Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:7960

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-11-2015
Datum publicatie
27-11-2015
Zaaknummer
C/10/471082 / HA ZA 15-215
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling nalatenschap. Vordering van echtgenote van erfgenaam afgewezen; zij is geen deelgenoot in de te verdelen gemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/471082 / HA ZA 15-215

Vonnis van 4 november 2015

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [eiseres 1],

wonende te [woonplaats 2] ,

eisers in conventie, verweerders in reconventie,

advocaat mr. M.C.G. Stut,

tegen

[gedaagde 1],

wonende te [woonplaats 3] ,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

advocaat mr. J.B. van Rij.

Eiser sub 1 en eiseres sub 2 zullen hierna gezamenlijk eisers worden genoemd.

Eiser sub 1 zal hierna afzonderlijk [eiser 2] , eiseres sub 2 [eiseres 2] en gedaagde [gedaagde 2] genoemd worden.

1 De procedure in conventie en in reconventie

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 24 juni 2015 en de daarin genoemde processtukken;

  • -

    de bij brief van mr. Stut van 14 juli 2015 overgelegde producties;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 30 juli 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten in conventie en in reconventie

2.1.

Op 29 oktober 1991 is te Vlaardingen overleden [eiser 1] , de vader van partijen [eiser 2] en [gedaagde 2] (hierna: vader). Op 22 juli 2011 is te Vlaardingen overleden [erflaatster] , de moeder van partijen [eiser 2] en [gedaagde 2] (hierna: moeder). Vader en moeder [erflaatsters] waren gehuwd in gemeenschap van goederen.

2.2.

[gedaagde 2] heeft in de jaren voorafgaand aan het overlijden van moeder, in elk geval vanaf 2006 tot haar overlijden, (gedeeltelijk) haar financiële belangen behartigd en haar financiën beheerd.

2.3.

De wettelijke erfgenamen van vader en moeder zijn partijen [eiser 2] en [gedaagde 2] , ieder voor de helft. Zij hebben de nalatenschap van moeder beiden beneficiair aanvaard.

2.4.

[eiser 2] was ten tijde van het overlijden van vader in eerste huwelijk in algehele gemeenschap van goederen getrouwd met [eiseres 2] . Dit huwelijk is op 18 februari 2002 ontbonden. [eiser 2] en [eiseres 3] zijn op 18 oktober 2011 hertrouwd, eveneens in algehele gemeenschap van goederen.

2.5.

Na het overlijden van vader heeft een feitelijke ouderlijke boedelverdeling plaats gevonden, ten gevolge waarvan [eiser 2] en [gedaagde 2] beiden een gelijke vordering op hun moeder verkregen die eerst bij haar overlijden opeisbaar is geworden. Bij de verdeling van de nalatenschap van moeder behoeven deze vorderingen geen afzonderlijke behandeling.

2.6.

Thans dienen nog in de verdeling van de nalatenschap van moeder te worden betrokken:

- het netto saldo van € 67.671,20 van de verkoopopbrengst van de woning aan de [woning 1] ;

- het netto saldo van € 73.272,22 van de verkoopopbrengst van de woning aan de [woning 2] ;

- de onroerende zaak aan de [woning 3] , de al jaren door [gedaagde 2] en zijn echtgenote bewoonde woning;

- de saldi van de bankrekeningen van moeder.

De saldi van de verkoopopbrengsten van de beide verkochte woningen te [woonplaats 4] en de saldi van de bankrekeningen zijn inmiddels overgemaakt naar een speciale ervenrekening. Het saldo van deze rekening bedroeg, na het verrichten van diverse betalingen, per 9 juli 2015 € 46.595,95.

2.7.

Bij in kracht van gewijsde gegane beschikking van de kantonrechter te Rotterdam van 31 januari 2014 is bepaald dat [gedaagde 2] met ingang van 22 juli 2011 een gebruikersvergoeding voor de woning aan de [woning 3] dient te betalen aan [eiser 2] en [eiseres 2] van € 150,-- per maand. Tot dusverre heeft [gedaagde 2] hierop geen betalingen verricht.

2.8.

De woning aan de [woning 4] is van januari 2008 tot 1 januari 2012 verhuurd geweest aan [huurder] . De huur van € 300,-- per maand is steeds voldaan aan [gedaagde 2] .

2.9.

[eiser 2] heeft ten behoeve van de nalatenschap ontvangen een bedrag van € 75,-- wegens verkoop inboedelgoederen en een teruggave van Eneco van € 646,--. Hij heeft aan kosten ten laste van de nalatenschap voldaan een bedrag van € 3.093,79. Ook is van de ervenrekening voldaan voor hem een bedrag van € 9.573,-- aan erfbelasting vermeerderd met € 161,-- aan heffingsrente. Al deze bedragen dienen nog te worden verrekend.

2.10.

Aan [eiseres 2] komt toe wegens gedeeltelijk beheer van de nalatenschap na het overlijden van moeder en daarbij gemaakte onkosten ten laste van de nalatenschap een bedrag van € 500,--.

2.11.

[gedaagde 2] heeft na het overlijden van moeder van een van haar bankrekeningen een bedrag opgenomen van € 995,37 dat nog moet worden verrekend. Ook heeft hij kosten gemaakt ten laste van de nalatenschap ten bedrage van € 3.214,--; ook dit bedrag moet nog worden verrekend.

2.12.

De kosten van op verzoek van [eiser 2] en [eiseres 2] verstrekte kopieën van bankafschriften van de bankrekeningen van moeder ten bedrage van € 1.115,-- zijn ten laste van de ervenrekening gebracht.

2.13.

[eiser 2] heeft op zijn erfdeel een voorschot van € 25.000,-- ontvangen en [gedaagde 2] een bedrag van € 40.753,40.

3 Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.

Eisers vorderen samengevat – in conventie

1. veroordeling van [gedaagde 2] tot het afleggen van rekening en verantwoording van het door hem gevoerde financiële beheer over de drie bankrekeningen van moeder bij de ABN Amro Bank over de periode januari 2006 tot aan het overlijden van moeder op straffe van een dwangsom.

2. de verdeling van de nalatenschap van moeder en/of de gemeenschap van partijen in die zin dat:

a. met betrekking tot de woning aan de [woning 3] :

- eisers worden gemachtigd tot het te gelde maken en alles te doen wat noodzakelijk is voor de verkoop van deze woning;

- wordt bepaald dat het te wijzen vonnis in de plaats komt van de vereiste toestemming en/of wilsverklaring van [gedaagde 2] tot het in de verkoop geven van de woning bij een makelaar;

- [gedaagde 2] wordt veroordeeld om binnen tien dagen na betekening van het te wijzen vonnis alle nodige medewerking te verlenen om tot verkoop van de woning te komen, waaronder de openstelling van de woning voor bezichtiging door de makelaar en potentiële kopers;

- wordt bepaald dat het te wijzen vonnis in de plaats komt van de voor de eigendomsoverdracht en levering van de woning vereiste toestemming en/of wilsverklaring en/of medewerking van [gedaagde 2] anderszins;

- [gedaagde 2] wordt veroordeeld om de woning te ontruimen met afgifte van de sleutels aan eisers veertien dagen voordat de woning feitelijk wordt geleverd aan een derde;

- de netto verkoopopbrengst wordt verdeeld tussen partijen waarbij [eiseres 2] 1/12 deel krijgt, [eiser 2] 5/12 en [gedaagde 2] 6/12;

- wordt bepaald dat [gedaagde 2] een dwangsom verbeurt van € 500,-- per dag dat hij in gebreke blijft aan één van de opgelegde geboden te voldoen;

b. met betrekking tot de verkoopopbrengst van de [woning 1] ad € 104.950,--

- wordt vastgesteld dat [gedaagde 2] reeds een bedrag van € 40.753,40 heeft ontvangen;

- wordt bepaald dat van het saldo van de ervenrekening een bedrag van € 10.000,-- toekomt aan [gedaagde 2] , een bedrag van € 18.729,17 (€ 43.729,17 minus voorschot ad € 25.000,--) aan [eiser 2] en € 8.458,90 toekomt aan [eiseres 2] ;

c. met betrekking tot de verkoopopbrengst van de woning aan de [woning 2] ad € 73.272,22 wordt bepaald dat van het saldo van de ervenrekening een bedrag van € 36.636,12 toekomt aan [gedaagde 2] , een bedrag van € 30.530,10 aan [eiser 2] en een bedrag van € 6.106,02 aan [eiseres 2] ;

d. [gedaagde 2] van de door hem ontvangen huurpenningen voor de woning aan de [woning 2] tot en met december 2011 aan [eiser 2] dient te betalen een bedrag van € 6.000,01 en aan [eiseres 2] een bedrag van € 1.200,01 en wordt bepaald dat van de huuropbrengsten vanaf januari 2012 een bedrag van € 900,-- toekomt aan [gedaagde 2] , een bedrag van € 750,-- aan [eiser 2] en een bedrag van € 150,-- aan [eiseres 2] ;

e. met betrekking tot het door [gedaagde 2] gevoerde beheer over de bankrekeningen van moeder [gedaagde 2] wordt veroordeeld om aan [eiser 2] en/of [eiseres 1] een bedrag van € 116.512,85 althans € 58.256,43, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, te betalen;

f. wordt bepaald dat [eiser 2] recht heeft op een vergoeding van € 2.372,79 van de ervenrekening, [gedaagde 2] op een vergoeding van € 2.372,79 en [eiseres 2] op een vergoeding van € 500,--;

g. wordt bepaald dat de kosten voor het opvragen van de afschriften van de bankrekeningen van moeder ten laste van de nalatenschap komen;

h. het resterende saldo van de ervenrekening, na aftrek van de bedragen hiervoor genoemd onder b) (tweede streepje) en c), en f), en g) en alle notariskosten (te weten vereffeningskosten), bij helfte wordt toegedeeld aan [gedaagde 2] en [eiser 2] ;

i. wordt bepaald dat op het aan [gedaagde 2] toekomende deel van het saldo van de ervenrekening en, in geval van verkoop en levering van de woning aan de [woning 3] , het hem toekomende deel van de netto verkoopopbrengst van deze woning in mindering wordt gebracht een bedrag van € 9.573,--;

j. wordt bepaald dat de door [gedaagde 2] aan [eiser 2] en [eiseres 2] verschuldigde bedragen hiervoor genoemd onder a), d) en e) in mindering worden gebracht op het aan [gedaagde 2] toekomende deel van het saldo van de ervenrekening;

3. wordt bepaald dat, voor zover bij de uitvoering van het te wijzen vonnis andere handelingen nodig zijn, [gedaagde 2] al het nodige zal verrichten op eerst daartoe strekkend verzoek van [eiser 2] en/of [eiseres 2] op verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag;

4. veroordeling van [gedaagde 2] in de kosten van het geding.

3.2.

[gedaagde 2] voert in conventie verweer.

3.3.

[gedaagde 2] vordert in reconventie, na vermindering van eis ter gelegenheid van de comparitie van partijen, eveneens de verdeling van de nalatenschap van moeder met daarbij toedeling en levering aan hem van de woning aan de [woning 3] tegen de tussen partijen vastgestelde waarde van € 78.750,-- met compensatie van de proceskosten.

3.4.

[eiser 2] en [eiseres 2] voeren in reconventie verweer dat grotendeels voortvloeit uit hun stellingen in conventie.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.

De ontvankelijkheid van [eiseres 2]

4.1.1.

[eiser 2] en [eiseres 2] stellen dat op grond van de ontbinding van hun eerste huwelijk op 18 februari 2002 en de daarmee samenhangende ontbinding van de destijds tussen hen bestaande huwelijksgoederengemeenschap, [eiseres 2] mede gerechtigd is in de nalatenschap van moeder en vader [erflaatsters] .

4.1.2.

De rechtbank overweegt dat, voor zover al in 2002 door de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap destijds [eiseres 2] een eigen recht heeft gekregen op zaken die tot de nalatenschap van vader behoorden, hun stelling afstuit op artikel 1:166 BW. Op grond hiervan zijn na het tweede huwelijk in gemeenschap van goederen in 2011 alle gevolgen van het eerste huwelijk van partijen van rechtswege herleefd.

4.1.3.

Ten tijde van het overlijden van moeder [erflaatsters] waren [eiser 2] en C. [eiser 2] overigens nog niet ten tweede male gehuwd. Slechts [eiser 2] is als wettelijk erfgenaam deelgenoot in de nalatenschap van moeder geworden.

4.1.4.

[eiseres 2] is dus geen erfgenaam en dus niet gerechtigd tot (een deel van) de nalatenschappen van vader en moeder [erflaatsters] . De vorderingen van [eiseres 2] , die alle zijn gebaseerd op een positie als deelgenoot in deze nalatenschappen, zullen daarom worden afgewezen. Dit geldt ook voor de verrekening van het haar op grond van de beschikking van de kantonrechter van 31 januari 2014 toekomende deel van de gebruikersvergoeding voor de woning aan de [woning 3] en het betrekken in de verdeling van haar vordering tot betaling van een bedrag van € 500,-- aan executeursloon en –kosten. In verband hiermee zal in het vervolg van dit vonnis slechts over de vordering in conventie van [eiser 2] worden gesproken.

4.2.

De vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording door [gedaagde 2] en daarmee samenhangende vorderingen

4.2.1.

[eiser 2] vordert een veroordeling van [gedaagde 2] tot het afleggen van rekening en verantwoording over het door hem gevoerde beheer over drie bankrekeningen van moeder bij ABN Amro Bank over de periode van januari 2006 tot haar overlijden op 22 juli 2011.

4.2.2.

[gedaagde 2] erkent moeder op haar verzoek te hebben bijgestaan met haar bankzaken, maar meent niet verplicht te zijn hierover na het overlijden van moeder rekening en verantwoording af te leggen aan zijn mede-erfgenaam [eiser 2] .

4.2.3.

De rechtbank overweegt dat niet is gesteld dat moeder ten tijde van het verlenen van volmachten aan [gedaagde 2] in verband met de behartiging van haar financiële belangen en de uitoefening van deze volmachten, niet in staat was haar wil te bepalen alsmede dat moeder bij leven geen aanleiding heeft gevonden rekening en verantwoording van [gedaagde 2] te verlangen. De rechtbank leidt hieruit af, bij gebreke van enige aanwijzing anderszins, dat moeder heeft ingestemd met het gebruik door [gedaagde 2] van de hem verleende machtigingen en met het overig door hem verricht financiële beheer. Omdat [gedaagde 2] jegens moeder niet was gehouden tot het doen van rekening en verantwoording en niet is gesteld dat sprake is geweest van misbruik van omstandigheden door [gedaagde 2] (vgl. HR 13 mei 2005; ECLI:NL:HR:2005:AS3167), heeft [gedaagde 2] daarom jegens [eiser 2] evenmin een dergelijke verplichting. Hetgeen [eiser 2] in dit verband nog heeft gesteld omtrent dubieuze opnamen en betalingen is onvoldoende onderbouwd; ook de door [eiser 2] overgelegde bankafschriften en daarbij gevoegde jaarlijkse overzichten van dubieuze opnamen en betalingen kunnen hiertoe zonder meer niet dienen. Ook de stelling (ter comparitie) dat moeder gedurende de laatste jaren van haar leven wilsonbekwaam was, is niet deugdelijk onderbouwd. De verklaringen van bekenden dat het steeds slechter met moeder ging, zijn daartoe onvoldoende. In dit verband gaat de rechtbank ook voorbij aan hetgeen door partijen is gesteld omtrent verbouwingskosten van de woning aan de [woning 5] tijdens het leven van moeder. Op grond van het vorenstaande zal ook de vordering van [eiser 2] onder 2 e), gegrond op de stelling dat [gedaagde 2] een bedrag van € 116.512,85 heeft verbeurd althans zal dienen te vergoeden aan de nalatenschap, worden afgewezen.

4.2.4

Op [gedaagde 2] rust dus niet een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording aan [eiser 2] en evenmin, zoals subsidiair gevorderd een verplichting tot het geven van uitleg over door hem verrichte financiële handelingen die niet binnen het normale uitgavenpatroon van moeder vielen. Deze vorderingen zullen worden afgewezen.

4.2.5.

De vorderingen van [eiser 2] onder 2 e) (betaling door [gedaagde 2] van een bedrag van € 116.512,85 althans 58.256,43), 2 g) (betreffende de kosten van het opvragen van afschriften van de bankrekeningen van moeder) komen op vorenstaande gronden dus niet voor toewijzing in aanmerking.

4.2.6.

Anders dan [eiser 2] stelt kwamen de huuropbrengsten van de woning aan de [woning 2] in verband met de feitelijke ouderlijke boedelverdeling na het overlijden van vader toe aan moeder. Nu uit de stellingen van partijen volgt dat moeder er kennelijk mee heeft ingestemd dat tot haar overlijden de huurbetalingen werden verricht op een bankrekening van [gedaagde 2] en heeft ingestemd met het door hem over deze huuropbrengsten gevoerde beheer, zal ook de vordering van [eiser 2] onder 2 d) worden afgewezen.

4.3.

De inboedel van de woning van moeder en haar sieraden

4.3.1.

Hieromtrent hebben partijen ter comparitie een schikking bereikt, zodat de in de stellingen van [gedaagde 2] besloten liggende reconventionele vordering hierover niet hoeft te worden behandeld.

4.4.

De vorderingen in conventie en in reconventie betreffende de onroerende zaak aan de [woning 3]

4.4.1

[gedaagde 2] beroept zich op een overeenkomst tussen partijen dat de woning aan de [woning 3] aan hem zal worden toebedeeld en geleverd tegen (verrekening van) een waarde van € 78.750,--. Nu [eiser 2] hiermee heeft ingestemd, zal de rechtbank bij de te gelasten verdeling hiervan uitgaan.

4.4.2

Dit wordt niet anders door de tevens door [eiser 2] ingenomen stelling dat [gedaagde 2] financieel niet in staat zal zijn deze toedeling te realiseren, nu deze stelling van [eiser 2] niet is onderbouwd. De vorderingen van [eiser 2] onder 2 a) zullen daarom worden afgewezen.

4.4.3.

In verband met de toedeling en levering van de betreffende onroerende zaak aan [gedaagde 2] zal de rechtbank niet zelf de verdeling tussen partijen vaststellen, maar een notaris benoemen ten overstaan van wie de verdeling zal moeten plaats vinden met inachtneming van hetgeen de rechtbank hierover zal bepalen.

4.5.

De huuropbrengsten van de woning aan de [woning 2] over de periode 22 juli 2011 tot en met december 2011

4.5.1.

[eiser 2] heeft onbestreden gesteld dat het hier gaat om een bedrag van € 1.596,77. De rechtbank zal bepalen dat dit bedrag in het kader van de verdeling ten laste van [gedaagde 2] zal worden verrekend.

4.6.

De overige vorderingen van [eiser 2]

4.6.1.

De vorderingen van [eiser 2] onder 2 b) , c), f) (gedeeltelijk), h), i) en j) komen niet voor toewijzing in aanmerking, omdat hierbij kennelijk wordt uitgegaan van een partiële verdeling van de verkoopopbrengsten van de woningen aan de [woning 6] en [woning 2] , terwijl zoals hierna zal worden beslist er een gezamenlijke verdeling dient plaats te hebben van het nog resterende deel van de nalatenschap van moeder.

4.7.

Te verrekenen door [eiser 2] en [gedaagde 2] voorgeschoten kosten

4.7.1.

De rechtbank zal bepalen dat de in de conceptafrekening van notaris [notaris 1] van 14 juni 2013 (productie 18) opgenomen kosten als onbestreden door partijen zullen moeten worden verrekend, zoals hierna zal worden bepaald.

4.8.

Bewijsaanbod van [eiser 2] en [gedaagde 2]

4.8.1.

Aan de volstrekt niet onderbouwde bewijsaanbiedingen van [eiser 2] (en [eiseres 2] ) en [gedaagde 2] komt de rechtbank niet toe.

4.9.

Benoeming notaris

4.9.1.

Nu blijkens de stukken partijen met betrekking tot de verdeling reeds uitgebreid contact hebben gehad met notaris [notaris 1] van Maes notaris te Vlaardingen en niet is gesteld of gebleken dat partijen bezwaar hebben tegen verdere bemoeienis van deze notaris, zal de rechtbank deze benoemen tot notaris ten overstaan van wie de verdeling zal worden vastgesteld.

4.10.

Ten overvloede met betrekking tot de erfbelasting voor [gedaagde 2]

4.10.1

De rechtbank stelt gelet op de stellingen van partijen vast dat het bedrag van deze belasting van € 9.573,-- alsmede eventuele heffingsrente en kosten, waarvoor beslag is gelegd op de woning aan de [woning 7] , nog niet is voldaan.

4.11.

Ten overvloede met betrekking tot het executeursloon van [eiseres 2]

4.11.1.

De rechtbank zal hierna bepalen dat eerst na voldoening van het betreffende bedrag van € 500,-- het saldo van de nalatenschap zal kunnen worden vastgesteld.

4.12.

Proceskosten

4.12.1.

De rechtbank zal de proceskosten, gelet op de familierelatie tussen partijen, compenseren.

5 De beslissing in conventie en in reconventie

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen van [eiseres 2] af,

5.2.

benoemt tot notaris ten overstaan van wie de verdeling zal worden vastgesteld [notaris 2] , kantoorhoudende aan de [adres] ,

5.3.

bepaalt dat de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap dient te worden vastgesteld met inachtneming van het navolgende:

a. de inboedel van moeder, inclusief de sieraden, is tussen partijen feitelijk verdeeld zonder verdere verrekening, met uitzondering van een door [eiser 2] ter zake ontvangen bedrag van € 75,--;

b. verrekend dienen te worden door [eiser 2] voorgeschoten kosten:

- € 11,50 uittreksel Burgerlijke Stand;

- € 1.316,73 nota Kooijman Lambert Notarissen d.d. 22 december 2011;

- € 803,56 Van Houwelingen & Partners gerechtsdeurwaarders;

- € 962,-- maandtermijnen Eneco;

c. verrekend dienen te worden door [gedaagde 2] voorgeschoten kosten:

- € 2.583,-- uitvaart;

- € 350,-- bloemen;

- € 281,-- premie woonhuisverzekering;

d. aan [gedaagde 2] wordt toebedeeld en geleverd tegen (verrekening van) een waarde van € 78.450,-- de onroerende zaak aan de [woning 3] ;

e. aan [eiser 2] komt toe:

- het saldo van de ervenrekening, na voldoening van de nog te maken kosten van de notaris en van zo nodig verder te maken kosten alsmede van het executeursloon van [eiseres 2] van € 500,--;

alsmede ter verrekening reeds door hem ontvangen dan wel voor hem betaald:

  • -

    € 75,-- voor verkochte inboedelgoederen;

  • -

    € 646,-- terugbetaling Eneco januari 2013

  • -

    € 25.000,-- ontvangen na verkoop van de woning aan de [woning 1] ;

  • -

    € 9.573,-- van de ervenrekening betaalde erfbelasting vermeerderd met € 161,-- heffingsrente;

- € 1.115,-- in verband met van de ervenrekening betaalde kosten voor het opvragen van afschriften van de bankrekeningen van moeder (zie r.o. 2.11.);

f. aan [gedaagde 2] komt toe ter verrekening:

  • -

    € 78.450,-- aan waarde van de woning aan de [woning 3] ;

  • -

    € 995,37 gepinde bedragen na overlijden van moeder;

  • -

    € 40.753,40 ontvangen na verkoop van de woning aan de [woning 1] ;

  • -

    € 1.596,77 aan huuropbrengsten van de woning aan de [woning 2] over de periode 22 juli 2011 tot en met december 2011;

g. voorts dient te worden verrekend ten laste van [gedaagde 2] de door hem aan [eiser 2] (en [eiseres 2] ) te betalen gebruikersvergoeding voor de woning aan de [woning 3] van € 150,-- per maand vanaf 22 juli 2011 tot de dag van levering van de woning aan [gedaagde 2] ;

h. [gedaagde 2] zal wegens overbedeling aan [eiser 2] dienen te betalen het bedrag dat zal worden vastgesteld na saldering van de hiervoor genoemde posten en nog te maken kosten ten behoeve van de gemeenschap;

5.4.

verstaat dat partijen hun medewerking zullen verlenen aan de levering van de in de verdeling betrokken onroerende zaak,

5.5.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt

5.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Verschuur en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2015.1

1 2323/2294