Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:7637

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-10-2015
Datum publicatie
29-10-2015
Zaaknummer
C/10/484864 / KG ZA 15-1034
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Smaad/laster-zaak, vordering tot rectificatie, uitlatingen niet onrechtmatig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onder redactie van Tina van der Linden – Smit en Kea Kroeks – de Raaij annotatie in UDH:IR/13047
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/484864 / KG ZA 15-1034

Vonnis in kort geding van 16 oktober 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AMBACHTZORG B.V.,

gevestigd te Ridderkerk,

eiseres,

advocaat mr. D.M. Uithol te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde2] ,

wonende te [woonplaats2] ,

3. [gedaagde3] ,

wonende te [woonplaats3] ,

gedaagden,

advocaat mr. S.I.N. Ebecilio te Rotterdam.

Eiseres zal hierna Ambachtzorg genoemd worden. Gedaagden zullen gezamenlijk [gedaagden] genoemd worden en afzonderlijk gedaagde sub 1, 2 respectievelijk 3.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 29 september 2015 met producties 1 tot en met 39

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 9 oktober 2015

  • -

    de pleitnota van Ambachtzorg

  • -

    de pleitnota van [gedaagden] met producties 1 tot en met 14.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De ouders van gedaagden sub 1 en 2 hebben op 25 mei 2011 een verklaring met de volgende tekst ondertekend:

“ [persoon1] wenst dat bij overlijden dat de zorg-financien-bezoek voor [persoon2] enkel geregeld wordt door wettelijk vertegenwoordiger zijnde [persoon3] [adres] door ons beiden aangewezen.”

2.2.

Voorts hebben de ouders van gedaagden sub 1 en 2 op 1 september 2011 verklaringen met de volgende tekst ondertekend:

“ [persoon1] , geboren [geboortedatum] , geeft de wens te kennen dat haar man [persoon2] , wettelijk vertegenwoordiger, beslist samen met dochters [persoon4] - [persoon5] - [persoon2] - [persoon6] , over verzorging-opname-bezoek, zij het thuis-ziekenhuis-inrichting

[persoon1] geeft de wens te kennen enkel bezoek te willen ontvangen in bijzijn van

- haar man [persoon2] samen met (1 van) de 4 boven vernoemde dochters

of

- (1 van) de 4 boven vernoemde dochter (sic).”

“ [persoon2] , geboren 13-11-1930, geeft de wens te kennen dat zijn vrouw [persoon1] , wettelijk vertegenwoordiger, beslist samen met dochters [persoon4] - [persoon5] - [persoon2] - [persoon6] , over verzorging-opname-bezoek, zij het thuis-ziekenhuis-inrichting

[persoon2] geeft de wens te kennen enkel bezoek te willen ontvangen in bijzijn van

- zijn vrouw [persoon1] samen met (1 van) de 4 boven vernoemde dochters

of

- (1 van) de 4 boven vernoemde dochter (sic).”

2.3.

Ambachtzorg heeft in 2013 en 2014 thuiszorg verleend aan de ouders van gedaagden sub 1 en 2, daarbij ondersteund door de vier zussen (waaronder [persoon3] , hierna: “de zussen”) van gedaagden sub 1 en 2.

2.4.

In september 2013 is de moeder van gedaagden sub 1 en 2 (hierna: “de moeder”) overleden. [gedaagden] zijn na de crematie van de moeder in kennis gesteld van haar overlijden.

2.5.

Gedaagde sub 2 heeft op 19 oktober 2013 een bezoek gebracht aan de vader van gedaagde sub 1 en 2 (hierna: “de vader”). Naar aanleiding van dit bezoek heeft gedaagde sub 2 op 22 oktober 2013 een klacht ingediend bij Ambachtzorg omtrent de situatie waarin de vader zich bevond en de zorg die aan de vader werd verleend.

2.6.

Op 12 november 2013 is gedaagde 1 op bezoek geweest bij de vader. Vervolgens heeft zij een klacht ingediend bij de branchevereniging waar Ambachtzorg bij is aangesloten.

2.7.

Vervolgens hebben de zussen bepaald dat [gedaagden] niet meer op bezoek mochten komen bij de vader.

2.8.

[gedaagden] hebben hierop in verschillende media uitlatingen gedaan omtrent de ontstane situatie.

2.9.

Op 15 januari 2015 hebben gedaagde sub 1 en 2 getracht een bezoek te brengen aan de vader, doch dit is hen geweigerd. Hiertegen hebben gedaagden sub 1 en 2 vervolgens buiten de woning luidruchtig geprotesteerd.

2.10.

Naar aanleiding van een door gedaagde sub 1 en 2 geïnitieerde gerechtelijke procedure inzake het al dan niet mogen bezoeken van de vader heeft de Rechtbank Rotterdam op 8 mei 2014 uitspraak gedaan. In dit vonnis is overwogen dat onvoldoende gegevens beschikbaar waren over de medische situatie en de wil van de vader om de gevorderde bezoekregeling toe te wijzen.

2.11.

Hierop is gedaagde sub 2 op 18 juni 2014 naar de woning van de vader gegaan om aan hem te (laten) vragen of hij contact wilde met gedaagde sub 2. Een medewerker van Ambachtzorg heeft enig contact tussen gedaagde sub 2 en de vader niet toegestaan en bovendien geweigerd om dit aan de vader te vragen.

2.12.

Op 4 augustus 2014 heeft de burgemeester van Hendrik-Ido-Ambacht bemiddeld in het geschil tussen [gedaagden] en de zussen en hij heeft daarbij een bezoekregeling voorgesteld.

2.13.

Door de vakantieperiode is het niet tot een uitvoering van een bezoekregeling gekomen.

2.14.

De vader is op 31 augustus 2014 overleden.

3 Het geschil

3.1.

Ambachtzorg vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden]

I. te veroordelen om zich te onthouden van het doen van onrechtmatige uitlatingen als in de dagvaarding onder a tot en met n genoemd of uitlatingen van gelijke strekking;

II. te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis alle beledigende, lasterlijke, althans onrechtmatige uitlatingen die betrekking hebben op Ambachtzorg en/of haar medewerkers, als in de dagvaarding onder a tot en met n genoemd en verder alle uitingen van gelijke strekking, van internet dan wel enig ander openbaar medium waarop zij zijn gedaan, waaronder facebook en twitter, te verwijderen en verwijderd te houden;

III. te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis voor de duur van twee maanden duidelijk zichtbaar op internet, dan wel enig ander openbaar medium waarop de uitlatingen zijn gedaan, waaronder facebook en twitter, een rectificatie te verspreiden onder alle contactpersonen (facebook) en volgers (twitter) en op de pagina te plaatsen met de in sub 28 van de dagvaarding geformuleerde inhoud, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen inhoud;

IV. te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis een rectificatie te versturen met de onder III bedoelde inhoud, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen inhoud, aan de in sub 31 van de dagvaarding genoemde geadresseerden;

V. te veroordelen om aan Ambachtzorg een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere keer en iedere dag dat zij niet aan het hiervoor gevorderde voldoen;

VI. te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

[gedaagden] voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat Ambachtzorg in samenspraak met de zussen thuiszorg heeft verleend aan de ouders van gedaagden sub 1 en 2 en dat [gedaagden] via verschillende media meerdere uitlatingen hebben gedaan omtrent de wijze waarop deze zorg door Ambachtzorg is verleend en de rol van Ambachtzorg in het conflict tussen [gedaagden] en de zussen.

4.2.

Allereerst vordert Ambachtzorg dat het [gedaagden] wordt verboden in de toekomst onrechtmatige uitlatingen te doen. Hieromtrent wordt als volgt geoordeeld.

4.3.

Bij de beoordeling wordt voorop gesteld dat op grond van artikel 10 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) aan een ieder het recht op vrijheid van meningsuiting toekomt. Tegenover het recht op vrijheid van meningsuiting, staat in dit geval het recht van Ambachtzorg op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zoals vastgelegd in artikel 8 van het EVRM, waaronder begrepen is de bescherming van de eer en goede naam. Het antwoord op de vraag welk van deze, in beginsel gelijkwaardige, rechten in het onderhavige geval zwaarder weegt moet worden gevonden met inachtneming van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Het belang van de [gedaagden] is dat zij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moeten kunnen uitlaten over misstanden in de thuiszorg die de samenleving raken. Het belang van Ambachtzorg is erin gelegen dat zij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan voor haar ongewenste publiciteit. Welk van deze belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarop zal hierna worden ingegaan.

Onthouden doen onrechtmatige uitlatingen

4.4.

Vrijwel alle (beweerdelijk) onrechtmatige uitlatingen dateren van vlak na het overlijden van de vader. Het is begrijpelijk dat [gedaagden] op dat moment frustraties en hevige emoties hadden omtrent de gang van zaken. Zij hadden immers nauwelijks de gelegenheid gehad om de vader te bezoeken en uit de stukken kan voorshands worden opgemaakt dat het voor [gedaagden] in de periode voor het overlijden van de vader moeilijk is geweest om met Ambachtzorg in contact te komen over hun wens de vader te bezoeken en over de problemen die zij dienaangaande ondervonden. De door de burgemeester voorgestelde bezoekregeling, die [gedaagden] eindelijk hoop bood op beter contact met de vader, was door omstandigheden die niet aan hen te wijten waren nog niet van de grond gekomen.

4.4.1.

Voornoemde frustraties en emoties hebben [gedaagden] in een aantal gevallen op onzorgvuldige wijze, want met formulering die grievend en beschadigend zijn voor Ambachtzorg en niet nodig voor het aan de kaak stellen van vermeende misstanden, geuit, doch het is niet door Ambachtzorg onderbouwd dat dergelijk op onzorgvuldige wijze uiten van de gevoelens ná 2014 nog heeft plaatsgevonden.

4.4.2.

Ambachtzorg heeft er op gewezen dat in maart 2015 gedaagde sub 1 een bericht heeft geplaatst op facebook met de volgende inhoud:

“Als Ambachtzorg B.V. uit Ridderkerk het niet eens is met een negatieve waardering over hen schakelen ze een jurist in om onder bedreiging en intimidatie te dwingen deze van de site te halen.”

Dit bericht is een reactie op een bericht over de website Zorg voor Kwaliteit die betrekking heeft op kwaliteit in de zorg. Het bericht is afkomstig van “Het Gaat Zoals Het Gaat”, een Facebook-community waarvan gedaagde sub 3 heeft verklaard dat zij daarvoor verantwoordelijk is. [gedaagden] hebben in ieder geval niet betwist dat één van hen voor deze uitlating verantwoordelijk is, zodat verder in het midden zal worden gelaten van wie deze uitlating afkomstig is. In dit bericht is meegedeeld dat plaatser ervaringen heeft met de kwaliteit van de dienstverlening door Ambachtzorg en dat kritiek op die kwaliteit heeft geleid tot een juridische ‘dreigbrief’. Er wordt voorshands vanuit gegaan dat dit bericht, in het licht van de door de rechtsbijstandverlener van Ambachtzorg op 23 december 2014 aan [gedaagden] verstuurde brief, niet als onrechtmatig kan worden gekwalificeerd. In die (op zichzelf juridisch correcte) brief wordt immers gesproken over “in rechte betrekken”, “dwangsommen (…) vorderen” en “strafrechtelijke vervolging verzoeken”, hetgeen zeker door een niet-juridische onderlegde persoon als bedreigend en intimiderend kan worden ervaren.

4.4.3.

Ambachtzorg heeft voorts nog - enerzijds niet onderbouwd maar anderszins ook niet gemotiveerd bestreden - gesteld dat [gedaagden] zich na 2014 nog wel regelmatig kritisch over Ambachtzorg hebben uitgelaten. Wat hier verder van zij - de voorzieningenrechter heeft van die uitlatingen geen kennis genomen - Ambachtzorg heeft erkend dat het [gedaagden] op zichzelf vrij staat zich kritisch over haar uit te laten. Dat sprake is geweest van uitlatingen die na toetsing aan de hiervoor onder 4.3 weergegeven belangenafweging tot de conclusie nopen dat deze onrechtmatig waren, heeft Ambachtzorg echter niet gesteld.

4.4.4.

De voorzieningenrechter heeft, gezien het voorgaande, geen reden om aan te nemen dat [gedaagden] zich in de toekomst op onrechtmatige wijze zullen uitlaten jegens Ambachtzorg, zodat niet is gebleken dat Ambachtzorg een (spoedeisend) belang heeft bij het verbieden van de door haar bedoelde uitlatingen. De vordering onder I wordt dan ook afgewezen.

4.4.5.

Het vorenstaande doet er overigens niet aan af dat het kwalificeren van het handelen van Ambachtzorg als strafbare feiten, zoals gijzeling en medeplichtigheid daaraan, in beginsel onrechtmatig is. Voor zover [gedaagden] zich daarvan nog niet bewust zijn, doen zij er verstandig aan dit tot zich te laten doordringen en daarnaar te blijven handelen.

4.5.

Ten aanzien van de vordering onder II, te weten een gebod van [gedaagden] om de hierna benoemde door de afzonderlijke gedaagden gedane uitlatingen te verwijderen en verwijderd te houden, wordt als volgt geoordeeld.

Uitlatingen gedaagde sub 1

4.5.1.

De vordering tot verwijdering van de door gedaagde sub 1 op 18 maart 2015 op facebook gedane uiting (onderdeel b uit de dagvaarding) wordt, gezien het reeds hiervoor onder r.o. 4.4.2 geoordeelde, afgewezen.

4.5.2.

In 2014 heeft gedaagde sub 1 een bezwaarschrift ingediend bij de Ombudsman PvdA Ridderkerk. Dit bezwaarschrift was niet voor publicatie bestemd. Daarbij komt dat een dergelijke procedure juist is bedoeld om met een ruime mate van vrijheid meningen over vermeende misstanden te kunnen uiten met het oogmerk deze te laten toetsen door de Ombudsman. De in het bezwaarschrift gedane uitlatingen acht de voorzieningenrechter dan ook niet onrechtmatig. Dit deel van de vordering (onderdeel c uit de dagvaarding) wordt derhalve eveneens afgewezen.

Uitlatingen gedaagde sub 2

4.5.3.

In de e-mail d.d. 29 september 2014 heeft gedaagde sub 2 aan onder meer de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht het volgende geschreven:

“Plaats delict: Zoutziedersstraat 21, H.I. Ambacht; Woon en verpleegadres dhr. [persoon2] (+31-08-2014)

Daders: De vier jongste dochters van dhr. [persoon2] , schermden vader volledig af van de buitenwereld

Medeplichtig(en): Thuiszorgorganisatie ‘Ambachtzorg’ en (ingehuurd) personeel (www.ambachtzorg.nl);

maakte het mogelijk dat cliënt 11 maanden werd afgezonderd, werkten dus actief mee;

(…)

deze thuiszorgorganisatie heeft zelfs de brutaliteit gehad om vaders privacy ernstig te schenden en medisch vertrouwelijke informatie openbaar te maken. Zelfs medisch geheim van vader kwam op straat te liggen. Schandalig!”

Voorts heeft hij in de e-mail d.d. 20 augustus 2014 aan onder meer de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht het volgende geschreven:

“Ambachtzorg heeft met het indienen van genoemde producties de privacy en integriteit van haar cliënt geschonden door het openbaar maken van medisch vertrouwelijke informatie van cliënt.”

Gedaagde sub 2 doelt in deze e-mails op de omstandigheid dat Ambachtzorg vertrouwelijke (medische) stukken omtrent de vader heeft doen toekomen aan de zussen welke vervolgens door hen zijn overgelegd in voornoemde gerechtelijke procedure tussen [gedaagden] en de zussen.

Hieromtrent heeft Ambachtzorg gesteld dat zij toestemming daartoe had gekregen van de wettelijke vertegenwoordiger, te weten [persoon3] . Het is evenwel voorshands voldoende aannemelijk dat [persoon3] niet de wettelijke vertegenwoordiger van de vader was. Ambachtzorg ontleent haar stelling aan het hiervoor onder 2.1 genoemde stuk. De voorzieningenrechter betwijfelt gezien de formulering van dit stuk of dit als constitutief is bedoeld.

Belangrijker nog is dat deze [persoon3] in een brief van 30 januari 2015 aan een notaris, die was betrokken bij de afwikkeling van de nalatenschap van de vader, heeft laten weten geen wettelijk vertegenwoordiger geweest te zijn, zodat er voorshands niet vanuit kan worden gegaan dat zij de bevoegdheid had om een beslissing te nemen omtrent (het openbaar maken van) de desbetreffende stukken.

De onjuistheid van de stelling van [gedaagden] dat Ambachtzorg de privacy van de vader heeft geschonden door de stukken openbaar te maken, is zodoende onvoldoende komen vast te staan. Daarbij wordt opgemerkt dat, ondanks het gebruik van de woorden ‘plaats delict’ en ‘medeplichtig’, door gedaagde sub 2 in de e-mail van 29 september 2014 geen kwalificatie wordt gegeven van een beweerdelijk plaatsgevonden hebbend strafbaar feit. De uitlatingen van gedaagde sub 2 zijn derhalve, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, niet onrechtmatig, zodat het daarop betrekking hebbende deel van de vordering (onderdelen e en f uit de dagvaarding) wordt afgewezen.

4.5.4.

In een (ongedateerde) brief heeft gedaagde sub 2 aan onder meer de burgemeester van Hendrik-Ido-Ambacht het volgende geschreven:

“Vervolgens hebben zij thuiszorgorganisatie Ambachtzorg B.V. uit Ridderkerk bereid gevonden om tegen de wil van hun vader hem een zeer streng verpleegregime op te leggen, waarbij de privacy en de burgerrechten van [persoon2] ernstig zijn geschonden. Er was een situatie ontstaan waarin alle kenmerken van oudermishandeling aanwezig zijn.”

De voorzieningenrechter begrijpt dat de bewoordingen ‘zeer streng verpleegregime’ en ‘oudermishandeling’ door gedaagde sub 2 zijn gebezigd in het kader van het bezoekregime d.d. 31 maart 2014 dat twee medewerkers van Ambachtzorg, in samenspraak met de zussen, hebben opgesteld. Dit regime omvatte het volgende (tekst afkomstig uit een stuk op briefpapier van Ambachtzorg en met het opschrift “Bezoekregels”):

“Gezien de sterk wisselende pieken en dalen in de geestelijke en lichamelijke constitutie van meneer [persoon2] , bestaat er altijd een mogelijkheid dat het bezoek op de genoemde datum niet door kan gaan.

  • -

    Het bezoek mag enkel bestaan uit 1 persoon per bezoek. Dit i.v.m. met snel vermoeidheid (sic) raken en slechte concentratie en om zo het maximale uit het bezoek te kunnen halen.

  • -

    Het bezoek zal niet langer duren dan 20 minuten.

  • -

    Het bezoek zal plaatsvinden van 12 uur tot 12.20, de beste tijd voor meneer [persoon2] .

  • -

    Het bezoek dient geen blijk te geven van spanning of nerveusiteit (sic). Het bezoek dient zo rustig mogelijk te verlopen daar [persoon2] erg gevoelig is voor spanningen en aanvoelt als er andere zaken spelen.

Het bezoek mag absoluut niet persoonlijke en emotionele onderwerpen aansnijden zoals bijvoorbeeld over van (sic) mevrouw [persoon1] en/of andere familieleden.

Mocht dit gebeuren mag de leidinggevende van Ambachtzorg het bezoek beeindigen (sic).

  • -

    Het bezoek behelst enkel contact met [persoon2] .

  • -

    Het bezoek mag geen opnames van video of foto’s maken (sic).

  • -

    Het bezoek zal plaatsvinden in aanwezigheid van een medewerker en een leidinggevende van Ambachtzorg. De medewerker is aanwezig om de constitutie van [persoon2] te observeren. De leidinggevende is aanwezig om het naleven van de regels door de bezoeker te observeren. Er zal verder geen communicatie plaatsvinden tussen de bezoeker en medewerker/leidinggevende van Ambachtzorg.

  • -

    Ambachtzorg is er voor [persoon2] en heeft niets te maken met familiekwesties en wil achteraf geen vragen of opmerkingen krijgen over het bezoek in de vorm van klachten of (medische) vragen.

  • -

    Wat belangrijk is om het bezoek te laten slagen is dat de voorgaande regels nageleefd worden. Het belang van [persoon2] staat hierbij voor iedereen voorop.

  • -

    Als de leidinggevende van Ambachtzorg constateerd (sic) dat deze regels niet na wordt geleeft (sic), zal het bezoek beeindigd (sic) worden.”

Het staat onomstotelijk vast dat het bezoekregime voor [gedaagden] streng was. De bevoegdheid van de zussen tot het (doen) opstellen van een dergelijk bezoekregime zou gebaseerd zijn op de onder 2.2 aangehaalde schriftelijke verklaring van de vader en een tussen Ambachtzorg en de zussen gesloten zorgcontract. Het is evenwel door Ambachtzorg erkend dat niet (voortdurend) is nagegaan of de vader instemde dan wel bleef instemmen met (de handhaving van) deze stringente ‘bezoekregels’. Niet kan worden uitgesloten dat deze voorwaarden (inmiddels) indruisten tegen de wil van de vader. Alleen al het tijdsverloop sinds het ondertekenen van die verklaring noopte daartoe, maar ook het (onbetwiste) verloop van het bezoek aan de vader op 22 juni 2014, waarbij in ieder geval gedaagde sub 2 aanwezig was. Tijdens dit gesprek was de vader blij verrast om gedaagde sub 2 te zien en hij vond het jammer dat het bezoek, op aandringen van een medewerker van Ambachtzorg, werd beëindigd. Daarbij komt dat de noodzaak van het constant aanwezig zijn van een medewerker van Ambachtzorg en een van de zussen tijdens dit bezoek, waardoor gedaagde sub 2 geen normaal en persoonlijk gesprek met de vader heeft kunnen voeren, de voorzieningenrechter geheel ontgaat. Daarbij dient te worden opgemerkt dat Ambachtzorg desgevraagd heeft verklaard dat de bezoekregels niet zijn opgesteld in verband met door een arts vastgestelde medische indicaties. Het kan zeker niet worden uitgesloten dat de rechten van de vader, waaronder het recht op vrijheid, privacy en zelfbeschikking, door het, mede door Ambachtzorg opgestelde, bezoekregime en de uitvoering daarvan zijn geschonden. Uit de Richtlijn Aanpak Ouderenmishandeling voor zorginstellingen volgt dat ook de schending van voornoemde rechten van de oudere als een vorm van oudermishandeling wordt aangemerkt. Wat daar verder ook van zij, de voorzieningenrechter acht vooralsnog aannemelijk dat gedaagde sub 2 hierop het oog heeft gehad met haar kwalificaties in de aan de orde zijnde brief.

De uitlatingen van gedaagde sub 2 omtrent het zeer strenge verpleegregime van de vader en oudermishandeling, hoewel wellicht maar een enkel kenmerk van oudermishandeling in deze kwestie aanwezig is geweest, kunnen dan ook niet als onrechtmatig worden bestempeld. Het daarop betrekkende hebbende deel van de vordering (onderdeel g en h uit de dagvaarding) wordt dan ook afgewezen. Dit zelfde geldt voor het gedeelte van de vordering die betrekking heeft onderdeel i uit de dagvaarding, betreffende een enigszins vergelijkbare brief d.d. 4 september 2014.

Uitlatingen gedaagde sub 3, echtgenote van gedaagde sub 2

4.5.5.

Op 20 oktober 2014 is een bericht geplaatst op een facebookpagina geheten “Het Gaat Zo Als Het Gaat” met de volgende inhoud:

“Mijn zussen gijzelden onze vader en thuiszorg hielp mee….”

Zoals reeds overwogen is “Het Gaat Zoals Het Gaat” een Facebook-community waarvan gedaagde sub 3 heeft verklaard dat zij daarvoor verantwoordelijk is. [gedaagden] hebben in ieder geval niet betwist dat één van hen voor deze uitlating verantwoordelijk is, zodat verder in het midden zal worden gelaten van wie deze uitlating afkomstig is. Op deze facebookpagina is voornoemd bericht het laatst geplaatste bericht. Hierin wordt evenwel geen relatie gelegd met Ambachtzorg en Ambachtzorg heeft onvoldoende onderbouwd dat het voor de bezoekers van deze pagina duidelijk zal zijn dat het bericht op haar betrekking heeft. Dat dit bericht jegens Ambachtzorg onrechtmatig is, is voorshands dan ook onvoldoende gebleken, zodat het daarop betrekking hebbende deel van de vordering (onderdeel a uit de dagvaarding) wordt afgewezen.

4.5.6.

Daarnaast heeft gedaagde sub 3 op haar eigen facebookpagina en twitteraccount op 20 oktober, 30 oktober, 8 november en 23 december 2014 meerdere uitlatingen gedaan omtrent de kwestie met Ambachtzorg. Het gaat hier om een geruime tijd geleden gedane uitingen op een vluchtig medium, waardoor kennisname van deze uitingen in beginsel slechts zal plaatsvinden na een specifiek daarop gerichte zoekactie. Dit wordt nog versterkt door het feit dat gedaagde sub 3 zeer actief is op facebook waardoor uitingen aldaar relatief snel “uit beeld verdwijnen”. Derhalve is de voorzieningenrechter van oordeel dat, waar Ambachtzorg enige tijd na de datum van publicatie nog een (spoedeisend) belang had om deze uiting te doen verwijderen, zij dit thans niet meer heeft (onderdeel j, k, l en m uit de dagvaarding). Dit laat vanzelfsprekend onverlet dat Ambachtzorg - indien aan alle overige daaraan te stellen eisen is voldaan - gedaagde sub 3 wel kan aanspreken tot vergoeding van schade die door deze uiting zou zijn ontstaan.

4.5.7.

Voorts heeft gedaagde sub 3 op 16 november 2014 een brief verzonden naar mevrouw M. Keizer, waarin onder meer het volgende is geschreven:

“Sinds een jaar zijn wij geconfronteerd met zeer ernstige tekortkomingen van een thuiszorgorganisatie in deze gemeente. Dat wij in een gerechtelijke procedure in een familiekwestie wij (sic) Ambachtzorg tegenover ons vonden met tien (bevattende: onredelijke, schending van het medisch geheim, intimidatie en machtsmisbruik) producties was een zeer onaangename verrassing en zeker niet in het belang van hun cliënt: een oude broze man van 83 jaar.”

Ten aanzien van de beweerde schending van het medisch geheim is reeds in r.o. 4.5.3 geoordeeld. Door het handelen van Ambachtzorg hebben de zussen de beschikking gehad over vertrouwelijke stukken, welke in het bezit waren van de medisch zorgverlener. Wellicht hadden deze stukken niet aan de zussen mogen worden verschaft. Het is begrijpelijk dat gedaagde sub 3 dit heeft ervaren als intimidatie en machtsmisbruik en als een signaal dat Ambachtzorg partij koos voor de zussen. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat het Ambachtzorg duidelijk was of kon en moest zijn dat de zussen deze stukken wilden gebruiken in een juridische procedure tegen [gedaagden] . Dat deze uitlatingen kwalificeren als onrechtmatig is dan ook onvoldoende gebleken. Dit onderdeel van de vordering (onderdeel n uit de dagvaarding) wordt daarom eveneens afgewezen.

4.6.

De vorderingen III en IV tot het veroordelen van [gedaagden] de gedane uitlatingen te rectificeren en de gevorderde dwangsom worden in het licht van het voorgaande, eveneens afgewezen.

4.7.

Ambachtzorg zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht € 613,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.429,00

4.8.

Voor een zelfstandige veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten (€ 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Ambachtzorg niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak) een executoriale titel oplevert.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Ambachtzorg in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 1.429,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. van den Hurk en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2015.2026/427