Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:776

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-01-2015
Datum publicatie
06-02-2015
Zaaknummer
3335684
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nadat er een hennepkwekerij is aangetroffen in de huurwoning van gedaagde, heeft de verhuurder gedaagde, die op dat moment onder bewind stond, de gelegenheid geboden de huur op te zeggen. Daarbij werd aangekondigd dat in rechte ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zou volgen, indien de huur niet vrijwillig zou worden opgezegd. De bewindvoerder heeft opgezegd ter voorkoming van verdere kosten. De kantonrechter oordeelt dat die opzegging rechtsgeldig is gedaan. De vordering van de verhuurder tot ontruiming van de woning wegens verblijf zonder recht of titel wordt door de kantonrechter toegewezen, overigens op een moment dat het bewind al was opgeheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2015/93 met annotatie van Mr. J.J. Dijk
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 3335684 CV EXPL 14-40038

uitspraak: 23 januari 2015

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

Stichting Woonstad Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. G.H.A. Vlierhuis, advocaat te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. H.J. van Smaalen, advocaat te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “Woonstad” en “[gedaagde]”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 11 augustus 2014, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek, met producties.

1.2

De datum van de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1

Op 19 januari 1995 heeft Woonstad met [gedaagde] een huurovereenkomst gesloten betreffende de woning met toebehoren op het adres [straatnaam en plaats].

2.2

Bij beschikking van de kantonrechter van 9 september 2013 is een bewind ingesteld over de goederen die aan [gedaagde] (zullen) toebehoren, met benoeming van [kantoor X]als bewindvoerder. [kantoor X]is een handelsnaam van Jay Holding B.V., waarvan[mevrouw Y] enig aandeelhouder en bestuurder is. Bij [kantoor X]is[mevrouw F.D.] werkzaam.

2.3

Op 24 januari 2014 is een hennepkwekerij aangetroffen in genoemde woning. Deze is ontmanteld.

2.4

Bij brieven van 27 januari 2014 aan de bewindvoerder en [gedaagde], met bijgevoegd een opzegformulier, heeft Woonstad de gelegenheid geboden om de huurovereenkomst op te zeggen.

2.5

Op 31 januari 2014 is het opzegformulier ingevuld en ondertekend “i.o.” door[mevrouw F.D.], geretourneerd.

2.6

Woonstad heeft op 5 februari 2014 verzocht om een kopie van het legitimatiebewijs van [gedaagde] om de opzegging van de huurovereenkomst te kunnen afronden. [mevrouw Y], voornoemd, heeft de kopie verstrekt.

2.7

Bij brief van Woonstad van 19 februari 2014 is [gedaagde] medegedeeld dat de huur-overeenkomst eindigt per 28 februari 2014. Tevens is medegedeeld dat op 21 februari 2014 een eerste inspectie van de woning zou worden uitgevoerd, om vast te stellen welke werkzaamheden [gedaagde] moest verrichten om de woning in goede staat op te leveren.

2.8

Op 21 februari 2014 is in de woning een inspectie uitgevoerd in het bijzijn van [gedaagde]. Een lijst is gemaakt met nog te verrichten werkzaamheden om de woning goed op te leveren. [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld om die werkzaamheden uit te voeren. Op

17 maart 2014 zou de eindinspectie van de woning plaatsvinden.

2.9

[gedaagde] heeft van de bewindvoerder vernomen dat hij op 17 maart 2014 de woning diende te verlaten en dat nader is overeengekomen dat de huurovereenkomst zou eindigen op 18 maart 2014.

2.10

Bij brief van 13 maart 2014 heeft mr. Van Smaalen voornoemd namens [gedaagde] onder meer het volgende geschreven aan Woonstad:

“Tot mij heeft zich gewend de heer S. [gedaagde] die van Woonstad de woning aan de [straatnaam en plaats] huurt. Via [mevrouw F.D.], consulente bij de bewindvoerder van cliënt, [kantoor X], ontving ik per mail de brief van uw hand, gedateerd op 27 januari jl. en geadresseerd aan cliënt. Cliënt geeft aan de brieven nooit te hebben ontvangen. Bij de mail van [mevrouw F.D.] was tevens een

huuropzeggingsformulier gevoegd, gedateerd 31 januari 2014. Dat formulier is ondertekend door [mevrouw F.D.] en naar ik begreep heeft zij het naar Woonstand gestuurd. Voor haar handtekening op het formulier staat “i.o.”. Cliënt geeft echter aan haar nooit opdracht te hebben gegeven tot een huuropzegging en hij heeft de huur ook nooit willen opzeggen. Een bewindvoerder is verder zelfstandig niet bevoegd tot een huuropzegging als de onderhavige, zoals Woonstad zal weten.

Woonstad dient er gezien vorenstaande vanuit te gaan dat er geen sprake is van een huuropzegging en de huurovereenkomst voort duurt.

Ik begreep dat [kantoor X]met Woonstad een afspraak heeft gemaakt voor maandag 17 maart a.s. met betrekking tot een eindinspectie. Gezien vorenstaande zal deze afspraak geen doorgang kunnen vinden.(…)”

2.11

[gedaagde] heeft de woning niet opgeleverd, maar is daarin blijven wonen.

2.12

[kantoor X]heeft bij e-mailbericht van 14 april 2014 aan[de heer S.H.] werkzaam op het kantoor van de gemachtigde van Woonstad, onder meer het volgende geschreven:

“Het klopt dat wij bewindvoerder zijn van goederen van dhr. [gedaagde] en de opzegging van de huurovereenkomst hebben getekend. Echter woont meneer nog op hetzelfde adres. Hierover hebben wij uitgebreid contact gehad met dhr. [gedaagde] (…).”

2.13

Op 19 juni 2014 heeft Woonstad Jay Holding B.V. in haar hoedanigheid van bewindvoerder van S. [gedaagde] gedagvaard. In die procedure is in essentie hetzelfde gevorderd als in de onderhavige procedure. [gedaagde], bijgestaan door

mr. Van Smaalen voornoemd, heeft gevorderd in het geding te mogen tussenkomen. Op de rolzitting van 2 juli 2014 is Jay Holding B.V. verschenen bij[mevrouw Y], waarbij zij heeft vermeld bewindvoerder van [gedaagde] te zijn. [mevrouw Y] heeft verklaard:

“Ik verschijn voor gedaagde. Ik ga geen verweer voeren. De verhuurder heeft gelijk. De vordering klopt. Ik verwacht binnenkort een beschikking waarin ik word ontslagen als bewindvoerder, daar ik ontslag heb gevraagd.”

2.14

Het verzoek van [kantoor X]om haar als bewindvoerder van[gedaagde]te ontslaan is behandeld ter zitting in de middag van 2 juli 2014. Bij beschikking van de kantonrechter van 2 juli 2014 is het bewind over de goederen van rechthebbende opgeheven. Daartoe is onder meer overwogen:

“Het is de kantonrechter gezien de stukken en de mondelinge behandeling voldoende gebleken dat de bewindvoerder haar taken niet naar behoren kan uitoefenen omdat rechthebbende de bewindvoerder bedreigt en beticht van oplichting en diefstal.”

2.15

De onder 2.13 vermelde zaak is op de rol doorgehaald.

2.16

[RvO], werkzaam bij [kantoor X], heeft bij e-mailbericht van

20 oktober 2014 aan [de heer S.H.] voornoemd onder meer het volgende geschreven met betrekking tot de voormalig onder bewind gestelde [gedaagde], [straatnaam en plaats]:

“(…) ondanks dat wij als [kantoor X]niet meer betrokken zijn bij de

procedure tegen meneer, het volgende.

Als antwoord op uw vraag of de handtekening op het opzegformulier van mevrouw [mevrouw Y] of een van de andere medewerkers is: Ja, de handtekening op het opzegformulier is van een van onze medewerkers, namelijk mevrouw[mevrouw F.D.].

Als reactie op uw vraag waarom er in opdracht getekend is: meneer [gedaagde] was aangemeld bij [kantoor X]voor zijn schuldhulpverleningstraject, dit traject was voor zijn schulden opgestart. Zijn schulden waren toentertijd overgenomen door de Kredietbank, echter werd er een hennepkwekerij in de kelder van de woning van meneer [gedaagde] aangetroffen. Wegens deze reden hebben wij de huurovereenkomst dan ook willen beëindigen. Indien wij dit niet zouden doen, zou er een ontruiming plaatsvinden in de woning van meneer [gedaagde]. Dit zou dan wederom extra kosten voor hem opleveren (denk hierbij aan kosten voor deurwaarders en Woonstad).

Deze extra kosten houden ook in: nieuwe schulden. Indien men nieuwe schulden maakt terwijl hij/zij reeds in het schuldhulpverleningstraject zit, wordt het traject beëindigd. (…)

Als bewindvoerder ben je bevoegd om een overeenkomst (in het geval van

meneer [gedaagde] een huurovereenkomst) te beëindigen, vandaar dat [mevrouw F.D.] haar handtekening heeft gezet op het opzegformulier.

Bovenstaand gegeven is in goed overleg geweest met meneer [gedaagde], daarbij was toentertijd al op zoek naar een andere woonruimte.(…)”

3 De vordering

3.1

Woonstad heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

1. [gedaagde] te veroordelen om met onmiddellijke ingang, althans op een door de kantonrechter te bepalen datum, de woning gelegen aan de [straatnaam en plaats] te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze laatste niet het eigendom van Woonstad zijn, en onder afgifte van alle

sleutels ter vrije en algehele beschikking van Woonstad te stellen;

2. [gedaagde] te veroordelen om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting aan Woonstad te voldoen een bedrag van € 546,33 (zijnde huurschuld € 451,37 en € 94,96 buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

3. [gedaagde] te veroordelen om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting aan Woonstad te voldoen voor iedere maand, te rekenen met ingang van 1 september 2014 tot het tijdstip van de daadwerkelijke ontruiming van de woning, de som van € 543,18 en voor een gedeelte van een maand een pro rata berekend gedeelte van deze som, althans een zodanig bedrag dat

door de kantonrechter redelijk wordt geacht, telkenmale te rekenen vanaf de vervaldag van elke termijn vermeerderd met de wettelijke rente daarover;

4. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure;

Subsidiair

1. de gesloten huurovereenkomst tussen Woonstad en [gedaagde] ten aanzien van de woning aan de [straatnaam en plaats] met onmiddellijke ingang, althans op een door de

kantonrechter te bepalen datum, te ontbinden;

2. [gedaagde] te veroordelen om met onmiddellijke ingang, althans op een door de kantonrechter te bepalen datum, de woning gelegen aan de [straatnaam en plaats] te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze laatste niet het eigendom van Woonstad zijn, en onder afgifte van alle

sleutels ter vrije en algehele beschikking van Woonstad te stellen;

3. [gedaagde] te veroordelen om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting aan Woonstad te voldoen een bedrag van € 546,33 (zijnde huurschuld € 451,37 en € 94,96 buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

4. [gedaagde] te veroordelen om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting aan Woonstad te voldoen voor iedere maand, te rekenen vanaf 1 september 2014 tot het tijdstip van de daadwerkelijke ontruiming van het gehuurde, de som van € 543,18 en voor een gedeelte van een maand een pro rata berekend gedeelte van deze som, althans een zodanig bedrag dat door de kantonrechter redelijk wordt geacht, telkenmale te rekenen vanaf de vervaldag van elke termijn vermeerderd met de wettelijke rente daarover;

5. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2

Aan haar vordering heeft Woonstad - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag gelegd dat de huurovereenkomst met [gedaagde] is opgezegd door de bewindvoerder en dat in overleg met de bewindvoerder is besloten om de huurovereenkomst op 18 maart 2014 te beëindigen. [gedaagde] heeft echter geweigerd om de woning leeg en ontruimd aan Woonstad op te leveren. Primair wordt daarom ontruiming gevorderd. Voor het geval het primair gevorderde niet wordt toegewezen, is subsidiair ontbinding en ontruiming van de woning gevorderd in verband met het aantreffen van een hennepkwekerij in de woning, waardoor [gedaagde] zich niet als een goed huurder heeft gedragen. Tevens is gesteld dat [gedaagde] nog huur over de maand december 2013 ten bedrage van € 451,37 moet betalen en dat hij in verband daarmee € 94,96 aan buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is geworden. Over de tijd dat Woonstad niet over de woning kan beschikken, omdat deze niet is opgeleverd, wordt € 543,18 per maand gevorderd, omdat Woonstad dat bedrag als huurprijs van een nieuwe huurder had kunnen ontvangen. Per 1 september 2014 bedraagt de huur € 543,18 per maand.

4 Het verweer

4.1

[gedaagde] heeft de vordering betwist en daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - aangevoerd dat de huurovereenkomst niet is opgezegd door de bewindvoerder. De bewindvoerder was daartoe niet bevoegd. [gedaagde] heeft daarvoor nimmer opdracht gegeven aan de bewindvoerder. Uit de vermelding “i.o.” op het opzegformulier blijkt dat de huurovereenkomst in opdracht is opgezegd, waaruit volgt dat de bewindvoerder de huur niet in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [gedaagde] heeft opgezegd. Volgens [gedaagde] kan het handelen van de bewindvoerder hoogstens worden aangemerkt als het aangaan van een overeenkomst tot beëindiging van een geschil tussen Woonstad en [gedaagde] omdat [gedaagde] niet wilde vertrekken uit de woning. Voor het aangaan van een dergelijke overeenkomst was instemming van [gedaagde] dan wel machtiging door de kantonrechter nodig. Van geen van beide is sprake geweest. Tevens betwist [gedaagde] dat hij een huurachterstand heeft laten ontstaan van € 451,37 over de maand december 2013, althans hij voert aan dat hem dit niet kan worden aangerekend omdat de bewindvoerder voor de betaling diende te zorgen. Dat er een huurachterstand is, was hem niet bekend. Hij is niet aangemaand.

4.2

Op hetgeen partijen verder naar voren hebben gebracht, wordt hieronder bij de beoordeling voor zover nodig ingegaan.

5 De beoordeling van de vordering

5.1

Aan de primair gevorderde veroordeling tot ontruiming van de woning gelegen aan de [straatnaam en plaats] ligt ten grondslag dat [gedaagde] daar zonder recht of titel verblijft, omdat de huurovereenkomst tussen Woonstad en [gedaagde] is beëindigd door opzegging door de bewindvoerder. Dit is betwist. Naar aanleiding van hetgeen als verweer is aangevoerd, wordt het volgende overwogen.

5.2

Vaststaat dat het onder 2.2 vermelde bewind is ingesteld over de goederen die aan [gedaagde] (zullen) toebehoren en heeft geduurd van 9 september 2013 tot de opheffing daarvan bij beschikking van de kantonrechter van 2 juli 2014. De uit de huurovereenkomst tussen Woonstad en [gedaagde] voortvloeiende rechten van [gedaagde] vielen ook onder dit bewind, omdat deze rechten zijn aan te merken als goederen1. Gelet hierop alsmede gezien het bepaalde in artikel 1:438 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kwam tijdens het bewind het beheer hierover niet toe aan [gedaagde] maar aan de bewindvoerder. Dat de bewindvoerder op 31 januari 2014 niet bevoegd was om de huurovereenkomst op te zeggen, is dan ook onjuist, want het bewind was toen niet opgeheven. De bewindvoerder was bevoegd om de huurovereenkomst op te zeggen en behoefde daarvoor niet een opdracht van [gedaagde].

5.3

Door het onder 2.4 vermelde opzegformulier ingevuld en ondertekend te retourneren aan Woonstad is onmiskenbaar de opzegging beoogd van de huurovereenkomst tussen Woonstad en [gedaagde]. Immers, het formulier vermeldt[gedaagde] als huurder en het adres [straatnaam en plaats]. Tevens duidt dit erop dat de bewindvoerder heeft gehandeld in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [gedaagde]. Dat vindt verder bevestiging in het vastgestelde onder 2.9, 2.12, 2.13 en 2.16.

5.3.1

De omstandigheid dat op het opzegformulier voor de handtekening van[mevrouw F.D.] de afkorting “i.o.” is geplaatst, hetgeen staat voor “in opdracht”, kan - wat daar verder nog van zij - niet de conclusie dragen dat de bewindvoerder niet heeft gehandeld in haar hoedanigheid van bewindvoerder. Formeel was [kantoor X]de bewindvoerder en [mevrouw F.D.]heeft – naar de kantonrechter begrijpt – bedoeld aan te geven dat zij in opdracht van[mevrouw Y]

, enig bestuurder en aandeelhouder van [kantoor X], handelde.

5.4

Dat de handelswijze van de bewindvoerder moet worden aangemerkt als het aangaan van een overeenkomst tot beëindiging van een geschil als bedoeld in artikel 1:441, tweede lid, aanhef en onder e, van het BW is betwist door Woonstad en mist blijkens het voorgaande feitelijke grondslag.

5.5

Kortom, het aangevoerde ter onderbouwing van het verweer dat de huurovereenkomst tussen Woonstad en [gedaagde] niet is beëindigd, slaagt niet.

5.6

Niet is betwist dat Woonstad met de bewindvoerder nader is overeengekomen dat

18 maart 2014 de datum zou zijn waarop de huurovereenkomst eindigde en dat de woning op 17 maart 2014 moest worden opgeleverd.

5.7

[gedaagde] heeft de woning niet opgeleverd, maar is daarin blijven wonen, terwijl de huurovereenkomst met Woonstad is beëindigd. Derhalve stelt Woonstad zich op goede gronden op het standpunt dat [gedaagde] thans zonder recht of titel verblijft in de woning. Woonstad heeft recht en belang dat aan deze feitelijke toestand een einde komt. Daarom zal de gevorderde ontruiming van de woning aan de [straatnaam en plaats] worden toegewezen.

5.8

[gedaagde] dient binnen veertien dagen na de uitspraak van dit vonnis de woning te ontruimen.

5.9

De gevorderde veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 543,18 per maand met ingang van 1 september 2014 tot het tijdstip van de daadwerkelijke ontruiming van de woning, waarbij voor een gedeelte van een maand een pro rata gedeelte van dit bedrag wordt gerekend, wordt eveneens toegewezen, omdat dit niet is betwist. Dit bedrag dient uiterlijk iedere eerste van de maand betaald te worden en voor zover [gedaagde] daarmee in gebreke blijft of is gebleven, is hij vanaf dat moment wettelijke rente verschuldigd.

5.10

De gevorderde veroordeling tot betaling van € 451,37 aan huurachterstand, komt ook voor toewijzing in aanmerking, nu Woonstad het bestaan van de huurachterstand middels een specificatie inzichtelijk heeft gemaakt, en het door [gedaagde] aangevoerde geen twijfel heeft doen rijzen omtrent de huurachterstand. Dat de bewindvoerder voor de betaling diende te zorgen, is daartoe onvoldoende. Niet is gebleken dat genoemd bedrag is betaald. Daarom wordt er rechtens vanuit gegaan dat dit niet is gebeurd. Nu [gedaagde] inmiddels niet meer onder bewind staat, kan alleen hij (en niet de bewindvoerder) voor die huurachterstand worden aangesproken. Het bedrag van € 451,37 wordt, zoals gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding.

5.11

Ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten waarop Woonstad aanspraak maakt, is het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing, nu het verzuim van [gedaagde] tot betaling van het bedrag van

€ 451,37 na 30 juni 2012 is ingetreden. De door Woonstad verzonden aanmaning voldoet niet aan de in artikel 6:96 lid 6 BW gestelde eisen, nu hierin een hoger bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten (over een bedrag van € 523,21 in plaats van € 451,37) wordt genoemd dan op grond van het Besluit is toegestaan. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt reeds hierom afgewezen.

5.12

Gelet op het voorgaande komt het primair gevorderde grotendeels voor toewijzing in aanmerking en behoeft hetgeen partijen verder hebben aangevoerd geen beoordeling.

5.13

[gedaagde] wordt als in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Woonstad vastgesteld op € 557,77 aan verschotten en € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde.

6 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de uitspraak van dit vonnis de woning aan de [straatnaam en plaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege [gedaagde] daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van Woonstad te stellen;

veroordeelt [gedaagde] om aan Woonstad maandelijks € 543,18 te betalen uiterlijk iedere eerste van de maand, met ingang van 1 september 2014 tot de datum van de ontruiming van de woning, waarbij voor een gedeelte van een maand een evenredig gedeelte van dit bedrag wordt gerekend, te vermeerderen met de wettelijke rente over de te betalen bedragen vanaf de data waarop [gedaagde] met de voldoening daarvan in verzuim is tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] om aan Woonstad tegen kwijting te betalen € 451,37, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 11 augustus 2014 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Woonstad vastgesteld op € 557,77 aan verschotten en € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

465

1 Zie het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2014, zaaknummer 13/04148, ECLI:NL:HR:2014:525.