -vennootschap althans al datgene te doen wat redelijkerwijs noodzakelijk is om te bewerkstelligen dat de in producties 7 en 8 genoemde maatschappijen en volmachtbedrijven in relatie tot de zakelijke portefeuille als bedoeld in het lichaam van de dagvaarding op geen enkele wijze hinder of beperking ondervinden van het faillissement van de [gedaagde 13] -vennootschappen;

5.2.

veroordeelt de curator om aan [eiser 2] tegen deugdelijk bewijs van kwijting te voldoen de op de boedelrekening van de gefailleerde [gedaagde 13] -vennootschappen (eventueel te) ontvangen provisies voortvloeiende uit het beheer van de zakelijke portefeuille zoals in het lichaam van de dagvaarding bedoeld van en door [eiser 2] sedert 19 juli 2011, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over dit bedrag te rekenen vanaf 18 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening en voor zover de provisies zijn ontvangen na 18 maart 2013 de wettelijke rente veertien dagen na ontvangst;

5.3.

verklaart voor recht dat het ten behoeve van [eiser 2] gevestigde pandrecht op het verkochte deel van de assurantieportefeuille dat ziet op:

a. de portefeuillerechten, bestaande uit het recht op provisie, verbonden aan de verzekeringen welke verkoper in beheer heeft;

b. alle boeken, correspondentie, (computer)bestanden en andere bescheiden betrekking hebbende op het verkochte deel van de assurantieportefeuille,

rechtsgeldig is gevestigd, bestaat en niet is vernietigd;

5.4.

veroordeelt de curator in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 2] begroot op € 1.722,82, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis;

5.5.

verklaart het vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen, mr. F. Damsteegt-Molier en mr. D. van Dooren en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2015.1

1 2294/2148/2457