Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:7594

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-10-2015
Datum publicatie
26-10-2015
Zaaknummer
10/700401-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

- Vrijspraak van medeplegen moord/doodslag. Bewijs voor directe betrokkenheid van de verdachte volgt uitsluitend uit de verklaringen van een getuige. Deze verklaringen zijn niet zodanig betrouwbaar dat op basis daarvan, zonder aanvullende bewijsmiddelen die zien op de directe betrokkenheid van de verdachte, kan worden bewezen dat de verdachte de schutter is geweest. Daarnaast is er op grond van diverse ooggetuigenverklaringen een krachtige contra-indicatie voor dat daderschap.

- start onderzoek rechtmatig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/700401-13

Datum uitspraak: 16 oktober 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

raadslieden mrs. M.M. Koers en S. Splinter, beiden advocaat te Rotterdam.

Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 6 oktober 2015.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J. Spaans heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van de onder 1 ten laste gelegde voorbedachten rade;

  • -

    bewezenverklaring van het overige onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaar met aftrek van voorarrest.

Waardering van het bewijs

Vrijspraak feit 1

1. Vaststaande feiten en omstandigheden

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van het verhandelde op de terechtzitting en de inhoud van het dossier als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 4 augustus 2013 rond 17.15 uur is er minimaal acht keer met één wapen geschoten in de richting van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) op de [straatnaam] te Rotterdam. [slachtoffer] is hierbij door zijn bovenbeen geschoten en een paar uur later aan de verwondingen daarvan overleden. Zowel de telefoon van de verdachte, als de auto waar de verdachte regelmatig in reed, een zwarte Seat Leon met kenteken [kenteken] , zijn ten tijde van de schietpartij op de plaats delict aanwezig. De Seat Leon is vrijwel zeker betrokken geweest bij een schietproces.

1.1.

Tussenconclusie:

Op grond van de vaststaande feiten kan de directe betrokkenheid van de verdachte niet worden vastgesteld.

2. Standpunt officier van justitie

Aangevoerd is dat de verdachte de schutter is geweest. Die conclusie heeft de officier van justitie - zakelijk weergegeven - gebaseerd op de vaststaande feiten, de verklaringen van de getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) en het gegeven dat de verdachte pas in een laat stadium, na kennisname van het dossier, met een alternatief scenario is gekomen. Een scenario dat bovendien voor wat betreft het aangevoerde alibi aantoonbaar onjuist is gebleken.

De verklaringen van [getuige 1] komen er in het kort op neer dat:

  • -

    de verdachte in de uren voorafgaand aan de schietpartij op 4 augustus 2013 met [getuige 1] en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) op het pleintje voor het huis van [getuige 1] verbleef;

  • -

    de verdachte, [medeverdachte] en [getuige 1] toen onder meer hebben besproken dat [medeverdachte] die dag ervoor door [slachtoffer] was geript;

  • -

    [getuige 1] op 4 augustus 2013 op enig moment even weg moest en dat bij zijn terugkomst bij het pleintje om ca 17.00 uur de verdachte en [medeverdachte] weg waren;

  • -

    [getuige 1] de verdachte bij terugkomst bij het pleintje heeft geprobeerd te bellen maar er niet werd opgenomen;

  • -

    de verdachte en [medeverdachte] op 4 augustus 2013 (zeer) kort na de schietpartij met de zwarte Seat Leon aan kwamen bij [getuige 1] , en de verdachte toen de bijrijder was;

  • -

    de verdachte vervolgens aan [getuige 1] heeft verteld dat hij meerdere keren op ‘die man’ heeft geschoten.

Deze verklaringen worden op belangrijke punten ondersteund door objectieve onderzoeksgegevens (telecomgegevens en camerabeelden van de Seat Leon).

3. Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte niet de schutter is geweest. De verdachte heeft stellig ontkend dat hij degene is geweest die op [slachtoffer] heeft geschoten. De verdachte heeft naar eigen zeggen de zwarte Seat Leon op 4 augustus 2013 uitgeleend aan [getuige 1] en zijn telefoon lag op dat moment in deze auto. Voor wat betreft het uitlenen wordt zijn verklaring ondersteund door de verklaringen van de broer van de verdachte en de vriendin van [getuige 1] .

De voor de verdachte belastende verklaringen van [getuige 1] zijn volstrekt onbetrouwbaar en kunnen daarom niet voor het bewijs worden gebruikt. [getuige 1] heeft tegenstrijdig verklaard en zijn verklaringen bevatten veel inconsistenties. [getuige 1] past zijn verklaringen continu aan, aan de objectieve onderzoeksgegevens, die hem door de politie (deels op zijn verzoek) worden aangereikt en verklaart uiteindelijk bij de rechter-commissaris overeenkomstig die onderzoeksgegevens.

4. Beoordeling

4.1.

Uitgangspunt

Bij de beoordeling van de vraag of bewezen kan worden verklaard dat de verdachte de schutter is geweest, ziet de rechtbank zich gesteld voor twee lezingen van de gebeurtenissen die lijnrecht tegenover elkaar staan. De lezing van [getuige 1] en de lezing van de verdachte. Voor de beantwoording van de daderschapsvraag dient daarom allereerst de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verdachte én van [getuige 1] te worden onderzocht. Het betreft de intrinsieke betrouwbaarheid, en meer in het bijzonder de betrouwbaarheid in het licht van de overige feiten en omstandigheden. Ten aanzien van de betrouwbaarheid kan op voorhand het volgende worden opgemerkt.

Vanaf dag één is het dossier bol komen te staan van aannames en veronderstellingen van allerhande getuigen. Bij lezing en analyse van het dossier is het daardoor heel lastig tot welhaast onmogelijk gebleken om te beoordelen wat een getuige uit eigen wetenschap verklaarde en wat een getuige baseerde op aannames en/of veronderstellingen en of van horen zeggen. Hierdoor is bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van zowel de verdachte als die van [getuige 1] het proces van falsificatie en/of verificatie bemoeilijkt.

4.2.1.

Betrouwbaarheid verklaringen verdachte

Pas in een zeer laat stadium van het onderzoek is de verdachte met zijn lezing van de feiten gekomen. Dit maakt de beoordeling van de betrouwbaarheid van zijn verklaringen niet gemakkelijk omdat toetsing aan het dossier minder zinvol is omdat heel veel van de overige feiten en omstandigheden reeds bij de verdachte bekend waren. Het gedeelte van de verklaring van de verdachte dat ziet op het uitlenen van de auto wordt weliswaar op (geringe) onderdelen ondersteund door de verklaringen van zijn broer en de vrouw van [getuige 1] , maar vindt op onderdelen ook geen enkele steun in het dossier. Daarnaast geldt dat het alibi van de verdachte, dat hij op dat moment bij mevrouw [naam] is langs gegaan, evident niet klopt. Het deel van zijn verklaring ten slotte, waarin de verdachte stelt dat zijn telefoon in de door [getuige 1] geleende auto lag en dat [getuige 1] hem verteld heeft dat een van zijn vrienden, vermomd met een pruik met dreadlocks, met een grijs vuurwapen zou hebben geschoten, vindt evenmin steun in het dossier.

4.2.2.

Betrouwbaarheid verklaringen getuige [getuige 1]

Getuige [getuige 1] heeft hetgeen hij over het daderschap van de verdachte heeft verklaard niet uit eigen waarneming, maar uit de mond van de verdachte en aldus ‘van horen zeggen’. [getuige 1] heeft een en ander bovendien pas in zijn derde verklaring naar voren gebracht toen het onderzoek in een (ver) gevorderd stadium was. Toetsing aan het dossier is hierdoor zoals hiervoor uiteengezet lastig omdat de (overige) feiten en omstandigheden reeds bij [getuige 1] bekend waren. Dit wordt verergerd door de wijze waarop [getuige 1] door de politie is verhoord. De politie geeft in het verhoor snel en veel gegevens prijs waardoor (soms) onduidelijk wordt wat de getuige uit eigen wetenschap verklaart en wat hij herhaalt aan de hand van de hem door de politie aangereikte gegevens.

4.2.4.

Tussenconclusie

De verklaringen van de verdachte zijn om genoemde redenen op het punt van de betrouwbaarheid niet sterk. Dit geldt, weliswaar in mindere mate, ook voor de verklaringen van [getuige 1] . De verklaringen van [getuige 1] zijn daardoor in ieder geval niet sterk genoeg om het daderschap van de verdachte van een fundament te voorzien, zonder aanvullende bewijsmiddelen die zien op de directe betrokkenheid van de verdachte.

4.3.

Ooggetuigen

In het dossier bevinden zich meerdere verklaringen van ooggetuigen die een signalement van de schutter geven.

De vriendin van het slachtoffer omschrijft de schutter als ‘niet lang en niet kort’, ‘een niet echt lange man’, ‘ongeveer 1.65-1.70m’. In de verbatim uitwerking van een van haar verhoren spreekt zij over een kleine jongen en even later verklaart zij dat de schutter ongeveer haar lengte heeft, te weten 1.57m. Zij herkent de verdachte niet op de haar getoonde foto. Getuige [getuige 2] schat de lengte van de dader op 1.80m en omschrijft zijn postuur als normaal. Ook getuige [getuige 3] omschrijft de dader als een niet heel lange man met een normaal postuur.

4.3.1.

Tussenconclusie

Op de terechtzitting is bij binnenkomst van de verdachte en gedurende de zitting direct en ook steeds opgevallen dat de verdachte imponeert als een man met een in alle opzichten bovengemiddeld postuur. De lengte van de verdachte is op verzoek van de rechtbank door twee aanwezige verbalisanten opgemeten in het bijzijn van alle procespartijen en is vastgesteld op 2.00/2.01m.

De verdachte voldoet niet aan het door de verschillende ooggetuigen opgegeven signalement van de dader.

5. Eindconclusie

Bewijs voor de directe betrokkenheid van de verdachte bij het schieten op [slachtoffer] volgt uitsluitend uit de verklaringen van [getuige 1] . Deze verklaringen zijn niet zodanig betrouwbaar dat op basis daarvan, zonder aanvullende bewijsmiddelen die zien op de directe betrokkenheid van de verdachte, kan worden bewezen dat de verdachte de schutter is geweest. Daarnaast is er op grond van diverse ooggetuigenverklaringen een krachtige contra-indicatie voor dat daderschap. Daarom kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte de schutter is geweest zodat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Bewijswaardering feiten 2 en 3

1. Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat uit het dossier niet volgt waaruit het redelijk vermoeden van schuld heeft bestaan dat ten grondslag heeft gelegen aan het binnentreden ter aanhouding en de doorzoeking ter inbeslagname van de woning van de verdachte. Daarnaast is binnengetreden zonder machtiging tot binnentreden. Dit maakt dat de start van het onderzoek onrechtmatig was en dat alle daaruit voortgevloeide onderzoeksresultaten van het bewijs moeten worden uitgesloten.

2. Beoordeling

Kort voor de zitting heeft de officier van justitie een proces-verbaal ‘27 Sv’ in het dossier gevoegd. Op de terechtzitting heeft de officier van justitie het proces-verbaal van aanhouding alsmede het verslag binnentreden woning overgelegd. Uit een en ander volgt dat de opsporingsambtenaar op basis van een mondelinge machtiging van de officier van justitie te Rotterdam de woning van de verdachte heeft doorzocht ter aanhouding van de verdachte. Op grond van het bepaalde in artikel 55a van het Wetboek van Strafvordering was er gelet op de door de officier van justitie verleende mondelinge machtiging geen machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet binnentreden vereist.

De doorzoeking ter inbeslagname is volgens de officier van justitie gebaseerd geweest op artikel 49 van de Wet Wapens en Munitie dat als verdenkingsmaatstaf spreekt over ‘redelijkerwijs vermoeden van de aanwezigheid van wapens of munitie’. Uit het ’27 Sv’ proces-verbaal volgt, in ieder geval tegen de achtergrond van het gehele dossier dat op 11 december 2013 al vergevorderd was, een voldoende invulling van deze verdenkingsmaatstaf.

3. Conclusie

De woning van de verdachte is overeenkomstig artikel 55a van het Wetboek van Strafvordering rechtmatig binnengetreden en vervolgens op grond van artikel 49 van de Wet Wapens en Munitie rechtmatig doorzocht ter inbeslagname. De aangetroffen goederen en de bekennende verklaring van de verdachte kunnen dan ook voor het bewijs worden gebruikt.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

hij op 11 december 2013 te Schiedam opzettelijk aanwezig heeft

gehad ongeveer 1000 gram, hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij op 11 december 2013 te Schiedam een busje CS gas, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met een verstikkende en weerloosmakende en traanverwekkende stof van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

2.

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

3.

Handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en Munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is strafbaar.

Motivering straf

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Bij een doorzoeking van de woning van de verdachte is ongeveer 1000 gram aan gedroogde henneptoppen aangetroffen. Softdrugs zijn stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade aan de gezondheid.

Voorts heeft de verdachte een busje CS gas voorhanden gehad. Niet alleen kan dit voorwerp gevaar voor de gezondheid en het welbevinden van personen opleveren, het kan ook worden gebruikt om anderen weerloos te maken waardoor zij niet meer bij machte zijn om zich te verdedigen tegen een aanval in welke vorm dan ook.

Het ongecontroleerde bezit van dit soort wapens en drugs dient dan ook te worden bestreden.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 september 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Straffen

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Uiteraard wijkt de duur van de op te leggen gevangenisstraf in zeer sterke mate af van de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf nu de verdachte, anders dan door de officier was gevorderd, zal worden vrijgesproken van de tenlastegelegde doodslag.

Algemene afsluiting

Alles afwegend worden na te noemen straf passend en geboden geacht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op de reeds genoemde artikelen is gelet op de artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 11 van de Opiumwet en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst af de vordering tot gevangenneming.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. J.F. Koekebakker en S.M. den Hollander, rechters,

in tegenwoordigheid van M.M. Cerpentier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 oktober 2015.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 4 augustus 2013 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een

persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers

heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk

en na kalm beraad en rustig overleg, kogels op hem afgevuurd, tengevolge

waarvan hij is overleden;

2.

hij op of omstreeks 11 december 2013 te Schiedam opzettelijk aanwezig heeft

gehad ongeveer 1050 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram

hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet;

3.

hij op of omstreeks 11 december 2013 te Schiedam een busje CS gas, zijnde een

voorwerp bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige en/of

verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van de

categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad;