Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:8175

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
C/10/431475 / HA ZA 13-860
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geschil van groot financieel belang over werknemersparticipatieplan; conversie; certifcaten; aandelen; Shareholder’s Agreement; Permitted Assignees; trust; internationale aspecten; uitleg afspraken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2174
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/431475 / HA ZA 13-860

Vonnis van 7 oktober 2015

in de zaak van

de vennootschap naar het recht van de staat Texas, Verenigde Staten van Amerika,

PLANCK INVESTMENTS LP,

gevestigd te Westport, Connecticut, Verenigde Staten,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. R. van de Klashorst,

tegen

1. de stichting

STICHTING TINSEL GROUP,

gevestigd te Rotterdam,

2. de vennootschap naar het recht van Luxemburg

TINSEL GROUP S.A.,

gevestigd te Luxemburg, Luxemburg

3. de vennootschap naar het recht van Luxemburg

VITOL HOLDING II S.A.,

gevestigd te Munsbach, Luxemburg,

4. [gedaagde],

wonende te Vessy, Zwitserland,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. B. Winters.

Partijen zullen hierna Planck en Tinsel c.s. genoemd worden. Wanneer gedaagden afzonderlijk bedoeld zijn worden zij respectievelijk aangeduid als Stichting Tinsel, Tinsel Group, Vitol Holding en [gedaagde] .

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het incidenteel vonnis van 8 augustus 2012 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie, tevens vermeerdering van eis, en van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in voorwaardelijke reconventie, tevens eisvermeerdering in voorwaardelijke reconventie, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek in voorwaardelijke reconventie, tevens antwoordakte eisvermeerdering en akte uitlaten producties;

  • -

    akte tot eisvermeerdering en overlegging productie 90 van de zijde van Planck;

  • -

    akte tot overlegging van producties 116 tot en met 119 van de zijde van Tinsel c.s.;

  • -

    de op 29 mei 2015 gehouden pleidooien, de bij die gelegenheid overgelegde pleitnotities alsmede de akte tot overlegging van aanvullende producties 91 en 92 van de zijde van Planck.

Tenslotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Vitol Holding is de Luxemburgse tophoudstermaatschappij van haar 100% dochtervennootschap Vitol Holding B.V. en alle groepsmaatschappijen van Vitol Holding B.V. (de “Vitol Groep”). De Vitol Groep houdt zich bezig met de handel in energie en het opsporen, produceren, raffineren, opslaan en transporteren van energie. De Vitol Groep opereert wereldwijd en heeft zowel in de VS als elders werknemers.

2.2.

De Vitol Groep kent/kende het volgende werknemersparticipatieplan. Vitol Holding geeft aandelen uit aan Stichting Administratiekantoor Vitol Holding II (hierna: Stichting Vitol). Stichting Vitol oefent de stemrechten op de aandelen van Vitol Holding uit. Stichting Vitol geeft certificaten van de aandelen van Vitol Holding (hierna: Vitol certificaten) uit aan daarvoor door Vitol Holding geselecteerde werknemers van de Vitol Groep.

2.3.

Er bestaan twee categorieën van aandelen in Vitol Holding, te weten gewone, winstdelende aandelen aangeduid met de letter “D” en het jaar van uitgifte (hierna: Vitol aandelen D) en preferente aandelen aangeduid met de letter “P” en het jaar van uitgifte (hierna: Vitol aandelen P). Vitol Holding geeft periodiek, gewoonlijk elke twee jaar, nieuwe aandelen D uit aan Stichting Vitol, op welk moment de daarvoor laatstelijk uitgegeven categorie Vitol aandelen D wordt geconverteerd in Vitol aandelen P met hetzelfde jaar van uitgifte. Gelijktijdig daarmee bepaalt het bestuur van Vitol Holding welke werknemers voor welk percentage mogen participeren in Vitol Holding en nieuwe Vitol certificaten mogen kopen. De nieuw uit te geven Vitol certificaten D reflecteren de nieuwe Vitol aandelen D. Voor de reeds uitstaande Vitol certificaten worden besluiten genomen waardoor deze, vanaf het moment waarop nieuwe Vitol aandelen D worden uitgegeven, de (in Vitol aandelen P geconverteerde) Vitol aandelen D van de voorgaande uitgifte reflecteren. Aldus wordt iedere twee jaar een nieuwe verdeling van de winstaanspraken voor die twee-jaars-periode bereikt en hebben per saldo de Vitol aandelen D een tijdelijk karakter in die zin, dat zij slechts voor een periode van twee jaar de houder een winstrecht verschaffen.

2.4.

Onder het onder 2.2 en 2.3 bedoelde werknemersparticipatiesysteem voor de Amerikaanse werknemers werden door Vitol Holding periodiek aandelen P ingekocht (redemption) tegen de intrinsieke waarde daarvan, waarna Vitol Holding deze aandelen P intrekt (cancellation). Gelijktijdig daarmee trekt Stichting Vitol de hiermee corresponderende Vitol Certificaten P ook in. De opbrengst van de inkoop van de aandelen P door Vitol Holding ontvangt Stichting Vitol, die deze opbrengst op haar beurt uitkeert aan de Vitol Certificaathouders van wie de corresponderende Vitol Certificaten P zijn ingetrokken. De certificaathouders incasseren de winst over de betreffende twee voorafgaande jaren op dat moment. Het hiervoor beschreven systeem heeft voor de Amerikaanse werknemers aldus gegolden tot 1 januari 2007 (voor de anderen geldt het nog steeds).

2.5.

Alvorens geselecteerde werknemers voor de eerste keer Vitol certificaten ontvangen moeten zij een zogenaamde “Shareholder’s Agreement” (hierna: SHA) ondertekenen. Daarbij zijn steeds de betreffende werknemer, Vitol Holding en Stichting Vitol partij.

2.6.

Het bestuur van Vitol Holding heeft in 2004 besloten om deelnemers aan het werknemersparticipatieplan de mogelijkheid te bieden om hun Vitol certificaten geheel of gedeeltelijk aan echtgenoten, kinderen of trusts die voor die echtgenoten of kinderen zijn opgericht - hierna: permitted assignees - over te dragen. Een permitted assignee kon pas worden toegelaten na schriftelijke kennisgeving aan en goedkeuring van het bestuur van Vitol Holding en na ondertekening van een Deed of Adherence. Door ondertekening van de Deed of Adherence werd de permitted assignee partij bij de SHA van de betreffende deelnemer aan het werknemersparticipatieplan.

2.7.

[persoon1] (hierna: [persoon1] ) is de in de Verenigde Staten woonachtige CEO van een van de ondernemingen die behoren tot de Vitol Groep. [persoon1] is deelnemer in het werknemersparticipatieplan en Vitol Holding heeft in de relevante periode elke twee jaar certificaten toegekend aan [persoon1] .

2.8

Op 10 januari 2005 hebben [persoon1] en zijn toenmalige echtgenote [persoon2] (hierna: [persoon2] ) ieder 225 Vitol D-certificaten, uitgegeven in 2005 (hierna: D2005-certificaten), tegen een symbolische vergoeding van USD 10 overgedragen aan Planck. Planck is een Texaanse “limited partnership”. Daarna hebben de heer en mevrouw [persoon1en2] hun belangen in Planck geschonken aan Nova trust. De overdracht van voornoemde certificaten is onherroepelijk. Nova Trust is een trust gecreëerd ten behoeve van de drie kinderen van [persoon1] en [persoon2] . De trustee van Nova Trust is een broer van [persoon1] , [persoon3] .

2.9

Vitol Holding heeft Planck toegelaten als Permitted Assignee. In januari 2005 heeft Planck een Deed of Adherence als hiervoor bedoeld onder 2.6 ondertekend.

2.10

Voor de werknemers van de Vitol Group die in de VS wonen leidde het onder 2.2, 2.3 en 2.4 beschreven systeem waarin periodiek nieuwe D-aandelen worden uitgegeven tot belastingheffing bij iedere nieuwe uitgifte. Ter vermindering van deze negatieve fiscale gevolgen is in 2006 tussen de Stichting Vitol en de Amerikaanse werknemers de Tinsel-structuur (Tinsel Group en Stichting Tinsel) geplaatst. In die structuur houdt Tinsel Group de Vitol certificaten ten behoeve van de Amerikaanse werknemers. Stichting Tinsel houdt de aandelen in Tinsel Group en geeft daarmee corresponderende certificaten (hierna: Tinsel Group certificaten) uit aan de Amerikaanse werknemers. De Tinsel Group certificaten reflecteren het aantal en de soort Vitol certificaten waartoe deze werknemers economisch gerechtigd zijn (het ‘mandje’).

2.11

De statuten van Tinsel Group luiden, voor zover relevant, als volgt:

Art. 5. Share capital.

5.3

The shares of the Company (de Company is Tinsel Group, opmerking rechtbank) shall reflect the performance of a given underlying combination in shares of [Vitol Holding], as initially determined by the resolutions of the shareholders of the Company at the time of the creation of the relevant shares, as such combination may be amended from time to time in accordance with article 5.5 (Rechtbank: lees 5.4) of these Articles.

5.4. (…)

The General Meeting of Shareholders may also create new classes of shares, redeem classes of shares in whole or in part, and amend the combination of [Vitol Holding] shares which a given class of shares reflects.

2.12

Bij iedere nieuwe uitgifte van Vitol certificaten ten behoeve van (uiteindelijk) Amerikaanse werknemers van Vitol past Stichting Tinsel het ‘mandje’ onderliggende Vitol certificaten dat vertegenwoordigd door een Tinsel Group certificaat als bedoeld in art. 5 van haar statuten aan.

2.13

Bij “Share Transfer Agreement” van 6 december 2006 heeft [persoon1] aan Stichting Tinsel 300 Vitol certificaten P 2003 en 405 certificaten Vitol D 2005 overgedragen, in ruil waarvoor [persoon1] 300 “Class A common” en 105 “Class S1 common” certificaten in Tinsel Group heeft verkregen. Deze Share Transfer Agreement luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

“3. Transferor expressly gives up its rights and entitlements to subscribe for any new shares of Vitol Holding II either directly or indirectly through Stichting Tinsel, and irrevocably transfers such rights or subscription in full to Stichting Tinsel.”

2.14

Bij “Share Transfer Agreement” van 6 december 2006 heeft Planck de 450 Vitol certificaten D 2005 die zij hield als gevolg van de in 2.8 bedoelde overdracht door de heer en mevrouw [persoon1en2] aan Tinsel Group overgedragen, in ruil waarvoor Planck 450 S1 Tinsel Group certificaten ontving. Partij bij deze “Share Transfer Agreement” zijn naast Planck [persoon1] , Vitol Holding, Stichting Vitol, Stichting Tinsel en Tinsel Group. Deze “Share Transfer Agreement” (hierna: STA 2006, Planck is daarin aangeduid als Transferor) luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

“WHEREAS

a. Transferor is the owner of 450 D2005 certificates of beneficial ownership of shares issued by [Stichting Vitol] that represent corresponding shares in [Vitol Holding], with a nominal value of USD 30,00 each, fully paid up (together the "Vitol Holding II Shares”);

b. Transferor wishes to transfer these Vitol Holding II Shares to Stichting Tinsel in accordance with Article 5 of the [SHA] and the Deed of Adherence executed by Stichting Tinsel;

c. Stichting Tinsel will further transfer the certificates of beneficial ownership of the above shares to [Tinsel Group] and in exchange will issue in the name of the Transferor 450 Class S1 common certificates of beneficial ownership that represent corresponding shares in [Tinsel Group], with a nominal value of USD 40.00, fully paid, (together the Tinsel Group Shares).

d. Transferor expressly gives up its rights and entitlements to subscribe for any new shares of [Vitol Holding] and transfers such rights of subscription to Stichting Tinsel.
(…)

NOW THEREFORE IT IS AGREED AS FOLLOWS

1. On behalf of the transferor, [Stichting Vitol] hereby transfers to Stichting Tinsel 450 D2005 certificates of beneficial ownership of shares issued by [Stichting Vitol] that represent corresponding shares in [Vitol Holding].
2. Stichting Tinsel herewith further transfers the certificates of beneficial ownership of the above shares to [Tinsel Group] and in exchange issues certificates of beneficial ownership in the name of Transferor that represent corresponding shares in [Tinsel Group]. (…)

3.Transferor expressly gives up its rights and entitlements to subscribe for any new shares of [Vitol Holding], either directly or indirectly through Stichting Tinsel, and irrevocably transfers such rights of subscription in full to Stichting Tinsel.

(…)
5. By signing this agreement Stichting Tinsel and [Tinsel Group] declare (i) to acknowledge the issue of certificates of beneficial ownership and shares hereunder and (ii) to record the same in their respective shareholders register.

6. This agreement is governed by and construed in accordance with Luxembourg law.”

2.15

Per 1 januari 2007 heeft Vitol Holding de D2005 certificaten omgezet in P2005 certificaten en heeft zij certificaten D2007 toegekend aan [persoon1] .

2.16

Op 10 januari 2007 hebben Planck, Tinsel Group en Stichting Tinsel een Shareholders Agreement (hierna: SHA2007) gesloten die, voor zover hier relevant, als volgt luidt:

“Company shall mean: Tinsel Group (…)

Shareholder shall mean the person who was allowed by the company to acquire shares and owns such shares (…)

Share Transfer

Offer of shares and intended transfer

Article 5

5.1.

A Shareholder (hereinafter referred to as ‘the Transferor’) may transfer irrevocably all

or part of his Shares, upon written notification to the Board and always subject to the consent of the Board, such consent to be not unreasonably withheld, to a Permitted Assignee. All rights and obligations, including but not limited to the right to vote on any Company matter or the right to examine or have to access any records of, as well as any communications with the Company shall remain solely with the Stichting.

5.2.

Notwithstanding Article 5.1., in the event of a proposed or purported transfer under Article 5.1, the Company shall always have the right to purchase all or part of the Transferor's Shares that are made available by the Transferor for transfer to a Permitted Assignee.

5.3.

Notwithstanding any other provisions of this Article 5, a Shareholder shall at any time

be able to offer all or part of his Shares to the Company. The Company shall be under no obligation to accept the offer.

5.4.

The purchase price for which Shares may be transferred pursuant to Articles 5.2 and 5.3. shall be the intrinsic value as ca1culated in accordance with Article 7.1.
(…)
Obligation to offer shares in other cases

Article 6

6.1. 1

n case of the following events ("Events") a Shareholder shall be deemed to have offered for sale all his/her Shares, and shall be subject to the provisions of Article 7:

a. a Shareholder is irrevocably declared bankrupt;

b. a Shareholder is granted a judicial suspension of payment;

c. a Shareholder dies;

d. a Shareholder becomes Disabled;

e. a Shareholder being a legal entity other than an individual is dissolved or enters into liquidation;

f. any attachment is levied on Shares held by the Shareholder;

g. a change of ownership of Shares occurs otherwise than by transfer. This shall not include the joining of property as a result of a marriage;

h. in any way Shareholder ceases ownership of one or more of his shares through divorce proceedings, with the exception of the Shares that remain with the Shareholder;

i. in any way the Shareholder loses the free control or free disposal of one or more of his Shares

j. termination of the employment of the Shareholder with the Tinsel Group for any reason, with or without Cause.

All Events of this Article 6.1 are hereinafter each or jointly defined as "Termination".

6.2.

In case the Shares have been transferred to a Permitted Assignee, the Permitted Assignee shall have the obligation to offer the Shares in accordance with this Article 6 if any of the Events described in Article 6.1 occur with respect to the original holder of the Shares, and in the Events as described in Articles 6.1.a, 6.1.b, 6.1.c, 6.1.d, 6.1.e, 6.1.f, 6.1.g and 6.1.i.

6.3. 1

f the Shareholder does not take such actions as are required to give effect to the offer,

the Company shall irrevocably be authorized to take all such necessary actions and steps in the name and on behalf of the party who is in default and to effect the transfer of the Shares involved.


Termination

Article 7

7.1.

In the case of a Termination event as defined in Article 6.1, the Board may, at it’s sole

discretion, decide to redeem all or part of the Shares. The proceeds of sale or redemption, as appropriate, shall be the percentage of the intrinsic value of each Share determined according to the following schedule and depending on the years elapsed since the Shareholder first owned Shares or shares in an Affiliate:

(…)

7.3.

At the Board's discretion, if the Shares offered are purchased or redeemed by the Company in accordance with Article 7.1., the proceeds of purchase or redemption, as appropriate, will be paid no later than on the tenth anniversary of the date of Termination.


Offer of shares to the Company

Article 8

8.1.

The Board may request one or more (de rechtbank leest: of) the Shareholders to offer all or part of his Shares to the Company for sale or redemption, with which request the Shareholder(s) concerned shall comply. The Company may purchase and acquire such Shares to the extent and subject to the conditions laid down by law and subject to the conditions laid down in this Agreement.

8.2

If the Shares offered are purchased or redeemed by the Company the proceeds of purchase or redemption, as appropriate, will be paid in accordance with clause 7.3.

8.3

The Board will arrange that payment of outstanding proceeds made prior to the end of the ten-year period (as set out in clause 7.3) will be paid on the Shares in their chronological sequence of issuance.

(…)

Miscellaneous

Article 10

10.9

The company and the stichting reserve the right to unilaterally amend this Agreement provided that the Board and the board of the Stichting resolve to make such amendment in a joint and unanimous resolution.

10.10

Governing law

This agreement shall be construed in accordance with and governed for all purposes by the law of the Netherlands.”

2.17

Per 1 januari 2009 heeft Vitol Holding de certificaten D2007 omgezet in certificaten P2007 en ten behoeve van [persoon1] certificaten D2009 toegekend. Daarbij werd het aandeel van [persoon1] bepaald op 2,6%, zijnde 0,25% minder dan het aandeel van [persoon1] in de 2007 uitgifte (2,85%). Planck heeft op 1 januari 2009 bericht ontvangen van Stichting Tinsel dat zij rechthebbende was op 75 Tinsel Group certificaten RS1-2008 en 375 Tinsel Group certificaten S1 en welke mandjes van Vitol certificaten deze Tinsel Group certificaten reflecteerden.

2.18

[persoon1] en [persoon2] zijn in juni 2010 gescheiden. In hun echtscheidingsconvenant zijn voorzieningen aangaande de trust ten behoeve van hun kinderen opgenomen, die erop neerkomen dat de bestaande trust wordt gehandhaafd en versterkt.

2.19

Het bestuur van Vitol Holding heeft in bestuursvergaderingen van 1 en 2 december

2010 besloten geen economisch belang in Vitol aandelen D2011 (en volgende uitgiftes van Vitolaandelen D) toe te kennen aan Permitted Assignees. De notulen van deze vergaderingen luiden op dat punt als volgt:

“Cancellation of employees/shareholders gifting Vitol shares to spouses, partners, children, heirs and similar. The share scheme is and has always been an employee program and the invitation to participate in the new common class of shares is and should only be open to active employees working tor the company or any member of the Vitol group and is entirely at the board's discretion. In very specific circumstances the Board may accept an exception to this rule provided the shares are actually sold to a transferee fully permitted and acceptable to the Board at market value ..... Accepted Unanimously”

2.20

Een stuk, genaamd joint resolution en gedateerd 8 december 2010, ondertekend door de besturen van Stichting Vitol en Vitol Holding luidt, voor zover hier relevant:

“WHEREAS there was produced to the Board a draft revised Shareholders’ Agreement for the Shareholders to enter into which would apply to any and all shareholdings in the Company
(…)
WHEREAS the existing Shareholders’ Agreement empower the Board to unilaterally amend the Shareholders’ Agreement provided that the directors of the Company and the directors of the Stichting resolve to make such amendment in a joint and unanimous resolution.

DO HEREBY ADOPT JOINTLY AND UNANIMOUSLY THE FOLLOWING RESOLUTION
(a) that the new Shareholders’ Agreement comes into effect immediately and applies to all outstanding shareholdings
(b) that the Stichting and its direct benificiaries will be advised of this and will have to enter into a new Shareholders’ Agreement
(c) approval be and hereby is given to all such further acts and things as any of the undersigned may deem necessary or appropriate for the purpose of the proper implementation of and operation under the Sharehholders’ Agreement
(…)”

Achter dit besluit bevindt zich de onder 2.22 hierna vermelde Shareholders’Agreement van 31 december 2010.

2.21

Een stuk, genaamd joint resolution en gedateerd 20 december 2010, ondertekend door de besturen van Tinsel Group en stichting Tinsel, luidt voor zover hier relevant als volgt:

“WHEREAS there was produced to the Board a draft revised Shareholders’ Agreement for the Shareholders to enter into which would apply to any and all shareholdings in the Company
(…)

WHEREAS the existing Shareholders’ Agreement empower the Board to unilaterally amend the Shareholders’ Agreement provided that the directors of the Company and the directors of the Stichting resolve to make such amendment in a joint and unanimous resolution.

DO HEREBY ADOPT JOINTLY AND UNANIMOUSLY THE FOLLOWING RESOLUTION

( a) that the new Shareholders’ Agreement comes into effect immediately and applies to all outstanding shareholdings

( b) that the Stichting and its direct benificiaries will be advised of this and will have to enter into a new Shareholders’ Agreement

( c) approval be and hereby is given to all such further acts and things as any of the undersigned may deem necessary or appropriate for the purpose of the proper implementation of and operation under the Sharehholders’ Agreement

(…)”


Achter dit besluit bevindt zich de onder 2.22 hierna vermelde Shareholders’Agreement van 31 december 2010.

2.22

De Shareholders’ Agreement van 31 december 2010 (hierna ook: SHA 2010) tussen Tinsel Group, stichting Tinsel Group en een shareholder (employee) luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

“This Agreement is effective as of 3l December 2010

PARTIES

1. TINSEL GROUP S.A., a company residing in Luxembourg, (the 'Company')

2. STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR TINSEL GROUP, a Dutch foundation

residing in the Netherlands, (the 'Stichting')

3. The Employee whose details are set out in this Agreement
(…)
IT IS AGREED AS FOLLOWS:

The Company, the Stichting and the Employee have entered into this Agreement which is

supplemental to the Articles of Association of the Company and of the Stichting and agree as

follows:

DEFINITIONS

(…)
"Permitted Transferee" shall mean any company or person whom the Board, in its sole discretion, approves. The Board may, in its sole discretion, impose specific conditions on any transfer to a Permitted Transferee.

(…)
Article 5- Share Transfer

Share sale and Offer of Shares

5.1.

A Shareholder (hereinafter referred to as "the Transferor") may irrevocably sell all or part

of his Shares only to a Permitted Transferee.”

Artikel 9 uit deze overeenkomst is gelijk aan art. 8 van de SHA 2007.

2.23

In een op 3 januari 2011 gehouden buitengewone vergadering van aandeelhouders heeft Stichting Tinsel als enig aandeelhouder van Tinsel Group besloten - in verband met de uitgifte van de nieuwe Vitol aandelen D2011 - tot het uitgeven van nieuwe series aandelen Tinsel Group, het inkopen en intrekken van bepaalde series aandelen Tinsel Group, het converteren van bepaalde series aandelen in andere soorten/series aandelen Tinsel Group en het dienovereenkomstig wijzigen van de statuten. Daarbij zijn de door Planck gehouden 375 Tinsel Group certificaten S1 en de door Planck gehouden 75 Tinsel Group certificaten RS1-2008 geconverteerd naar 450 Tinsel Group certificaten F19. De 450 Tinsel Group certificaten F19 reflecteren uitsluitend preferente Vitol certificaten (93 certificaten P2005, 900 certificaten P2007 en 1500 certificaten P2009).

2.24

Op 2 april 2012 heeft Tinsel Group Planck een brief doen toekomen van de volgende inhoud:

“Re: Request to offer all certificates of beneficial ownership

Dear. Mr. Loya,


The board of Tinsel Group SA (‘Tinsel Group’ ) hereby requests Planck Investments L.P.

(‘Planck’) to offer all the certificates of beneficial ownership issued by Stichting Tinsel in respect of shares in Tinsel Group (the ‘Shares’) currently held by Planck for sale to Tinsel Group in accordance with article 9 of the shareholder's agreement Tinsel Group effective as of 31 December 2010 (article 8 of the previous shareholder's agreement Tinsel Group) applicable to Planck’s shareholding.

Tinsel Group will arrange for settlement of the proceeds of purchase over a period of 10 years subject to the cash position of Tinsel Group (article 9.2 juncto article 7.4 of the shareholder's agreement Tinsel Group effective as of 31 December 2010; article 8.2 juncto article 7.3 of the previous shareholder's agreement Tinsel Group). Tinsel Group will arrange that distributions on the Shares made prior to the end of the aforementioned 10-year period will be paid to Planck together with distributions made to other holders of Shares (article 9.3 of the shareholder's agreement Tinsel Group effective as of 31 December 2010; article 8.3 of the previous shareholder's agreement Tinsel Group).

In accordance with article 9.1 of the shareholder's agreement Tinsel Group effective as of 31 December 2010 (article 8.1 of the previous shareholder's agreement) Planck shall comply with the request by the board of Tinsel Group to offer all its Shares to Tinsel Group .”

2.25

Een joint resolution van 31 december 2013 waarbij een nieuwe SHA is ingevoerd (hierna: SHA2013) bepaalt, voor zover thans van belang, dat uitsluitend werknemers van Vitol Holding kunnen participeren in het economisch belang in nieuwe Vitol aandelen D en dat overdracht aan permitted assignees niet mogelijk is.

2.26

[gedaagde] is enig bestuurder van de Stichting Tinsel. [gedaagde] is bestuurder van Tinsel Group en counsel van Vitol Holding. Voorts is [gedaagde] (als bestuurder) verbonden aan een aantal andere Vitol Groep maatschappijen. Daarnaast is [gedaagde] werknemer van de Vitol groep.

3 De vordering in conventie

3.1.

Planck vordert, na vermeerderingen van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

( a) voor recht te verklaren dat Planck:

a. 375 certificaten van aandelen van de klasse S1 in het kapitaal van Tinsel Group (hierna: Tinsel Group S1 certificaten) houdt en onafgebroken heeft gehouden sinds 6 december 2006, een en ander conform de geldende Shareholder's Agreement en statuten van Tinsel Group en Stichting Tinsel; dan wel

b. aanspraak heeft op het sinds 6 december 2006 en nog steeds onafgebroken houden van 375 Tinsel Group S1 certificaten, een en ander conform de geldende Shareholder's Agreement en statuten van Tinsel Group en Stichting Tinsel;

( b) voor recht te verklaren dat Planck is gerechtigd tot de Intrinsic Value ter waarde

van USD 107.688.287 die per 31 december 2010 was gekoppeld aan de op dat moment door haar gehouden 375 Tinsel Group S1 certificaten en 75 certificaten van RS1 2008 aandelen (hierna: certificaten RS1 2008), vermeerderd met de rente die gedaagden daarover uit hoofde van de Shareholder's Agreement sindsdien verschuldigd zijn en verminderd met uitkeringen die daarop sindsdien zijn gedaan;

( c) gedaagden hoofdelijk te veroordelen om alle handelingen te verrichten, alle

besluiten te nemen en alle betalingen te verrichten tot behoud en/of herstel van alle aanspraken van Planck op:

• de Intrinsic Value die per 31 december 2010 verbonden was aan de 375 Tinsel Group S1 certificaten en 75 certificaten RS1 2008; en

• winsten sindsdien, waaronder toekomstige winsten, van Tinsel, zoals deze verbonden zijn aan de 375 Tinsel Group S1 certificaten;

en wel zodanig dat Planck in de toestand wordt gebracht waarin zij zou hebben verkeerd indien de vermeende conversie niet zou hebben plaatsgevonden en alle daarmee verband houdende besluiten en handelingen niet zouden zijn genomen en hebben plaatsgevonden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 1.000.000,- per dag dat enig daartoe vereiste handeling of besluit niet is verricht respectievelijk genomen;

( d) Stichting Tinsel te veroordelen bij iedere nieuwe uitgifte van aandelen door Vitol binnen drie maanden na die uitgifte te besluiten dat ieder van de 375 Tinsel Group S1 certificaten op gelijke wijze als de overige Tinsel Group S1-certificaten winstdelende aandelen in Vitol zal reflecteren, een en ander conform de inhoud van de geldende Shareholder's Agreement en statuten van Tinsel Group en Stichting Tinsel, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 1.000.000 per dag na genoemde termijn van drie maanden dat dit besluit na zodanige uitgifte niet is genomen;

( e) te vernietigen:

• het bestuursbesluit van Stichting Tinsel tot wijziging van de SHA 2007 (de joint resolution);

• het bestuursbesluit van Stichting Tinsel tot uitoefening van haar stemrecht op de aandeelhoudersvergadering van Tinsel Group van 3 januari 2011;

• het aandeelhoudersbesluit van Stichting Tinsel van 3 januari 2011; en

• alle andere besluiten of rechtshandelingen die rechten van Planck hebben aangetast.

( f) gedaagden hoofdelijk te veroordelen om aan Planck een bedrag aan schadevergoeding te betalen van USD 21,5 miljoen in verband met de conversie van 75 Tinsel Group certificaten S1 in 75 certificaten RS1 2008, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente over dat bedrag vanaf 1 januari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

( g) voor recht te verklaren dat Planck niet is gehouden te voldoen aan het verzoek van Tinsel Group van 2 april 2012 tot het aanbieden van de door Planck gehouden certificaten;

( h) voor recht te verklaren dat:

• Planck bij ieder gerechtvaardigd verzoek van Tinsel Group op grond van artikel 8 van de Shareholder's Agreement 2007 (althans artikel 9 van de Shareholder's Agreement 2010) gehouden is om conform dat verzoek haar Tinsel Group certificaten aan te bieden;

• dat partijen gehouden zijn na een dergelijk verzoek te goeder trouw in onderhandeling te treden over de prijs en voorwaarden waartegen die certificaten worden overgedragen; en

• dat wanneer partijen door middel van die onderhandeling niet binnen een redelijke termijn tot overeenstemming over de prijs en de overige voorwaarden komen, deze door de rechtbank in goede justitie zullen worden bepaald;

( i) voor recht te verklaren dat geen rechtsgeldige wijziging per 1 januari 2014 van

de Shareholder's Agreement tussen Planck, Stichting Tinsel en Tinsel Group heeft plaatsgevonden;

subsidiair, voor zover vordering (c) en (d) zouden worden afgewezen:

( j) gedaagden hoofdelijk te veroordelen om aan Planck een bedrag aan schadevergoeding te betalen van USD 145 miljoen in verband met de conversie van 375 Tinsel Group S1 certificaten en 75 certificaten RS1 2008 in 450 Tinsel Group certificaten F19, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente over dat bedrag vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

subsidiair, voor zover vordering (g) zou worden afgewezen:

( k) voor recht te verklaren dat Planck uitsluitend is gehouden te voldoen aan het verzoek van Tinsel Group van 2 april 2012 tot het aanbieden van de certificaten tegen betaling door Tinsel Group van een nader tussen partijen overeen te komen prijs en overige voorwaarden;

( l) partijen bij tussenvonnis te veroordelen zich gedurende drie maanden, te rekenen vanaf de datum van het tussenvonnis, in te spannen om in onderling overleg overeenstemming te bereiken over de prijs en de overige voorwaarden waartegen Planck haar certificaten zal overdragen, en - bij gebreke van overeenstemming - na die periode van drie maanden in goede justitie een prijs en overige voorwaarden voor de overdracht van de certificaten van Planck te bepalen;

meer subsidiair, voor zover vordering (k) en (l) zouden worden afgewezen:

( m) voor recht te verklaren dat Planck uitsluitend gehouden is te voldoen aan het verzoek van Tinsel Group van 2 april 2012 tot het aanbieden van de certificaten tegen een prijs en voorwaarden, in goede justitie te bepalen door de rechtbank;

( n) in goede justitie een prijs en voorwaarden te bepalen voor de overdracht van de certificaten van Planck naar aanleiding van het verzoek van Tinsel Group van 2 april 2012 tot het aanbieden van de certificaten;

uiterst subsidiair:

( o) zodanige voorziening te treffen, als de rechtbank geraden acht;


((p) ziet op de reconventie; opmerking rechtbank)

in alle gevallen:

( q) gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, zulks met bepaling dat daarover de wettelijke (handels)rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen vonnis;

( r) gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de redelijke kosten van vaststelling van aansprakelijkheid van gedaagden ter hoogte van:

• EUR 68.130,33;

• USD 446.292,62; en

• GBP 123.150,58,

zulks met bepaling dat daarover de wettelijke (handels)rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen vonnis;

( s) gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de redelijke kosten van vaststelling van de schade ter hoogte van EUR 411.540,-, zulks met bepaling dat daarover de wettelijke (handels)rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen vonnis;

( t) gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de nakosten, conform het liquidatietarief begroot op EUR 205,- dan wel, in het geval van betekening, EUR 273,-.

3.2.

Planck heeft - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aan haar gewijzigde vorderingen ten grondslag gelegd.

3.2.1.

Tinsel c.s. heeft in strijd gehandeld met de SHA2007 door de 375 door Planck gehouden Tinsel Group S1 Certificaten en de 75 door Planck gehouden Tinsel Group Certificaten RS1-2008 te converteren naar 450 Tinsel Group Certificaten F19. De SHA2007 biedt daarvoor geen grondslag.

3.2.2.

De joint resolution van 8 december 2010 is niet geldig, evenmin als de SHA 2010.

3.2.3.

De wijziging van de SHA2007 in 2011 is niet rechtsgeldig. Artikel 10.9 van de SHA2007 biedt geen basis voor een wijziging als hier aan de orde, waarbij aan een bepaalde groep aandeelhouders achteraf een kwaliteitseis wordt gesteld. Voorts bepaalt artikel 10.5 van de SHA2007 dat een wijziging alleen tegen een partij kan worden ingeroepen als deze schriftelijk met de wijziging heeft ingestemd. Daarvan is geen sprake.

3.2.4.

De vermeend in 2010 gewijzigde SHA (hierna: de SHA2010) biedt net als de SHA2007 geen grondslag voor de conversie van de door Planck gehouden certificaten.

3.2.5.

Indien de SHA2007 al rechtsgeldig is gewijzigd, heeft dat pas plaatsgevonden ná de conversie van de certificaten, te weten in juni 2011. Ook om die reden kan de SHA2010 geen basis vormen voor de conversie.

3.2.6.

De SHA2007 noch de SHA2010, bezien in samenhang met de STA 2006, laten een andere uitleg toe dan dat de door Stichting Tinsel aan Planck uitgegeven certificaten zouden uitstaan totdat zich een “Termination Event” als genoemd in de SHA2007 zou voordoen ofwel Planck akkoord zou gaan met een reductie van haar belang.

3.2.7.

De onderlinge verdeling van de certificaten tussen [persoon1] en Planck is gefixeerd bij de overdracht van de certificaten aan Planck in 2005. Indien sprake is van een reductie van het door Vitol Holding aan een werknemer toegekende economisch belang in de aandelen van Vitol Holding, en deze werknemer in het verleden een deel van zijn economisch belang aan een permitted assignee heeft toegekend, dient tussen de werknemer en de permitted assignee overeengekomen te worden voor wiens rekening deze reductie diende te komen. Tinsel Group en Stichting Tinsel zijn niet bevoegd in te grijpen in die verdeling. Indien het economisch belang in de aandelen van Vitol Holding gelijk blijft, is Tinsel Group niet gerechtigd mee te werken aan een door de werknemer beoogde vermindering van het economisch belang van de permitted assignee.

3.2.8.

Tinsel c.s. was niet bevoegd om zonder instemming van Planck in 2009 75 S1 certificaten van Planck te converteren in 75 RS1-2008 certificaten die preferente aandelen in Vitol reflecteren. Tinsel c.s. is gehouden de schade die Planck daardoor lijdt te vergoeden.

3.2.9.

Het verzoek van Tinsel Group van 2 april 2012 ex artikel 8.1 van de SHA2007 om de certificaten aan te bieden aan Tinsel Group voldoet niet aan de daaraan te stellen vereisten en is niet rechtsgeldig. Indien Planck daarbij al werd verplicht haar certificaten aan te bieden aan Tinsel Group, diende Tinsel Group daarvoor de reële waarde van de certificaten aan Planck te vergoeden.

3.2.10.

De SHA2013 is niet geldig jegens Planck. De SHA2013 verandert het wezen van de rechtsverhouding tussen Stichting Tinsel, Tinsel Group en Planck. Een redelijke en rechtvaardige uitleg van de in artikel 10.9 van de SHA 2007 gegeven wijzigingsbevoegdheid kan niet leiden tot een bevoegdheid om de essentie van de rechtsverhouding op deze wijze eenzijdig te wijzigen.

3.2.11.

[gedaagde] heeft onrechtmatig gehandeld jegens Planck. Door de verschillende posities van [gedaagde] binnen Tinsel c.s. en Vitol Holding was sprake van belangenverstrengeling. [gedaagde] had een specifieke zorgplicht jegens Planck als certificaathouder, hetgeen met zich meebrengt dat hij de verplichting had om de belangen van de certificaathouders nauwkeurig af te wegen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. [gedaagde] heeft in de hand gewerkt dat de Tinsel Group en Stichting Tinsel hun verplichtingen tegenover Planck niet zijn nagekomen door op de enkele instructie van het bestuur van Vitol Holding de certificaten van Planck te converteren.

3.2.12.

Planck vordert kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Tinsel c.s. heeft Planck lange tijd de voor de beoordeling van het geschil benodigde informatie onthouden. Planck was daardoor genoodzaakt in de Verenigde Staten een discovery procedure te starten. Dat, evenals de noodzakelijke inschakeling van fiscale adviseurs, heeft veel geld gekost. Planck heeft PWC opgedragen de door Planck als gevolg van de aandelenconversie geleden schade te berekenen. Met de redelijke inschakeling van PWC was ook een groot bedrag gemoeid. Deze kosten dienen door Tinsel c.s. te worden gedragen.

4 Het verweer in conventie

4.1.

Het verweer van Tinsel c.s. strekt tot afwijzing van de vorderingen van Planck, met veroordeling van Planck, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, met de bepaling dat deze kosten binnen veertien dagen na het vonnis moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan Planck van rechtswege in verzuim zal zijn. Tinsel c.s. verzet zich tegen uitvoerbaar bij voorraadverklaring van enige ten gunste van Planck te nemen beslissing. Tinsel c.s. voert daartoe het volgende aan.

4.1.1.

De door Planck gestelde uitleg van de SHA2007 is niet juist. De contractuele relatie tussen Tinsel c.s. en Planck kan niet worden uitgelegd aan de hand van uitsluitend de inhoud van de contractuele documenten, maar dient plaats te vinden tegen de achtergrond van alle omstandigheden van het geval, zoals bijvoorbeeld de ratio van de contractuele regeling, de redelijkheid van de door partijen voorgestane uitleg en de vraag of die uitleg past in het geheel van contractuele afspraken. De juiste uitleg is dan ook dat de Amerikaanse werknemer, aan wie economisch belang in Vitol Holding was toegekend, in dit geval [persoon1] , onder goedkeuring van het bestuur van Tinsel Group bepaalde of en in hoeverre de permitted assignee zou (blijven) delen in dat belang. Dat blijkt volgens Tinsel c.s. onder meer uit de feitelijke gang van zaken sinds de invoering van de Tinsel-structuur en uit de doelstelling van het werknemersparticipatieplan. Die doelstelling was om de negatieve fiscale gevolgen voor deelnemende Amerikaanse werknemers te verminderen. Het doel was niet om de estate planning van deze Amerikaanse werknemers te faciliteren. De door Planck voorgestane uitleg zou voorts leiden tot het ongerijmde resultaat dat voor de Amerikaanse werknemers nog wel de mogelijkheid bleef bestaan hun permitted assignee rechtstreeks te laten delen in toekomstige (vanaf 2011) te behalen winsten, maar voor de overige werknemers niet.

4.1.2.

In de onderhavige procedure moet van de geldigheid van de door Tinsel Group genomen, door Luxemburgs recht beheerste besluiten - zoals het aandeelhoudersbesluit van 3 januari 2011 en het aandeel van Tinsel Group in de joint resolution van 20 december 2010 - worden uitgegaan. De bevoegdheid om te oordelen over die besluiten komt op grond van artikel 22 lid 2 juncto 23 lid 5 van de EEX-verordening exclusief toe aan de Luxemburgse rechter. In Luxemburg zijn de besluiten niet aangevochten.

4.1.3.

Tinsel Group en Stichting Tinsel hadden geen andere keus dan akkoord te gaan met het voorstel van Vitol Holding om de permitted assignees af te schaffen, omdat zij zich daartoe tevoren hadden verplicht. De betreffende beslissingen zijn rechtsgeldig in december 2010 genomen, doch eerst achteraf, in juni 2011, op papier gezet.

4.1.4.

Het aandeelhoudersbesluit van 3 januari 2011 waarbij de Tinsel-certificaten van Planck zijn geconverteerd in F19-certificaten is geldig, ongeacht de vraag of het onder 4.1.3 bedoelde aandeelhoudersbesluit van Tinsel Group en Stichting Tinsel reeds (geldig) was genomen.

4.1.5.

De handelingen en besluiten van Vitol Holding, Tinsel Group, Stichting Tinsel en [gedaagde] zijn juist geweest en hebben geen wanprestatie of onrechtmatige daad van deze partijen jegens Planck opgeleverd. Voor vernietiging van voornoemde besluiten is dan ook geen aanleiding.

4.1.6.

De conversie van 75 Tinsel Group certificaten S1 naar Tinsel Group certificaten RS1-2008 is rechtmatig en rechtsgeldig. [persoon1] mocht zelf bepalen welk deel van zijn economische belang in nieuwe Vitol aandelen D aan Planck werd toebedeeld en mocht daarom ook bepalen dat de vermindering van het economisch belang in nieuwe Vitol aandelen D2009 geheel ten laste van Planck werd gebracht. Planck heeft bovendien op dit punt haar klachtplicht ex artikel 6:89 BW geschonden. De door Planck gesteld geleden schade door deze conversie bestaat niet uit de gehele reductie van het economisch belang van 0,25%, maar uit de helft daarvan. De reductie had hooguit pro rata parte over [persoon1] en Planck verdeeld kunnen worden.

4.1.7.

[gedaagde] heeft geen onrechtmatige daad jegens Planck gepleegd. Van een aan hem te maken persoonlijk ernstig verwijt of van een onzorgvuldige belangenafweging of een schending van een zorgplicht jegens Planck is geen sprake geweest. Van tegenstrijdige belangen bij [gedaagde] was evenmin sprake.

4.1.8.

De door Planck verstrekte berekeningen van de schade wegens de conversie van de Tinsel Group S1-certificaten deugen niet.

4.1.9.

Planck heeft geen aanspraak op kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. In ieder geval zijn de gevorderde kosten buiten proportie en niet redelijk.

4.1.10.

Uitvoerbaar bij voorraadverklaring is, gelet op de betrokken belangen, niet op haar plaats.

5 De vordering in reconventie

5.1.

Tinsel c.s. vordert in voorwaardelijke reconventie - voor het geval de

vorderingen van Planck niet geheel worden afgewezen - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

(i.a) voor recht te verklaren dat Planck vanaf 7 juni 2011 geen recht meer heeft op economisch belang in Vitol aandelen P2011 en opvolgende uitgiftes van nieuwe Vitol aandelen;

(i.b) voor het geval de rechtbank van oordeel mocht zijn dat Planck over de periode van 1 januari 2011 tot 7 juni 2011 gerechtigd is tot een procentueel economisch belang in Vitol aandelen P2011 dat gelijk is aan het procentuele economische belang waartoe Planck gerechtigd was in Vitol aandelen P2009, Planck te veroordelen te dulden dat Stichting Tinsel aan Planck de aan Planck toekomende uitkering in verband met het haar toekomende economische belang in 375 Vitol aandelen P2011 over de periode van 1 januari 2011 tot 7 juni 2011 zal doen op het moment waarop de onderliggende Vitol aandelen P2011 door Vitol Holding worden ingekocht en ingetrokken;

subsidiair:

(ii.a) voor recht te verklaren dat Planck vanaf 30 april 2012 geen recht meer heeft op de door haar gehouden Tinsel Group certificaten (en de daaraan verbonden rechten); en

(ii.b) te bepalen dat het te wijzen vonnis (op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW) in de plaats treedt van de schriftelijke akte van overdracht (als bedoeld in artikel 3 lid 7 van de statuten van Stichting Tinsel), op grond waarvan Planck de door haar gehouden 450 Tinsel Group certificaten F19 aan Tinsel Group levert;

althans Tinsel Group (op de voet van artikel 3:299 BW) te machtigen zelf de levering van de 450 Tinsel Group certificaten F19 aan haarzelf te bewerkstelligen;

althans Planck te veroordelen de bij de brief van 2 april 2012 gevoegde akte van overdracht binnen één maand na de datum van het vonnis ondertekend aan Tinsel Group te retourneren (in die zin dat de ondertekende akte Tinsel Group binnen die maand moet hebben bereikt), op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 1.000.000 per dag dat de ondertekende akte Tinsel Group niet binnen één maand na de datum van het vonnis heeft bereikt;

(ii.c) voor het geval de rechtbank van oordeel mocht zijn dat Planck gerechtigd is tot een procentueel economisch belang in Vitol aandelen P2011 dat gelijk is aan het procentuele economische belang waartoe Planck gerechtigd was in Vitol aandelen P2009,

Planck te veroordelen te dulden dat Stichting Tinsel aan Planck de aan Planck toekomende uitkering in verband met het haar toekomende economische belang in 375 Vitol aandelen P2011 over de periode van 1 januari 2011 tot 30 april 2012 zal doen op het moment waarop

de onderliggende 375 Vitol aandelen P2011 door Vitol Holding worden ingekocht en ingetrokken;

meer subsidiair:

(iii.a) voor recht te verklaren dat Planck vanaf 1 januari 2014 geen recht meer heeft op economisch belang in Vitol aandelen D (D2013 en volgende uitgiftes Vitol aandelen D);

(iii.b) voor het geval de rechtbank van oordeel mocht zijn dat Planck gerechtigd is tot een procentueel economisch belang in Vitol aandelen P2011 en - over de periode van 1 januari 2013 tot 1 januari 2014 - in Vitol aandelen D2013 dat gelijk is aan het procentuele economische belang waartoe Planck gerechtigd was in Vitol aandelen P2009, Planck te veroordelen te dulden dat Stichting Tinsel aan Planck de aan Planck toekomende uitkering in verband met het haar toekomende economische belang in 375 Vitol aandelen P2011 en in 1500 aandelen D2013 over de periode van 1 januari 2013 tot 1 januari 2014 zal doen op het moment waarop de onderliggende Vitol aandelen P2011 en D2013 - tegen die tijd Vitol

aandelen P2013 - door Vitol Holding worden ingekocht en ingetrokken;

alsmede:

(iv) Planck te veroordelen in de kosten van het geding in reconventie, met bepaling dat deze kosten binnen veertien dagen na het vonnis moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan Planck van rechtswege in verzuim zal zijn.

5.2.

Tinsel c.s. heeft het volgende aan haar vorderingen ten grondslag gelegd.

5.2.1.

Sedert 1 januari 2011 heeft Planck geen economisch belang in (nieuw uitgegeven) Vitol aandelen D meer verkregen. Voor zover daarover anders mocht worden geoordeeld, geldt dat de joint resolution van december 2010 tot afschaffing van de permitted assignees in elk geval geldig is vanaf 7 juni 2011. Dat betekent dat Planck hooguit tot 7 juni 2011 een economisch belang had kunnen verkrijgen, hebben of houden in Vitol aandelen D2011.

5.2.2.

Planck heeft in ieder geval sinds 30 april 2012 geen recht meer op economisch belang in Vitol aandelen D. Bij brief van 2 april 2012 heeft het bestuur van Tinsel Group rechtmatig en rechtsgeldig gebruik gemaakt van de haar op grond van artikel 9.1 van de SHA2010 (artikel 8.1 van de SHA2007) toekomende bevoegdheid om Planck te verzoeken haar Tinsel Group certificaten voor 30 april 2012 aan te bieden aan Tinsel. Planck had gehoor dienen te geven aan dat verzoek. De vergoeding waar Planck recht op heeft voor de certificaten is gelijk aan de “intrinsic value” van de Tinsel Group certificaten, zo volgt uit de SHA2010 (en uit de SHA2007). Deze vergoeding komt pas tot uitkering op het moment dat de onderliggende Vitol aandelen P2007, P2009 en P2011 door Vitol Holding worden ingekocht, tegelijkertijd met de redemption betalingen aan de andere Tinsel Group certificaathouders. Als de financiële middelen dat toelaten zullen die uitkeringen aan Planck gedaan worden.

5.3.

Planck heeft, gelet op de SHA2013 (2.25) in elk geval per 1 januari 2014 geen recht meer op economisch belang in Vitol aandelen D.

6 Het verweer in reconventie

Het verweer van Planck tegen de voorwaardelijke vordering in reconventie is gelijk aan de stellingen die Planck in conventie aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd.

7 De beoordeling

in conventie

7.1.

De primaire vorderingen onder (a) tot en met (i) van Planck strekken – naar de kern genomen – ertoe de gevolgen ongedaan te maken van de conversie van haar Tinsel certificaten S1 per 1 januari 2011 in Tinsel Group certificaten F19, die uitsluitend nog aanspraak geven op winsten die zijn opgebouwd in de jaren van 2005 tot en met 2010, en voorts tot nakoming van de verplichtingen op grond van de SHA2007 en de statuten van Tinsel Group zoals Planck deze uitlegt. Dit geldt ook voor de subsidiaire vordering onder (j). De gestelde verplichting tot ongedaan making van de conversie en tot nakoming berust (uiteindelijk) op het standpunt dat de overdracht op 10 januari 2005 van 450 Vitol certificaten D2005 aan Planck, bezien in samenhang met de conversie op 6 december 2006 van deze Vitol certificaten D2005 in 450 permanente Tinsel Group certificaten S1, ertoe heeft geleid dat aan Planck permanente certificaten S1 toebehoren, die aanspraak gaven en geven op (een evenredig gedeelte van) alle bestaande en in de toekomst nog te verkrijgen winstaandelen verbonden aan (een evenredig gedeelte van) deze S1 certificaten.

Planck stelt daartoe in de kern het volgende. De overdracht van de certificaten door de heer en mevrouw [persoon1en2] aan Planck (en daarmee aan de trust voor hun kinderen) heeft plaatsgevonden in 2005, kort nadat Vitol Holding het –onder meer met het oog op estate planning- mogelijk had gemaakt om de winstrechten uit haar werknemersparticipatiplan ook aan geselecteerde derden (permitted assignees) zoals deze trust ten behoeve van de kinderen te doen toekomen. Die overdracht is definitief en daarop kan [persoon1] niet en Vitol Holding dan wel Stichting Vitol evenmin terugkomen. Als er bezwaar bestond tegen die overdracht of tegen aanwijzing als permitted assignee had dat toen gemaakt moeten worden. Achteraf opgekomen bedenkingen van welke aard dan ook doen niet ter zake.

Vitol Holding heeft vervolgens om haar moverende redenen van met name fiscale aard de Tinselstructuur opgezet en een rol toebedeeld in de werking van het participatieplan. Tinsel Group en stichting Tinsel zijn daarbij zelfstandige, van Vitol Holding/Stichting Vitol te onderscheiden rechtspersonen; dat was ook noodzakelijk, omdat anders de fiscale doelen niet bereikt konden worden. In december 2006 heeft Planck, met instemming van zowel Tinsel Group, stichting Tinsel als Vitol Holding en Stichting Vitol 450 S1 certificaten in Tinsel Group gekregen (in ruil voor haar van de [persoon1en2] verkregen 450 D2005 certificaten Vitol). Deze S1 certificaten Tinsel Group zijn permanent van karakter. Dat was niet alleen de bedoeling van alle partijen, maar dat blijkt ook uit de STA 2006. Planck, een trust/permitted assignee die ten opzichte van de verhouding tussen [persoon1] , Vitol Holding, Stichting Vitol en Tinsel Group een derde is, moet voor wat betreft haar rechten en verplichtingen in verband met die S1 certificaten af kunnen gaan op hetgeen daaromtrent is vastgelegd in de STA 2006 en in de SHA 2007.

Die stukken geven, buiten het geval van een Termination Event waarvan tussen partijen in confesso is dat deze zich niet heeft voorgedaan, geen steun voor de berichten vanaf december 2010, erop neer komend dat de S1 certificaten zijn geconverteerd in andere, niet winstgevende aandelen/certificaten.

Ook de gang van zaken in 2007 en 2009 bevestigde deze visie van Planck.

Vanuit dit uitgangspunt ontwikkelt Planck vervolgens een aantal verwijten tegen alle gedaagden, die er kort gezegd op neerkomen dat alle acties die afbreuk hebben gedaan of hebben willen doen aan dit uitgangspunt onzorgvuldig, ongeldig of onrechtmatig zijn en in elk geval moeten worden teruggedraaid, althans zich dienen op te lossen in het uitkopen van Planck tegen een aanzienlijk bedrag.

7.2.

Tinsel c.s. betwist een en ander. In haar standpunt ligt besloten dat bij iedere nieuwe uitgifte van Vitol certificaten aan [persoon1] een nieuwe schenking/overdracht door [persoon1] aan Planck van een evenredig gedeelte van het bij die uitgifte verkregen nieuwe winstaandeel was vereist om een (extra) winstaanspraak aan Planck toe te kennen. Zonder een dergelijke nieuwe schenking/toewijzing kwam Planck niet meer toe dan het aandeel in de winst van Vitol Holding over enkele jaren dat verbonden was aan haar in 2005 verkregen certificaten. In de tot en met 2006 geldende Vitol structuur was dit evident en dat wordt door Planck ook niet betwist. Ook in de vanaf 2007 geldende Tinsel Group structuur, waarin sprake is van uitgifte van “permanente” certificaten S1, is in feite in de besluitvormingsprocedure geen wijziging opgetreden. Het is nog steeds Vitol Holding die haar werknemers wil belonen en daarbij past, zoals voor alle betrokkenen steeds duidelijk is geweest, dat elke twee jaar een nieuw besluit nodig is. Nu Planck een permitted assignee was, was daarmee ook steeds een nieuwe schenking door [persoon1] vereist, en die is er in de relevante periode niet meer geweest. Daarbij komt dat de gehele figuur van de permitted assignee vanaf 31 december 2010 is afgeschaft, zodat daarna in elk geval Planck niets meer kan toekomen. Dat er sprake moest zijn van nadere besluitvorming en dat Planck dat ook wist strookt met de omstandigheid dat bij de uitgifte in 2009 75 Tinsel Group certificaten S1 zijn omgezet in certificaten RS1-2008 en dat hierdoor een kleiner gedeelte (375 in plaats van 450) dan daarvoor van de winstrechten over 2009 en 2010 aan Planck is toegekend. Planck heeft dat toen geaccepteerd. Van een automatische toekenning van toekomstige winstrechten is geen sprake. Planck is dan ook niet benadeeld door de conversie in certificaten F19, aldus Tinsel c.s.

7.3.

Partijen stellen hiermee vragen van uitleg van de Tinsel-structuur (waaronder de statuten van Tinsel Group, de SHA 2007 en de STA) aan de orde. Deze uitleg is immers beslissend voor de beantwoording van de vraag of aan de (permanente) Tinsel Group certificaten S1 ook een automatische aanspraak op toekomstige winstrechten is verbonden op de door Planck verdedigde wijze of niet. Uitsluitend bij een beantwoording van deze vraag in de door Planck bedoelde zin wordt toegekomen aan de vragen (a) of Tinsel Group en Stichting Tinsel in de Joint Resolution van 20 december 2010 met toepassing van artikel 10.9 van de SHA 2007 deze overeenkomst mochten wijzigen aldus dat overdracht van winstaandelen aan een permitted assignee kwam te vervallen, en (b) of het daarop voortbouwende aandeelhoudersbesluit van 3 januari 2011 tot conversie in de certificaten F19 geldig is genomen. Ook voor de vraag hoe hoog een eventuele uitkoopsom zou moeten zijn (in het kader van het verzoek tot aanbieding van de certificaten van april 2012) is dit antwoord essentieel.

Tegen die achtergrond komt het de rechtbank geraden voor eerst het punt van de uitleg te beoordelen.

7.4.

Tussen partijen staat, terecht, vast dat de bewijslast van haar stellingen bij Planck berust. Planck wijst ter onderbouwing van haar lezing op de documentatie van het werknemersparticipatieplan en aanverwante stukken, in het bijzonder de statuten van Tinsel, de STA 2006 en de SHA 2007. Bij de uitleg zal de rechtbank de Haviltexmaatstaf toepassen zoals deze nader is uitgewerkt in Hoge Raad “DSM/Fox” nu het hier gaat om overeenkomsten (de STA 2006 en de SHA 2007) alsmede statuten van een rechtspersoon die mede bestemd zijn om de rechtspositie van daarbij betrokken derden te beïnvloeden. Bij een dergelijke uitleg komt groot gewicht toe aan de gekozen bewoordingen, gelezen in de context van het gehele stuk en de daarmee samenhangende stukken.

7.5.

De STA 2006 bepaalt in art. 2 dat Stichting Tinsel aan Planck, zonder enig voorbehoud, 450 S1 certificaten in Tinsel Group verstrekt. Aangaande tijdelijkheid of een tussentijdse conversiemogelijkheid wordt niets bepaald. In art. 3 wordt, (in overeenstemming met de overwegingen onder b, c en d), bepaald dat Planck niet meer mag inschrijven voor nieuwe aandelen Vitol Holding, maar dat zij het recht daartoe onherroepelijk overdraagt aan Stichting Tinsel. Eenzelfde tekst komt terug in de STA 2006 tussen [persoon1] en Stichting Tinsel. Dat verdraagt zich op het oog slecht met een eigen rol/instructiebevoegdheid van [persoon1] .

De SHA2007 verleent aan de certificaathouders (waaronder de houders van certificaten S1) recht op distributie van het winstaandeel dat is verbonden aan het onderliggende ‘mandje’ van Vitol certificaten. De SHA 2007 kent een gedetailleerde regeling in de artt. 5, 6, 8 en 9 aangaande transfers en situaties waarin de certificaathouder verplicht is de certificaten aan te bieden, met daarin een specifieke voorziening als de certificaathouder, zoals Planck, een permitted assignee is, maar vast staat dat geen van de daar beschreven situaties zich heeft voorgedaan. Als zich een Termination Event heeft voorgedaan (als bedoeld in artikel 6.1 van de SHA2007) en het bestuur van Tinsel Group de certificaten heeft ingekocht dan wel afgestempeld, als omschreven in artikel 7 van de SHA2007, eindigt het recht op winst. Niet in geschil is dat zich in elk geval ten tijde van de conversie van de certificaten S1 in F19 geen Termination Event voordeed of had voorgedaan.

De SHA2007 bevat geen regeling van de wijze waarop het ‘mandje’ waarop de Tinsel Group certificaten betrekking hebben van tijd tot tijd wordt samengesteld. In the Definitions van de SHA2007 is (slechts) bepaald: “Each class of shares shall have the meaning ascribed thereto in the Articles of Association of the Company.”

De statuten van Tinsel Group, zoals deze (na de statutenwijziging van 26 februari 2010) ten tijde van de conversie van de certificaten golden bepalen op dit punt:

“5.3. The shares of the Company shall reflect the performance of a given underlying combination in shares of Vitol Holding II S.A. (…), as initially determined by the resolutions of the shareholders of the Company at the time of the creation of the relevant shares, as such combination may be amended from time to time in accordance with article 5.5 (Rb lees: 5.4) of these Articles.

5.4. (…)

The General Meeting of Shareholders may also create new classes of shares, redeem classes of shares in whole or in part, and amend the combination of Vitol Holding II shares which a given class of shares reflects.”

Deze bepalingen voorzien derhalve naar de tekst genomen in een mechanisme waardoor binnen de Tinsel Group het ‘mandje’ van Vitol certificaten waarop de Tinsel Group certificaten S1 betrekking hebben van tijd tot tijd kan worden aangepast. De tekst bevat echter geen aanknopingspunt voor het standpunt van Tinsel c.s. dat een certificaathouder als [persoon1] op dit punt een instructiebevoegdheid zou hebben. Integendeel, de statuten bepalen dat het hier gaat om besluitvorming door Stichting Tinsel als aandeelhoudster en niet blijkt dat Stichting Tinsel bij deze besluitvorming is gebonden aan instructies van anderen, zoals de certificaathouders. Weliswaar is voorzien dat distributie ter vrije bepaling van de Board als dividend dan wel redemption kan voorkomen, doch omtrent enig tijdelijk karakter, conversie of invloed van de certificaathouder wordt niets bepaald.

Dat betekent, dat de beschikbare, volgens beide partijen geldende, documenten de uitleg van Planck ondersteunen, en als zodanig geen steun bieden aan de uitleg van Tinsel c.s.

7.6

Tinsel c.s. stelt tegenover deze documenten voornamelijk de gebruikelijke gang van zaken binnen Vitol Holding (dan wel Vitol Groep). Zij besteedt niet of nauwelijks aandacht aan de separate positie van Tinsel/ Stichting Tinsel ten opzichte van Vitol Holding/Stichting Vitol (terwijl Vitol Holding/Stichting Vitol en Tinsel/ Stichting Tinsel ook volgens Tinsel c.s. niet met elkaar vereenzelvigd kunnen worden). Planck had echter niet met Vitol Holding/Stichting Vitol, maar met Tinsel Group van doen.

Tinsel c.s. bevestigt dat er geen bepaling in de besproken documenten of andere documenten die afspraken tussen partijen vastleggen valt aan te wijzen die een basis biedt voor conversie of voor haar lezing dat [persoon1] een instructiebevoegdheid toekomt. Zij bevestigt (bij pleidooi, pleitnota 16d) dat de Tinsel Group aandelen en certificaten ongewijzigd blijven uitstaan voor zover de percentages tussen het oude economisch belang en het nieuwe economisch belang elkaar overlappen, doch voegt aan belang toe: van de Amerikaanse werknemer, zonder toe te lichten waarom dat (los van de separate kwestie van de besluitvorming aangaande het afschaffen) voor de permitted assignee niet evenzeer zou gelden. Zij meent dat Planck moet hebben geweten dat er, ook na de invoering van de Tinselstructuur, nog steeds op de oude voet werd verder gegaan. Haar meest concrete argument daarvoor ontleent zij aan de gang van zaken in 2009, waarover partijen echter van mening verschillen. Voorts gaat zij uitgebreid in op de ongelijkheden en ongerijmdheden die bij de Vitol Groep zouden ontstaan als de uitleg van Planck wordt gevolgd en benadrukt zij de ongewenste en onaannemelijke gevolgen die de uitleg van Planck voor het beleid van de Vitol Groep zou hebben.

Hoewel, op zichzelf, de ongerijmde gevolgen van een bepaalde uitleg een sterk argument tegen de juistheid daarvan kunnen vormen, miskennen gedaagden hiermee dat Planck niet in een contractuele (of aandeelhouders)relatie tot Vitol Holding/Stichting Vitol stond. De verhouding tussen Tinsel Group en de Vitol Groep ging Planck in beginsel niet aan. Dat haar uitleg ongerijmde of onwenselijke gevolgen zou hebben behoefde dan ook voor Planck in beginsel niet duidelijk te zijn. Datzelfde geldt voor de door Tinsel c.s. aangehaalde opvattingen van anderen die in een met Planck vergelijkbare positie verkeerden, nog daargelaten dat Planck de inhoud van de overgelegde brieven/verklaringen bestrijdt.

Ook de omstandigheid dat [persoon1] een dergelijke uitleg niet zou onderschrijven, omdat hij Planck geen verdere winstrechten zou hebben willen toekennen (en ook niet heeft toegekend) is niet van belang. [persoon1] had immers, in 2005, de D2005 certificaten onherroepelijk overgedragen.

7.7

Op basis van hetgeen onder 7.5 en 7.6 werd overwogen is de rechtbank voorshands van oordeel dat de uitleg van Planck juist is: de (permanente) certificaten Tinsel Group S1 geven een automatische aanspraak op (een evenredig aandeel in) de aan [persoon1] vanaf 2005 in het kader van het werknemersparticipatieplan toegekende winstrechten. Planck heeft voorshands aan de vormgeving van de Tinsel-structuur redelijkerwijze het vertrouwen mogen ontlenen dat Planck automatisch zou meedelen in de winstaandelen verbonden aan de vanaf 2005 aan [persoon1] toegekende certificaten. De nieuwe uitgiften in 2007 en 2009 gaven, op basis van hetgeen daaromtrent thans vast staat, ook geen aanleiding om aan die visie te twijfelen: het ‘mandje’ van certificaten is daarbij telkens aldus aangepast dat Planck meedeelde in de nieuwe winstdragende certificaten (Vitol D2007 en Vitol D2009). Planck heeft op grond van de conversie in 2009 van 75 certificaten S1 in certificaten RS1-2008 voorts – naar voorlopig oordeel – niet erop bedacht hoeven te zijn dat haar certificaten slechts een tijdelijk winstrecht zouden geven en dat het toevoegen van “nieuwe” winstrechten aan het ‘mandje’ telkens aan de discretie van [persoon1] werd overgelaten. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat Planck vooralsnog voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [persoon1] dit standpunt (discretionaire bevoegdheid tot het wel of niet toevoegen van nieuwe winstrechten aan het ‘mandje’) bij de toelichting op de 2009-reductie aan Planck aanvankelijk niet heeft ingenomen.

De rechtbank weegt daarbij voorts nog het volgende mee. Planck had, als trust voor de kinderen Loya, een bijzondere positie. Zij had van de heer en mevrouw [persoon1en2] , onherroepelijk, de certificaten D2005 Vitol ontvangen die zij bij Stichting Tinsel heeft omgewisseld in de onderhavige S1 certificaten. Van Planck behoefde in die situatie niet verwacht te worden dat zij bedacht zou zijn op de door Tinsel c.s. gestelde, in het algemeen niet zeer voor de hand liggende, eigenaardigheid van haar certificaten. Aan de gebruikelijke gang van zaken bij Vitol, behoefde zij, voor zover zij daar als buitenstaander (wellicht via haar bestuurder) zicht op had, slechts beperkt betekenis toe te kennen, nu met invoering van de Tinselstructuur juist uitdrukkelijk een wijziging van de bestaande praktijk werd beoogd. De door Planck verdedigde uitleg past beter bij de ook door Tinsel c.s. genoemde doelstelling van de Tinsel-structuur: belastingbesparing voor de Amerikaanse werknemers door het toekennen van permanente Tinsel-certificaten die een (van tijd tot tijd aangepast) ‘mandje’ van over de looptijd van het Tinsel Group certificaat toegekende Vitol certificaten weerspiegelen. Bij deze structuur past dat de certificaten waarmee wordt deelgenomen aan het werknemers-participatieplan (ook na overdracht aan een permitted assignee) slechts één keer worden uitgegeven en dat toekomstige winstrechten daar telkens automatisch bij aanwassen.

Tenslotte verdient nog opmerking dat de verhouding tussen Planck en de Stichting Tinsel/Tinsel Group onderscheiden moet worden van die tussen Planck en Vitol Holding/Stichting Vitol; op het punt van de uitleg maakt dat echter in dit stadium geen verschil.

7.8

Tinsel c.s. zal in de gelegenheid worden gesteld tot het leveren van tegenbewijs. Planck wordt er op gewezen dat voor het leveren van tegenbewijs voldoende is dat serieuze twijfel aan de juistheid van de uitleg van Planck wordt gewekt, bijvoorbeeld op het punt van de instructiebevoegdheid van [persoon1] , zonder dat gevergd wordt dat Tinsel c.s. haar lezing bewijst.

Planck zal eigen, aanvullend bewijs van haar stellingen meteen (in contra-enquête, voor zover het om getuigenbewijs gaat) moeten voorbrengen, daartoe zal zij later niet apart in de gelegenheid worden gesteld.

Indien Tinsel c.s. slaagt in dit tegenbewijs liggen de vorderingen van Planck voorshands voor afwijzing gereed, aangezien in dat geval hoe dan ook aan Planck geen rechten op verdere winstdeling toekomen en/of de discretie bestond met ingang van 2011 geen nieuwe winstrechten aan Planck toe te kennen, zodat Planck in dat geval geen nadeel heeft geleden door de conversie van de certificaten Tinsel Group S1 (en RS1-2008) in certificaten F19. Ook de diverse vorderingen in verband met de latere besluiten lijken dan zonder belang. Indien Tinsel c.s. niet slaagt in dit tegenbewijs wordt toegekomen aan de verdere beoordeling van de vorderingen van Planck tot ongedaan making van de gevolgen van deze conversie en tot nakoming van de (volgens Planck dan resulterende) verplichtingen uit hoofde van de SHA2007 en de statuten van Tinsel Group om nieuwe winstrechten toe te kennen, alsmede de diverse vorderingen aangaande de latere besluiten.

7.9

Om redenen van proces-economie zal nu reeds worden ingegaan op de vraag in hoeverre Tinsel Group en Stichting Tinsel in 2010 met toepassing van art. 10.9 van de SHA2007 de faciliteit waarbij certificaten kunnen worden overgedragen aan een permitted assignee, kon afschaffen. Planck voert aan dat deze faciliteit in 2006 welbewust in de Tinsel Group structuur is opgenomen, dat deze structuur mede tot doel had estate planning van de Amerikaanse werknemers te faciliteren en dat Planck als contractspartij van de SHA2007 erop heeft mogen vertrouwen dat deze regeling niet althans niet zonder zwaarwegende redenen zou worden ingetrokken. Tinsel c.s. stellen in dit verband dat motieven aangaande estate planning geen rol (van betekenis) hebben gespeeld bij het opzetten van de Tinsel Group structuur en voorts dat wel (voldoende) zwaarwegende gronden bestonden voor de wijziging van de SHA2007. Bij de hiervoor onder 7.8 besproken bewijslevering zal tevens kunnen worden ingegaan op deze (andere) bewijspunten, waarbij de bewijslast (a) van de uitleg dat artikel 10.9 van de SHA2007 een zover gaande wijzigingsbevoegdheid inhoudt en (b) van het bestaan van zwaarwegende gronden op Tinsel c.s. rust.

Indien Tinsel c.s van deze mogelijkheid geen gebruik maakt gaat de rechtbank ervan uit dat zij afziet van bewijs op dit punt.

7.10

De geldigheid van de besluiten van december 2010 zal te zijner tijd wellicht eveneens onderwerp van bewijslevering worden. Uit proceseconomische overwegingen komt het de rechtbank geraden voor dat, in het kader van de verhoren aangaande de huidige bewijsopdrachten, aan de getuigen ook op dit punt vragen kunnen worden gesteld. De rechter-commissaris zal dit bij gelegenheid van het eerste verhoor nader met partijen bespreken.

Partijen zullen in de conclusies na enquête hun standpunten hieromtrent nader kunnen uitwerken en onderbouwen, ook voor zover het gaat om het – voorshands, als het incorporatierecht op Tinsel Group toepasselijke – Luxemburgse recht.

In conventie en in reconventie

7.11

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

8 De beslissing

De rechtbank

in conventie

8.1.

laat Tinsel c.s. toe tot het tegenbewijs als omschreven onder 7.8,

8.2.

stelt Tinsel c.s. in de gelegenheid te bewijzen als omschreven onder 7.9,

8.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 november 2015 voor uitlating door Tinsel c.s. of zij bewijs wenst leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

8.4.

bepaalt dat Tinsel c.s., indien zij geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct op 4 november 2015 in het geding moeten brengen,

8.5.

bepaalt dat Planck en Tinsel c.s., indien zij getuigen willen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden december 2015 tot en met maart 2016 direct moeten opgeven, waarna dag en uur van de getuigenverhoren zullen worden bepaald,

8.6.

bepaalt dat de getuigenverhoren zullen plaatsvinden op de terechtzitting van de daartoe tot rechter-commissaris benoemde mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan Wilhelminaplein 100/125,

8.7.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

8.8.

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

8.9.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. W.J. van den Bergh en mr. F. Damsteegt-Molier en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2015.