Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:7641

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-10-2015
Datum publicatie
29-10-2015
Zaaknummer
C/10/484366 / HA RK 15-757
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Deelgeschilprocedure. Whiplash klachten. Vervolgonderzoek al dan niet door de oorspronkelijke deskundige? (aanvullend) voorschot en (aanvullende) bevoorschotting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rekestnummer: C/10/484366 / HA RK 15-757

Beschikking van 28 oktober 2015

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te Rotterdam,

verzoeker, tevens verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek,

advocaat mr. J. Wildeboer,

tegen

naamloze vennootschap

ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Utrecht,

verweerster, tevens verzoekster in het voorwaardelijk tegenverzoek,

advocaat mr. H. van Katwijk.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als [verzoeker] en ASR

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties,

  • -

    het verweerschrift tevens voorwaardelijk verzoekschrift, met producties,

  • -

    de aanvullende producties van [verzoeker], toegezonden bij brief en fax van 1 oktober 2015,

  • -

    de mondelinge behandeling ter openbare zitting van 2 oktober 2015,

  • -

    de pleitaantekeningen van [verzoeker].

2 De vaststaande feiten

2.1.

[verzoeker] is op 23 juli 2010 een verkeersongeval (hierna ook: het ongeval) overkomen. Daarbij is de bestuurder van een ingevolge de bepalingen van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) bij ASR verzekerde personenauto van achteren tegen de personenauto waarvan [verzoeker] bestuurder was, aangereden.

2.2.

ASR heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.

2.3.

Na het ongeval heeft [verzoeker] bij ASR aanspraak gemaakt op schadevergoeding in verband met onder meer chronische pijnklachten als gevolg van een flexi/extensie-trauma van de nek, cognitieve klachten, stemmingsproblemen en een posttraumatisch stresssyndroom.

2.4.

Bij beschikking van 15 mei 2012 heeft deze rechtbank op verzoek van [verzoeker] een voorlopig deskundigenbericht gelast door drs. A.G.M. Borggreve, neuroloog, en J.P.A. van Eck, psychiater (verder: Van Eck).

2.5.

Voorafgaande aan het onderzoek door Van Eck heeft ASR, zonder toestemming van of overleg met [verzoeker], een afschrift van de tot dat moment door haar medisch adviseur uitgebrachte adviezen met betrekking tot [verzoeker] aan Van Eck toegezonden.

2.6.

Het definitieve rapport van drs. Borggreve is uitgebracht op 6 december 2012 en vermeldt – voor zover hier van belang – :

“[…]

Beantwoording van de vraagstelling

DE SITUATIE MET ONGEVAL

[…]

Consistentie:

d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is

verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren

komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?

Antwoord:

In grote lijnen is er consistentie m.b.t. de informatie die verkregen is van betrokkene en de feiten uit het medisch dossier. Er zijn slechts enkele opmerkingen waarvoor ik verwijs naar e.

e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie

was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u

daaruit trekt?

Antwoord:

Betrokkene geeft aan tijdens anamnese dat hij veronderstelt buiten bewustzijn te zijn geweest na het ongeval omdat hij zich een deel van het gebeuren niet kan herinneren. Hij weet zich te herinneren dat het ambulancepersoneel en de politie naast hem stonden. In de meegezonden medische brieven van de eerste hulp arts, neuroloog en revalidatiearts wordt evenwel nergens melding gemaakt van een bewustzijnsverlies of commotio cerebri. In de EHBO-brief van 23-07-2010 wordt zelfs expliciet melding gemaakt dat er geen sprake is van een hoofdtrauma. Het lijkt dus niet aannemelijk dat er een bewustzijnsverlies geweest is. Ook het gegeven dat het ambulancepersoneel betrokkene zelf weg heeft laten rijden in een auto pleit tegen een voorafgaand bewustzijnsverlies.

Betrokkene heeft bij lichamelijk en neurologisch onderzoek een zeer forse bewegingsbeperking van hoofd en nek. Hij zegt echter wel in staat te zijn auto te rijden, hetgeen een opmerkelijk gegeven is aangezien bij het lichamelijk onderzoek betrokkene vrijwel niet in staat is om opzij te kijken hetgeen toch voor het autorijden doorgaans noodzakelijk is. Verder blijkt uit de meegezonden medische correspondentie dat betrokkene na het ongeval nog in staat is geweest een feest te organiseren en een succesvolle sollicitatie af te leggen. Hiervan zegt betrokkene dat er soms dagen zijn waarop hij zich beter voelt en waarbij hij dan toch in staat is om enige activiteit uit te voeren. Wellicht laat betrokkene zich tijdens het onderzoek van zijn slechtste kant zien en zijn er inderdaad momenten of dagen waarop hij beter functioneert. Dit laatste lijkt dan echter weer niet in overeenstemming met de toch wel extreme beperkingen die hij aangeeft te ondervinden ten gevolge van zijn klachten.

Diagnose:

f. Wat is de diagnose op uw vakgebied […]?

Wilt u daarbij uw differentiaal diagnostische overweging geven?

Antwoord:

Whiplash related disorder (WAD) graad 2/post whiplash syndroom, gecompliceerd door psychiatrische problematiek/posttraumatische stressstoornis (overigens is een post whiplash syndroom geen specifiek neurologische diagnose maar een algemene medische term c.q. diagnose.

Beperkingen:

g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn

huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval?

Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semikwantitatieve wijze

weergeven en zonodig toelichten t.b.v. een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

[…]

Bij lichamelijk en klinisch neurologisch onderzoek is er een zeer forse bewegingsbeperking van de cervicale wervelkolom in alle richtingen en een zeer forse bewegingsbeperking van de schouders. Verdere afwijkingen/beperkingen werden bij lichamelijk en klinisch neurologisch onderzoek niet geconstateerd.

Medische eindsituatie

h. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende

gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke

verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde […] letsel?

Antwoord:

Over het algemeen kan worden gesteld dat 2 jaar na een ongeval waarbij een post whiplash

syndroom is ontstaan bij een stationair blijvend toestandsbeeld kan worden gesproken over een

medische eindtoestand. In geval van betrokkene is er in eerste instantie na het ongeval een verdere verslechtering van de toestand opgetreden mede door de psychiatrische problematiek die ontstond. Momenteel is betrokkene in psychiatrische behandeling. Wanneer er een verbetering bewerkstelligd kan worden, behoort het mijns inziens zeker tot de mogelijkheden dat er een verbetering gaat optreden t.a.v. het klachtenpatroon kaderend in het post whiplash syndroom. Derhalve lijkt er nog geen sprake te zijn van een medische eindtoestand en behoort een verbetering dus tot de mogelijkheden. Een verslechtering van de toestand van betrokkene is echter ook niet geheel uitgesloten. De mate waarin betrokkene gaat verbeteren of verslechteren in de toekomst valt niet te voorspellen.

[…]

DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw

vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?

Antwoord:

Neen.

[…]

OVERIG

a. Welke behandelingen of therapieën op uw vakgebied zijn medisch geïndiceerd voor het (voor

de psychiater lees: psychisch) letsel van betrokkene?

Antwoord:

Bij patiënten met een post whiplash syndroom/whiplash related disorder wordt doorgaans een

revalidatiebehandeling in gang gezet. Bij betrokkene is dit reeds het geval geweest. Het probleem/ klachtenpatroon van betrokkene wordt waarschijnlijk sterk beïnvloed door zijn psychiatrische problematiek. Het valt te hopen dat een verbetering in zijn psychiatrische toestandsbeeld optreedt zodat ook nadien middels een hernieuwde revalidatiebehandeling er een verdere verbetering van het toestandsbeeld gaat optreden.

[…]

d. In hoeverre behandeling of voortzetting bij betrokkene zou hebben kunnen leiden tot een

vermindering van het functieverlies (als bedoeld in vraag 1g) en van de beperkingen (als

bedoeld in vraag 1h);

Antwoord:

Wanneer betrokkene van zijn psychiatrische behandeling zou herstellen behoort een verbetering van

zijn lichamelijke klachten ook tot de mogelijkheden. Dit zou dan uiteraard ook een vermindering van

beperkingen tot gevolg kunnen hebben. Betrokkene wordt reeds onderzocht door een

psychiaterdeskundige hetgeen anders ook zeker mijn advies zou zijn geweest.

[…]”

2.7.

Het definitieve rapport van Van Eck is op 5 februari 2013 uitgebracht en vermeldt – voor zover hier van belang – :

“[…]

DSM IV- (tr)-classificatie (voorlopig: zie beschouwing) :

As 1: Post traumatische stressstoornis.

Depressieve stoornis, eenmalig, licht.

Afhankelijk van opioiden en nicotine, vroege gedeeltelijke remissie

As 2: Uitgesteld.

As 3: Verscheidene pijnklachten.

As 4: Status na auto-ongeluk.

As5: 50-60.

Beschouwing:

Ten aanzien van de DSM IV IR classificatie:

[…]

Met betrekking tot As 2 heb ik op dit moment onvoldoende gegevens om hierin een betrouwbare

classificatie te stellen; het huidige psychiatrische toestandsbeeld staat een goede diagnostiek van de As 2 door (alleen) een psychiatrisch onderzoek nu ook in de weg.

Betrokkene vermeldt veel pijnklachten, welke op As 3 worden geclassificeerd. Deze klachten worden in de neurologische expertise verklaard door een post whiplash syndroom (rapportage neurologische expertise, gedateerd 6-12-2012, dhr. A.M. Borggreve, neuroloog)

Bovengenoemde DSM IV tr classificatie komt tot stand door het afvinken van schijnbaar aanwezige symptomen. De onderliggende pathogenese (de oorzaak, het waarom), maar ook de beleving van de klachten wordt hier niet mee verklaard. Nader onderzoek is echter m.i. wel gewenst en ik zal hieronder proberen uit te leggen waarom.

[…]

Het gedrag van betrokkene na het ongeluk staat haaks op de door hem gerapporteerde succesvolle carrière van vóór het auto-ongeluk. Puur somatisch is dit gedrag met veel zelfbeklag niet te verklaren. Psychiatrisch gezien is het gedrag ook niet te verklaren met alleen een posttraumatische stressstoornis en een lichte depressie.

Er zijn door mij nu drie verklaringen te achterhalen:

[…]

Het is voor mij in dit onderzoek niet mogelijk bovengenoemde drie verklaringen betrouwbaar te

differentiëren, zij het dat beide partijen het er inmiddels over eens zijn dat betrokkene geen

hoofdtrauma heeft gehad. Een (neuro)psychologisch onderzoek zou meer informatie kunnen

verschaffen over het bestaan van een persoonlijkheidsstoornis en/of simulatie.

[…]

Conclusie:

Betrokkene is een 29 jarige man die op 23 oktober 2010 (de rechtbank leest: 23 juli 2010) een auto-ongeluk ondergaat. Betrokkene ontwikkelt een post whiplash syndroom, lichte depressieve klachten en een PTSD. Hij blijkt moeilijk behandelbaar en ontwikkelt een regressief beeld. Het is op grond van de mij ter beschikking staande informatie en onderzoeksgegevens niet goed mogelijk een onderliggende persoonlijkheidsstoornis en/of simulatie uit te sluiten dan wel aan te tonen om de regressie te verklaren. Ik adviseer aanvullend (neuro)psychiatrisch onderzoek om hier helderheid in brengen.

[…]

Beantwoording vraagstelling:

Op grond van de gegevens van het vraaggesprek, de bevindingen van het psychiatrisch onderzoek en de ter inzage verkregen informatie meen ik de door u gestelde vragen als volgt te moeten beantwoorden:

DE SITUATIE MET ONGEVAL

[…]

Consistentie

d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is

verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?

Het gedrag van betrokkene na het ongeluk staat haaks op de door hem gerapporteerde succesvolle carrière vóór het auto-ongeluk. De door betrokkene vermelde klachten zijn overigens wel consistent met de in het medische dossier genoemde gedrag.

e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusie u daaruit trekt?

Ik heb betrokkene geconfronteerd met de discrepantie vóór en na het ongeluk en betrokkene heeft mij aangegeven dat het hem doorstane auto-ongeluk van zodanige ernst was dat zijn huidige gedrag wel degelijk een logisch gevolg is. Hij heeft zo veel last van de pijn dat hij zijn gezonde copingstijlen niet meer kan gebruiken.

In de beschouwing bespreek ik mijn twijfels over het psychiatrisch toestandsbeeld van betrokkene en adviseer ik nader onderzoek.

Diagnose

f. Wat is de diagnose op uw vakgebied (voor de psychiater lees. Volgens DSM IV R)? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?

Hiervoor verwijs ik u naar bovengenoemde rapportage m.n. de conclusie en samenvatting, DSM IV IR classificatie en beschouwing.

Beperkingen

g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zonodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

Gezien de onzekerheden met betrekking tot de onderliggende oorzaak van het huidige gedrag van betrokkene is hier nu nog geen uitspraak over te doen (zie beschouwing).

Medische eindsituatie

h. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende

gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde (voor de psychiater lees: psychisch) letsel?

Gezien de onzekerheden met betrekking tot de onderliggende oorzaak van het huidige gedrag van betrokkene is hier nu nog geen uitspraak over te doen (zie beschouwing).

[…]

DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor het ongeval

a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog heeft?

Het is mogelijk dat betrokkene leed aan een persoonlijkheidsstoornis, doch dit kan ik op dit moment niet betrouwbaar vaststellen (zie beschouwing).

[…]

3. OVERIG

e. Of u aanleiding ziet om door een deskundige op een ander vakgebied te laten onderzoeken of deze weigering verband houdt met, of kan worden gezien als een uitvloeisel van, de

persoonlijkheidsstructuur of van betrokkene of het bij hem bestaande klachtenpatroon.

Op grond van mijn onderzoek adviseer ik betrokkene neuropsychologisch te onderzoeken. Het is van belang te onderzoeken in hoeverre persoonlijkheidspathologie zijn huidige gedrag kan verklaren en het is van belang om aggravatie en/of simulatie uit te sluiten. Tevens kan dan in kaart gebracht worden in hoeverre betrokkene cognitief beperkt is al dan niet door het ongeluk.

[…]”

2.8.

Bij beschikking van 20 juni 2013 heeft deze rechtbank op verzoek van ASR een voorlopig deskundigenbericht gelast door drs. A.F.M.M. Verdonck, neuropsycholoog (verder: drs. Verdonck). Drs. Verdonck heeft op 16 december 2013 zijn definitieve rapport uitgebracht. De hier relevante passages van dit rapport luiden:

“[…]

3.8

Persoonlijkheidsonderzoek

[…]

Er zijn evidente aanwijzingen voor een somatische fixatie en een geconditioneerd beeld.

Er zijn aanwijzingen voor een functionele en ten dele bewuste aggravatie. Dit wordt afgeleid uit het ook door betrokkene onderkende feit, dat de pijnklachten regelmatig verzwaard worden beleefd en ook verzwaard worden gepresenteerd. Daarbij is hij zich ervan bewust, dat de intensiteit en omvang van pijn niet steeds in een normale verhouding staan tot de lichamelijke conditie.

[…]

5. Beantwoording van de vraagstelling:

Op grond van de bevindingen bij het onderzoek naar de neuropsychologische en cognitieve functies en bij het persoonlijkheidsonderzoek kan uw vraagstelling als volgt worden beantwoord:

Vraag 1.

Zijn er stoornissen aantoonbaar in het mentale functioneren, het taalgebruik, de regulatie van

emoties en gedrag of in de helderheid van het bewustzijn? Zo ja, welke? Graag uw antwoord

uitgebreid motiveren.

Antwoord:

Er zijn geen aanwijzingen voor posttraumatische neuropsychologische functiestoornissen en er zijn geen aanwijzingen voor een posttraumatische deterioratie der cognitieve functies. Er zijn geen organisch cerebraal bepaalde stoornissen geconstateerd ten aanzien van het denken, begrijpen en de taalfunctie, de aandachts- en geheugenfunctie, de visuospatiële en visouconstructieve functies en de motorische vaardigheden.

Er zijn geen stoornissen ten aanzien van de helderheid van het bewustzijn. Er zijn geen stoornissen ten aanzien van het plannen en controleren van het handelen. Er zijn geen aanwijzingen voor een organisch cerebraal bepaalde disregulatie van het gedrag en de emoties.

Bij het persoonlijkheidsonderzoek zijn er aanwijzingen voor onevenwichtige en kwetsbare persoonlijkheidskenmerken en een neiging tot somatiseren van spanningen en psychische problematiek.

Er is een sterke praeoccupatie met de ervaren fysieke klachten, met name de chronische pijnklachten en de daarmee samenhangende ervaren klachten en ervaren beperkingen, die door betrokkene aan het ongeval worden geattribueerd. Hij is door de confrontatie met de ervaren klachten en veranderingen in zijn functioneren teleurgesteld en af en toe is er een tendens tot sombere reactievorming. Er zijn geen aanwijzingen voor apert depressieve kenmerken. Er is een subjectief ervaren vermindering van vitaliteit en energie.

Als gevolg van de ervaren pijnklachten is de effectiviteit waarmee de intacte neuropsychologische en cognitieve functies worden gebruikt incidenteel enigszins gereduceerd.

Er zijn aanwijzingen voor een posttraumatisch stress syndroom, grotendeels in remissie.

Er zijn aanwijzingen voor een functionele en ten dele bewuste aggravatie. De pijnklachten worden verzwaard beleefd en ook verzwaard gepresenteerd. Daarbij is hij zich ervan bewust, dat de intensiteit en omvang van pijn niet steeds in een normale verhouding staan tot de lichamelijke conditie.

Er zijn aanwijzingen voor enige verwerkings- en acceptatieproblematiek ten aanzien van het ongeval en de ongevalsgevolgen, vooral de pijnklachten en de overige door hem ervaren en aan het ongeval geattribueerde klachten en beperkingen.

Er zijn duidelijke aanwijzingen voor een somatische fixatie en een geconditioneerd beeld. Tevens zijn er aanwijzingen voor het beeld van een iatrogene fixatie. Af en toe imponeert het beeld als dat van een gelaten berusting.

Er zijn geen aanwijzingen voor een posttraumatische organisch cerebraal bepaalde disregulatie van het gedrag en de emoties.

Vraag 2.

Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend is; is het aannemelijk dat de aangetoonde stoornis

of stoornissen veroorzaakt wordt/worden door een hersenbeschadiging als gevolg van het

ongeval d.d. 23 juli 2010? of door eventuele andere voorvallen die uit de stukken zijn af te

leiden? Graag uw antwoord uitgebreid motiveren.

Antwoord:

Er zijn bij dit onderzoek geen neuropsychologische functiestoornissen geobjectiveerd. Er zijn geen aanwijzingen voor specifieke posttraumatische neuropsychologische functiestoornissen, die zouden kunnen duiden op een hersenletsel en die rechtstreeks en uitsluitend gevolg zouden kunnen zijn van het ongeval d.d. 23juli 2010.

De door betrokkene ervaren problemen met de aandachts- en geheugenfunctie zijn een gevolg van de hinder die hij ondervindt van de pijnklachten en het feit, dat hij daardoor zeer in beslag wordt genomen (somatische fixatie en geconditioneerd beeld).

Daarnaast wordt het functioneren nadelig beïnvloed door de psychische conditie.

Het functioneren van de heer [verzoeker] en daarmee de mentale belastbaarheid wordt bovendien nadelig beïnvloed door de psychologische factoren als reactie op het ongeval en de door hem ervaren klachten en beperkingen, die door hem aan het ongeval d.d.23 juli 2010 worden geattribueerd.

Deze factoren zijn beschreven in de conclusie van dit rapport en bij het antwoord op vraag 1.

Het is niet uitgesloten te achten, dat het veelvuldig gebruik van geneesmiddelen (vooral pijnstillers) en de dosering daarvan eveneens een nadelige invloed heeft op zijn functioneren. Dit kan zich vooral manifesteren als probleem met de aandacht en concentratie en met het tempo van informatieverwerking.

Vraag 3.

Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend is; is er een causaal verband aanwezig tussen de

stoornis(sen) en het ongeval d.d. 23 juli 2010 of tussen de stoornis(sen) en eventuele andere

voorvallen die uit de stukken zijn af te leiden? En zo ja, voor welke stoornis of stoornissen

geldt dit? Graag uw antwoord uitgebreid motiveren.

Antwoord:

Er zijn bij de heer [verzoeker] enkele problemen in het functioneren, die niet zijn te verklaren door specifieke posttraumatische neuropsychologische functiestoornissen. Er zijn bij dit onderzoek geen stoornissen in engere zin geobjectiveerd. De neuropsychologische en cognitieve functies van de heer [verzoeker] zijn normaal intact en er zijn geen indicaties voor een posttraumatische deterioratie der functies.

De lichte problemen met de aandachts- en geheugenfunctie zijn niet te duiden als rechtstreeks en

uitsluitend gevolg van het ongeval d.d. 23 juli 2010.

De door de heer [verzoeker] ervaren problemen zijn voornamelijk te herleiden tot de hinder die hij ondervindt van de pijnklachten en door de beschreven psychologische reacties op het ongeval en de ervaren ongevalsgevolgen. De pijnklachten waren vóór het ongeval niet aanwezig. In redelijkheid kan mijns inziens worden aangenomen, dat de pijnklachten een gevolg zijn van het ongeval d.d. 23juli 2010.

De intensiteit en omvang van de pijnklachten, de frequentie en het persisterende karakter daarvan resulteren in een beeld, waardoor het voor de heer [verzoeker] vertrouwde patroon van leven en werken werd verstoord. Hij is daardoor gekrenkt in zijn trots en hij is teleurgesteld dat hij door de ervaren klachten niet kan functioneren als voorheen gebruikelijk was en dat hij de aandacht en waardering voor zijn prestaties thans mist.

Hij wordt zeer in beslag genomen door de pijnklachten, hetgeen af en toe leidt tot enige somberheid.

Er is echter geen sprake van een apert depressief beeld. Het lijkt aannemelijk op grond van de

anamnese en op grond van de informatie uit de behandelende sector, dat er sprake is geweest van

een ontregeling van het gedrag en de emoties die voldeed aan de diagnostische criteria van een

posttraumatisch stress syndroom. Thans is er mijns inziens echter sprake van een beeld van een

posttraumatisch stress syndroom in remissie.

Er zijn aanwijzingen voor een functionele en ten dele bewuste aggravatie, in de betekenis zoals

omschreven bij het persoonlijkheidsonderzoek. Er zijn aanwijzingen voor een somatische fixatie en een geconditioneerd beeld, tevens voor het beeld van een iatrogene fixatie.

Er zijn aanwijzingen voor lichte verwerkings- en acceptatieproblemen ten aanzien van het ongeval en de ervaren ongevalsgevolgen, met name de pijnklachten en de overige klachten die door betrokkene aan het ongeval worden geattribueerd.

Vraag 4.

Indien er meerdere oorzaken voor stoornis(sen) zijn aan te wijzen, kunt u onderscheiden welke

beperkingen zijn veroorzaakt door welke oorzaak? Graag uw antwoord uitgebreid motiveren.

Antwoord:

Er zijn geen stoornissen van de neuropsychologische en cognitieve functies geobjectiveerd.

De pijnklachten als gevolg van het ongeval vormen beperkingen voor het werken met de handen

en armen boven schouderhoogte. Bovendien hebben de pijnklachten een negatieve invloed op de

energiebalans. Hij heeft daardoor minder energie, waardoor de mentale belastbaarheid enigszins is verminderd.

De overige door betrokkene ervaren klachten zijn vooral gevolgen van de pijnklachten en de beschreven psychologische factoren, samenhangend met zijn reactie op en het omgaan met de pijnklachten, het posttraumatisch stress syndroom in remissie, de somatische fixatie en het geconditioneerde beeld, de lichte tendens tot sombere reactievorming, de functionele en ten dele bewuste aggravatie en de iatrogene fixatie en met de lichte verwerkings- en acceptatieproblemen ten aanzien van het ongeval en de ervaren ongevalsgevolgen.

[…]”

2.9.

Bij brief van 7 januari 2015 heeft drs. Verdonck enkele vragen van de advocaat van [verzoeker] beantwoord en daarbij – voor zover hier van belang – meegedeeld :

“[…]

Onder aggravatie wordt het beeld verstaan waarbij bestaande klachten en symptomen als ongewoon belastend worden ervaren en waarbij de beleving daarvan is verzwaard en vergroot en niet in reële verhouding staat tot de aard en omvang van het lichamelijk verschijnsel. Het gaat om subjectief ervaren klachten en ongemakken over het eigen functioneren, waardoor betrokkene word gehinderd in zijn/haar functioneren. Dit kan leiden tot zichzelf ontzien en aanpassing aan de ervaren klachten.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen bewuste aggravatie en onbewuste of functionele aggravatie. Bij bewuste aggravatie is sprake van het bewust overdreven en verzwaard presenteren van ervaren lichamelijke verschijnselen en lichamelijke klachten. De patiënt denkt dat er een lichamelijke stoornis aanwezig is. Er kunnen verscheidene motieven zijn voor deze overdrijving en verzwaring, maar hoe dan ook is de patiënt zich ervan bewust dat hij/zij overdrijft in de weergave van de ervaren klachten. Bewuste aggravatie vertoont duidelijke overeenkomsten met malingering. Er is een bewust gecalculeerd doel.

Bij onbewuste of functionele aggravatie is de patiënt zich niet of slechts zeer ten dele bewust van

de invloed van zijn/haar persoonlijkheidskenmerken en psychische conditie op het lichamelijk

functioneren. In dit verband is er geen sprake van simulatie, doch de patiënt is ervan overtuigd dat er een lichamelijke stoornis bestaat. De patiënt ervaart dan een functionele beperking zonder dat daarvoor bij onderzoek aanwijzingen worden geconstateerd.

Onbewuste of functionele aggravatie vertoont overeenkomsten met een somatoforme stoornis,

waarbij sprake is van een onbewust pathologisch doel. Functioneel betekent in dit verband, dat het gebruik van één of meerdere lichamelijke functies als verstoord wordt beleefd, doordat betrokkene de betreffende klachten als onevenredig zwaar en beperkend ervaart.

[…]

In het klachtenpatroon van de heer [verzoeker] staan pijnklachten centraal, terwijl er een breed scala aan psychologische mechanismen bestaat, waardoor zijn functioneren wordt beïnvloed. De bewuste aggravatie behoort tot deze psychologische mechanismen. Deze factoren die zijn functioneren beïnvloeden zijn deels te herleiden tot de psychologische reacties op het ongeval en de ervaren klachten en beperkingen die door betrokkene aan het ongeval worden geattribueerd en hangen tevens samen met zijn persoonlijkheidsstructuur. Daarnaast is er een voortdurende wisselwerking tussen de ervaren pijnklachten en de psychologische factoren.

Zoals hij ook zelf gemotiveerd aangeeft, wordt de pijn door de heer [verzoeker] op sommige momenten overdreven gepresenteerd. Het is evident dat pijnklachten het functioneren kunnen beïnvloeden en dat, zoals psycholoog Gerritsen terecht stelt, de beleving van pijn kan worden versterkt door bepaalde emoties. Dit heeft, mede in samenhang met zijn persoonlijkheidsstructuur, geleid tot een somatische fixatie en een geconditioneerd beeld, resulterend in vermijdingsgedrag c.q. zichzelf ontziend gedrag in bepaalde opzichten.

Hoewel dit niet exact is aan te geven, kunnen met name de door hem ervaren lichamelijke klachten die de heer [verzoeker] willens en wetens met eigen motieven overdrijft c.q. verzwaard presenteert, worden geduid als voorbeelden van bewuste aggravatie.

Het is in dit kader belangrijk te stellen, dat bewuste aggravatie op zich geen klacht is, doch een door betrokkene bewust gekozen wijze van het hanteren en presenteren van de ervaren klachten, en dat dit gedrag c.q. deze wijze van hanteren en presenteren van de ervaren klachten mede wordt bepaald door de persoonlijkheidsstructuur van betrokkene.

[…]

Noch ten aanzien van bewuste, noch ten aanzien van de onbewuste of functionele aggravatie kan

een mate of omvang worden aangegeven bij een bepaalde klacht. Dergelijke psychologische

mechanismen, waarbij de praeëxistente persoonlijkheidskenmerken een belangrijke rol spelen en

waarbij een voortdurende wisselwerking bestaat met andere psychologische mechanismen als

reactie op ervaren klachten, kunnen niet op een valide manier worden gekwantificeerd.

[…]”

2.10.

[verzoeker] is door het UWV voor 80% tot 100% arbeidsongeschikt verklaard.

2.11.

Tussen partijen is eerder een deelgeschilprocedure bij deze rechtbank gevoerd (zaak- en rekestnummer C/10/389105/ HA RK 11-250). Die deelgeschilprocedure is aangevangen met een op 24 oktober 2011 door [verzoeker] ingediend verzoek en na aanhouding, de totstandkoming van een minnelijke gedeeltelijke regeling en vermindering en vermeerdering van het verzoek, geëindigd bij beschikking van de rechtbank van 3 december 2013. In deze beschikking heeft de rechtbank – voor zover hier van belang – overwogen:

“[…]

4.4. […].

Als deskundigen die nog (nader) onderzoek zullen dienen te verrichten hebben partijen genoemd Van Eck, een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidsdeskundige. [verzoeker] neemt niet langer het standpunt in dat het rapport van Van Eck dient te worden uitgesloten. […]”

2.12.

In januari 2014 heeft een mediationbijeenkomst tussen partijen plaatsgevonden. Dit heeft er toe geleid dat ASR tot en met de maand september 2014 begeleiding van [verzoeker] door een letselschadepsycholoog heeft gefaciliteerd en nadere voorschotten heeft verstrekt. Een tweede mediationbijeenkomst tussen partijen in september 2014 heeft geen resultaat gehad.

2.13.

[verzoeker] heeft in verband met een andere gebeurtenis aanspraak op zijn inboedelverzekering bij ABN Amro Schadeverzekeringen N.V. (verder: ABN Amro) gemaakt. Dit heeft er toe geleid dat zijn persoonsgegevens door ABN Amro in het interne incidentenregister en in het externe verwijzingsregister zijn opgenomen. Een vordering van [verzoeker] tot verwijdering van zijn persoonsgegevens uit die registers is bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel van 11 februari 2014 afgewezen. Dat vonnis in kort geding is in hoger beroep bij arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 mei 2014 bekrachtigd.

2.14.

Mr. Buul, advocaat, heeft per e-mail – voor zover hier van belang – aan [verzoeker] meegedeeld:

“[…]

Hierbij bevestig ik u dat mijn kantoor u bijstaat in een verzekeringsgeschil met ABN AMRO Verzekeringen.

In dit geschil heeft ABN AMRO een schikkingsvoorstel gedaan. U heeft dat voorstel afgewezen en een tegenvoorstel gedaan. ABN AMRO wilde u tegenvoorstel niet accepteren en heeft haar aanvankelijke voorstel tot het treffen van een minnelijke regeling gehandhaafd. U heeft dat voorstel andermaal van de had gewezen en besloten voort te procederen. De bodemprocedure tegen ABN AMRO loopt nog.

[…]”

2.15.

Inmiddels heeft ASR – los van de kosten van rechtsbijstand – een bedrag van € 171.000,- aan [verzoeker] voldaan. Aan kosten van rechtsbijstand heeft ASR inmiddels (ruim) € 120.000,- betaald.

3 Het geschil

3.1.

Na wijziging luidt het verzoek van [verzoeker] – samengevat – om bij beschikking

A. voor recht te verklaren:

  • -

    i) dat, ter duiding van de betekenis van de door drs. Verdonck gerapporteerde bevindingen, de psychiatrische expertise die door Van Eck is begonnen zo snel mogelijk een vervolg dient te krijgen, maar afgemaakt dient te worden door een andere psychiater dan Van Eck en dat die deskundige en de vraagstelling hetzij binnen acht weken na de beschikking in der minne tussen partijen dient te worden overeengekomen hetzij via een verzoek voorlopig deskundigenbericht dient te worden benoemd cq. te worden vastgesteld alsmede dat de deskundige dient te beschikken over het gehele medische dossier van [verzoeker] en partijen voorafgaande aan de (eerste) bijeenkomst van de deskundige met [verzoeker] schriftelijk hun opvattingen over de rapportage van drs. Verdonck aan de deskundige kunnen meedelen, dit alles op kosten van ASR;

  • -

    ii) dat evident gebrek van bereidheid tot medewerking door ASR aan een psychiatrische vervolg expertise als bedoeld onder (i) zal meebrengen dat in haar verhouding tot [verzoeker] aan de door drs. Verdonck gerapporteerde aanwijzingen voor deels bewuste aggravatie door de rechtbank geen enkel feitelijk of juridisch gevolg zal worden verbonden;

voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad ASR te veroordelen tot:

  • -

    iii) betaling van een aanvullend voorschot aan [verzoeker] van € 36.000,-;

  • -

    iv) vergoeding aan [verzoeker] van de buitengerechtelijke kosten gevallen in de periode van 24 september 2014 tot en met 17 april 2015 ad € 10.287,99;

  • -

    v) vergoeding aan [verzoeker] van de kosten van dit deelgeschil begroot op € 11.738,19.

3.2.

ASR voert verweer dat strekt tot afwijzing van het verzoek onder ofwel afwijzing van de kosten van het deelgeschil ofwel uitsluitend begroting van die kosten.

Voor het geval dat er een nadere psychiatrische beoordeling gaat plaatsvinden of deze kwestie niet definitief tot een einde wordt gebracht verzoekt ASR – samengevat – :

te bepalen dat [verzoeker] de volledige processtukken in de gevoerde procedures tussen hem en ABN Amro en de vervolg (bodem)procedure(s) moet overleggen aan ASR en (eventueel) aan de deskundige.

3.3.

[verzoeker] voert verweer dat strekt tot afwijzing van het voorwaardelijk verzoek van ASR.

4 De beoordeling

4.1.

Het verzoek van [verzoeker] berust op artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In dat artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. Deze procedure biedt zowel de persoon die schade lijdt door dood of letsel, als degene die daarvoor aansprakelijk wordt gehouden, de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter te adiëren. Doel van de deelgeschilprocedure is de vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdensschade. Gezien het bepaalde in artikel 1019z Rv wordt het verzoek afgewezen voor zover de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moet aldus worden afgewogen tegen het belang van het verzoek en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren.

4.2.

ASR voert primair als verweer dat hetgeen door [verzoeker] in deze deelgeschilprocedure wordt verzocht niet tot een oplossing en niet tot een vaststellingsovereenkomst leidt, maar slechts extra kosten meebrengt. Dit omdat [verzoeker] volgens ASR, zoals zij eerder en herhaald heeft aangegeven, geen beperkingen als gevolg van het ongeval heeft.

4.3.

Duidelijk is dat er tussen partijen een impasse bestaat over de punten waarover [verzoeker] een beslissing heeft gevraagd en dat er nog de nodige stappen gezet moeten worden alvorens een vaststellingsovereenkomst tot stand zal kunnen komen. Het is aannemelijk dat zonder de door [verzoeker] gevraagde beslissingen het nemen van die stappen zal worden bemoeilijkt. Dat die beslissing niet direct tot een vaststellingsovereenkomst zal leiden, is niet doorslaggevend. Voldoende is dat de beslissing een bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst - en daarmee aan de verdere schadeafwikkeling - en dat is hier het geval. Het standpunt van ASR dat [verzoeker] geen beperkingen als gevolg van het ongeval heeft, kan niet tot een ander oordeel leiden omdat zulks de regeling van artikel 1019w Rv e.v. illusoir zou maken. Dat de beslissing in het eerdere deelgeschil tussen partijen niet tot een vaststellingsovereenkomst heeft geleid en dat de kosten van de opeenvolgende deelgeschillen voor ASR tot meer kosten leidt dan in het geval een bodemprocedure aanhangig zou zijn gemaakt, leidt evenmin tot een ander oordeel. Het eerder deelgeschil is niet volstrekt onnodig of onterecht ingesteld en bovendien staat ASR vrij zelf een bodemprocedure aanhangig te maken, indien zij daaraan de voorkeur geeft.

4.4.

Het vorenstaande leidt er toe dat de rechtbank toekomt aan een beoordeling van de afzonderlijke verzoeken van [verzoeker].

deskundigenonderzoek

4.5.

ASR voert als verweer dat het in rechtsoverweging 3.1 onder A sub (i) vermelde verzoek van [verzoeker] strekt tot benoeming van een deskundige, zodat het een verzoek betreft als bedoeld in artikel 202 Rv, waarvoor de deelgeschilprocedure niet geschikt noch bedoeld is. ASR miskent daarmee dat het betreffende verzoek van [verzoeker] een wezenlijke andere strekking heeft dan een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht omdat het strekt tot de vaststelling dat en de wijze waarop het deskundigenonderzoek, gelet op de stand van zaken en de omstandigheden van het geval, dient te worden voortgezet. Dat een dergelijk verzoek kan worden gedaan en – indien daartoe aanleiding bestaat – kan worden toegewezen in een deelgeschil blijkt met zoveel woorden uit de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 2007/2008, 31.518, MvT p. 3, 10 en 20).

4.6.

[verzoeker] stelt dat het psychiatrisch onderzoek om de volgende redenen door een andere psychiater dan Van Eck dient te worden vervolgd:

  1. met de toezending van de adviezen van haar medisch adviseur met betrekking tot [verzoeker] aan Van Eck voorafgaande aan diens onderzoek, zonder toestemming van of overleg met [verzoeker], heeft ASR getracht om Van Eck voorafgaande aan zijn expertise te beïnvloeden. De kans alleen dat ASR daarin is geslaagd is voldoende om Van Eck niet meer geschikt te achten voor het psychiatrisch vervolgonderzoek;

  2. Van Eck heeft zijn onderzoek niet mede gericht op het bestaan en de gevolgen van het post whiplash syndroom van [verzoeker]. Die weeffout wordt niet hersteld als de zaak opnieuw bij Van Eck komt;

  3. Van Eck heeft zich niets aangetrokken van de mededelingen en adviezen van de behandelaars van [verzoeker];

  4. e opvattingen van Van Eck zijn niet alleen anders dan die van de behandelaren, maar ook dan die van psychiater Wisman, die [verzoeker] heeft onderzocht, en wiens kritiek op het rapport van Van Eck met weinig woorden door Van Eck ter zijde is geschoven. Daaruit blijkt dat zelfkritiek niet het sterkste punt van Van Eck is;

  5. de vereiste vertrouwensrelatie tussen Van Eck en [verzoeker] als psychiater en onderzochte ontbreekt,

  6. dhr. Nelemans, de medisch adviseur van ASR, heeft in een bij productie 6 van ASR overgelegde e-mail aan de advocaat van ASR kwetsende uitlatingen over [verzoeker] gedaan. [verzoeker] koppelt dat aan de poging tot beïnvloeding van Van Eck. De afstand tussen Nelemans en Van Eck dient daarom zo groot mogelijk te worden gemaakt.

4.7.

ASR heeft geen bezwaar tegen vervolging van het psychiatrisch onderzoek door Van Eck op haar kosten. Zij betwist dat er een reden is om het onderzoek van Van Eck over te laten doen of door een andere psychiater te laten vervolgen.

4.8.

[verzoeker] erkent dat hij, zoals in r.o.. 4.4 van de beschikking van 3 december 2013 is overwogen, niet langer het standpunt inneemt dat het rapport van Van Eck dient te worden uitgesloten. Hiermee is gegeven dat het rapport van Van Eck in beginsel als één van de uitgangspunten voor de afhandeling van het geschil tussen partijen dient te worden beschouwd. Niet in geschil is dat het onderzoek van Van Eck na afronding van het neuropsychologisch onderzoek een vervolg behoeft. Het belang van consistentie en proceseconomie brengt mee dat een dergelijk vervolgonderzoek in beginsel door dezelfde deskundige dient te worden verricht als de eerdere deskundige, zijnde in dit geval Van Eck. Buiten het geval dat daarover tussen partijen overeenstemming bestaat, is voor een uitzondering op dit beginsel slechts plaats bij bijzondere omstandigheden die zwaarwegende redenen geven om een andere deskundige het vervolgonderzoek te laten verrichten.

4.9.

Zonder een zwaarwegende objectieve aanwijzing voor het tegendeel dient er van te worden uitgegaan dat een medisch deskundige ten opzichte van de te onderzoeken persoon onbevooroordeeld is. Dat ASR voorafgaande aan het onderzoek door Van Eck hem, zonder toestemming van of overleg met [verzoeker], de door haar medisch adviseur uitgebrachte adviezen met betrekking tot [verzoeker] heeft toegezonden, was niet in overeenstemming met hetgeen in het kader van de transparantie in het medisch beoordelingstraject van haar mocht worden verwacht, maar levert niet zonder meer een aanwijzing op dat Van Eck ten opzichte van [verzoeker] bevooroordeeld is geraakt. Een medisch deskundige dient immers in staat te worden geacht om vanuit zijn eigen deskundigheid toegezonden stukken op hun waarde te schatten en te beoordelen welke stukken en gegevens hij bij zijn onderzoek wil betrekken. Voorts is het, zoals ASR heeft aangevoerd, niet geheel ongebruikelijk dat een medisch deskundige voorafgaand aan zijn onderzoek de adviezen van de medisch adviseur van de wederpartij ontvangt. Bijkomende feiten of omstandigheden die een zwaarwegende objectieve aanwijzing kunnen opleveren dat Van Eck niet meer onbevooroordeeld is, zijn niet door [verzoeker] gesteld.

4.10.

Een door de rechtbank benoemde deskundige is vrij in de wijze waarop hij zijn onderzoek inricht. Zijn rapport dient deugdelijk gemotiveerd te zijn, hetgeen onder meer inhoudt dat de deskundige inzichtelijk maakt hoe hij tot zijn oordeel is gekomen en hoe zijn oordeel zich verhoudt tot de gebruikelijke zienswijzen en richtlijnen binnen zijn beroepsgroep, alsmede dat hij een eventuele afwijking daarvan deugdelijk motiveert. [verzoeker] stelt niet dat Van Eck deze zorgvuldigheidseisen heeft geschonden en dat blijkt ook niet uit zijn in rechtsoverweging 3.6 onder b, c en d vermelde stellingen. Die stellingen leveren derhalve evenmin een zwaarwegende reden op om het vervolgonderzoek door een andere psychiater dan Van Eck te laten verrichten.

4.11.

Het door [verzoeker] gestelde gebrek aan vertrouwen in Van Eck kan slechts bij aanwezigheid van objectieve factoren die dat vertrouwensgebrek rechtvaardigen een grond voor inschakeling van een andere psychiater opleveren. Een andersluidende opvatting zou immers benoeming van deskundigen door de rechtbank zinloos maken. Hetgeen [verzoeker] heeft gesteld levert die objectieve factoren niet op.

4.12.

Dat [verzoeker] de uitlatingen van de medisch adviseur van ASR in diens e-mail aan mr. Van Katwijk van 14 december 2012 als kwetsend ervaart valt volkomen te begrijpen en dat kan ASR worden aangerekend. Tussen Van Eck en de medisch adviseur van ASR bestaat echter geen relatie, zodat niet valt in te zien dat aan die uitlatingen enig gevolg voor het verder optreden van Van Eck in het geschil tussen partijen kan worden verbonden.

4.13.

Uit het vorenstaande volgt dat de stellingen van [verzoeker], zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang beschouwd, geen grond opleveren om het psychiatrisch onderzoek door een andere psychiater dan Van Eck te laten vervolgen.

4.14.

Nu Van Eck in zijn rapport van 5 februari 2013 niet alle vragen volledig heeft beantwoord en in dat verband een neuropsychologisch onderzoek heeft geadviseerd, zal zijn vervolgonderzoek er op gericht moeten zijn om aan de hand van de bevindingen van drs. Verdonck de in de beschikking van de rechtbank van 15 mei 2012 aan hem voorgelegde vragen verder te beantwoorden. Daarbij past dat partijen voorafgaande aan het vervolgonderzoek de reactie van de medisch adviseurs van partijen op het rapport van drs. Verdonck en diens toelichting daarop bij brief van 7 juli 2015 aan Van Eck doen toekomen. Desgewenst kunnen partijen, zoals ASR heeft aangevoerd, ook andere stukken die zij relevant achten voor de beantwoording van die vragen voorafgaand aan het vervolgonderzoek aan Van Eck toezenden, maar daarbij dient – ter bevordering van de transparantie en ter voorkoming van de eerder tussen partijen ontstane problemen tussen partijen – als voorwaarde te worden gesteld dat zij daarover eerst met elkaar in overleg treden en dat bij gebreke van overeenstemming daarover bij de toezending van het betreffende stuk aan Van Eck wordt medegedeeld dat en waarom partijen over de toezending daarvan verdeeld zijn. Vanzelfsprekend geldt tevens dat partijen elkaar over de toezending van stukken aan Van Eck dienen te informeren en elkaar daarvan een afschrift dienen te verstrekken voor zover dat niet reeds is geschied.

4.15.

ASR heeft niet weersproken dat zij in haar reactie op het concept verzoek niet kenbaar heeft gemaakt dat zij geen bezwaar had tegen een vervolg psychiatrische expertise door Van Eck. [verzoeker] heeft derhalve kunnen en mogen begrijpen dat er bij ASR geen bereidheid was om aan enige verdere expertise mee te werken.

4.16.

Het vorenstaande leidt er toe dat het verzoek van [verzoeker] als na te melden wordt toegewezen.

medewerking ASR

4.17.

Ingevolge artikel 198 lid 3 Rv kan de rechter indien een partij niet meewerkt aan een onderzoek door een deskundige daaraan de gevolgen verbinden die hij geraden acht. Daarvoor is derhalve geen verklaring voor recht nodig. Bovendien zijn er geen aanwijzingen dat ASR niet zal meewerken aan het vervolgonderzoek door Van Eck en kunnen de gevolgen die aan het schenden van die verplichting worden verbonden niet bij voorbaat worden bepaald. Het daartoe strekkende verzoek dient derhalve te worden afgewezen.

overlegging processtukken

4.18.

Uit het vorenstaande volgt dat wordt voldaan aan de voorwaarde waaronder ASR haar tegenverzoek heeft ingesteld, zodat de rechtbank toekomt aan de beoordeling daarvan.

4.19.

ASR baseert haar verzoek op artikel 843a Rv en stelt dat van belang is dat door partijen, de rechtbank en eventuele deskundigen kennis wordt genomen of kan worden genomen van de volledige gegevens vanuit de procedures tussen [verzoeker] en ABN Amro. [verzoeker] voert als verweer dat het verzoek niet kan bijdragen aan het bereiken van een vaststellingsovereenkomst, dat artikel 843a Rv toepassing mist en dat bovendien een behoorlijke rechtsbedeling in de onderhavige zaak ook is gewaarborgd zonder verschaffing van de gevraagde gegevens. [verzoeker] heeft er geen bezwaar tegen dat ASR kennis neemt van het vonnis in de bodemprocedure.

4.20.

Het verzoek strekt tot beslissing over de gegevens die [verzoeker] aan ASR dient te verstrekken. Duidelijk is dat daarover tussen partijen een impasse bestaat en dat er nog de nodige stappen gezet moeten worden alvorens een vaststellingsovereenkomst tot stand zal kunnen komen. Het is aannemelijk dat zonder de door ASR gevraagde beslissing het nemen van die stappen zal worden bemoeilijkt. Dat die beslissing niet direct tot een vaststellingsovereenkomst zal leiden, is niet doorslaggevend. Voldoende is dat de beslissing een bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst - en daarmee aan de verdere schadeafwikkeling - en dat is hier het geval.

4.21.

Artikel 843a lid 1 Rv verbindt aan de toewijsbaarheid van de daar bedoelde vordering drie cumulatieve voorwaarden:

(i) degene die de vordering doet, dient een rechtmatig belang te hebben en

(ii) het moet gaan om bepaalde bescheiden

(iii) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is.

Het vierde lid bepaalt dat degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, niet gehouden is aan deze vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

ASR dient voldoende feiten of omstandigheden te stellen waaruit volgt dat aan de voormelde voorwaarden wordt voldaan.

4.22.

Bij de beoordeling van de vraag of de eisende partij een rechtmatig belang heeft bij inzage, afschrift of uittreksel is van belang of een partij een onredelijk voordeel geniet dan wel of haar wederpartij een onredelijk nadeel lijdt doordat een bepaald (bewijs)stuk in de procedure niet als bewijsmiddel ter beschikking komt. De enkele interesse in een stuk is niet voldoende. Het rechtmatige belang kan onder meer voortvloeien uit de rechtsverhouding tussen partijen of uit de wet en is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval.

4.23.

De rechtsbetrekking tussen partijen berust op de aansprakelijkheid van ASR als WAM-verzekeraar voor de gevolgen van het ongeval waarbij [verzoeker] was betrokken. De rechtsbetrekking tussen [verzoeker] en ABN Amro staat daar geheel los van, aangezien die berust op de door [verzoeker] bij ABN Amro afgesloten inboedelverzekering.Volgens ASR kunnen de (proces)stukken in de procedures tussen [verzoeker] en ABN Amro desalniettemin van belang zijn voor de beoordeling van het geschil tussen partijen omdat zij een beeld kunnen geven van de persoonlijkheid van [verzoeker]. Ter zitting heeft ASR dit aldus toegelicht dat in het geschil tussen partijen de vraag speelt of [verzoeker] misleidende verklaringen heeft afgelegd en uit de gevraagde stukken zou kunnen blijken dat hetgeen [verzoeker] tegenover de in deze procedure door de rechtbank benoemde deskundigen over zijn toestand en persoonlijke omstandigheden sedert het ongeval heeft verklaard bezijden de waarheid is. Dat de gevraagde stukken dergelijke gegevens, waarover zij thans nog niet beschikt, bevatten is niet door ASR onderbouwd. Hieruit volgt dat er slechts sprake is van een zoektocht van ASR naar informatie waarmee zij haar standpunten in het geschil tussen partijen kan onderbouwen. Voor het faciliteren van een zoektocht naar informatie is art. 843a Rv echter niet bedoeld.

4.24.

Indien en voor zover het verzoek van ASR de in de bodemprocedure tussen [verzoeker] en ABN Amro te wijzen vonnissen betreft geldt voorts dat die vonnissen openbaar zijn, zodat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat ASR niet afhankelijk is van [verzoeker] om een afschrift van die vonnissen te verkrijgen.

4.25.

Het vorenstaande leidt ertoe dat het verzoek van ASR wordt afgewezen.

voorschot

4.26.

Voorop dient te worden gesteld dat de aard van de deelgeschilprocedure met zich brengt dat de deelgeschilrechter zoveel mogelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud oordeelt. Dit stelt dus, anders dan partijen als uitgangspunt hebben genomen, andere eisen aan de beoordeling van een verzoek over een (aanvullend) voorschot dan indien een voorschot in kort geding zou worden gevorderd (waarin alsdan voorlopige oordelen worden geformuleerd). Dit betekent dat op basis van de thans in het geding gebrachte stukken vastgesteld moet kunnen worden dat [verzoeker] een aanspraak heeft op schadevergoeding die de reeds door ASR betaalde voorschotten (significant) overstijgt. Voor (nadere) bewijslevering is in een deelgeschilprocedure immers in beginsel geen plaats, terwijl het in voorkomend geval ook niet zou gaan om een overzichtelijke, eenvoudige bewijskwestie op grond waarvan de rechtbank aanleiding zou zien op dat uitgangspunt een uitzondering te maken.

4.27.

[verzoeker] stelt dat hij door het ongeval maandelijks een schade lijdt van meer dan € 2.000,- aan verlies arbeidsvermogen, huishoudelijke hulp en zorg voor eigen rekening. Hij onderbouwt dit met het rapport van het door hem ingeschakelde arbeidsdeskundig bureau Arbex (productie 14 van [verzoeker]) en de op basis daarvan in zijn opdracht door het Nederlands Rekencentrum Letselschade opgestelde berekening. Het rapport van Arbex gaat er vanuit dat [verzoeker] als gevolg van het ongeval ernstige klachten en beperkingen heeft, waardoor hij volledig arbeidsongeschikt is. ASR betwist dat. Voorts bestrijdt zij het inkomen uit arbeid dat [verzoeker] zou hebben genoten indien hem het ongeval niet zou zijn overkomen, waarop de schadeberekening van [verzoeker] is gebaseerd, alsmede de omvang van de in die berekening opgenomen kosten aan huishoudelijke hulp, medische kosten en verpleeghulp thuis.

4.28.

Uit het rapport van de neuroloog drs. Borggreve d.d. 6 december 2012 blijkt dat hij een post whiplash syndroom (WAD/ graad 2) bij [verzoeker] heeft vastgesteld en bij lichamelijk en klinisch neurologisch onderzoek een zeer forse bewegingsbeperking van de cervicale werverkolom in alle richtingen en een zeer forse bewegingsbeperking van de schouders heeft geconstateerd. Voorts blijkt uit dat rapport dat die klachten en afwijkingen voor het ongeval niet bestonden, dat er in grote lijnen consistentie is tussen de informatie die van [verzoeker] is verkregen en de feiten uit het medisch dossier en de bevindingen van de neuroloog, alsmede dat er mogelijk nog een verbetering van de toestand van [verzoeker] kon optreden bij een verbetering in zijn psychiatrische toestand beeld.

4.29.

Uit het rapport van psychiater Van Eck blijkt dat deze voorts een post traumatische stressstoornis en lichte depressieve klachten bij [verzoeker] heeft geconstateerd, dat die klachten voor het ongeval niet bestonden en dat de klachten consistent zijn met de in het medisch dossier genoemde gedrag.

4.30.

De hiervoor vermelde bevindingen van drs. Borggreve en Van Eck zijn niet door partijen bestreden, zodat die als uitgangspunt kunnen worden genomen bij de beoordeling van het onderhavige geschil.

4.31.

Inherent aan whiplashklachten is dat deze moeilijk objectiveerbaar zijn, omdat bij deze klachten een anatomisch substraat ontbreekt, dat wil zeggen dat de klachten veelal niet aantoonbaar zijn op medisch beeldmateriaal. De medische beoordeling van het bestaan van deze klachten berust daarom vooral op de anamnese van de patiënt. Enige objectivering van de -subjectieve- klachten is echter wel mogelijk en ook vereist. Daarvoor is noodzakelijk en voldoende dat bij zorgvuldige beoordeling van alle (medische) informatie kan worden vastgesteld dat aannemelijk is dat de klachten reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn. Dit in de jurisprudentie ontwikkelde criterium komt er op neer dat de rechter er, op grond van de beschikbare medische informatie, van overtuigd moet zijn dat het gaat om klachten die de betrokkene daadwerkelijk heeft zonder dat hij tracht de situatie ernstiger te doen overkomen dan deze is.

4.32.

ASR heeft aangevoerd dat uit het rapport van drs. Verdonck blijkt dat er sprake is van aggravatie en dat er bovendien kan worden getwijfeld aan de moraliteit van [verzoeker] omdat is vastgesteld dat hij bedrog heeft gepleegd ten opzichte van ABN Amro. Anders dan ASR stelt staat het vermeende bedrog echter (nog) niet vast. Het vonnis in kort geding tussen [verzoeker] en ABN Amro en het arrest waarbij dat vonnis is bekrachtigd, waarop ASR zich beroept, berusten immers op een aannemelijkheidsoordeel van de rechter waaraan een bodemrechter niet is gebonden en de door [verzoeker] tegen ABN Amro aanhangig gemaakte bodemprocedure loopt nog (na een schikkingsvoorstel van ABN Amro). Bovendien heeft een eventueel door [verzoeker] ten opzichte van ABN Amro gepleegd bedrog niet zonder meer gevolgen voor de beoordeling van het geschil tussen partijen. Voorts is uitgangspunt dat ASR [verzoeker] dient te nemen zoals hij is, dus inclusief eventuele pre-existente kwetsbaarheid en eventuele persoonlijke predispositie tot ontwikkeling of het in stand houden van bepaalde klachten, zodat voor de overtuiging van de rechtbank slechts de door drs. Verdonck gerelateerde aanwijzingen voor ten dele bewuste aggravatie gewicht lijkt toe te komen. De betekenis daarvan zal echter eerst na het vervolgonderzoek van Van Eck kunnen worden bepaald.

4.33.

Het vorenstaande laat onverlet dat [verzoeker] een kop-staart-botsing is overkomen en dat juist een dergelijk ongeval tot het ontstaan van whiplashklachten kan leiden, dat de neuroloog drs. Borggreve bij hem forse bewegingsbeperkingen heeft vastgesteld, dat die beperkingen er voor het ongeval niet waren en dat er in grote lijnen consistentie bestaat tussen de door [verzoeker] verstrekte informatie en het medisch dossier. Tevens laat het vorenstaande onverlet dat er sprake is van een post traumatische stressstoornis en lichte depressie. Op grond daarvan staat voldoende vast dat [verzoeker] als gevolg van het ongeval klachten en beperkingen heeft (gehad) die tot enige mate van arbeidsongeschiktheid hebben geleid. De ernst van de beperkingen en de mate van arbeidsongeschiktheid die [verzoeker] door het ongeval ondervindt kan thans niet echter worden vastgesteld. Naar het zich thans laat aanzien is daarvoor niet alleen het psychiatrisch vervolgonderzoek, maar ook een onderzoek door een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidsdeskundige nodig. Vooralsnog verdient het dan ook aanbeveling dat partijen dat traject in onderling overleg voort zetten.

4.34.

Het vorenstaande leidt ertoe dat thans niet kan worden vastgesteld dat [verzoeker] een aanspraak heeft op schadevergoeding die de reeds door ASR betaalde voorschotten (significant) overstijgt, zodat het verzochte voorschot dient te worden afgewezen.

buitengerechtelijke kosten

4.35.

Uitgangspunt is dat een slachtoffer van een ongeval jegens de partij die aansprakelijk is voor de gevolgen van dat ongeval, recht heeft op vergoeding van de door hem gemaakte redelijke kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, verleend door een advocaat van zijn keuze (ook wanneer die niet op toevoegingsbasis optreedt). In de praktijk worden deze kosten veelal op basis van ingediende declaraties rechtstreeks door de verzekeraar van de aansprakelijke partij aan de rechtsbijstandverlener van het slachtoffer vergoed. Zo is het ook in deze zaak gebeurd. Of buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen, wordt uiteindelijk bepaald door het antwoord op de vraag of is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Dit vereist dat, in de gegeven omstandigheden, het maken van de kosten redelijk is en de omvang van de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk is om vergoeding van de schade te verkrijgen. Bij de beoordeling van de dubbele redelijkheidstoets wordt de omvang van de schade als één van de in aanmerking te nemen aspecten meegewogen.

4.36.

[verzoeker] maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten over de periode van 24 september 2014 tot en met 17 april 2015 ad € 10.287,99. Dit bedrag is opgebouwd uit € 2.400,- voor het advies van psychiater Wisman van 17 april 2015 en voor het overige uit kosten van juridische bijstand, bestaande uit circa 24,5 uren tegen een uurtarief van € 250,-, vermeerderd met 6% kantoorkosten en BTW.

4.37.

ASR betwist dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen en voert daartoe aan dat na de laatste mediationbijeenkomst is vastgesteld dat een regeling buiten rechte kennelijk niet mogelijk was en het vanaf dat moment niet meer redelijk was om nadere kosten buiten rechte te maken. ASR kan hierin niet worden gevolgd nu zij geen bezwaar heeft tegen vervolging van het psychiatrisch onderzoek door Van Eck en zich er ook in kan vinden dat [verzoeker] voorafgaand daaraan het advies van psychiater Wisman inbrengt. Hiermee is gegeven dat dit advies in redelijkheid is uitgebracht, alsmede dat het ook na de laatste mediationbijeenkomst in redelijkheid kosten van juridische bijstand ter vaststelling van de schade zijn gemaakt.

4.38.

ASR voert voorts aan dat voor de redelijkheidstoets een zekere verhouding tussen de vaststaande schade en de kosten van rechtsbijstand ook een gebruikelijk maatstaf is en dat niet vast staat dat de [verzoeker] toekomende schade meer dan € 171.000,- bedraagt, terwijl ASR reeds een bedrag van € 120.000,- aan buitengerechtelijke kosten heeft voldaan. Deze stelling van ASR dient in zoverre te worden genuanceerd dat als niet weersproken tussen partijen vast staat dat van dat bedrag € 20.000,- is besteed aan twee eerdere advocaten van [verzoeker], € 15.000,- aan ingeschakelde experts, circa € 20.000,- aan kosten van eerdere deelgeschillen en circa € 15.000,- aan kosten van mediation.

4.39.

Zoals ook in de beschikking van 3 december 2013 is overwogen is denkbaar dat achteraf komt vast te staan dat de aan het ongeval toerekenbare schade relatief beperkt is, maar betekent dat enkele feit niet dat de eerder in redelijkheid gemaakte buitengerechtelijke kosten alsnog als niet redelijk moeten worden aangemerkt. Evenmin is het zo dat het slachtoffer of diens belangenbehartiger in redelijkheid gemaakte buitengerechtelijke kosten dient voor te financieren tot het moment waarop met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de omvang van de totale schade zo groot is dat de reeds gemaakte buitengerechtelijke kosten in een bepaalde redelijk geachte procentuele verhouding tot die totale schade staan. Een andere opvatting zou meebrengen dat het een slachtoffer welhaast onmogelijk zou worden gemaakt – in praktische zin – om de omvang van de schade te laten vaststellen en vervolgens een reële minnelijke regeling met de verzekeraar van de aansprakelijke partij te treffen.

4.40.

Evident is dat het maken van kosten voor analyse van voorlopige deskundigenberichten voor [verzoeker] noodzakelijk is voor het buiten rechte (bij benadering) doen vaststellen van de schadeomvang om – op verantwoorde wijze – afwikkeling van de schade met ASR te kunnen bereiken. Het feit dat ASR reeds een bedrag van € 120.000,- aan buitengerechtelijke kosten heeft betaald, de nog bestaande onduidelijkheid van de aan het ongeval toerekenbare schade en het niet door [verzoeker] bestreden restitutierisico, brengen echter met zich dat de redelijkheid van het uurtarief en het aantal bestede uren kritisch dient te worden beoordeeld.

4.41.

Onder 4.36 is reeds vastgesteld dat het advies van psychiater Wisman in redelijkheid is uitgebracht. Zonder nadere motivering, die ASR niet heeft gegeven, kan ook bij een kritische beoordeling niet worden ingezien dat de voor dat advies in rekening gebrachte kosten ad € 2.400,- bovenmatig moet worden geacht.

4.42.

In het eerder deelgeschil tussen partijen is reeds beslist dat een uurtarief van € 250,- zonder indexatie voor de werkzaamheden van de advocaat van [verzoeker] redelijk is en dat wordt door ASR ook niet langer bestreden. Van de door zijn advocaat in de periode 24 september 2014 tot en met 17 april 2015 verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden en de daaraan bestede tijd van in totaal 24,5 uren heeft [verzoeker] een specificatie overgelegd. Bij een kritische beschouwing volgt uit die specificatie niet zonder meer dat dit aantal door de advocaat bestede uren bovenmatig is en door ASR is ook niet gemotiveerd dat en waarom dat wel het geval zou zijn.

4.43.

Het vorenstaande leidt er toe dat de verzochte betaling van buitengerechtelijke kosten ad € 10.287,99 zal worden toegewezen.

kosten deelgeschil

4.44.

Op grond van artikel 1019aa Rv dient in beginsel begroting plaats te vinden van de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen. Uit het vorenstaande volgt reeds dat het laatste niet aan de orde is.

4.45.

Bij de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] een specificatie in het geding gebracht van de door hem tot aan de mondelinge behandeling gemaakte kosten ad € 10.738,19 (32:26 uren à € 250,-, vermeerderd met 6% kantoorkosten, BTW en griffiegeld ad € 285,00) en gesteld dat dit bedrag voor de aan de zitting bestede tijd inclusief reistijd met een bedrag van ongeveer € 1000,- dient te worden vermeerderd. ASR heeft de redelijkheid van het uurtarief niet bestreden en ten aanzien van de redelijkheid van het aantal aan het deelgeschil bestede uren zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.46.

Uit de overgelegde specificatie blijkt dat de advocaat van [verzoeker] voorafgaande aan de zitting 32:36 uur aan het deelgeschil heeft besteed waarvan ruim 15 uren aan het opstellen van het verzoekschrift en 12,5 uur aan de voorbereiding van de zitting, inclusief het opstellen van de pleitnota. In aanmerking nemende de expertise die bij de raadsman aanwezig mag worden verondersteld en zijn bekendheid met het dossier komt dat aantal uren buitenproportioneel voor. Rekening houdende met voormelde omstandigheden begroot de rechtbank de in redelijkheid bestede tijd vanaf het concipiëren van het inleidende verzoekschrift tot aan de zitting op 16 uren. Met de aan de zitting, inclusief reistijd, bestede tijd van 3 uren, komt de in redelijkheid door de raadsman van [verzoeker] aan het deelgeschil bestede tijd daarmee op 19 uren. De gemaakte kosten komen daarmee op (19 x € 250 =) € 4.750,- vermeerderd met 6% kantoorkosten. De kosten van de deelgeschilprocedure worden derhalve aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 6.092,35 (inclusief BTW), te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 285,-, derhalve in totaal

€ 6.377,35.

4.47.

ASR voert verweer tegen het verzoek van [verzoeker] om haar te veroordelen tot betaling van deze kosten en voert daartoe aan dat thans niet tot die veroordeling dient te worden overgegaan zodat in het vervolg van deze kwestie, bijvoorbeeld in een bodemprocedure, de rechtmatigheid kan worden vastgesteld.

4.48.

Met de aansprakelijkheid van ASR voor de gevolgen van het ongeval is op grond van artikel 1019aa Rv juncto artikel 6:96 lid 2 BW gegeven dat ASR de hiervoor begrote kosten aan [verzoeker] dient te vergoeden. Uit hetgeen ASR in dit deelgeschil heeft aangevoerd kan niet worden afgeleid dat die rechtsgrond in de toekomst zal vervallen. ASR zal derhalve overeenkomstig het verzoek van [verzoeker] worden veroordeeld tot betaling van de hiervoor begrote kosten.

5 De beslissing

De rechtbank

verklaart voor recht:

- dat de psychiatrische expertise die door Van Eck is begonnen zo snel mogelijk door hem dient te worden vervolgd, ten einde op basis het rapport van drs. Verdonck van 16 december 2013 en de door hem gegeven verduidelijking daarvan bij brief van 7 juli 2015 nadere invulling aan zijn rapport van 5 februari 2013 te geven,

- dat partijen vooraf de reacties van hun medisch adviseur op het rapport van drs. Verdonck en diens voormelde brief van 7 juli 2015 aan Van Eck kunnen toezenden alsmede andere stukken die zij relevant achten voor de beantwoording van de door de rechtbank aan Van Eck voorgelegde vragen, het laatste onder de voorwaarde dat partijen daarover eerst met elkaar in overleg treden en dat bij gebreke van overeenstemming daarover bij de toezending van het betreffende stuk aan Van Eck wordt medegedeeld dat en waarom partijen over de toezending daarvan verdeeld zijn;

- dat ASR de kosten van deze psychiatrische vervolgprocedure dient te dragen;

veroordeelt ASR tot vergoeding aan [verzoeker] van de buitengerechtelijke kosten gevallen in de periode van 24 september 2014 tot en met 17 april 2015 ter hoogte van het bedrag van € 10.287,99, over te maken naar een door de advocaat van [verzoeker] aan ASR op te geven rekeningnummer;

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv op € 6.377,35 en veroordeelt ASR tot betaling van dat bedrag aan [verzoeker] door overschrijving naar een door de advocaat van [verzoeker] op te geven rekeningnummer;

verklaart deze beschikking ten aanzien van voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2015.

2515/2294