Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:8396

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-10-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
C/10/485811 / KG ZA 15-1076
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering in kort geding ex artikel 843a Rv. ter zake van stukken die nodig zijn in een andere gerechtelijke procedure. Oplegging van een hogere dwangsom dan gevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/485811 / KG ZA 15-1076

Vonnis in kort geding van 30 oktober 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. G.A. Nandoe Tewarie,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. R. Van Venetiën.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de overgelegde producties

  • -

    de mondelinge behandeling op 16 oktober 2015

  • -

    de pleitnota van de man

  • -

    het nagekomen faxbericht van de vrouw van 16 oktober 2015, met bijlagen (zoals ter zitting besproken)

  • -

    het nagekomen faxbericht van de man van 19 oktober 2015, met bijlage (zoals ter zitting besproken).

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn voormalige echtelieden. In de (op tegenspraak gegeven) echtscheidingsbeschikking van 30 september 2014 van de rechtbank Den Haag is onder meer, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de man aan de vrouw dient te betalen:

-een partneralimentatie van € 4.365,- per maand tot 1 september 2015 en van € 3.650,- per maand vanaf 1 september 2015;

-ten behoeve van de twee kinderen van partijen: een kinderalimentatie van € 408,- per kind per maand tot 1 september 2015 en van € 377,- per kind per maand vanaf 1 september 2015.

2.2.

De vrouw heeft in april 2015 het landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) opdracht gegeven tot incasso van achterstallige alimentatie. Nadien heeft de vrouw ook de onderneming “Nationaal Loket Inning Alimentatie” ingeschakeld ter incassering van achterstallige alimentatie.

2.3.

De man is directeur-grootaandeelhouder van een beheer-BV. Deze beheer-BV houdt 50% van de aandelen in een dochter-BV die een verkeerschool exploiteert. De overige 50% van de aandelen in deze dochter-BV worden gehouden door een broer van de man.

2.4.

Tussen partijen is een procedure in hoger beroep aanhangig bij het Gerechtshof

‘s-Gravenhage. In die procedure verzoekt de man de hem opgelegde alimentatie op nihil te stellen wegens gebrek aan draagkracht. In die procedure heeft op 19 juni 2015 een zitting plaats gevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. In het proces-verbaal staat onder meer:

Voorzitter: De man heeft in de onderneming betreffende de verkeersschool een stemrecht van 50%. De man kan derhalve niet zelfstandig beslissingen meenemen. In het kader van de draagkracht is derhalve slechts de beheer-b.v. van belang. De vrouw wordt in de gelegenheid gesteld om door haar accountant te laten onderzoeken of er mogelijk een hoger inkomen uit de beheer-b.v. kan worden gegenereerd. Het hof wil uiterlijk op 15 augustus 2015 de reactie van de vrouw hieromtrent ontvangen.”

2.5.

De accountant van de vrouw heeft bij brief van 24 augustus 2015 aan de vrouw het volgende geschreven:

Naar aanleiding van mijn verzoek per mail om de jaarstukken 2012 en 2013 van Verkeerschool [BV] op te vragen begreep ik dat de wederpartij niet bereid was deze te verstrekken omdat volgens hen alle informatie in de geconsolideerde stukken reeds was opgenomen.

De reden dat ik de separate jaarberichten had opgevraagd was naar aanleiding van de twijfel

die ik had bij deze geconsolideerde jaarstukken 2013 van Verkeerschool [BV] . In

dit geconsolideerde rapport 2013 van Verkeerschool [BV] is op pagina 16 een

toelichting opgenomen op de vennootschappelijke balans van Verkeerschool Van Buuren

B.V.. Deze bijlage tref je bijgaand aan. Onder de deelnemingen in groepsmaatschappijen is

de deelneming Verkeerschool Beroepsopleidingen B.V. opgenomen per 31 december 2013

ad € 121.254. Omdat dit afzonderlijke jaarrapport ontbrak heb ik het publicatierapport van

[BV4] opgevraagd bij de Kamer van Koophandel die je

eveneens bijgaand aantreft. Daaruit blijkt dat deze waarde van de deelneming 100% aansluit

met het eigen vermogen volgens de gepubliceerde balans.

Wat echter niet aansluit en wat de reden voor mij is geweest om dit publicatierapport op te

vragen is dat er volgens de vennootschappelijke jaarrekening van Verkeerschool Van Buuren

B.V. een enorme vordering bestaat op Verkeerschool [BV4]

per 31 december 2013 groot € 528.591. In het publicatierapport van Van Buuren

Beroepsopleidingen B.V. blijkt er een totale kortlopende schuld te zijn per 31 december 2013

van in totaal € 44.367 en komt deze hoge schuld aan Verkeerschool [BV] ad

€ 528.591 dan ook vreemd genoeg niet voor. Ik zou daar graag namens jou dan ook een

sluitende verklaring voor willen ontvangen.

Is er geld tijdelijk overgeheveld naar een andere B.V.? De reden van een dergelijke hoge vordering was mij onduidelijk en kan natuurlijk van invloed zijn op wel/niet dividend kunnen uitkeren door Verkeerschool [BV] aan [BV2] Het is overigens duidelijk dat [BV2] dat niet zelfstandig (50% aandeelhouder) kan besluiten maar het is ook duidelijk dat die behoefte uit hoofde van de echtscheiding er ook niet is om dat te doen.

Overigens staat er in diezelfde jaarrekening (pag 6) ook nog een vordering op [BV3]

welke ten opzichte van 2012 toegenomen is van € 164.385 tot

€ 289.346 per 31 december 2013. Dat zou zijn als gevolg van frauduleus toegang verkrijgen

door derden tot bankrekeningen van de Verkeerschool. Dat geld zou daar dan tijdelijk gestald

zijn. Overigens staan er wel gewoon middelen op andere bankrekeningen bij Verkeerschool

[BV] waardoor dit een wat vreemde voorstelling van zaken lijkt. Ook dit geld zou

dan terug kunnen vloeien naar de vennootschap en is eveneens van invloed op de liquiditeitspositie ten behoeve van een eventuele dividenduitkering.

2.6.

De vrouw heeft executoriaal beslag doen leggen ten laste van de man. Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 1 september 2015 is een vordering van de man om de door de vrouw gelegde executoriale beslagen op te heffen, afgewezen. De voorzieningenrechter heeft daartoe, samengevat, geoordeeld dat de keuze van de man om in de echtscheidingsprocedure bij de rechtbank bepaalde financiële bescheiden niet over te leggen uit vrees van de man dat de vrouw deze stukken aan een concurrent van de man zou doorspelen, voor zijn risico kwam.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert, samengevat, de man te veroordelen tot:

  • -

    afgifte van de volledige jaarstukken van de vennootschap [BV4] , op straffe van verbeurte van dwangsom,

  • -

    nakoming van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 30 september 2014, op straffe van verbeurte van dwangsom met een maximum van € 5.000,- te vervangen door lijfsdwang.

3.2.

De vrouw stelt daartoe het volgende. De vrouw geniet een zeer gering inkomen en verkeert samen met de kinderen in penibele financiële omstandigheden. De man komt zijn alimentatieverplichting ten onrechte niet goed na. De man heeft samen met zijn broer een rijschool. De man heeft vlak voor de zitting in de hoger beroepsprocedure nieuwe financiële gegevens overgelegd. Ter zitting heeft het gerechtshof de zaak aangehouden onder meer teneinde de vrouw in de gelegenheid stellen deze bescheiden te bespreken met haar accountant. Uit bestudering van deze stukken is het de vrouw gebleken dat de man nog andere inkomsten geniet, namelijk uit de vennootschap [BV4] Deze inkomsten waren de vrouw -en het gerechtshof- nog niet bekend. De man weigert inlichtingen aan de vrouw te verschaffen over deze vennootschap. Deze gegevens zijn belangrijk voor de vrouw omdat extra inkomsten zowel de draagkracht van de man als de welstand tijdens huwelijk (en daarmee de behoefte aan alimentatie) verhogen. De man heeft desverzocht geweigerd deze informatie aan de vrouw te verschaffen. De vrouw beroept zich voor haar vordering op de artikelen 1:83 BW en 843a Rv.

3.3.

De man voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vrouw vordert in deze procedure gegevens die zij (primair) wil aanwenden in de procedure die thans bij het gerechtshof Den Haag aanhangig is over de aan de man opgelegde alimentatie. Voor zover de vrouw ook in die procedure over mogelijkheden beschikt om tot verkrijging van de verlangde informatie te komen, neemt dit de bevoegdheid van de voorzieningenrechter in de onderhavige procedure om een beslissing te nemen op de grond van artikel 843a Rv. nog niet weg (HR 8 februari 2013 ECLI:NL:HR:2013:BY6111).

4.2.

De man heeft ter zitting aangevoerd dat de vrouw geen (spoedeisend) belang heeft bij haar vordering tot overlegging van stukken omdat de procedure bij het gerechtshof zich inmiddels in staat van wijzen zou bevinden, zodat geen nieuwe stukken meer ingebracht zouden mogen worden. Dit verweer blijkt, op basis van door partijen –zoals ter zitting afgesproken- na de zitting overgelegde stukken, feitelijk onjuist. Uit het door de vrouw na de zitting overgelegde roljournaal blijkt dat een nieuwe zitting is gepland bij het gerechtshof op 18 november 2015. In zijn faxbericht van na de zitting heeft de man alsnog erkend dat de procedure bij het gerechtshof zich niet in staat van wijzen bevindt. Dit betekent dat de vrouw nog de mogelijkheid heeft om nieuwe stukken in geding te brengen in de procedure bij het gerechtshof. Het spoedeisend belang van de vrouw is daarmee gegeven. Dit spoedeisend belang is des te groter nu de nieuwe zitting bij het gerechtshof plaats zal vinden spoedig nadat onderhavig vonnis wordt gewezen.

4.3.

Artikel 843a lid 1 Rv bindt de toewijsbaarheid van de daar bedoelde vordering aan drie cumulatieve voorwaarden:

(i) degene die de vordering doet, dient een rechtmatig belang te hebben, en

(ii) het moet gaan om bepaalde bescheiden,

(iii) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is.

Het vierde lid bepaalt dat degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, niet gehouden is aan deze vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige

redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke

rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

4.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldaan is aan voormelde voorwaarden. De vrouw heeft een rechtmatig belang bij de door haar verlangde stukken, die zij wil aanwenden ter onderbouwing van haar standpunt in de procedure bij het gerechtshof over de draagkracht van de man en de welstand der partijen tijdens het huwelijk. In dit oordeel betrekt de voorzieningenrechter het standpunt van accountant van de vrouw zoals verwoord in diens -aangehaalde- brief van 24 augustus 2015, welke inhoud een genoegzame onderbouwing vormt van het belang van de vrouw.

4.5.

Het is niet zonder meer gezegd dat het gerechtshof de door de vrouw gevorderde stukken niet (alsnog) in zijn beoordeling zal willen betrekken. De omstandigheid dat een nieuwe zitting is gepland wijst er in ieder geval op dat het processueel debat op enigerlei wijze is heropend. Daarbij komt dat de brief van de accountant van de vrouw van 24 augustus 2015 een financieel-technische onderbouwing geeft waarom deze stukken wel relevant zijn. Deze brief dateert van na de eerste zitting en is in zoverre een nieuw feit in de procedure bij het gerechtshof. De voorzieningenrechter is niet in staat om de deugdelijkheid van deze nieuwe onderbouwing hier in kort geding te toetsen en het is niet aan de voorzieningenrechter een processuele beslissing te nemen omtrent het betrekken van stukken in de beoordeling. Deze beslissing is (vanzelfsprekend) aan het gerechtshof voorbehouden. De stellingname van de vrouw zal wellicht niet worden gevolgd door het gerechtshof, maar gelet op de nadere onderbouwing van de accountant van de vrouw is deze stellingname op voorhand zeker niet kansloos te achten.

4.6.

Daarbij komt dat het belang van de vrouw niet slechts hoeft te zijn gelegen in de procedure bij het gerechtshof. De vrouw heeft ter zitting gesteld dat, voor zover het gerechtshof de onderhavige stukken niet zal betrekken in zijn beoordeling, de vrouw de verlangde stukken wenst aan te wenden in een nieuwe procedure (in eerste aanleg) tot wijziging van door de rechter vastgestelde alimentatie. Ook dit is een voldoende belang. De wet biedt de mogelijkheid tot aanpassing van vastgestelde alimentatie te komen onder meer in geval van, kort gezegd, gewijzigde omstandigheden of indien de alimentatie van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij de uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

4.7.

De man heeft in zijn faxbericht van na de zitting (opeens) gesteld dat de gevorderde jaarstukken inmiddels alsnog door hem zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel, zodat deze stukken inmiddels openbaar zijn geworden. Volgens de man heeft de vrouw (ook) daardoor geen belang meer bij haar onderhavige vordering tot overlegging van deze stukken. De voorzieningenrechter gaat niet mee in dit verweer reeds omdat niet kan worden vastgesteld of deze deponering deugdelijk en volledig is. In dit oordeel wordt mede betrokken dat de man tegenover de voorzieningenrechter het onjuiste standpunt heeft ingenomen dat de procedure bij het gerechtshof zich in staat van wijzen zou bevinden. Dit geeft aanleiding de stellingname van de man kritisch te bezien en niet zonder meer juist te achten.

4.8.

In het petitum staat niet over welke jaren de vrouw de jaarstukken verlangt. De voorzieningenrechter begrijpt uit de aangehaalde brief van de accountant van de vrouw dat de vrouw de jaarstukken over de jaren 2012 en 2013 verlangt. Aldus zal worden beslist.

4.9.

De tweede mondelinge behandeling zal plaatsvinden zeer spoedig nadat onderhavig vonnis wordt gewezen. Dit is een nieuwe ontwikkeling, die pas is gebleken na de zitting in de onderhavige procedure. Deze ontwikkeling maakt dat de vrouw de stukken zeer spoedig nodig heeft, wil zij deze nog tijdig in kunnen brengen. Hierin vindt de voorzieningenrechter aanleiding om deels een hogere dwangsom op te leggen dan de gevorderde € 150,- per dag, welk bedrag mogelijk binnen deze korte termijn niet een voldoende afschrikwekkend effect zal hebben voor de man. Daarbij zij aangetekend dat de rechter bij een dwangsomveroordeling niet gebonden is aan het desbetreffende petitum (BenGH 17 december 1992, NJ 1993/545). Een en ander is ook aanleiding geweest om (reeds) heden vonnis te wijzen.

4.10.

De vrouw heeft het tweede deel van haar vordering, betreffende veroordeling van de man tot nakoming van een gerechtelijke uitspraak, ter zitting ingetrokken. Dit

onderdeel behoeft mitsdien geen bespreking meer.

4.11.

De proceskosten tussen partijen (ex echtelieden) zullen worden gecompenseerd.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt de man tot afgifte aan de vrouw van de jaarstukken van Van Buuren Beroepsopleidingen [BV] over de jaren 2012 en 2013 binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 3.000,- ineens en vermeerderd met een dwangsom van € 100,- per dag, met een maximum van € 5.000,-,

5.2.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2015.

2517/2009