Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:7636

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-10-2015
Datum publicatie
27-10-2015
Zaaknummer
C/10/482723 / KG ZA 15-889
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bewijsbeslag. Bedrijfsgeheimen. artikel 39 lid 2 TRIPs. Artikel 843a Rv. Opheffen beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/517
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/482723 / KG ZA 15-889

Vonnis in kort geding van 12 oktober 2015

in de zaak van

1. de vennootschap naar vreemd recht

THE DOW CHEMICAL COMPANY,

gevestigd te Midland, Michigan, Verenigde Staten van Amerika,

2. de vennootschap naar vreemd recht

ROHM AND HAAS COMPANY,

gevestigd te Philadelphia, Pennsylvania, Verenigde Staten van Amerika,

3. de vennootschap naar vreemd recht

ROHM AND HAAS CHEMICALS LLC,

gevestigd te Philadelphia, Pennsylvania, Verenigde Staten van Amerika,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaten mrs. R.E. Ebbink en M.G.R. van Gardingen te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ORGANIK KIMYA NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

kantoorhoudende te Botlek Rotterdam,

2. de vennootschap naar vreemd recht

ORGANIK LUXEMBOURG S.A.,

gevestigd te Luxemburg, Luxemburg,

3. de vennootschap naar vreemd recht

ORGANIK KIMYA SAN. VE TIC A.Ş.,

gevestigd te Istanbul, Turkije,

4. de vennootschap naar vreemd recht

ORGANIK HOLDING A.Ş.,

gevestigd te Istanbul, Turkije,

5. de vennootschap naar vreemd recht

ORGANIK KIMYA US, INC.,

gevestigd te Burlington, Massachusetts, Verenigde Staten van Amerika,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CHEMORG NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaten mrs. M.H.R.N.Y. Cordewener, C.C.A. van Rest en R.M. van der Velden te

Amsterdam.

Eiseressen in conventie, verweersters in reconventie, zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid - in vrouwelijk enkelvoud - als Dow c.s. en afzonderlijk als Dow Chemical, Rohm and Haas respectievelijk Rohm and Haas Chemicals. Gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie, zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid - in vrouwelijk enkelvoud - als Organik c.s. en afzonderlijk als Organik Netherlands, Organik Luxembourg, Organik Kimya San, Organik Holding, Organik Kimya US respectievelijk Chemorg.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 17 augustus 2015 en de Duitse vertaling daarvan

  • -

    producties 1 tot en met 17 van Dow c.s.

  • -

    conclusie van eis in reconventie

  • -

    akte houdende overlegging producties 1 tot en met 20 van Organik c.s.

  • -

    akte houdende overlegging aanvullende producties 21 tot en met 23 van Organik c.s.

  • -

    de brief d.d. 18 september 2015 met producties 18 tot en met 20, van Dow c.s.

  • -

    de brief d.d. 18 september 2015 met productie 24 van Organik c.s.

  • -

    de mondelinge behandeling op 21 september 2015

  • -

    de pleitnota in conventie van Dow c.s.

  • -

    de pleitnota in reconventie van Dow c.s.

  • -

    de pleitnota van Organik c.s.

  • -

    de drie ter zitting overgelegde ongenummerde producties van Organik c.s.

1.2.

Namens Dow c.s. is bij brief van 18 september 2015 bezwaar gemaakt tegen de in haar optiek te late indiening van de eis in reconventie en de producties 1 tot en met 20 van Organik c.s. Bedoelde stukken zijn op 16 september 2015 door de griffie van het bureau voorzieningenrechter en door Dow c.s. ontvangen. Het bezwaar van Dow c.s. richt zich, naar de voorzieningenrechter aanneemt, eveneens tegen de op 18/21 september 2015 ingekomen producties 21 tot en met 24 van Organik c.s. Hieraan is ter zitting als bezwaar toegevoegd dat in de voor dit kort geding (in beginsel) uitgetrokken tijd (twee uur) alléén de vordering in conventie besproken kan worden, nu Dow c.s. verwacht in eerste termijn ongeveer één uur nodig te hebben. Tegen de ter zitting door Organik c.s. overgelegde drie ongenummerde producties heeft Dow c.s. verder geen bezwaar gemaakt.

Aan het uitgangspunt van artikel 7.2 van het Procesreglement kort gedingen rechtbanken

civiel/familie dat de eis in reconventie en de gronden daarvan uiterlijk 24 uur voor de

terechtzitting schriftelijk aan de wederpartij en de voorzieningenrechter moeten zijn meegedeeld, is door Organik c.s. voldaan. Ook de producties 1 tot en met 23 hebben binnen de in artikel 6.2 van het Procesreglement gehanteerde termijn voor indiening van 24 uur voor het plaatsvinden van de terechtzitting de voorzieningenrechter en de wederpartij bereikt. Dit is anders ten aanzien van productie 24. Hoewel de reconventionele eis, de gronden en de ingediende producties (tezamen) omvangrijk te noemen zijn, acht de voorzieningenrechter Dow c.s. met de indiening daarvan op 16 respectievelijk 18 september 2015 redelijkerwijs niet in haar procesbelang geschaad. Gelet op de omvang van de op 21 september 2015 ingekomen productie 24 geldt hetzelfde. Daarbij is de aard van de kort gedingprocedure in aanmerking genomen en het aannemelijke gegeven dat in overwegende mate geen sprake lijkt te zijn van niet eerder jegens Dow c.s. kenbaar gemaakte standpunten van Organik c.s. noch van nieuwe producties. Overleg met de achterban van Dow c.s. moet derhalve in dit tijdsbestek heel wel mogelijk zijn geweest. Dit geldt temeer nu ter zitting ook de (of een) Amerikaanse advocaat van Dow c.s. aanwezig was. Omdat dit geschil tussen partijen (mede) is ontstaan als gevolg van het door Dow c.s. ten laste van Organik c.s. gelegde bewijsbeslag, en gelet op de procedures die in de Verenigde Staten al gevoerd zijn, dan wel nog lopen, had Dow c.s. erop voorbereid kunnen zijn dat Organik c.s. in dit geding in reconventie opheffing van het gelegde bewijsbeslag zou vragen althans haar verweer gemotiveerd en geadstrueerd met stukken zou onderbouwen. Het lag op de weg van Dow c.s. om daarop te anticiperen bij de aanvraag van dit kort geding en de aanduiding van de benodigde spreektijd (waarvan door geen van partijen verlenging is gevraagd). Feitelijk is het gestelde tekort aan spreektijd als gevolg van de reconventie en de producties van Organik c.s. geen probleem gebleken nu partijen elk die spreektijd hebben gekregen die zij redelijkerwijs nodig hadden (en waarop door de voorzieningenrechter gelet op de omvang van de stukken qua beschikbare zittingsruimte en -tijd geanticipeerd was). De voorzieningenrechter acht de eis in reconventie en de producties 1 tot en met 24 van Organik c.s. mitsdien toelaatbaar.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Partijen

2.1.

Dow Chemical is een multinationale chemische onderneming. Dow Chemical is al meer dan 50 jaar in Nederland aanwezig. Haar één na grootste productieplaats ter wereld is gelegen in Terneuzen, alwaar zij 17 fabrieken heeft en werkgelegenheid biedt aan ongeveer 1700 personen.

Rohm and Haas is gespecialiseerd in emulsietechnologie, waaronder verf en andere soorten coatings. Rohm and Haas Chemicals is een dochteronderneming van Rohm and Haas.

Dow Chemical heeft Rohm and Haas in 2009 verworven, inclusief alle dochtervennootschappen en gerelateerde ondernemingen. Na deze overname werd de bedrijfsvoering van Rohm and Haas betreffende emulsiepolymeren onderdeel van Dow Chemical’s “Advanced Materials Division”.

2.2.

De groep van bedrijven van Organik c.s. heeft haar hoofdkantoor en Research & Development Center in Istanbul, Turkije. Zij heeft productiefaciliteiten in Turkije en sinds 2007 ook in de Botlek Rotterdam. De activiteiten van Organik c.s. omvatten onder andere de ontwikkeling en productie van emulsiepolymeerproducten. Organik c.s. is al meer dan 50 jaar actief op dit gebied. Wereldwijd zijn er ongeveer 500 personen werkzaam bij Organik c.s., waarvan er ongeveer 65 werkzaam in de productiefaciliteit aan de Botlek Rotterdam en ongeveer 80 op het gebied van onderzoek en ontwikkeling (R&D) in Istanbul.

Wat is (opaque) emulsiepolymerisatie?

2.3.

Emulsiepolymerisatie is een vorm van vrije radicaalpolymerisatie die begint met een emulsie van water, monomeer en een oppervlakte-actieve stof. Emulsiepolymerisatie wordt gebruikt voor de vervaardiging van verscheidene commerciële polymeren, waaronder lijmsoorten, verfsoorten en papier- en textielcoatings.

Opaque polymeren zijn een type emulsiepolymeer dat gebruikt wordt in verf om de ondergrond van die verf, zoals een eerdere kleur, te bedekken ofwel te ‘verbergen’. Voor het effectief verbergen wordt verf met een hoge ‘lichtreflectiewaarde’ gebruikt.

De lichtreflectiewaarde is het percentage van zichtbaar en bruikbaar licht dat, wanneer dat licht schijnt op een oppervlakte, gereflecteerd wordt in alle richtingen en in alle golflengtes. De lichtreflectiewaarde van een kleur geeft aan hoeveel licht een kleur reflecteert en absorbeert. Als een kleur meer licht reflecteert/absorbeert, dan wordt de bestaande verflaag beter verborgen. Geruime tijd werd het dure titanium dioxide (Ti0²) in verf gebruikt om de lichtreflectiewaarde te verhogen (meer Ti0² betekent een hogere lichtreflectiewaarde), hetgeen de verf duur maakt.

De rol van (één van) Dow c.s. bij de vervaardiging van opaque polymeren

2.4.

In 1979 zijn wetenschappers van Rohm and Haas kennelijk begonnen met de ontwikkeling van een substituut voor Ti0². Deze ontwikkeling heeft, volgens Dow c.s., in 1982 geleid tot de marktintroductie van de eerste generatie opaque polymeren door Rohm and Haas, onder de merknaam ROPAQUE™. ROPAQUE™ opaque polymeren zijn holle polymeren die een met water gevulde holte bevatten. Tijdens het drogen van de verf (waarin de ROPAQUE™ polymeren zijn opgenomen) verspreidt het water zich in de holte via de schil van het polymeer en blijft een holte met lucht achter. De lucht in de holte en het omringende polymeer hebben een andere brekingsindex. Het resultaat hiervan is dat het licht (het licht dat uitstraalt op de opaque polymeren in de verf) effectief wordt verspreid. Volgens de theorie van de lichtverstrooiing hebben twee parameters invloed op de mate van verberging: de deeltjesgrootte (“particle size”) van de holle bolletjes en de “void fraction”. De void fraction is de fractie van het volume van de leegtes (voids) van een totaal volume (uitgedrukt in een percentage). In dit geval is de void fraction het percentage van de leegte over het holle polymeer (het deeltje).

2.5.

Rohm and Haas heeft verscheidene generaties van ROPAQUE™ opaque polymeren gelanceerd. Rond midden tot eind jaren `90 hebben wetenschappers van Rohm and Haas een werkwijze ontdekt waarmee opaque polymeren konden worden verkregen met een hogere void fraction en verbeterde vertroebelende eigenschappen. Gebaseerd op deze nieuwe ontdekking heeft Rohm and Haas de ROPAQUE™ Ultra productlijn gelanceerd.

2.6.

Op het productieproces van (kennelijk) ROPAQUE™ Ultra zijn aan Rohm and Haas meerdere octrooien verleend. Organik c.s. heeft ten aanzien van twee octrooien een petition for review ingediend bij het US Patent and Trademark Office. Deze twee verzoeken zijn afgewezen.

Procedures tussen partijen

2.7.

In mei 2013 is Dow c.s. bij de U.S. International Trade Commission (ITC) tegen (één of meer van) Organik c.s. een octrooi-inbreukprocedure gestart met betrekking tot de ROPAQUE™ Ultra productlijn. In november 2013 heeft Dow c.s. haar klacht aangepast zodat deze (ook) zag op de onrechtmatige verkrijging en gebruik van één of meer bedrijfsgeheimen ter zake van die productlijn van Rohm and Haas door Organik c.s. ten behoeve van de ontwikkeling en het in de handel brengen op de Europese en Amerikaanse markt van haar eigen opaque polymeer producten OPAC 204x en ORGAWHITE® 2000. Dow c.s. heeft de grondslag voor zover het de gestelde octrooi inbreuk betrof in de ITC procedure op enig moment niet langer gehandhaafd.

Na bevolen forensische inspecties van netwerken en computers van Organik c.s. in de ‘discovery’-fase van de ITC-procedure en het afnemen van “depositions” van meer dan 20 personen van de zijde van Organik c.s., heeft rechter T.B. Pender (“Administrative Law Judge”) in die procedure op 20 oktober 2014 een ‘Initial Determination’ uitgevaardigd

inhoudende:

“(1) FINDING SPOLIATION OF EVIDENCE;

(2) GRANTING DEFAULT JUDGEMENT AGAINST RESPONDENTS ON COMPLAINANTS’ CLAIM OF TRADE SECRET MISAPPROPRIATION AS A SANCTION FOR SPOLIATION OF EVIDENCE; AND

(3) IMPOSING AS AN ADDITIONAL SANCTION THAT RESPONDENTS BE REQUIRED TO PAY CERTAIN OF COMPLAINANTS’ ATTORNEYS’ FEEST AND COSTS”.

In april 2015 volgde een beslissing van de volledige ITC. De ITC heeft Dow c.s. aangaande de spoliation van bewijsmiddelen door (één of meer van) Organik c.s. (bewijsvernietigingsactie(s)) in het gelijk gesteld en Organik c.s. een boete en een importverbod in de Verenigde Staten van 25 jaar van opaque polymeren (ORGAWHITE® 2000) opgelegd. Op de bewijsstukken in de procedure voor de ITC rust een ‘ITC Protective Order’. Dow c.s. stelt dat zij daardoor ITC-bewijsstukken niet in de onderhavige procedure kan overleggen. Organik c.s. heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de ITC bij de “United States Court of Appeals of the Federal Circuit”, welk beroep nog loopt.

2.8.

Dow c.s. heeft op 6 mei 2015 een verzoekschrift ingediend bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank en daarin verzocht om conservatoir bewijsbeslag te mogen leggen.

2.8.1.

In het verzoekschrift staat onder meer:

“Samengevat heeft Dow [Dow c.s., opm. vzr] gegronde redenen om te concluderen dat Organik Kimya [Organik c.s., opm. vzr] de Rohm and Haas Opaque Polymer Bedrijfsgeheimen op onrechtmatige wijzen heeft verkregen en gebruikt. Ondanks het feit dat Organik Kimya een grote hoeveelheid bewijs van haar onrechtmatige verkrijging en gebruik van bedrijfsgeheimen heeft vernietigd op bepaalde computers, lijkt de vernietiging van bewijs op een laptop voor-laptop basis te hebben plaatsgevonden, zoals blijkt uit de door ALJ Pender bevolen forensische inspectie van deze computers. Echter, gedurende de ITC procedure zijn de locaties waarop het huidige verzoekschrift ziet, waaronder computers en andere opslagapparatuur (toegankelijk) in de fabriek in Rotterdam, nooit onderzocht op de onrechtmatige verkrijging en gebruik van bedrijfsgeheimen. Dit is een van de redenen waarom Dow in de veronderstelling verkeert dat aanzienlijk en hoogst relevant bewijsmateriaal nog steeds beschikbaar is in de fabriek van Organik Kimya in Rotterdam.

(…)

Als Productie 11 is een lijst van 177 Rohm and Haas emulsieproducten aan dit verzoekschrift gehecht, en een lijst van de 354 merknamen waaronder deze wereldwijd worden verhandeld [productie 13 bij dagvaarding, opm. vzr]. Dow heeft goede gronden om te veronderstellen dat de Rohm and Haas Emulsiepolymeer en Opaque Polymer Bedrijfsgeheimen aan Organik Kimya zijn verstrekt, door haar zijn verkregen en worden gebruikt (…).

(…) Bewijs dat ziet op het onderzoek, ontwerp en/of de ontwikkeling van de emulsiepolymeren van Organik Kimya opgenomen in Productie 12 (…)”.

2.8.2.

Bij faxbericht van 11 mei 2015 heeft Dow c.s. op verzoek en vragen van de voorzieningenrechter een nadere toelichting op het verzoek gegeven. Bij beschikking van 11 mei 2015 (zaak-/ rekestnummer C/10/475546 / KG RK 15-906) heeft de voorzieningenrechter onder in die beschikking genoemde voorwaarden, het verzochte verlof grotendeels verleend. Kort gezegd ziet het verlof op alle (digitale) documenten en andere informatie welke Organik c.s. tot haar beschikking had en/of onder haar berusting had en/of welke toegankelijk kon worden gemaakt in en/of vanuit de fabriek van Organik c.s. in Rotterdam die ziet op de onrechtmatige verkrijging en het onrechtmatige gebruik door Organik c.s. van bedrijfsgeheimen van Dow c.s. In de beschikking is Organik c.s., onder meer, bevolen mee te werken en volledige toegang te verschaffen op straffe van een dwangsom, deze laatste alleen ten aanzien van Organik Netherlands. Tevens is verlof verleend voor het in gerechtelijke bewaring nemen van het beslagen bewijsmateriaal en het maken van een gedetailleerde beschrijving van de productieprocessen in de fabriek van Organik c.s. in Rotterdam. Als bewaarder in de zin van artikel 709 Rv is aangewezen Equilibristen, gerechtsdeurwaarders te Dordrecht, tevens de deurwaarder die uitvoering gaf aan het bewijsbeslag.

2.8.3.

Op 19 mei, 21 mei en 17 juni 2015 zijn ten laste van Organik c.s. bewijsmiddelen in (aanvullend) conservatoir bewijsbeslag genomen, in (tijdelijke) gerechtelijke bewaring gegeven en is begonnen met het opmaken van een gedetailleerde beschrijving.

2.8.4.

Tijdens de tenuitvoerlegging van het bewijsbeslag heeft Dow c.s. bij verzoekschrift van 22 mei 2015 aan de voorzieningenrechter verzocht de termijn voor het retourneren van bepaalde beslagen originele documenten te verlengen (zaak-/ rekestnummer C/10/476865 / KG RK 15-1008). De voorzieningenrechter heeft dit verzoek, na kennisgenomen te hebben van de reactie van Organik c.s. op dat verzoek, toegestaan.

2.9.

Dow c.s. heeft op 24 juni 2015 bij het Superior Court in Delaware, Verenigde Staten van Amerika, jegens Organik c.s. (behoudens Chemorg) een procedure aanhangig gemaakt, waarin zij “monetary and worldwide injunctive relief” vordert ter zake van haar bedrijfsgeheimen. In een dergelijke procedure staat een eiser de mogelijkheid van (verdere) “discovery” ter beschikking.

Voormalig werknemers Dow c.s.

2.10.

De volgende voormalig werknemers van dochtervennootschappen van, althans van vennootschappen gelieerd aan, Rohm and Haas zijn in dienst getreden bij Organik c.s.:

2.10.1.

[persoon1] (hierna: [persoon1] )

[persoon1] heeft gedurende 13 jaar een commerciële functie vervuld in dienst van Rohm & Haas España S.A. en Rohm and Haas France. In 1999 is hij op staande voet ontslagen. Na een gerechtelijke procedure van tien jaar is geoordeeld dat het ontslag op staande voet onterecht was. Ten tijde van zijn vertrek bij voornoemd(e) Rohm and Haas bedrijf/bedrijven bekleedde [persoon1] de functie ‘Commercial and Technical Manager for Emerging Markets’ voor de Rohm and Haas polymeer en hars bedrijfsvoering. [persoon1] was contractueel gebonden aan een vertrouwelijkheids- en geheimhoudingsbeding jegens Rohm & Haas España S.A. Na zijn vertrek is [persoon1] bij Organik c.s. gaan werken. [persoon1] was betrokken bij het opzetten van de fabriek van Organik c.s. in Rotterdam. Thans is hij mede-hoofd van de afdeling R&D van (één van) Organik c.s. in Turkije.

2.10.2.

[persoon2] (hierna: [persoon2] )

[persoon2] was gedurende 26 jaar in dienst bij Rohm and Haas Italia SPA. In de periode van 1977-1994 in de functie van ‘Production Manager’ bij de productiefabriek in Mozzanica, Italië, in de periode van 1994-2000 in de functie van ‘Plant Manager’ van dezelfde fabriek en in de periode van 2000-2003 als ‘Plant Manager’ van de productiefabriek in Robechetto, Italië. [persoon2] was contractueel gebonden aan een vertrouwelijkheids- en geheimhoudingsbeding jegens Rohm and Haas Italia SPA. In de periode van 2003-2008 heeft [persoon2]

gewerkt voor het Italiaanse bedrijf Vinavil. In september 2008 is hij in dienst getreden van Organik c.s. als ‘Plant Manager’ van haar fabriek in Rotterdam. De arbeidsrelatie tussen [persoon2] en Organik c.s. is inmiddels beëindigd.

2.10.3.

[persoon3] (hierna: [persoon3] )

[persoon3] was gedurende 27 jaar werknemer bij Rohm and Haas. Hij is de auteur van de originele en vertrouwelijke productie-instructies voor ROPAQUE™ Ultra. [persoon3] maakte deel uit van een kleine groep Rohm and Haas werknemers die toegang had tot de vertrouwelijke receptuur en procedure voor het maken van zaadpolymeren die gebruikt worden als startmateriaal voor vele emulsiepolymeren. [persoon3] was gebonden aan vertrouwelijkheids- en geheimhoudingsbepalingen jegens Rohm and Haas. Vanaf 2007 tot ten minste 2013 is [persoon3] aan Organik c.s. verbonden geweest als adviseur (consultant).

Organik c.s.

2.11.

Het productieproces voor het opaque polymeer product van Organik c.s. ORGAWHITE® 2000 wordt (in elk geval) geopenbaard in het Europese octrooi EP 2 511 312. De productie van OPAC 204x door Organik c.s. is kennelijk sinds 2011 stopgezet.

3 Het geschil in conventie

3.1.

Dow c.s. vordert (zakelijk weergegeven) bij vonnis om:

A. vast te stellen dat Dow c.s. toestemming wordt verleend, uitvoerbaar onmiddellijk na betekening van de beslissing, om inzage te krijgen in en afschriften te verkrijgen van de beslagen documentatie en gedetailleerde beschrijving die in gerechtelijke bewaring worden gehouden bij de deurwaarder:

  • -

    primair in overeenstemming met de procedure zoals omschreven in de paragrafen 133-134 van de kort geding dagvaarding;

  • -

    subsidiair in overeenstemming met de procedure zoals omschreven in paragraaf 135 van die dagvaarding;

  • -

    meer subsidiair in overeenstemming met de procedure zoals omschreven in de paragrafen 136 - 137 van die dagvaarding;

  • -

    of meer subsidiair in overeenstemming met een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen procedure;

te bevelen dat Organik c.s. de inzage en verkrijging van afschriften zoals genoemd onder A moet toestaan en tolereren onder verbeurte van een dwangsom van € 100.000,00 (of een in goede justitie vast te stellen dwangsom) aan Dow c.s. voor elke dag of elke gelegenheid, door Dow c.s. te bepalen, waarop Organik c.s. niet volledig voldoet aan dit bevel;

te bevelen dat Organik c.s. de door Dow c.s. gemaakte proceskosten van deze procedure dient te vergoeden;

te bevelen dat deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad is.

3.2.

In de hiervoor onder 3.1 sub A genoemde paragrafen 133 tot en met 137 van de inleidende dagvaarding staat het volgende vermeld:

133 Primair vordert Dow [Nb. Dow c.s., opm. vzr] inzage in alle beslagen informatie, waaronder de gedetailleerde beschrijving, zodat Dow deze documentatie en beschrijving als bewijsmateriaal kan gebruiken in gerechtelijke procedures tegen Organik Kimya [Nb. Organik c.s., opm. vzr] om de aard en omvang van Organik Kimya’s onrechtmatig handelen te kunnen vaststellen.

134 Ter bescherming van enig belang bij vertrouwelijkheid waar Organik Kimya zich eventueel en met recht op beroept, is Dow bereid een geheimhoudingsverklaring te ondertekenen waarin wordt vastgelegd dat de verkregen informatie voor geen ander doel zal worden gebruikt dan om de aard en omvang van Organik Kimya’s onrechtmatig handelen te bewijzen in gerechtelijke procedures (die, als Organik Kimya dit op prijs stelt, zoveel mogelijk “achter gesloten deuren” gevoerd zullen worden). De verkregen informatie zal derhalve niet door Dow worden gebruikt voor eigen bedrijfsdoeleinden noch zal deze beschikbaar worden gemaakt aan derden buiten het kader van dergelijke procedures.

135 Subsidiair, voor zover Dow geen inzage wordt verleend in (delen van de) beslagen informatie en de gedetailleerde beschrijving zoals primair gevorderd, stelt Dow de volgende inzageprocedure voor ter bescherming van enig belang in vertrouwelijkheid waar Organik Kimya zich eventueel en met recht op beroept:

i. De Voorzieningenrechter wijst een selecte groep personen aan die inzage in en (daartoe) afschriften verkrijgt van (delen van) de beslagen documentatie en de gedetailleerde beschrijving die momenteel in gerechtelijke bewaring worden gehouden, zoals omschreven in de processen-verbaal van de deurwaarder.

Deze groep personen zal een eerste selectie van documenten maken die deze groep relevant acht voor bovengenoemde gerechtelijke procedures.

De volgende groep personen zou moeten worden aangewezen en toegestaan om deze eerste selectie te maken:

- Dows Nederlandse advocaten (advocaten van Brinkhof N.V., waaronder de mrs. Ebbink, Van Gardingen, Lambers en De Leeuw);

- Dows Nederlandse externe technische experts (gemachtigden van V.O. Patents & Trademarks, waaronder drs. [persoon4] );

- Dows Amerikaanse advocaten (advocaten van Quinn Emanuel Urquhart & Sullivan, waaronder de heren Nimrod, Baker en Lasher);

- Twee van Dows interne experts (enkel de heren [persoon5] (technical) en [persoon6] (legal));

- De deurwaarder(s), [persoon7] en [persoon8] van de firma Equilibristen Gerechtsdeurwaarders in Dordrecht en de IT experts en technische experts die hen hebben bijgestaan tijdens het beslag, om te assisteren in de nadere selectie van documentatie en om, als derde partij, te overzien dat de selectie van documenten zorgvuldig geschiedt.

Nadat deze eerste selectie is gemaakt, wordt deze verstrekt aan de geselecteerde advocaten van Organik Kimya. Organik Kimya heeft vervolgens 30 werkdagen om deze selectie te evalueren en om bezwaar te maken tegen (delen van) deze selectie op grond van vertrouwelijkheidsbelangen. Dit bezwaar kan zij maken door een dagvaarding te betekenen aan Dow (p.a. Dows Nederlandse advocaten) binnen die termijn van 30 dagen om voor de Voorzieningenrechter van deze Rechtbank te verschijnen binnen een termijn van 4 weken (voor zover de agenda van de Rechtbank dit toelaat). In deze procedure kan Dow vervolgens aanvoeren waarom het belang van Dow zou moeten prevaleren. De Voorzieningenrechter kan vervolgens beslissen in hoeverre Dow inzage krijgt in en (daartoe) afschriften verkrijgt van de voorgestelde eerste selectie. Als Organik Kimya niet binnen de termijn van 30 werkdagen bezwaar maakt door middel van het betekenen van een dagvaarding is het Dows advocaten toegestaan om Dow inzage in en (daartoe) afschriften te verschaffen van de geselecteerde documentatie.

Om mogelijke vertrouwelijkheidsbelangen verder te waarborgen zullen alle bovengenoemde personen die de eerste selectie maken de geraadpleegde informatie geheim houden voor Dow en derde partijen, totdat er gerechtelijke bevestiging is dat Dow dergelijke informatie mag inzien, of Organik Kimya niet tijdig bezwaar heeft gemaakt.

Om mogelijke vertrouwelijkheidsbelangen nog verder te waarborgen is Dow bereid om een geheimhoudingsverklaring te ondertekenen waarin wordt vastgelegd dat de verkregen informatie voor geen ander doel zal worden gebruikt dan om de aard en omvang van Organik Kimya’s onrechtmatig handelen te bewijzen in gerechtelijke procedures (die, als Organik Kimya dit op prijs stelt, zoveel mogelijk ‘achter gesloten deuren’ gevoerd zullen worden). De verkregen informatie zal derhalve niet door Dow worden gebruikt voor eigen bedrijfsdoeleinden noch zal deze beschikbaar worden gemaakt aan derden buiten het kader van dergelijke procedures.

136 Meer subsidiair, voor zover Dow geen inzage wordt verleend in (delen van de) beslagen informatie en de gedetailleerde beschrijving zoals hierboven gevorderd (de primair voorgestelde procedure in par. 133-134, of de subsidiair voorgestelde procedure in par. 135), is Dow bereid om de groep van partijen aan wie door de Voorzieningenrechter inzage wordt verleend (volgens de primaire procedure) in de beslagen documentatie, of (als resultaat van de subsidiaire procedure) de geselecteerde informatie, te beperken.

137 Alle partijen in deze groep zullen de verkregen informatie geheim houden voor alle partijen buiten de groep (tenzij afgifte van de informatie rechterlijk bevolen wordt), terwijl de verkregen informatie niet zal worden gebruikt voor enig ander doel dan het bewijzen van de aard en omvang van Organik Kimya’s onrechtmatig handelen in gerechtelijke procedures (die, als Organik Kimya dit op prijs stelt, zoveel mogelijk achter gesloten deuren gevoerd zullen worden), in welke procedures de verkregen informatie enkel zal worden verstrekt aan de relevante rechters en aan Organik Kimya en niet aan andere partijen (tenzij op rechterlijk bevel, op verzoek van één van de betrokken partijen bij de procedure of op eigen initiatief van de betrokken rechter).

3.3.

Organik c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

Organik c.s. vordert (zakelijk weergegeven) bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om:

Primair

  1. het door Dow c.s. ten laste van Organik c.s. gelegde bewijsbeslag inclusief de gedetail-leerde beschrijving volledig en onmiddellijk op te heffen;

  2. Dow c.s. te bevelen, met onmiddellijke ingang vanaf de dag van betekening van het vonnis, alle voor de opheffing nodige maatregelen te treffen en te bewerkstelligen dat de in bewaring gegeven materialen en alle kopieën daarvan onmiddellijk aan de advocaat van Organik c.s. worden geretourneerd op een wijze die de vertrouwelijkheid van de materialen en de kopieën daarvan voldoende waarborgt, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 1.000.000,00 voor ieder handelen of nalaten in strijd met het bevel, althans - ter vrije keuze van Organik c.s. - voor iedere dag dat Dow c.s. in strijd zou handelen met dit bevel;

  3. Dow c.s. te bevelen zich te onthouden van iedere poging om toegang te verkrijgen tot informatie die beslagen is in de context van of betrekking heeft op het bewijsbeslag en de gedetailleerde beschrijving en kopieën daarvan, in afwezigheid van een bevel van een Nederlandse rechtbank die de criteria van artikel 843a Rv heeft toegepast, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 10.000.000,00 voor ieder handelen of nalaten in strijd met het bevel, althans - ter vrije keuze van Organik c.s. - voor iedere dag dat Dow c.s. in strijd zou handelen met dit bevel;

  4. Dow c.s. te bevelen zich te onthouden van het verzoeken om en/of tenuitvoerleggen van eenzijdige maatregelen jegens Organik c.s., op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom, voor een bedrag van € 10.000.000,00 voor ieder handelen of nalaten in strijd met het bevel, althans - ter vrije keuze van Organik c.s. - voor iedere dag dat Dow c.s. in strijd zou handelen met dit bevel;

Subsidiair

5. het door Dow c.s. ten laste van Organik c.s. gelegde bewijsbeslag onmiddellijk op te heffen voor zover het bewijsbeslag ziet op:

  1. bewijsmateriaal dat geen betrekking heeft op OPAC 204X en/of ORGAWHITE® 2000; en/of

  2. bewijsmateriaal dat is vergaard buiten Nederland; en/of

  3. bewijsmateriaal dat Dow c.s. reeds op andere wijze heeft verkregen of had kunnen verkrijgen dan middels een bewijsbeslag,

althans een gedeeltelijke opheffing van het beslag op een door de voorzieningenrechter

te bepalen wijze;

6. het door Dow c.s. ten laste van Organik c.s. gelegde bewijsbeslag onmiddellijk op te heffen voor zover het bewijsbeslag is gelegd ten laste van Organik Netherlands, Organik Luxembourg, Organik Kimya San, Organik Holding, Organik Kimya US en/of

Chemorg;

7. Dow c.s. te bevelen, met onmiddellijke ingang vanaf de dag van betekening van het vonnis, te bewerkstelligen dat het beslagen bewijsmateriaal (geheel of voor het gedeelte resterend na een gedeeltelijke opheffing), op een wijze waarbij vertrouwelijkheid is gewaarborgd, in bewaring wordt gegeven bij een onafhankelijke bewaarder, niet zijnde Equilibristen Gerechtsdeurwaarders, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom, voor een bedrag van € 1.000.000,00 voor ieder handelen of nalaten in strijd met het bevel, althans - ter vrije keuze van Organik c.s. - voor iedere dag dat Dow c.s. in strijd zou handelen met dit bevel;

Meer subsidiair

8. te bepalen dat het bewijsbeslag alleen (geheel of gedeeltelijk) kan worden gehandhaafd indien Dow c.s., op de voet van artikel 701 Rv, binnen zeven dagen na betekening van het door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis, zekerheid stelt in de vorm van een bankgarantie van een bekende en gerespecteerde internationale bank voor de schade die Organik c.s. heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het gelegde bewijsbeslag en de bewaring ten bedrage van € 100 miljoen;

Zowel primair, subsidiair als meer subsidiair

9. Dow c.s. te veroordelen in de kosten van dit geding, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

4.2.

Dow c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie en in reconventie

in conventie en in reconventie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

5.1.

Deze zaak heeft een internationaal element omdat niet alle partijen hun woonplaats in hetzelfde land, en/of in Nederland, hebben. Derhalve moet onderzocht worden of de voorzieningenrechter van deze rechtbank rechtsmacht heeft.

5.1.1.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank is op grond van artikel 4 lid 1 van de in deze zaak toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 (EEX II-Vo) j artikel 99 lid 1 Rv (relatief) bevoegd van de jegens Organik Netherlands ingestelde vorderingen in conventie kennis te nemen, nu Organik Netherlands in Nederland, Amsterdam, is gevestigd en het centrum van haar activiteiten zich in Rotterdam bevindt.

Op grond van de feiten en omstandigheden in deze zaak mag aangenomen worden dat tussen de vorderingen tussen de diverse gedaagden in conventie een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.

Ten aanzien van Chemorg, gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam, Nederland, moet in conventie de bevoegdheid van de voorzieningenrechter van deze rechtbank dan aangenomen worden op grond van artikel 107 Rv, ten aanzien van de EEX-gedaagde, Organik Luxembourg, op grond van het bepaalde in artikel 8 aanhef en sub 1 EEX II-Vo, en ten aanzien van de niet-EEX-gedaagden, Organik Kimya San, Organik Holding, Organik Kimya US, op grond van artikel 7 lid 1 Rv.

5.1.2.

Met betrekking tot de reconventionele vorderingen is de voorzieningenrechter van deze rechtbank bevoegd op grond van artikel 7 lid 2 Rv j artikel 136 Rv j artikel 254 Rv. Bovendien geldt dat de voorzieningenrechter die verlof tot het beslag heeft gegeven, rechtdoende in kort geding, op grond van artikel 705 Rv het beslag op vordering van elke belanghebbende ook kan opheffen.

5.1.3.

De bevoegdheid is in conventie noch in reconventie betwist.

5.2.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat op hun rechtsverhouding Nederlands recht van toepassing is, zodat de voorzieningenrechter hiervan uit zal gaan.

in conventie voorts

Inleidende overwegingen

5.3.

De voorzieningenrechter stelt als eerste vast dat er in conventie drie eisende partijen zijn die zes partijen in rechte hebben betrokken. Dow c.s. maakt, nadat in de eerste alinea’s van de dagvaarding die drie eisende en zes gedaagde partijen worden aangeduid, in het vervolg van de dagvaarding geen enkel onderscheid tussen die partijen. Niet duidelijk gemaakt wordt wie de rechthebbende(n) is/zijn van de bedrijfsgeheimen die in het geding zijn, en welke gedaagde partij(en) deze onrechtmatig gebruikt zou hebben nu alle partijen, zowel aan eisende als aan gedaagde zijde, op één hoop worden gegooid. In dit verband wordt ook nog geconstateerd dat in de ITC-procedure slechts drie van de gedaagde partijen betrokken waren. Op dit punt komt de voorzieningenrechter verderop nog terug.

Artikel 843a Rv

5.4.

Het rechterlijke verlof om het bewijsbeslag te leggen geeft géén verdergaande aanspraken dan de bewaring van de in beslag genomen bescheiden; noch het verlof, noch de beslaglegging zelve geven de beslaglegger dan ook recht op afgifte, inzage of afschrift. De procedure om inzage te verkrijgen in de in beslag genomen documenten en gegevens is een zelfstandige bevoegdheid (zie HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8510).

5.5.

In zijn arrest van 13 september 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ9958) heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat het leggen van een bewijsbeslag óók in niet-IE-zaken mogelijk is. Daarbij heeft de Hoge Raad overwogen dat de beslaglegging slechts kan plaatsvinden onder de in artikel 843a Rv gestelde voorwaarden en dus ook dat de beslaglegging slechts betrekking kan hebben op bescheiden in de zin van die bepaling. Daaronder dienen ook digitale bestanden te worden begrepen. In het eerste lid van artikel 843a Rv is bepaald dat hij die daarbij (i) rechtmatig belang heeft - op zijn kosten - (ii) inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden (iii) aangaande een rechtsbetrekking waarbij hij partij is, (iv) van degene die deze bescheiden ter zijner beschikking of onder zich heeft.

5.6.

Aan de stelplicht van degene die verlof voor bewijsbeslag vraagt moeten hoge eisen worden gesteld, zo vervolgt de Hoge Raad in genoemd arrest. In het inleidende verzoekschrift tot het leggen van bewijsbeslag moeten de in beslag te nemen bescheiden zo precies als in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van de verzoeker kan worden verlangd worden omschreven, omdat de beslaglegging niet op een 'fishing expedition' mag neerkomen. Het beslag mag ook slechts worden gelegd op de in het verzoekschrift genoemde bescheiden. Voorts dient de verzoeker zijn belang bij de beslaglegging voldoende aannemelijk te maken en feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit volgt dat de beslaglegging met het oog daarop noodzakelijk is. Voormelde eisen gelden naar het oordeel van de voorzieningenrechter - mutatis mutandis - óók voor de in vervolg op de beslaglegging gevraagde inzage in documenten en gegevens.

5.7.

Artikel 843a Rv biedt niet de mogelijkheid voor het opvragen van documenten waarvan, in dit geval, Dow c.s. slechts vermoedt dat deze bestaan en dat zij wel eens steun kunnen geven aan haar stellingen (zie gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2005). De vordering tot inzage kan ook als aan de (cumulatieve) voorwaarden van artikel 843a lid 1 Rv is voldaan, overigens worden afgewezen wegens gewichtige redenen of omdat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat ook zonder de gevorderde gegevens een behoorlijke rechtsbedeling is gewaarborgd (artikel 843a lid 4 Rv).

Inhoudelijk

Artikel 21 Rv

5.8.

Het meest verstrekkende verweer van Organik c.s. tegen de gevorderde inzage in het bewijsbeslag is dat het beslag onrechtmatig is gelegd. Dit inhoudelijke verweer ligt mede ten grondslag aan de vordering in reconventie.

Organik c.s. voert aan dat Dow c.s. de voorzieningenrechter in het beslagrekest op verschillende punten onvolledig heeft geïnformeerd. Aldus is volgens Organik c.s. sprake van schending van artikel 21 Rv en is het beslag onrechtmatig. Ook is de deurwaarder volgens Organik c.s. op verschillende wijzen buiten het gegeven verlof getreden.

5.9.

Uit artikel 21 Rv vloeit voor partijen de verplichting voort de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Deze verplichting geldt ook bij een beslagrekest (vergelijk HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9675). De nauwgezette naleving van de in artikel 21 Rv neergelegde verplichting klemt te meer bij een beslagrekest, aangezien toewijzing van een dergelijk verzoek tot zeer ingrijpende gevolgen voor de wederpartij kan leiden en de rechter na slechts summier onderzoek en in beginsel, en in het onderhavige geval ook daadwerkelijk, ex parte op het verzoekschrift beslist. Misleiding door onvoldoende toelichting in het beslagrekest kan de voorzieningenrechter reden geven om een beslagverlof te weigeren of om een latere vordering tot opheffing van het beslag reeds om die reden toe te wijzen (gerechtshof Amsterdam 22 november 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BV7108 en gerechtshof Amsterdam 10 januari 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BV0477).

5.10.

Een bewijsbeslag is een ingrijpend dwangmiddel, waardoor onder omstandigheden aan de wederpartij of de derde onder wie het beslag wordt gelegd, aanzienlijke hinder of schade kan worden toegebracht. Zoals hiervoor reeds is overwogen, mogen aan de stelplicht van degene die verlof vraagt om bewijsbeslag te leggen, dan ook hoge eisen worden gesteld. Van de punten die Organik c.s. noemt zijn er, naar voorlopig oordeel, verschillende die op het eerste gezicht mogelijk van invloed zouden kunnen zijn geweest bij de beoordeling van het beslagrekest. Dat zijn in ieder geval: (1) de gelegenheid die Dow c.s. heeft gehad om Organik c.s. ’s fabriek en productieproces voor ORGAWHITE® 2000 te inspecteren en (2) de omstandigheid dat Dow c.s. computers, laptops en de gedeelde R&D folder van Organik c.s. heeft mogen doorzoeken. Dat zou voor de voorzieningenrechter aanleiding kunnen hebben gegeven voor het stellen van nadere vragen bijvoorbeeld op het punt van noodzaak en/of proportionaliteit. Voorlopig houdt de voorzieningenrechter het bij die constatering met de toevoeging dat Dow c.s. van de onder 2.9. genoemde procedure in haar dagvaarding (ook) geen melding heeft gemaakt.

Artikel 843a Rv voorts

5.11.

Partijen twisten over de vraag of Organik c.s. ingevolge het bepaalde in artikel 843a Rv gehouden is inzage in en afschrift te verschaffen van de gevorderde bescheiden.

5.12.

Dow c.s. verwijt Organik c.s. onrechtmatig handelen op grond van artikel 6:162 BW en/of artikel 39 TRIPs-overeenkomst. Organik c.s. bestrijdt dat gemotiveerd.

Organik c.s. heeft, aldus Dow c.s., op onrechtmatige wijze bedrijfsgeheimen ter zake van emulsiepolymeren en opaque polymeren, in het bijzonder de ROPAQUE™ Ultra productlijn, verkregen door voormalig werknemers van Rohm and Haas in dienst te nemen, deze er toe aan te zetten hun vertrouwelijkheids- en geheimhoudingsverplichtingen jegens Rohm and Haas te schenden om vervolgens van de verkregen informatie te profiteren. Organik c.s. heeft deze bedrijfsgeheimen gebruikt bij de ontwikkeling en productie van eigen (opaque) emulsiepolymeren (OPAC 204x en ORGAWHITE® 2000) voor eigen gewin en in directe concurrentie met Dow c.s. Dit terwijl zij niet de substantiële investeringen in onderzoek naar en ontwikkeling van (opaque) emulsiepolymeren heeft moeten doen die Rohm and Haas wel heeft gedaan en die tot de bedrijfsgeheimen hebben geleid. Organik c.s. is met deze producten in directe concurrentie met Dow c.s. getreden en heeft daarmee de positie van Dow c.s. in de markt voor emulsiepolymeren ondermijnd en haar reputatie als exclusieve aanbieder van emulsiepolymeren van hoge kwaliteit geschaad. Organik c.s. heeft er, na in de ITC procedure te zijn beschuldigd van onrechtmatige verkrijging en gebruik van de bedrijfsgeheimen, alles aan gedaan om haar onrechtmatig handelen te verbergen, aldus Dow c.s. Dow c.s. heeft er dan ook recht en belang bij dat aan Organik c.s. in een in Nederland, de Verenigde Staten en/of Turkije aanhangige procedure een verbod zal worden opgelegd om het hiervoor omschreven onrechtmatige handelen van Organik c.s. te staken en gestaakt te houden. Voor het aanhangig maken van die procedure(s) dienen (selecties van) de beslagen documenten waarvan thans inzage wordt gevraagd als nader bewijs. Omdat in de fabriek van Organik c.s. in Rotterdam de bewuste opaque polymeren en diverse andere emulsiepolymeren worden geproduceerd, moet daar bewijs aanwezig zijn (over het fysieke productieproces alsmede diverse documenten en correspondentie die verband houden met die producten en de wijze waarop deze zijn ontwikkeld en worden vervaardigd), waaruit moet blijken dat Organik c.s. - dat vermoeden is althans gerechtvaardigd - bij de vervaardiging van die producten gebruik maakt van onrechtmatig verkregen bedrijfsgeheimen van Dow c.s. Vanwege de gerechtvaardigde vrees voor vernietiging en/of verduistering van de bewijsmiddelen heeft Dow c.s. verzocht het beschikbare bewijsmateriaal ex parte te mogen beslaan.

5.13.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Spoedeisend belang

5.14.

Dow c.s. heeft op 24 juni 2015, derhalve voordat zij dit kort geding aanhangig maakte, bij de Superior Court in Delaware een “worldwide injunctive relief” jegens Organik c.s. (behoudens Chemorg) aanhangig gemaakt teneinde inzage in het door haar gestelde benodigde bewijsmateriaal te kunnen verkrijgen. Op grond daarvan kunnen vraagtekens gezet worden bij de spoedeisendheid, maar ook bij het belang, van de vorderingen in conventie ex artikel 843a Rv. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat in de Verenigde Staten van Amerika het universaliteitsbeginsel geldt tegenover het in Nederland geldende territorialiteitsbeginsel en dat Dow c.s., gelet op het bereik van de Amerikaanse procedure, anders dan door te wijzen op de fabriek van Organik c.s. die zich in Nederland bevindt, niet inzichtelijk maakt waarom zij desondanks, en reeds op dit moment, in Nederland recht en belang heeft bij inzage in de beslagen bewijsstukken. De voorzieningenrechter heeft hiervoor al geconstateerd dat Dow c.s. deze nieuwe Amerikaanse procedure niet in de kort geding dagvaarding vermeld heeft, wat van haar, gelet op het bepaalde in artikel 21 Rv, wel verwacht had mogen worden.

Wat er verder van het vereiste van spoedeisend belang ook zij, ook aan de eisen die artikel 843a Rv aan afgifte stelt is, naar voorlopig oordeel, niet voldaan.

Bedrijfsgeheimen

5.15.

Allereerst wordt het volgende overwogen. Artikel 39 lid 2 van de TRIPs-overeenkomst bepaalt dat natuurlijke personen en rechtspersonen de mogelijkheid hebben te beletten dat informatie waarover zij rechtmatig beschikken zonder hun toestemming wordt openbaar gemaakt aan, verworven door of gebruikt door anderen op een wijze die in strijd is met eerlijke handelsgebruiken, zolang deze informatie:

  1. geheim is in de zin dat zij, globaal dan wel in de juiste samenstelling en ordening van de bestanddelen, niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met de desbetreffende soort informatie,

  2. handelswaarde bezit omdat zij geheim is, en

  3. is onderworpen aan, gezien de omstandigheden, redelijke maatregelen door de persoon die rechtmatig over de informatie beschikt, om deze geheim te houden.

Zoals het Gerechtshof ’s-Gravenhage heeft overwogen in zijn arrest van 29 maart 2011 (ECLI:NL:GHSGR:2011:BP9490) kan de strekking van deze bepaling worden geacht te zijn geïncorporeerd in artikel 6:162 BW. Met andere woorden, er is sprake van onrechtmatig handelen indien informatie die voldoet aan de onder a, b en c van artikel 39 lid 2 TRIPs-overeenkomst genoemde criteria, wordt openbaar gemaakt aan, verworven door of gebruikt door anderen zonder toestemming van degene die rechtmatig over de informatie beschikt.

5.16.

De voorzieningenrechter verwerpt de stelling van Organik c.s. dat het hier geen bedrijfsgeheimen betreft of dat Dow c.s. niet gesteld zou hebben om welke geheimen het zou gaan. Dow c.s. heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat sprake is van meerdere bedrijfsgeheimen aangaande recepturen, productie-instructies en verbetering van productietechnieken een en ander met vertrouwelijke parameters, in elk geval ten aanzien van de ROPAQUE™ Ultra productlijn, en dat, zo begrijpt de voorzieningenrechter, haar bedrijfsgeheimen voldoen aan het criterium onder a. van artikel 39 lid 2 TRIPs-overeenkomst binnen de kring van de chemische industrie aangaande (opaque) emulsiepolymeren (hierna: de Bedrijfsgeheimen). Dow c.s. heeft bovendien gesteld dat het decennialang verrichten van investeringen in onderzoek naar en ontwikkeling van (opaque) emulsiepolymeren heeft geleid tot de Bedrijfsgeheimen en dat het van wezenlijk belang voor haar onderneming is dat de door haar ontwikkelde producten en technieken geheim blijven. Niet gebleken is dat de Bedrijfsgeheimen vrij opvraagbaar zijn. Aannemelijk is op het eerste gezicht wel dat de Bedrijfsgeheimen niet zijn omschreven in de aan Dow c.s. verleende octrooi(en) voor het (openbare) productieproces voor ROPAQUE™ Ultra. Dat Dow c.s. aan alle personen die rechtmatig over de Bedrijfsgeheimen beschikken vertrouwelijkheids- en geheimhoudingsbepalingen heeft opgelegd ligt in lijn van haar op dit punt niet uitdrukkelijk betwiste stellingen. Daarmee is aannemelijk dat ook aan de criteria onder b. en c. van artikel 39 lid 2 TRIPs-overeenkomst is voldaan.

5.17.

De voorzieningenrechter plaatst evenwel de volgende kanttekening. Dow c.s. heeft gesteld dat het gaat om bedrijfsgeheimen die 177 emulsieproducten van Dow c.s. raken. Deze producten worden wereldwijd onder 354 merknamen verhandeld, aldus Dow c.s. Blijkbaar in verband daarmee wil Dow c.s. bewijs verkrijgen dat ziet op het onderzoek, ontwerp en/of de ontwikkeling van 90 emulsiepolymeren die Organik c.s. verhandelt.

De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat Dow c.s. slechts ten aanzien van de ROPAQUE™ Ultra productlijn in voldoende mate heeft gesteld en onderbouwd dat sprake is van Bedrijfsgeheimen waarvan mogelijk onrechtmatig gebruik is gemaakt bij de ontwikkeling en productie van OPAC 204x en ORGAWHITE® 2000 door Organik c.s. Ook in het licht van de door Dow c.s. niet gemotiveerd betwiste stellingen van Organik c.s. over het jaar waarin haar (90) producten zijn ontwikkeld en de plaats waar zij worden geproduceerd (zie de tabel in punt 3.34 van de pleitnota van Organik c.s.) en de daaraan verbonden conclusie dat het (uiteindelijk) om hooguit 2 producten kan gaan, is het gevraagde, en verleende verlof, in zoverre (veel) te ruim. Los van de vraag of dit praktisch haalbaar is, zou de inzagevordering beperkt moeten worden tot documenten die hooguit die twee producten betreffen. Volledigheidshalve zij daar aan toegevoegd dat de lijst met 354 merknamen van Dow c.s. geen producten bevat die tot de ROPAQUE™ Ultra lijn behoren. De lijst met 90 producten van Organik c.s. bevat niet de producten OPAC 204x en ORGAWHITE® 2000, maar andere productnamen ten aanzien waarvan verder niets gesteld of onderbouwd wordt.

Rechtmatig belang

5.18.

De gronden waarop Dow c.s. haar vermoeden van onrechtmatig gebruik door Organik c.s. van de Bedrijfsgeheimen baseert en die haar beweerdelijk een rechtmatig belang bij afgifte geven, zijn de volgende:

5.18.1.

Het analytisch rapport 2012

In 2012 heeft Dow c.s. verschillende opaque polymeren in de markt geanalyseerd en vergeleken met haar eigen ROPAQUE™ Ultra producten. Volgens Dow c.s. volgt uit dit rapport dat OPAC 204x van Organik c.s. vrijwel dezelfde deeltjesgrootte (‘particle size’) en leegtefractie (‘void fraction’) heeft als de producten van Dow c.s. De deeltjesgrootte en de leegtefractie zijn voor de werking van het product van groot belang, aldus Dow c.s. OPAC 204x vormt volgens het rapport een potentieel competitief gevaar voor Dow c.s. Volgens Dow c.s. kan dit alleen maar als voor het recept en het productieproces van de product(en) van Organik c.s. op de relevante onderdelen gebruik is gemaakt van de Bedrijfsgeheimen.

5.18.2.

De analyse van recepten en productieprocessen voor opaque polymeren van Organik c.s.

Dow c.s. doet een beroep op de als producties 18 en 19 overgelegde deskundigenrapporten die in, althans ten behoeve van, de ITC-procedure zijn opgesteld door [persoon9] (hierna: [persoon9] ). Uit deze rapporten blijkt volgens Dow c.s. dat Organik c.s. gebruik maakt/heeft gemaakt van de Bedrijfsgeheimen bij de vervaardiging en productie van OPAC 204x en ORGAWHITE® 2000. Dow c.s. stelt dat zij de rapporten van [persoon9] in geredigeerde versie moet overleggen omdat de onderliggende gegevens onder een protective order van de ITC zouden liggen. [persoon9] heeft, aldus Dow c.s., ten behoeve van de ITC procedure toegang gekregen tot details van het productieproces en de ontwikkeling van de recepten van de producten van Organik c.s. en die van Dow c.s. en daartussen een vergelijking kunnen maken. Aan de hand daarvan heeft [persoon9] kunnen vaststellen dat inderdaad de Bedrijfsgeheimen zijn gebruikt (“12. As discussed more fully below, it is also my opinion that Organik Kimya misappropriated Dow’s Trade Secrets because Organik Kimya (1) knew or should have known that the Trade Secrets were derived through a person who owed a duty to Dow to maintain their secrecy and/or who derived the Trade Secrets through improper means and (2) used the Trade Secrets without Dow’s consent.”). [persoon9] heeft, aldus Dow c.s., verder verklaard dat Organik c.s., indien zij zich geen toegang had verschaft tot de Bedrijfsgeheimen, zeker 15 tot 25 jaar aan onderzoektijd nodig zou hebben gehad om rechtmatig de kennis te verwerven om de bewuste polymeren te maken. De ITC heeft in haar beslissing [persoon9] gevolgd in die conclusie en Organik c.s. o.a. een importverbod in de Verenigde Staten van ORGAWHITE® 2000 gedurende 25 jaar opgelegd, aldus Dow c.s.

5.18.3.

[persoon1] , [persoon2] en [persoon3]

Volgens Dow c.s. waren de opaque producten van Organik c.s. vóór Opac 204x en ORGAWHITE® 2000 van veel lagere kwaliteit dan die van Dow c.s. Pas toen Organik c.s. in de periode 2007/2008 ex-Dow c.s. technische experts [persoon1] , [persoon2] en [persoon3] in dienst nam c.q. inhuurde, en daarmee toegang kreeg tot de Bedrijfsgeheimen, kwam Organik c.s. heel snel daarna met sterk overeenstemmende concurrerende producten op de markt. Dat [persoon1] , [persoon2] en [persoon3] de Bedrijfsgeheimen aan Organik c.s. hebben doorgespeeld en dat Organik c.s. daarvan heeft geprofiteerd blijkt uit verschillende (interne) e-mails en de repeterende bewijsvernietigingsacties in de ITC-procedure, aldus Dow c.s.

5.19.

Het verweer van Organik c.s. daarbij in ogenschouw nemende overweegt de voorzieningenrechter ten aanzien van ieder van deze gronden, voorshands, als volgt.

5.19.1.

Het analytisch rapport 2012

Ondanks het gemotiveerde verweer van Organik c.s. dat uit het analytisch rapport ook van wezenlijke verschillen tussen de ROPAQUE™ Ultra producten en OPAC 204x producten blijkt, blijft de conclusie in dat rapport staan dat OPAC 204x te beschouwen is als een potentieel competitief gevaar vanwege de overeenkomsten met ROPAQUE™ Ultra producten. Vooralsnog heeft de voorzieningenrechter, gelet op de reikwijdte van dit kort geding en bij gebrek aan specifieke kennis op het gebied van opaque polymeren, geen reden om aan die conclusie te twijfelen. Dit zou kunnen wijzen op een zeker belang van Dow c.s. bij afgifte van bepaalde documenten van Organik c.s.

5.19.2.

De analyse van recepten en productieprocessen voor opaque polymeren van Organik c.s.

Vooropgesteld zij dat gelet op de inhoud van de beslissing van de ITC het niet onaannemelijk is dat de ITC een beslissing heeft genomen als een protective order rustend op het bewijsmateriaal in de ITC-procedure en dat Dow c.s. daarom enkel geredigeerde versies van de rapporten van [persoon9] heeft kunnen overleggen. Bedoelde protective order is echter niet overgelegd, zodat de reikwijdte daarvan niet duidelijk is. Dat de ITC slechts een federaal agentschap is met als taak de bescherming van de belangen van de Amerikaanse industrie en dat zij geen inhoudelijke beslissingen kan nemen is onvoldoende aannemelijk. Uit de stukken blijkt immers dat T.B. Pender een “Administrative Law Judge” is en dat van een beslissing van de ITC in hoger beroep gekomen kan worden. Voor het doen van een beroep door Dow c.s. in dit kort geding op de rapporten van [persoon9] is dat in beginsel voldoende.

Tegenover de rapporten van [persoon9] staat een rapport van [persoon10] (hierna: [persoon10] ) (productie 4 van Organik c.s.), waarop Organik c.s. een beroep doet. [persoon10] concludeert in zijn rapport dat Organik c.s. zelfstandig haar opaque polymeer producten en gerelateerde zaden heeft ontwikkeld. Organik c.s. stelt dat in de ITC-procedure geen acht is geslagen op de documenten van Organik c.s. vanwege de vernietiging van bestanden door haar, zodat de vordering van Dow c.s. werd geacht onweersproken te zijn. Volgens Organik c.s. heeft geen inhoudelijke beoordeling van het rapport van [persoon10] plaatsgevonden. Wat verder ook zij van dit laatste, zonder inschakeling van één of meer onafhankelijke deskundigen die gespecialiseerd zijn op het gebied van de chemische en biologische engineering kan de voorzieningenrechter op dit moment niet bepalen welke deskundige, [persoon9] of [persoon10] , geloofwaardiger is te achten. Hiervoor is specialistische kennis nodig aangaande de vervaardiging en productie van (opaque) emulsiepolymeren en het ontwikkelingsproces daarvan. Voor het inschakelen van een onafhankelijk deskundige leent een kort geding zich evenwel niet. Wie van partijen op dit punt het gelijk aan haar zijde heeft is dus voorshands niet te zeggen. Of Dow c.s. een rechtmatig belang bij afgifte van documenten van Organik c.s. heeft valt op dit moment dus evenmin vast te stellen.

5.19.3.

[persoon1] , [persoon2] en [persoon3]

a. [persoon1]

had een dienstverband met Rohm & Haas España en Rohm and Haas France. Weliswaar heeft Dow c.s. gesteld dat zij Rohm and Haas inclusief alle dochtervennootschappen heeft verworven, maar niet gesteld en onderbouwd wie van eisers rechten kan ontlenen aan het geheimhoudingsbeding waartoe [persoon1] zich indertijd verbonden heeft. Onvoldoende weersproken is dat [persoon1] een commerciële functie had. Daarmee in lijn ligt dat [persoon1] dan geen toegang had tot de Bedrijfsgeheimen. Die toegang was immers, aldus Dow c.s. zelf, voorbehouden aan een kleine groep van haar werknemers die zich direct bezighielden met R&D en de productie van (opaque) emulsiepolymeren. Bovendien is [persoon1] in 1999 op staande voet ontslagen. Dow c.s. heeft niet betwist dat hij op dat moment direct en onder toezicht het bedrijf heeft moeten verlaten. Naar het zich laat aanzien was ROPAQUE™

Ultra op dat moment nog niet op de markt, nu de ontwikkeling daarvan zich blijkbaar over de periode van midden tot eind jaren ‘90 heeft uitgestrekt. Dat op dat moment (toekomstige) Bedrijfsgeheimen meegenomen konden worden ligt dan op het eerste gezicht niet erg voor de hand. Dow c.s. heeft in de dagvaarding een lijst met namen van bestanden en folders die ooit op de laptop van [persoon1] stonden, opgenomen. Voor zover die bestanden verwijzen (of lijken te verwijzen) naar ORGAWHITE® 2000, OPAC 204x en naar de Organik fabriek, kan daaruit, naar voorlopig oordeel, geen gebruik van de Bedrijfsgeheimen van Dow c.s. worden afgeleid. [persoon1] is op dit moment blijkbaar hoofd van de R&D afdeling van Organik c.s. zodat het uit dien hoofde geen bevreemding wekt dat hij over dergelijke bestanden op zijn laptop beschikt. Ook van bestandspaden die verwijzen naar “OldRh” kan zonder nadere onderbouwing, die hier ontbreekt, niet worden aangenomen dat deze “waarschijnlijk verwijzen naar and Rohm and Haas documenten en bestanden”. Vast staat immers dat [persoon1] 10 jaar tegen zijn ontslag heeft geprocedeerd zodat de door Organik c.s. voorgestane uitleg voor de aanwezigheid van die bestandspaden ook zeer wel mogelijk is, zeker in de omstandigheid dat er (vooralsnog) niet van uitgegaan kan worden dat [persoon1] bij zijn Rohm and Haas werkgever(s) toegang had tot de Bedrijfsgeheimen. Dat in de ITC procedure is geoordeeld dat het gedrag van Organik c.s. “(…) leaves no doubt that Organik Kimya destroyed evidence of [persoon1] ’s laptop with the intent to impair Dow’s ability to prove its allegations of trade secret misappropriation” maakt dit niet anders. De voorzieningenrechter is niet aan dat oordeel gebonden, oordeelt naar Nederlands recht en gaat daarbij uit van wat over en weer gesteld en, nu het een kort geding betreft, voldoende aannemelijk gemaakt is. Nu vooralsnog niet aannemelijk is dat zich op de laptop van [persoon1] de Bedrijfsgeheimen bevonden, kan Dow c.s. haar rechtmatig belang bij afgifte daar dan ook niet op gronden.

[persoon2]

Ten aanzien van [persoon2] is van belang dat het er, naar aanleiding van de in de ITC-procedure bevolen forensische analyse, op lijkt – de deskundige Gross waar Dow c.s. zich op beroept schrijft immers “I believe that the underlying documents for these files are Rohm and Haas proprietary recipes and/or process information”, waaruit wordt afgeleid dat deze deskundige geen toegang heeft gehad tot de inhoud van die documenten (productie 8 van Dow c.s.) – dat [persoon2] beschikte over een kopie van verschillende vertrouwelijke documenten die eigendom zijn van Dow c.s. en dat in die documenten informatie is opgenomen aangaande de Bedrijfsgeheimen. Dat, gevoegd bij de informatie dat [persoon2] toegang heeft gehad tot de documenten in de periode dat hij voor Organik c.s. werkte, schreeuwt om een verklaring van de zijde van Organik c.s. die vooralsnog niet gegeven wordt. Gelet hierop lijkt het vermoeden van Dow c.s. van onrechtmatig handelen van [persoon2] op het eerste gezicht niet onterecht. De vraag is echter of Organik c.s. van dit handelen heeft geprofiteerd. Om een (mogelijk) causaal verband vast te kunnen stellen lijkt, nog afgezien van het onder 5.19.2. overwogene, bijvoorbeeld relevant wanneer

Organik c.s. met de gewraakte producten op de markt is gekomen en hoeveel ontwikkelingstijd (met en zonder bedrijfsgeheimen) Organik c.s. daaraan voorafgaand nodig heeft gehad. Dat is in deze procedure vooralsnog niet duidelijk.

[persoon3]

Niet in geschil is dat [persoon3] is gespecialiseerd in Research & Development van (opaque) emulsie polymeer producten. Evenmin is in geschil dat hij de originele en geheime “Best Technologies Practices” van Dow c.s. heeft geschreven. Deze gegevens in combinatie bezien met bijvoorbeeld de e-mail d.d. 12 april 2013 van [persoon2] aan vermoedelijk [persoon3] duidt op aanwijzingen dat er misschien wel sprake is van de door Dow c.s. vermoede informatieverstrekking. Ook hier geldt, zoals uit het hiervoor overwogene ook al volgt, dat het verstrekken van informatie niet logischerwijs het gebruik daarvan door Organik c.s. tot gevolg heeft (gehad).

5.20.

Over de bij dagvaarding gestelde grondslagen van het rechtmatig belang bij afgifte van Dow c.s. heeft de voorzieningenrechter hiervoor geoordeeld.

In de pleitnota is ten aanzien van het bestaan van een rechtmatig belang nog toegevoegd dat de omstandigheid dat de ITC aangenomen heeft dat voor het opleggen van een 25 jaar durend importverbod voldoende bewezen is, dit voldoende moet zijn voor inzage. De voorzieningenrechter is echter niet gebonden aan het oordeel van de ITC, welk oordeel bovendien niet definitief is nu daartegen beroep is ingesteld, en bij welk oordeel, anders dan in deze procedure, bewijsmateriaal van Organik c.s. (deels) buiten beschouwing is gelaten (“Because Organik Kimya is in default, it no longer has a right to contest Dow’s allegations. (…) We therefore presume to be true all allegations of trade secret misappropriation in Dow’s amended complaint (…)”, productie 5 van Dow c.s., blz. 19 bovenaan), terwijl bovendien bewijsmateriaal uit die procedure in dit kort geding niet is overgelegd omdat het onder een protective order zou liggen.

Er zijn aanwijzingen voor een gerechtvaardigd vermoeden van onrechtmatig handelen, maar evenzoveel onduidelijkheden. Voor een veroordeling tot afgifte of inzage ontbreekt te veel relevante informatie. Los van de vraag of aan de overige eisen van artikel 843a Rv is voldaan, het voldaan zijn aan het vereiste van rechtmatig belang is dus discutabel te noemen, geldt voorts dat indien en voor zover Dow c.s. is blijven steken in het uiten van vermoedens dat Organik c.s. de Bedrijfsgeheimen heeft gebruikt voor haar eigen producten, het verzoek om inzage de eigenschappen van een fishing expedition heeft, zeker ook gelet op de, naar voorlopig oordeel te ruime, omvang van het bewijsbeslag. Gelet hierop, heeft Dow c.s. zeker niet zonder meer recht op afgifte en acht de voorzieningenrechter het thans niet opportuun om de onomkeerbare maatregel van afgifte ex artikel 843a Rv op te leggen, ook niet in een (meer) subsidiaire variant.

Daarbij wordt in aanmerking genomen dat voorshands ook moet worden betwijfeld of de beslagleggende deurwaarder binnen de voorwaarden van het verlof is gebleven. Daarbij gaat het onder meer om de kwestie dat Organik c.s. stelt dat zij door de deurwaarder geïnstrueerd is om een medewerker van het hoofdkantoor in Turkije opdracht te geven om gegevens te verschaffen om toegang te verkrijgen tot afgeschermde gegevens op de fysieke server in Turkije, waardoor het beslag in de uitvoering de territoriale werking ervan te buiten is gegaan. Dow c.s. beroept zich op de processen-verbaal van de deurwaarder en stelt dat die een grotere bewijskracht hebben dan de verklaring van de plant manager in Rotterdam die Organik c.s. overlegt, nu dat een partijdige verklaring is. Dow c.s. miskent daarbij echter dat de processen-verbaal van de deurwaarder uiterst summier zijn, zodat aan het ontbreken van enig relaas daarover niet al te veel waarde kan worden toegekend. Bovendien heeft Organik c.s. dit punt bij brief van 21 mei 2015 aan de beslagleggende deurwaarder (productie 16 van Organik c.s.) al aan de orde gesteld zodat Dow c.s. 4 maanden de tijd heeft gehad om daartegen gemotiveerd(er) verweer te voeren. Daarbij komt de hardnekkigheid waarmee Organik c.s. dit punt, zoals hiervoor gememoreerd zelfs al op 21 mei 2015 ten tijde van de beslaglegging, aan de orde stelt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat indien mocht blijken dat gegevens zijn beslagen die normalerwijze niet vanuit de fabriek in Rotterdam toegankelijk zijn, en alleen zijn beslagen door het “afdwingen van toegangsgegevens op straffe van een dwangsom van € 5.000.000,00”, de deurwaarder krachtens zijn bevoegdheden ingevolge het verleende en territoriaal tot Nederland (althans tot uit Nederland direct toegankelijke gegevens, al dan niet in de cloud) beperkte verlof is getreden. Op die grond zou in ieder geval het beslag op die gegevens opgeheven moeten worden. In het kader van dit kort geding kan niet vastgesteld worden of de gegevens op de server in Turkije, zonder de vanuit Turkije verkregen gegevens, al dan niet vanuit Rotterdam toegankelijk zijn. Uitgesloten lijkt het vooralsnog in ieder geval niet. Omdat mogelijk ten onrechte beslag op die gegevens gelegd is, kan afschrift of inzage daarvan op dit moment niet aan de orde zijn.

Daarnaast spelen in de rechtsverhouding tussen partijen meer onduidelijkheden. Terecht verweert Organik c.s. zich met de stelling dat onduidelijk is wat de rol is van de drie eisende partijen in deze procedure, wie van hen gerechtigde is op de Bedrijfsgeheimen en ten aanzien van wie van Dow c.s., en, dat is wel de meest wezenlijke vraag, de verweten onrechtmatige daad is/wordt gepleegd, wie van hen schade lijdt en aan wie terecht en gerechtvaardigd afgifte zou kunnen worden bevolen (zie ook hiervoor onder 5.3). In een bodemprocedure dient nader onderzoek te worden gedaan naar de feiten en omstandigheden in deze zaak, onder andere door middel van het horen van getuigen en deskundigenverklaringen. Een kort gedingprocedure leent zich hiervoor niet.

In reconventie voorts

5.21.

Gelet op het oordeel van de voorzieningenrechter dat erop neerkomt dat het thans voor toewijzing van de inzagevordering te vroeg is, geldt dit tevens voor de vordering tot opheffing van het bewijsbeslag, in welke variant ook door Organik c.s. gevorderd.

Hoewel op het eerste gezicht te ruim beslagen lijkt te zijn, in ieder geval ten aanzien van andere producten c.q. productieprocessen dan (die van) ORGAWHITE® 2000 en OPAC 204x, is ook wel summierlijk aannemelijk dat aan de zijde van ((voormalig) medewerkers van) Organik c.s. iets is gebeurd met gegevens/data die aan Dow c.s. toebehoren. Wat er precies is gebeurd en of de betreffende informatie gebruikt is voor (verdere) ontwikkeling van producten van Organik c.s. laat zich in deze procedure moeilijk vaststellen. Om thans een onderscheid naar type product te laten maken in het beslagen bewijsmateriaal strekt dan te ver. Daarbij is in aanmerking genomen dat mogelijke gebreken in de uitvoering van het beslag (nog) niet vaststaan zodat een beslissing over de consequenties daarvan nog niet genomen kan worden.

Verder zij opgemerkt dat de twijfel over de vereiste spoed ook ten opzichte van de reconventionele vorderingen bestaat. Hoewel ten aanzien van een vordering tot opheffing van beslag in beginsel spoedeisendheid wordt aangenomen, kan dat in het geval van een bewijsbeslag waarin kopieën van data gemaakt zijn, zoals thans aan de orde is, anders liggen omdat een dergelijk beslag, indien eenmaal gelegd, op het eerste gezicht, veel minder belastend is dan andere soorten conservatoir beslag. Organik c.s. heeft de beslagen bewijsmiddelen terug ontvangen en de vrees dat derden de bewijsmiddelen (hebben) kunnen inzien is, hoewel het Openbaar Ministerie een vertrouwelijke gedetailleerde beschrijving aan een van Dow’s c.s. advocaten heeft toegestuurd blijkbaar zonder dat de deurwaarder bij de overbetekening heeft vermeld dat het om een vertrouwelijk document ging, niet hard gemaakt. Gelet op de verklaring van een van Dow’s c.s. advocaten wordt het er, nu er vooralsnog geen redenen zijn om aan de inhoud daarvan te twijfelen, vooralsnog voor gehouden dat de inhoud van de gedetailleerde beschrijving Dow c.s. zelf niet bereikt heeft.

Nu in de rechtsverhouding tussen partijen zoveel onduidelijkheden bestaan is het thans ook nog te vroeg om over mogelijke overeenkomstige toepassing van artikel 1019d Rv (het maken van een beschrijving in IE-zaken) in deze zaak iets te zeggen. Zoals gezegd, er zijn aanwijzingen dat Organik c.s. de beschikking heeft gekregen over de Bedrijfsgeheimen, maar in hoeverre Organik c.s. deze geheimen ten eigen behoeve heeft gebruikt en of geoordeeld kan worden dat mogelijk sprake is van een inbreuk op een octrooirecht van Dow c.s., in welk kader bovendien de vraag rijst hoe zich dat verhoudt tot de Bedrijfsgeheimen, dient na bewijslevering in een bodemprocedure te worden uitgemaakt.

In conventie en in reconventie voorts

5.22.

Dow c.s. zal als de in conventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Organik c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 613,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.429,00

5.23.

Organik c.s. zal als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Dow c.s. worden begroot op:

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 816,00

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

veroordeelt Dow c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Organik c.s. tot op heden begroot op € 1.429,00,

6.3.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

6.4.

wijst de vordering in alle onderdelen af,

6.5.

veroordeelt Organik c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Dow c.s. tot op heden begroot op € 816,00,

6.6.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2015.1734/2009