Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:7601

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-10-2015
Datum publicatie
26-10-2015
Zaaknummer
C/10/12/1044 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussentijdse beëindiging ssr vanwege schending informatieverplichting in verband met bezit onroerend goed in buitenland.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

tussentijdse beëindiging

insolventienummer: [nummer]

uitspraakdatum: 22 oktober 2015

Bij vonnis van deze rechtbank van 7 december 2012 is de toepassing van de

schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:

[naam 1] ,

[adres] ,

[woonplaats] ,

schuldenares,

bewindvoerder: N. Pavljasevic.

1 De procedure

De rechter-commissaris heeft op 31 augustus 2015 een voordracht gedaan om de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen.

De bewindvoerder heeft op 28 september 2015 de rechtbank bericht omtrent de laatste stand van zaken.

Bij faxberichten van 5 en 7 oktober 2015 zijn door de advocaat van schuldenares aanvullende stukken in het geding gebracht.

De bewindvoerder en schuldenares, bijgestaan door haar advocaat mr. W.J. Oomkes zijn gehoord ter terechtzitting van 8 oktober 2015.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De standpunten

Voor de standpunten van de bewindvoerder en schuldenares verwijst de rechtbank naar de desbetreffende gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

De rechter-commissaris heeft een voordracht gedaan tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling omdat schuldenares de informatieverplichting niet naar behoren nakomt, onvoldoende afdraagt aan de boedel en nieuwe bovenmatige schulden heeft laten ontstaan. Daarnaast zijn volgens de rechter-commissaris feiten en omstandigheden bekend geworden die bij toelating reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen, nu schuldenares in het bezit blijkt te zijn (geweest) van onroerend goed in Kaapverdië.

De bewindvoerder heeft de rechtbank in zijn verslag van 7 oktober 2015 onder meer bericht dat schuldenares tot en met juli 2015 alle informatieformulieren heeft ingeleverd, doch dat er nog enkele stukken ontbreken (waaronder betaalbewijzen van de nieuwe schulden). Daarnaast heeft de bewindvoerder bericht dat schuldenares tijdens de schuldsaneringsregeling een stuk grond, dat zij in eigendom had in Kaapverdië, heeft verkocht, maar dat zij de opbrengst niet heeft afgedragen aan de boedel.

Ter terechtzitting heeft hij daar aan toegevoegd dat als schuldenares de woning die zij thans nog in Kaapverdië in eigendom heeft, had verkocht, zij in staat was geweest haar schulden te betalen omdat de verwachte opbrengst € 33.000,- is. De onroerende zaak is niet bezwaard met een hypotheek. De bewindvoerder heeft tot slot verklaard dat een verlenging van de regeling bedoeld is om tekortkomingen recht te trekken en niet om de schuldeisers op afstand te houden; zoals door de advocaat is betoogd.

De advocaat van schuldenares heeft verzocht om verlenging van de regeling zodat de woning onderhands verkocht kan worden, zonder dat schuldenares wordt gehinderd door eventueel terugkerende beslagleggingen, met het doel een zo hoog mogelijke opbrengst voor alle schuldeisers te verkrijgen. Bij schuldenares is, mede gelet op de belangen van de schuldeisers, het besef gekomen dat de woning verkocht moet worden. Daarmee kan de financiële problematiek van schuldenares worden doorbroken. Indien de woning verkocht wordt, kan de regeling alsnog tussentijds beëindigd worden vanwege het feit dat schuldenares in staat is om haar betalingen te hervatten. Mevrouw [naam 2] , medewerkster van het Wijk Ondersteunings Team Nieuwland (WOT) en begeleidster van schuldenares, heeft een plan van aanpak opgesteld ten aanzien van de verkoop van de woning. Daarnaast heeft [naam 2] schriftelijk verklaard dat opnieuw een aanvraag is gedaan voor budgetbeheer bij Humanitas aangezien schuldenares dit volgens haar nodig heeft. Daarbij heeft zij aangegeven dat naar haar mening eigenlijk verder (lichamelijk of intelligentie) onderzoek in combinatie met beschermingsbewind wenselijker is dan budgetbeheer, omdat schuldenares niet in staat is om haar zaken te regelen, en veel ook gewoon niet begrijpt.

Volgens de advocaat is de woning door een Kaapverdiaanse taxateur getaxeerd en is geen informatie beschikbaar over de verwachte duur van de verkoop. Schuldenares is al heel lang niet meer in Kaapverdië geweest en weet niet hoe de huizenmarkt daar momenteel is. Probleem is dat schuldenares geen geld heeft om naar Kaapverdië af te reizen om het verkooptraject te starten.

Voor wat betreft de uitkering van schuldenares verwacht de raadsman niet dat deze zal worden teruggevorderd, omdat schuldenares door de uitkeringsinstantie zal worden gezien als spijtoptant en een terugvordering is dan niet aan de orde. De uitkering wordt nu in de vorm van een lening aan schuldenares verstrekt en zij heeft tot nu toe, vanaf juli 2015, drie keer € 800,-- geleend. De geldlening kan oplopen tot een maximum van € 30.000,00. Tot slot heeft hij verklaard dat een tussentijdse beëindiging van de regeling ongunstig is omdat op dat moment de schulden weer herleven en de crediteuren over kunnen gaan tot het treffen van beslag- en/of executiemaatregelen die de aflossing van de schulden zullen bemoeilijken.

Schuldenares heeft ter terechtzitting desgevraagd verklaard dat zij beschermingsbewind liever niet wil, maar het zal aanvragen als dat moet. Daarnaast heeft zij aangegeven dat zij niet wist dat zij de onroerende zaken moest melden bij de bewindvoerder of bij de toelatingsrechter bij de zitting van 19 november 2012. Verder heeft zij met de opbrengst van de verkoop van het stuk grond in Kaapverdië haar vaste lasten betaald. Tot slot heeft zij verklaard dat zij de woning in Kaapverdië in 1992 heeft gekocht en dat haar moeder in de woning heeft gewoond. Haar moeder betaalde de vaste lasten van de woning totdat zij ziek werd. De vaste lasten zijn tot ongeveer vier jaar geleden betaald. Sinds het overlijden van haar moeder vorig jaar wonen haar twee neefjes kosteloos en anti-kraak in de woning.

3 De beoordeling

De schuldsaneringsregeling biedt een schuldenaar in een problematische schuldensituatie de mogelijkheid om na drie jaar een schone lei te verkrijgen. Dit betekent in de voorliggende regeling dat een groot deel van de schuld van € 15.076,25 niet langer opeisbaar is. Tegenover dit perspectief staat een aantal niet lichtvaardig op te vatten verplichtingen. Zo dient de schuldenaar gedurende de toepassing van de regeling onder meer de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd te informeren, zijn inkomen boven het vrij te laten bedrag af te dragen aan de boedelrekening en zich aantoonbaar tot het uiterste in te spannen om een fulltime dienstbetrekking te verkrijgen. Hiernaast mogen tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling geen nieuwe schulden ontstaan. Van de schuldenaar wordt een actieve houding verwacht bij het naleven van voornoemde verplichtingen.

Aan de hand van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komt de rechtbank tot het volgende oordeel.

Met de bewindvoerder en de rechter-commissaris moet de rechtbank constateren dat schuldenares ten onrechte geen melding heeft gemaakt van de onroerende zaken die zij in bezit heeft (gehad). De rechtbank overweegt dat het bezit van een onroerende zaak op zichzelf geen reden hoeft te zijn om het WSNP-verzoek ten tijde van de toelatingszitting af te wijzen. Schuldenares had de onroerende goederen die haar eigendom zijn (geweest) wel bij de toelatingszitting en in ieder geval tijdens het huisbezoek van de bewindvoerder moeten melden. Schuldenares heeft dit niet gedaan. Integendeel, zij heeft –blijkens de checklist – aangegeven dat geen sprake was van een ‘tweede huisje’. Op de verklaring ex. artikel 285 lid 1 sub e Fw heeft schuldenares ook verklaard geen ‘eigen woning’ te hebben. Omdat het bezit van de onroerende goederen vermogen is, was dit relevante informatie voor de bewindvoerder. In het dossier ontbreken voorts nog enkele andere stukken. Schuldenares heeft hierdoor niet voldaan aan haar informatieverplichting.

Verder heeft schuldenares nagelaten haar inkomen boven het vastgestelde vrij te laten bedrag (volledig) af te dragen aan de boedelrekening en heeft zij nieuwe schulden laten ontstaan. Zo heeft schuldenares de opbrengst van € 3.000,00 van de verkoop van het onroerend goed te Kaapverdië (stuk grond) niet aan de boedel afgedragen. Zij heeft met de opbrengst haar vaste lasten betaald nadat haar recht op een bijstandsuitkering door de gemeente Rotterdam per maart 2014 was ingetrokken wegens het bezit van de onroerende zaken te Kaapverdië. Daarnaast heeft schuldenares het saldo van de beheerrekening van budgetbeheer van € 2.200,00 niet aan de boedel afgedragen. Als gevolg hiervan is een boedelachterstand van € 4.852,42 ontstaan. Tot slot heeft schuldenares nieuwe bovenmatige schulden laten ontstaan aan DSW van circa € 512,49, aan het CJIB van circa € 1.200,00 en een schuld aan de gemeente Rotterdam inzake een renteloze geldlening van € 2.471,14, welke schuld maandelijks oploopt. Zij heeft geen betaalbewijzen van overeengekomen betalingsregelingen/aflossingen overgelegd.

Dat bovengenoemde tekortkomingen schuldenares niet te verwijten zijn, is onvoldoende aannemelijk geworden. Het door mevrouw [naam 2] gestelde onvermogen bij schuldenares is door haar niet nader onderbouwd. Ook is het de rechtbank niet gebleken. Schuldenares heeft ter terechtzitting uitgebreid en adequaat geantwoord op vragen over (onder meer) het onroerend goed in Kaapverdië. De rechtbank is van oordeel dat geen aanleiding bestaat om schuldenares door middel van een verlenging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling in de gelegenheid te stellen haar tekortkomingen te compenseren. Schuldenares heeft geen voorstel gedaan om de boedelachterstand in te lopen en de nieuwe schulden af te betalen, anders dan te trachten om het onroerend goed in Kaapverdië te verkopen. De kans van slagen daarvan op korte termijn is echter onvoldoende aannemelijk gemaakt. De advocaat van schuldenares weet immers niet hoe lang een verkooptraject zal gaan duren en het is vooralsnog voor schuldenares niet mogelijk om naar Kaapverdië te gaan om dit traject in gang te zetten.

De toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, onder c en d, Faillissementswet (hierna: Fw).

De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.

De rechtbank stelt vast dat er geen baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Er is daarom geen sprake van een faillissement van rechtswege zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde gaat.

4 De beslissing

De rechtbank:

- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling;

- stelt het salaris van de bewindvoerder vast op € 1.482,77 (exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting) en brengt dit bedrag, voor zover dit niet uit de boedel kan worden voldaan, ten laste van schuldenares;

- stelt de door de bewindvoerder gemaakte reiskosten vast op € 59,57.

Dit vonnis is gewezen door mrs. W.J. Geurts-de Veld, R. Kruisdijk, C. de Jong en in aanwezigheid van mr. D.H.H. Peters, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2015.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.