Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:7717

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-09-2015
Datum publicatie
30-10-2015
Zaaknummer
10/741247-15, 10/810440-15 en 10/681401-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing ASR. De bijzondere voorwaarde - plaatsing in de Wier+ kliniek -verbonden aan de eerder opgelegde voorwaardelijke PIJ-maatregel kan door financieringsperikelen niet worden nageleefd.

De bij vonnis van 27 mei 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:10947)opgelegde klinische behandeling bij de forensische kliniek van Altrecht ‘De Wier+’ is nog steeds niet van de grond gekomen. De rechtbank vindt dit een zorgelijke ontwikkeling nu gebleken is dat de verdachte in het afgelopen half jaar opnieuw strafbare feiten heeft gepleegd. Ter zitting is gebleken, dat de behandeling bij de forensische kliniek van Altrecht “de Wier+” niet haalbaar is kennelijk wegens de omstandigheid, dat de overheidsorganen deze behandeling niet wensen te financieren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd

Parketnummers: 10/741247-15 en 10/810440-15

Parketnummer van vordering TUL VV: 10/681401-13

Datum uitspraak: 18 september 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaken tegen de verdachte:

[Voornamen] [Achternaam verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] ,

verblijvende op het adres: [adres] .

raadsman mr. A. de Raad, advocaat te Dordrecht.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2015.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

18 september 2015.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De rechtbank beveelt de voeging van de zaken, omdat voeging in het belang van het onderzoek is.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde met betrekking tot parketnummer 10/741247-15 en van het ten laste gelegde met betrekking tot parketnummer 10/810440-15;

- toepassing van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht;

- veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 12 dagen met aftrek van voorarrest.

VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

De officier van justitie heeft op de terechtzitting gevorderd dat, in plaats van de tenuitvoerlegging, de proeftijd zal worden verlengd met een jaar en tot wijziging van de bijzondere voorwaarde, te weten opheffing van de plaatsing in de forensische kliniek van Altrecht ‘De Wier’, dat de veroordeelde een behandeling bij De Waag zal volgen en zal meewerken aan een plaatsing bij het begeleid wonen project Leef-Leercentrum bij Humanitas voor de maximale duur van de proeftijd, onder handhaving van de overige algemene en bijzondere voorwaarden zoals opgelegd bij vonnis van 27 mei 2014.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 10/741247-15 en 10/810440-15 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

ten aanzien van parketnummer 10/741247-15

1.

primair

hij op of omstreeks 09 april 2015 te Dordrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een I-phone 5, geheel of ten dele toebehorende aan [naam] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

hij op of omstreeks 12 juli 2015 te Rotterdam [naam] heeft mishandeld door die [naam] in het gezicht te slaan/stompen;

ten aanzien van parketnummer 10/810440-15

hij op of omstreeks 05 februari 2015 te Dordrecht [naam] heeft mishandeld door haar te slaan op/tegen haar gezicht en/of arm.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

Aangezien de verdachte het onder 10/741247-15 feit 1 primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor bewezenverklaard, op de zitting heeft bekend, wordt ten aanzien van dat feit volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Ten aanzien het ten laste gelegde feit 2 onder parketnummer en het ten laste gelegde feit onder parketnummer 10/810440-15 zullen de bewijsmiddelen nader worden uitgewerkt, nu de verdachte deze feiten zoals deze hierboven zijn bewezen verklaard, deels ontkent.

De opgave alsmede de uitwerking van de bewijsmiddelen is als bijlage II aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

STRAFBAARHEID FEIT EN

De bewezen feiten leveren op:

Ten aanzien van parketnummer 10/741247-15 feit 1 primair: Diefstal.

Ten aanzien van parketnummer 10/741247-15 feit 2: Mishandeling.

Ten aanzien van het feit met parketnummer 10/810440-15: Mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op 5 februari 2015 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige vriendin door haar te slaan op haar gezicht en haar arm. Op 12 juli 2015 heeft de verdachte zich opnieuw schuldig gemaakt aan mishandeling van een jongeman in Rotterdam door hem in het gezicht te slaan. Het handelen van de verdachte is voor de slachtoffers een beangstigende ervaring geweest.

Voorts heeft de verdachte zich op 9 april 2015 schuldig gemaakt aan diefstal van een I-Phone 5. Door het plegen van dit feit heeft hij overlast bezorgd aan de eigenaar. Bovendien veroorzaakt dit gedrag gevoelens van ergernis in de samenleving.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 augustus 2015 reeds eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Dit heeft de verdachte er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de rapportage van Jeugdbescherming west, gevestigd te Dordrecht, afdeling Jeugdreclassering, van 3 september 2015. Uit deze rapportage blijkt dat de verdachte een belast verleden heeft dat hij lijkt te compenseren door het plegen van delicten. De verdachte is gelet op zijn persoonlijke problematiek nog niet in staat om op een juiste wijze met zijn gevoelens en boosheid om te gaan. Derhalve is hij gebaat bij een behandeling. De bij vonnis van 27 mei 2014 opgelegde klinische behandeling bij de forensische kliniek van Altrecht ‘De Wier+’ is echter nog steeds niet van de grond gekomen. De rechtbank vindt dit een zorgelijke ontwikkeling nu gebleken is dat de verdachte in het afgelopen half jaar opnieuw strafbare feiten heeft gepleegd. Ter zitting is gebleken, dat de behandeling bij de forensische kliniek van Altrecht “de Wier+” niet haalbaar is kennelijk wegens de omstandigheid, dat de overheidsorganen deze behandeling niet wensen te financieren.

Een minder goede optie is om de verdachte begeleid te laten wonen in Leef-Leercentrum bij Humanitas en dat hij bij De Waag een behandeling voor zijn agressieproblematiek zal gaan volgen. Daarbij verwijst de rechtbank ook naar haar overweging onder het kopje “Vordering tenuitvoerlegging”.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om de duur van de op te leggen straf te beperken tot de periode dat de verdachte in voorarrest heeft gezeten.

Ten aanzien van het toepasselijke recht overweegt de rechtbank dat verdachte ten tijde van de strafbare feiten de leeftijd van respectievelijk negentien en twintig jaren had. Blijkens bovenvermelde rapportage van Reclassering Nederland is er bij de verdachte sprake van persoonlijke problematiek waarvoor hulpverlening en behandeling is geïndiceerd. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om overeenkomstig de vordering ter terechtzitting van de officier van justitie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht te doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77 hh van het Wetboek van Strafrecht en jeugdstrafrecht toe te passen.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ/ SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam] , wonende te [woonplaats] , ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit ten aanzien van parketnummer 10/741247-15.

De benadeelde partij vordert echter geen bedrag aan (im)materiële schade.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij.

De raadsman heeft bepleit tot niet-ontvankelijkheid, omdat de vordering van de benadeelde partij niet is ingevuld.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu er geen bedrag aan schade is ingevuld.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

VORDERING TENUITVOERLEGGING

Bij op tegenspraak gewezen vonnis d.d. 27 mei 2014 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van artikelen 181, 302 en 310 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie veroordeeld - voor zover van belang - tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van twee jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De proeftijd is op grond van artikel 77y, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht ingegaan op 11 juni 2014).

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd.

Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan nieuwe strafbare feiten, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Er worden evenwel termen aanwezig geacht die last niet te geven, doch in plaats daarvan de proeftijd te verlengen met één jaar. Nu is gebleken dat de bij genoemd vonnis opgelegde behandeling en opname in de instelling Wier+ vanwege financieringsproblematiek tot op heden niet ten uitvoer kan worden gelegd en er geen zicht op is dat dit zal veranderen, zal de rechtbank gelet op de rapportage van Jeugdbescherming west, gevestigd te Dordrecht, afdeling Jeugdreclassering, van 3 september 2015, op vordering van de officier van justitie en na instemming door de verdachte en zijn raadsman, de bijzondere voorwaarde op dit punt wijzigen in die zin dat opname in Wier+ komt te vervallen en dat de veroordeelde mee zal werken aan behandeling bij De Waag en plaatsing in een begeleid wonen project, te weten Leef-Leercentrum bij Humanitas, onder handhaving van de overige algemene en bijzondere voorwaarden zoals deze zijn opgelegd in genoemd vonnis.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 77c, 77g, 77h, 77i, 77gg, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder parketnummer 10/741247-15 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten en het onder parketnummer 10/810440-15 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de tijd van 12 dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, dat bij eerdere beslissing is geschorst;

verklaart de benadeelde partij [naam] niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

verlengt de proeftijd van de bij vonnis d.d. 27 mei 2014 opgelegde voorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met één jaar en wijzigt en vult de bijzondere voorwaarde aan in die zin dat deze thans zal komen te luiden als volgt:

-de bijzondere voorwaarde “”dat veroordeelde meewerkt aan behandeling en opname in Wier+ of een soortgelijke instelling voor maximaal de duur van de proeftijd;” komt te vervallen;

-de volgende bijzondere voorwaarden worden toegevoegd:

dat de veroordeelde meewerkt aan behandeling bij De Waag;

dat de veroordeelde meewerkt aan plaatsing in een begeleid wonen project Leef-Leercentrum bij Humanitas;

onder handhaving van de overige algemene en bijzondere voorwaarden zoals deze zijn opgelegd in genoemd vonnis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. O.E.M. Leinarts, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. L. Feraaune en L.M.A. Schwartz, rechters,

in tegenwoordigheid van D. van der Aa, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 september 2015.

De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 18 september 2015 in de strafzaak tegen de verdachte [Achternaam verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] :

TEKST TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Ten aanzien van parketnummer 10/741247-15

1.

hij op of omstreeks 09 april 2015 te Dordrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een I-phone 5, geheel of ten dele toebehorende aan [naam] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 april 2015 te Dordrecht opzettelijk een I-phone 5, geheel of ten dele toebehorende aan [naam] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten door vinding, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 12 juli 2015 te Rotterdam [naam] heeft mishandeld door die [naam] in het gezicht te slaan/stompen;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ten aanzien van parketnummer 10/810440-15

hij op of omstreeks 05 februari 2015 te Dordrecht [naam] heeft mishandeld door haar te slaan op/tegen haar gezicht en/of arm;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht