Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:8357

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-11-2015
Datum publicatie
07-12-2015
Zaaknummer
ROT 14/8688
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verklaring van geen bezwaar, Wet veiligheidsonderzoeken (Wvo), Beleidsregel veiligheidsonderzoeken Defensie, geen samenwerkingsrelatie tussen inlichtingen- en veiligheidsdiensten, partnerbeleid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 14/8688

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 november 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. A.E. Schat,

en

de Minister van Defensie, verweerder,

gemachtigden: mr. A.I. Bieri en mr. L. Beening.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verklaring van geen bezwaar ingetrokken.

Bij besluit van 30 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser heeft sinds 28 november 2011 een affectieve relatie met [de vrouw] van Georgische nationaliteit (partner). Op 10 september 2012 is het huwelijk tussen hen gesloten. De partner van eiser heeft voor haar inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie van [woonplaats] op 6 mei 2013 niet in Nederland gewoond.

Eiser was ten tijde van het hernieuwd veiligheidsonderzoek aangesteld in de functie van wachtmeester eerste klas der Koninklijke Marechaussee.

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit het besluit tot intrekking van de verklaring van geen bezwaar gehandhaafd en heeft aan de intrekking het bepaalde in artikel 6 van de Beleidsregel veiligheidsonderzoeken Defensie (de Beleidsregel) in verbinding met artikel 10 van de Wet veiligheidsonderzoeken (Wvo) gelegd. Verweerder hanteert als uitgangspunt, dat bij het veiligheidsonderzoek ook de gedragingen van een partner in ogenschouw worden genomen, omdat een partner wordt geacht aanmerkelijke invloed uit te oefenen op de gedragingen van een vertrouwensfunctionaris. Omdat Nederland geen samenwerkingsrelatie met de Georgische inlichtingen- en veiligheidsdienst heeft, is het voor verweerder niet mogelijk om noodzakelijke gegevens over de partner van eiser te verkrijgen. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat er voldoende waarborgen aanwezig zijn dat de persoonlijke gedragingen en omstandigheden van de partner geen aanleiding geven te concluderen dat eiser onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Verweerder heeft in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden tot afwijken van de Beleidsregel. Van strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is verweerder niet gebleken.

3. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij direct open is geweest tegenover zijn werkgever over zijn relatie met zijn partner uit Georgië. Al in december 2011 heeft hij mondeling melding gemaakt van zijn relatie en in oktober 2012 schriftelijk. Eiser mocht ook nadat verweerder in oktober 2013 het voornemen tot intrekking van de verklaring bekend had gemaakt, zijn vertrouwensfunctie nog geruime tijd uitoefenen. Eerst op 24 maart 2014 is eiser op non-actief gesteld.

Eiser heeft gesteld dat het partnerbeleid niet kenbaar voor hem was. Eiser verwijst daartoe naar de antwoorden van verweerder op vragen van de vaste commissie voor Defensie van de Tweede Kamer der Staten Generaal over het intrekken van Verklaringen van Geen Bezwaar van 21 mei 2014 en van 12 juni (zonder jaartal), waaruit hij meent te mogen afleiden dat verweerder heeft onderkend dat zijn medewerkers onvoldoende op de hoogte waren van het partnerbeleid. Eiser heeft nimmer een veiligheidsbriefing gehad waarin werd gerefereerd aan het partnerbeleid. Ook zijn verantwoordelijke leidinggevende alsmede de veiligheidsfunctionaris waren niet bekend met dit beleid, aldus eiser.

Verder heeft verweerder ten onrechte de authenticiteit van de door eiser overgelegde documenten uit Georgië over zijn partner in twijfel getrokken en verzuimd daarnaar onderzoek te doen.

Het bestreden besluit is, tot slot in strijd met het bepaalde in artikel 8 van het EVRM.

4.1.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wvo is Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze Minister dan wel het bevoegd gezag van een Hoog College van Staat, bevoegd tot het intrekken van de verklaring, indien hem blijkt dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen.

Op grond van het tweede lid ontheft, indien een verklaring is ingetrokken, de werkgever de betrokken persoon zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen acht weken na de intrekking van de verklaring, uit de vertrouwensfunctie.

4.2.

Verweerder voert ter zake een beleid neergelegd in de Beleidsregel veiligheidsonderzoeken Defensie van 21 oktober 2013 nummer BS2013028648 (Beleidsregel).

Deze Beleidsregel is met ingang van 1 november 2013 in werking getreden.

Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Beleidsregel blijven van veiligheidsonderzoeken die zijn ingesteld vóór inwerkingtreding van deze beleidsregel de Beleidsregeling justitiële antecedenten bij veiligheidsonderzoeken Defensie en de Beleidsregeling justitiële antecedenten bij veiligheidsonderzoeken Koninklijke Marechaussee van 25 mei 1997, zoals deze luidden op het tijdstip van inwerkingtreding van de Beleidsregel veiligheidsonderzoeken Defensie, van toepassing. Een afschrift van deze beleidsregelingen is door de gemachtigde van verweerder ter zitting overgelegd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

Verweerder komt beoordelingsvrijheid toe bij de bepaling of in een concrete situatie al dan niet voldoende waarborgen als bedoeld in artikel 10 van de Wvo aanwezig zijn. Aan de in het geding zijnde intrekking van de verklaring van geen bezwaar heeft verweerder de op 1 november 2013 van kracht getreden Beleidsregel veiligheidsonderzoeken Defensie ten grondslag gelegd. Uit de gedingstukken blijkt echter dat eiser reeds bij brief van 10 oktober 2013 op de hoogte is gebracht van verweerders voornemen eisers verklaring van geen bezwaar in te trekken. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat het veiligheidsonderzoek naar eiser is aangevangen vóór de inwerkingtreding van de Beleidsregel, zodat het onder 4.2. vermelde overgangsrecht van toepassing is op het veiligheidsonderzoek. Bij de intrekking van de verklaring van geen bezwaar is door verweerder dan ook een onjuist toetsingskader gehanteerd, zodat het bestreden besluit op een onjuiste grondslag berust.

6. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient reeds hierom te worden vernietigd.

7. Het gebrek is van dien aard dat het niet mogelijk is de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daarover overweegt de rechtbank als volgt.

Het op de zaak van eiser van toepassing zijnde beleid: Beleidsregeling justitiële antecedenten veiligheidsonderzoeken Koninklijke Marechaussee van 25 mei 1997 (Beleidsregeling) kent geen regels over de partner. Voor zoverre er voorheen een partnerbeleid door verweerder is gevoerd, is er dan sprake van het voeren van een bestendige gedragslijn.

Een gedragslijn die niet is neergelegd in een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, mag verweerder volgen indien verweerder de keuze daarvoor bij ieder individueel besluit opnieuw motiveert. Daarbij kunnen zich feiten of omstandigheden voordoen op grond waarvan verweerder aanleiding behoort te zien om van zijn vaste gedragslijn af te wijken. Gelet daarop gaat de rechtbank er vanuit dat verweerder bij een nieuw te nemen beslissing op bezwaar onder meer zal motiveren hoe eisers positie moet worden gewogen in het licht van hetgeen hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 490,-- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 165,-- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 980,--, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, voorzitter, en mr. C.M. van Hoorn en

mr. I.S. Vreken-Westra, leden, in aanwezigheid van drs. S.R. Jonkergouw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.