Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:7680

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
30-10-2015
Zaaknummer
10/701162-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Poging doodslag met een auto. Verlaten plaats ongeval. Eigen waarneming rechtbank aan de hand van camerabeelden. Veroordeling tot 24 maanden gevangenisstraf waarvan 8 maanden voorwaardelijk. Ontzegging rijbevoegdheid 12 maanden omdat auto als wapen is gebruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/701162-15

Datum uitspraak: 29 oktober 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] , [woonplaats] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

PI Rotterdam, locatie Hoogvliet, te Rotterdam,

raadsman mr. D.T. Stoof, advocaat te Breda.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 15 oktober 2015.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L. Amperse heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1. impliciet primair (poging tot doodslag), 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, alsmede oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van

12 maanden.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. impliciet primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij

op of omstreeks 29 juni 2015

te Rotterdam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een

persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte

bestuurde personenauto (met hoge, althans gezien de situatie ter plaatse,

aanmerkelijke snelheid) tegen die [slachtoffer 1] is aangereden, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke

gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en

welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Rotterdam op/aan de Bree, op of

omstreeks 29 juni 2015 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft

verlaten,

terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan

een ander (te weten de personenauto, merk Ford, type KA met kenteken [kenteken]

van [slachtoffer 2] ) letsel en/of schade was toegebracht;

3.

hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke

gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en

welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Rotterdam op/aan het Breeplein, op

of omstreeks 29 juni 2015

de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,

terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan

een ander (te weten de personenauto, merk Honda, type Civic met kenteken

[kenteken] van [slachtoffer 3] ) letsel en/of schade was toegebracht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4.2

Nadere bewijsoverweging

Voorwaardelijk opzet feit 1

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het van het leven beroven van het slachtoffer – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting, waaronder de getoonde camerabeelden, valt het volgende op te maken.

  • -

    De verdachte reed in zijn auto door Rotterdam en was op zoek naar het latere slachtoffer, omdat die hem en zijn vriendin zou hebben beroofd van een iPad;

  • -

    toen de verdachte het slachtoffer het Breeplein op zag lopen, is hij met zijn auto het Breeplein opgereden;

  • -

    op het moment dat de verdachte het Breeplein opreed, zag hij een andere auto, een zwarte BMW, op de weg stilstaan; tussen de BMW en de langs de weg geparkeerde auto’s was weinig ruimte;

  • -

    de verdachte wilde beletten dat het slachtoffer zou instappen in de BMW en reed met aanmerkelijke snelheid, volgens de politie met een gemiddelde snelheid van 43 km/uur, in de richting van het slachtoffer;

  • -

    de verdachte reed recht op het slachtoffer af;

  • -

    de verdachte reed met nagenoeg onverminderde snelheid met zijn auto tegen het slachtoffer aan, die als gevolg daarvan omhoog werd geworpen en daarna op de straat viel.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het van het leven beroven van het slachtoffer gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is de rechtbank niet gebleken. Het onder 1. impliciet primair ten laste gelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

POGING TOT DOODSLAG

2.

OVERTREDING VAN ARTIKEL 7, EERSTE LID VAN DE WEGENVERKEERSTWET 1994

3.

OVERTREDING VAN ARTIKEL 7, EERSTE LID VAN DE WEGENVERKEERSTWET 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft geprobeerd het slachtoffer van het leven te beroven door welbewust met zijn auto met aanmerkelijke snelheid tegen hem aan te rijden. Als gevolg hiervan werd het slachtoffer omhoog geworpen en viel hij op de straat. Dat het slachtoffer hierdoor relatief gering letsel heeft opgelopen is zeker niet de verdienste van de verdachte geweest. De verdachte heeft zich door zijn handelen schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit.

Daarnaast is de verdachte met zijn auto tegen twee geparkeerde auto’s aangereden, waardoor schade aan deze auto’s is ontstaan. De verdachte heeft zich hier niet om bekommerd en heeft de plaats van het ongeval verlaten zonder de benadeelden behoorlijk in de gelegenheid te stellen zijn identiteit, alsmede die van zijn auto vast te stellen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

21 september 2015, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd

15 september 2015. De reclassering heeft geadviseerd een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zonder bijzondere voorwaarden.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De verdediging heeft verzocht een straf op te leggen gelijk aan de tijd die in voorarrest is doorgebracht. De rechtbank gaat voorbij aan dit verzoek, omdat een dergelijke bestraffing onvoldoende recht doet aan de ernst van de door de verdachte begane feiten, waarbij het zwaartepunt ligt op het onder 1 bewezen verklaarde feit.

De rechtbank zal, in overeenstemming met het advies van de reclassering, een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Dit voorwaardelijk deel dient tevens als waarschuwing aan de verdachte zich in de toekomst te onthouden van het plegen van strafbare feiten.

Nu de verdachte zijn auto min of meer als wapen heeft gebruikt en tevens gevaar en hinder heeft veroorzaakt in het verkeer, ziet de rechtbank aanleiding om ten aanzien van

feit 1 tevens een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.

Alles afwegend worden na te noemen straffen passend en geboden geacht.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7, 176 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1. impliciet primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 (acht) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

ten aanzien van feit 1
ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van

12 (twaalf) maanden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.A.M.J. Janssen, voorzitter,

en mrs. S.N. Abdoelkadir en H.A.C. Smid, rechters,

in tegenwoordigheid van N.J.S. Doornbosch, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op of omstreeks 29 juni 2015

te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een

persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte

bestuurde personenauto (met hoge, althans gezien de situatie ter plaatse,

aanmerkelijke snelheid) tegen die [slachtoffer 1] is aangereden, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke

gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en

welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Rotterdam op/aan de Bree, op of

omstreeks 29 juni 2015 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft

verlaten,

terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan

een ander (te weten de personenauto, merk Ford, type KA met kenteken [kenteken]

van [slachtoffer 2] ) letsel en/of schade was toegebracht;

3.

hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke

gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en

welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Rotterdam op/aan het Breeplein, op

of omstreeks 29 juni 2015

de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,

terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan

een ander (te weten de personenauto, merk Honda, type Civic met kenteken

[kenteken] van [slachtoffer 3] ) letsel en/of schade was toegebracht.