Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:8480

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-11-2015
Datum publicatie
19-11-2015
Zaaknummer
awb 14/6873
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

In geschil is of de door de kantonrechter aan eiseres toegekende vergoeding, voor zover het de periode van 1 mei tot 21 augustus 2014 betreft, als inkomen dient te worden aangemerkt en als zodanig in mindering mag worden gebracht op de door verweerder aan eiseres met ingang van 1 mei 2014 toegekende WIA-uitkering. De rechtbank volgt verweerder niet in diens onderbouwing van het bestreden besluit dat de door de kantonrechter aan eiseres toegekende vergoeding moet worden beschouwd als loondoorbetaling als bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, onder a, van het AIB. Zij is van oordeel dat deze vergoeding, voor zover het de periode van 1 mei 2014 tot 21 augustus 2014 betreft, dient te worden aangemerkt als inkomen uit vroegere dienstbetrekking, dat gelet op het bepaalde in artikel 3:2, eerste lid, onder b, sub 1, van het AIB niet tot het inkomen als bedoeld in de Wet WIA wordt gerekend. zie verder r.o. 4.3

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Zittingsplaats Dordrecht

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 14/6873

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2015 de zaak tussen

[eiseres], te Dordrecht, eiseres,

gemachtigde: mr. A.J. Vis,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: M.E. Molenaar.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend en deze uitkering over de periode van 1 mei 2014 tot 21 augustus 2014 gekort met een bedrag van € 1.447,63 per maand.

Bij besluit van 29 augustus 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Uit artikel 52 van de Wet WIA volgt dat inkomen uit arbeid op de WIA-uitkering in mindering wordt gebracht. Op grond van het vierde lid van artikel 52 wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald wat onder inkomen als bedoeld in dit artikel wordt verstaan.

1.2

Ter uitvoering van onder meer artikel 52, vierde lid, van de Wet WIA is het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) vastgesteld.

Artikel 3:2, eerste lid, aanhef en onder b, sub 1, van het AIB luidt als volgt:

Onder inkomen wordt verstaan: het loon bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de loonbelasting 1964, voor zover de uitkeringsgerechtigde niet als werknemer als bedoeld in onderdeel a inkomen verdient, met dien verstande dat niet tot het inkomen worden gerekend:

1. hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in die wet wordt genoten;

2. (…)

Artikel 3:3, tweede lid, van het AIB luidt als volgt:

Ingeval van een uitkeringsgerechtigde voor wie naast recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of recht op een reguliere WW-uitkering recht bestaat op:

  1. loondoorbetaling;

  2. (…)

wordt tevens onder inkomen verstaan het inkomen, bedoeld in artikel 3:2, eerste lid, dat werd genoten in het aangiftetijdvak voor het aangiftetijdvak waarin recht ontstond op loon, bezoldiging respectievelijk uitkering.

2. Als vaststaand wordt aangenomen dat eiseres in het zogenaamde derde ziektejaar zat. Aan de toenmalige werkgever van eiseres was een loondoorbetalingsverplichting opgelegd tot 21 augustus 2014. De toenmalige werkgever had deze loondoorbetaling beëindigd vanwege een geschil met eiseres over de re-integratie. Bij beschikking van
11 april 2014 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen eiseres en haar werkgever ontbonden met ingang van 1 mei 2014 en eiseres daarbij een vergoeding toegekend van € 12.250,- bruto.

3.1

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat ingevolge het AIB in het geval van loondoorbetaling tijdens ziekte, waarop aanspraak bestaat naast het recht op WIA-uitkering, het bedrag dat wordt betaald als gevolg van de loondoorbetalingsverplichting als inkomen moet worden beschouwd. Volgens verweerder heeft de kantonrechter voor de hoogte van de vergoeding aansluiting gezocht bij de loonsanctieperiode en 70% van het contractuele salaris in het laatste ziektejaar tot
21 augustus 2014 als uitgangspunt voor de vergoeding genomen.

3.2

Eiseres huldigt het standpunt dat de door de kantonrechter toegekende vergoeding niet als loon moet worden aangemerkt maar als een vergoeding naar billijkheid ter aanvulling van uitkeringen. Dat hierbij is aangeknoopt bij de loondoorbetalingsverplichting van haar werkgever doet hieraan niet af. Bovendien kan de vergoeding niet als loon worden aangemerkt omdat haar arbeidsovereenkomst per 1 mei 2014 was ontbonden.

4.1

In geschil is of de door de kantonrechter aan eiseres toegekende vergoeding, voor zover het de periode van 1 mei tot 21 augustus 2014 betreft, als inkomen dient te worden aangemerkt en als zodanig in mindering mag worden gebracht op de door verweerder aan eiseres met ingang van 1 mei 2014 toegekende WIA-uitkering.

4.2

Hoewel dit in het bestreden besluit bepaald niet inzichtelijk is gemaakt – er is slechts verwezen naar de artikelen 3:2 en 3:3 van het AIB, die beide zeer omvangrijk zijn – gaat de rechtbank er gelet op de inhoud van het verweerschrift, een nadere schriftelijke toelichting en de toelichting ter zitting van uit dat verweerder het bestreden besluit kennelijk heeft gebaseerd op artikel 3:3, tweede lid, onder a, van het AIB.

4.3

De rechtbank volgt verweerder niet in diens onderbouwing van het bestreden besluit dat de door de kantonrechter aan eiseres toegekende vergoeding moet worden beschouwd als loondoorbetaling als bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, onder a, van het AIB. Zij is van oordeel dat deze vergoeding, voor zover het de periode van 1 mei 2014 tot 21 augustus 2014 betreft, dient te worden aangemerkt als inkomen uit vroegere dienstbetrekking, dat gelet op het bepaalde in artikel 3:2, eerste lid, onder b, sub 1, van het AIB niet tot het inkomen als bedoeld in de Wet WIA wordt gerekend. De rechtbank betrekt hierbij dat uit de Memorie van toelichting bij de Wet Walvis (Kamerstukken II 2001/02 28 219, nr. 3, blz. 108) blijkt dat beoogd is voor het begrip tegenwoordige dienstbetrekking aan te sluiten bij de rechtspraak van de Hoge Raad in fiscale geschillen over het onderscheid tussen tegenwoordige en vroegere dienstbetrekking. Slechts voor zover het loon een rechtstreekse beloning vormt voor bepaalde arbeid of in een bepaald tijdvak verrichte arbeid is sprake van loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en maakt het deel uit van het sociaal-verzekeringsrechtelijk loonbegrip. Indien een werkgever loon betaalt in een situatie waarin daarvoor geen uit de arbeidsovereenkomst en het BW voortvloeiende verplichting valt aan te wijzen kan dat loon niet worden aangemerkt als tegenprestatie voor verrichte arbeid. Er is dan sprake van loon uit vroegere dienstbetrekking. Daarbij overweegt de rechtbank verder dat de arbeidsovereenkomst van eiseres reeds per 1 mei 2014 is ontbonden en dat de kantonrechter in zijn beschikking van 11 april 2014 heeft overwogen dat de vergoeding is bedoeld als compensatie voor de inkomensschade die eiseres als gevolg van de beëindiging van haar dienstverband lijdt. De kantonrechter heeft weliswaar ter onderbouwing van de hoogte van het bedrag van de vergoeding overwogen dat de werkgever bij continuering van het dienstverband tot 21 augustus 2014 een bedrag gelijk aan deze vergoeding als salaris aan eiseres zou hebben moeten doorbetalen en daarna geen loonbetalingsverplichting meer zou hebben, maar heeft niet bepaald dat de toegekende vergoeding voor de periode 1 mei 2014 tot 21 augustus 2014 als loondoorbetaling moet worden beschouwd.

4.4

Omdat de aan eiseres toegekende vergoeding, voor zover het de periode van 1 mei 2014 tot 21 augustus 2014 betreft, gelet op het onder 4.3 overwogene niet tot het inkomen als bedoeld in de Wet WIA moet worden gerekend, heeft verweerder ten onrechte de door eiseres ontvangen vergoeding over die periode op de WIA-uitkering in mindering gebracht.

4.5

Gelet op het hiervoor overwogene kan het bestreden besluit niet in stand blijven wegens strijd met artikel 3:2, eerste lid, onder b, sub 1, van het AIB in verbinding met artikel 3:3, tweede lid, onder a van het AIB. Het beroep is daarom gegrond. Uit het voorgaande volgt dat ook het primaire besluit niet in stand kan blijven, voor zover verweerder daarin een korting heeft toegepast van € 1.447,63 per maand op de WIA-uitkering van eiseres over de periode van 1 mei 2014 tot 21 augustus 2014. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien door het bezwaar gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen, voor zover verweerder daarin een korting heeft toegepast van € 1.447,63 per maand op de WIA-uitkering van eiseres over de periode van 1 mei 2014 tot 21 augustus 2014.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.960,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt daarbij dat deze uitspraak wat betreft de in bezwaar gemaakte proceskosten in de plaats treedt van het bestreden besluit.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar tegen het primaire besluit gegrond;

- herroept het primaire besluit, voor zover daarin een korting is toegepast van
€ 1.447,63 per maand op de WIA-uitkering van eiseres over de periode van 1 mei 2014 tot 21 augustus 2014;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.960,- te betalen aan eiseres, met bepaling dat deze uitspraak wat betreft de in bezwaar gemaakte proceskosten in de plaats treedt van het bestreden besluit.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van

mr. H. van der Waal-de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
13 november 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.