Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:757

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-02-2015
Datum publicatie
17-02-2015
Zaaknummer
ROT 14-330, ROT 14-331, ROT 14-332 en ROT 14-333
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rioolheffing: In geschil is of van een agrarisch bedrijfsperceel, dat door ruilverkaveling in twee gemeenten is komen te liggen, door beide gemeenten afzonderlijk en elk voor hun deel, rioolheffing kan worden geheven. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Naar de omstandigheden beoordeeld, blijkt dat beide (kadastrale) percelen als één geheel worden gebruikt en op grond van de samenvoegbepaling in de verordeningen rioolheffing van beide gemeenten dus als één perceel kunnen worden aangemerkt. De gemeente waarin het grootste deel van het perceel ligt en waar het huishoudelijk afvalwater en het grootste deel van het direct en indirect afvloeiende hemelwater wordt ingezameld en verwerkt is bevoegd tot heffen voor zover hierbij de gemeentegrens niet wordt overschreden. De gemeente waarin het kleinste deel van het perceel is gelegen is, gelet op de in de verordeningen opgenomen samenvoegbepaling, niet tot heffen bevoegd. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het nimmer de bedoeling van de wetgever geweest kan zijn dat eiser, nu hij door twee gemeenten wordt aangeslagen, een significant hoger bedrag aan rioolheffing verschuldigd is dan wanneer hij door één gemeente voor rioolheffing wordt aangeslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2015/210 met annotatie van L.J. Boone
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 14/330, 14/331, 14/332, 14/333

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 februari 2015 in de zaken tussen

[a], te [b], eiser,

gemachtigde: [c]

en

de directeur gemeentebelastingen van de gemeente [f], verweerder,

gemachtigde: [d].

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser ten behoeve van de jaren 2010, 2011, 2012 en 2013 onder meer aanslagen rioolheffing (vorderingsnummers 1102245224, 1102245130, 1102245301 en 1102453404), gedagtekend 30 oktober 2012 (2010, 2011 en 2012) en 11 januari 2013 (2013), opgelegd voor [e] te [f].

Bij uitspraken op bezwaar van 12 december 2013 (2010, 2011 en 2012) en 16 december 2013 (2013) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de aanslagen van 30 oktober 2012 en 11 januari 2013 ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraken heeft eiser beroep ingesteld.

Deze zaken zijn gelijktijdig op 9 oktober 2014 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn ter zitting verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Bij tussenuitspraak van 4 november 2014 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en nadere stukken bij partijen opgevraagd. Voorts heeft de rechtbank de zaak voor uitspraak verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

Verweerder heeft bij brief van 14 november 2014, met bijlagen, de door de rechtbank verzochte nadere stukken ingebracht.

Eiser heeft bij brief van 20 november 2014 de door de rechtbank verzochte inlichtingen met bijlagen ingediend.

De rechtbank heeft bij brief van 8 januari 2015 aan partijen medegedeeld dat het onderzoek is gesloten en dat binnen zes weken uitspraak zal worden gedaan.

Overwegingen

1.1

Eiser is eigenaar van het agrarisch bedrijfsperceel [g] te [b] (gemeente [h]). Het perceel heeft een totale oppervlakte van 5000 m².

1.2

Tussen partijen is niet in geschil dat dit agrarische bedrijfsperceel van eiser met een totale oppervlakte van 5000 m² door de ruilverkaveling in de jaren tachtig van de vorige eeuw in twee gemeenten is komen te liggen en om die reden destijds is gesplitst in twee kadastrale percelen. Feitelijk is het perceel nog steeds in gebruik als één agrarisch perceel met een samenhangende bebouwing bestaande uit een woning met stallen en schuren.

Het grootste gedeelte van de bedrijfskavel met een oppervlakte van 4000 m² (plus het merendeel van de bebouwing) is gelegen in de gemeente [h] (het kadastrale perceel met nummer 1372).
Het achterste gedeelte van de kavel, met een oppervlakte van 1000 m² (het kadastrale perceel met nummer 1583) ligt binnen de gemeente [f]. Op dit gedeelte van de kavel staat
één vierde deel van de bedrijfswoning en een schuur/stal van 180 m².

1.3

Omdat de gehele kavel is gelegen in het buitengebied van de gemeente [h] is door die gemeente een drukrioleringssysteem aangelegd, waarop het perceel is aangesloten.
De overige opstallen op het binnen de gemeente [h] gelegen kadastrale perceel wateren, voor zover zij niet zijn aangesloten op het drukrioleringsysteem van de gemeente [h], af op sloten die deel uit maken van de gemeentelijke riolering van de gemeente [h].

Het kadastrale perceel dat is gelegen binnen de gemeentegrenzen van [f] is indirect aangesloten op de gemeentelijke riolering, nu dit gedeelte van de kavel afwatert op sloten die – gelet op de kadastrale grens – deel uit maken van de gemeentelijke riolering van de gemeente [f].
Ter zitting is overigens door eiser - onweersproken - aangevoerd dat, indien de schuur/stal aangesloten zou moeten worden op het drukrioleringssysteem, aansluiting zou plaats vinden op het drukrioleringssysteem van de gemeente [h].

1.4

In 2009 heeft eiser uitsluitend rioolheffing betaald aan de voormalige gemeente [b]-[i]. Over de jaren 2010 en volgende heeft eiser zowel van de gemeente [h] als van de gemeente [f] aanslagen rioolheffing gekregen:

Aanslagjaar

[h]

[f]

[b]-[i]

2009

229,00

2010

243,00

180,00

2011

228,00

183,20

2012

194,00

187,70

2013

213,00

195,80

2014

233,00

177,10

2. In geschil is de vraag of eiser rioolheffing verschuldigd is aan de gemeente [f].
2.1. Eiser stelt zich op het standpunt dat voor één bedrijfsperceel dat door ruilverkaveling in twee gemeenten is komen te liggen niet tweemaal rioolheffing kan worden geheven.
Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder niet met feiten heeft aangetoond noch aannemelijk heeft gemaakt dat het ‘[f]’ deel van het bedrijfsperceel direct dan wel indirect gebruik maakt van het rioleringsstelsel van de gemeente [f]. .

2.2.

Verweerder is van opvatting dat sprake is van twee percelen en dat de verordening geen bepaling kent om de heffing te matigen.
Verweerder is van oordeel dat eiser indirect gebruik maakt van de gemeentelijke riolering. Het hemelwater van het perceel [e] wordt afgevoerd in het [j]. Dit park is eigendom van de gemeente [f] en maakt deel uit van het gemeentelijke rioleringsstelsel. Dit park is een veenweidegebied doorsneden met sloten. Die sloten zijn in het noorden verbonden met een sloot in de gemeente [h], in het zuiden op de waterlopen aan de grens van de bebouwing van de [f] wijk [k]. Uit de in de gemeentelijke verordeningen genoemde definitie van gemeentelijke riolering blijkt dat het gegeven dat de gemeente [f] eigenaar is van de sloot die grenst aan het perceel van eiser al voldoende is om aan te nemen dat er sprake is van een aansluiting op de gemeentelijke riolering.
3.1 In artikel 228a, lid 1, van de Gemeentewet is het volgende bepaald:

Onder de naam rioolheffing kan een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

  1. De inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en

  2. De inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

3.2

Op basis van dit artikel heeft de Raad van de gemeente [f] de Verordeningen op de heffing en invordering van de rioolheffing 2010, 2011, 2012 en 2013 (de Verordeningen) vastgesteld. In de Verordeningen is onder meer het volgende bepaald:

Artikel 1 Bergripsomschrijvingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  1. perceel: roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan;

  2. gemeentelijke riolering: voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

  3. woning: perceel dat in hoofdzaak tot woning dient;

  4. niet-woning: perceel, niet zijnde een woning.


Artikel 2 Aard van de belasting

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

  1. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater; en

  2. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

  1. De belasting wordt geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot heeft van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering.

  2. Ingeval het perceel een onroerende zaak is, wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.


Artikel 4 Zelfstandige gedeelten

Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat, indien twee of meer van die gedeelten tezamen als een geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt.

3.3

De Verordening op de heffing en invordering van de rioolheffing 2009 van de gemeente [b]-[i] en de Verordeningen op de heffing en invordering van de rioolheffing 2010, 2011, 2012 en 2013 van de gemeente [h] kennen eveneens een zogenoemde samenvoegingsbepaling en deze bepaling heeft een gelijke strekking als
artikel 4 in de [f] verordeningen.

4. De eerste vraag die dient te worden beantwoord is of beide kadastrale percelen blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt zodat de belasting kan worden geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte of dat er sprake is van twee gedeelten die tezamen als één geheel worden gebruikt en als één perceel in de zin van de Verordeningen moet worden aangemerkt.

De rechtbank is met betrekking tot deze vraag van oordeel dat, naar de omstandigheden beoordeeld, de twee kadastrale percelen als één geheel worden gebruikt en derhalve als één perceel in de zin van de Verordeningen moeten worden aangemerkt.
De rechtbank heeft onderstaande omstandigheden in dit oordeel betrokken:

  • -

    voor de ruilverkaveling in de jaren tachtig van de vorige eeuw was er sprake van één agrarisch bedrijfsperceel met een totale oppervlakte van 5000 m²;

  • -

    het perceel is na de ruilverkaveling in twee gemeenten komen te liggen, hetgeen aanleiding is geweest om het perceel te splitsen in twee kadastrale percelen;

  • -

    de woning van eiser is hierdoor voor drie-vierde deel in de gemeente [h] komen te liggen en voor één-vierde deel in de gemeente [f];

  • -

    de woning is aangesloten op een drukrioleringsysteem van de gemeente [h];

  • -

    de put waarin zich de pomp ten behoeve van het rioleringssysteem bevindt, is gelegen op het perceel dat is gelegen in de gemeente [h];

  • -

    uit de in het dossier aanwezige foto’s en plattegronden blijkt dat de aanwezige erfverharding zich over beide percelen uitstrekt;

  • -

    de verklaring van eiser dat beide percelen als één bedrijfsperceel worden gebruikt, hetgeen niet door verweerder is weersproken.

5.1

Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de twee kadastrale percelen als één geheel worden gebruikt en derhalve als één perceel in de zin van de Verordeningen moeten worden aangemerkt dient de vraag te worden beantwoord welke gemeente – de gemeente [f] of de gemeente [h] – tot heffen van het rioolrecht bevoegd is.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat:

  • -

    het perceel voor vier-vijfde deel in de gemeente [h] ligt en slechts voor
    één-vijfde deel in de gemeente [f];

  • -

    al het huishoudelijke afvalwater en het grootste deel van het direct en indirect afvloeiende hemelwater door de gemeente [h] wordt ingezameld en verwerkt;

  • -

    de Verordeningen op de heffing en invordering van de rioolheffing 2010, 2011, 2012 en 2013 van de gemeente [h] een zogenoemde samenvoegingsbepaling kennen en deze bepaling een gelijke strekking heeft als artikel 4 in de [f] verordeningen.

De rechtbank is, gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, van oordeel dat, op grond van de samenvoegingsbepaling in de Verordeningen op de heffing en invordering van de rioolheffing 2010, 2011, 2012, en 2013 van de gemeente [h], de gemeente [h] bevoegd is om eiser aan te slaan voor rioolheffing.
Uit het vorenstaande volgt dat verweerder de aanslagen die betrekking hebben op het binnen de gemeente [f] gelegen perceel ten onrechte aan eiser heeft opgelegd.

5.2

De rechtbank merkt in dit verband voorts nog op dat gebleken is dat het totaalbedrag aan aanslagen rioolheffing significant hoger is, nu eiser ten behoeve van zijn bedrijfsperceel door beide gemeenten wordt aangeslagen voor rioolheffing, dan wanneer eiser door één gemeente wordt aangeslagen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank nimmer de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest.

6.
Uit het vorenstaande volgt dat de beroepsgrond, dat van één bedrijfsperceel dat door ruilverkaveling op enig moment in twee gemeenten is komen te liggen geen tweemaal rioolheffing kan worden geheven, slaagt.
De overige door eiser aangevoerde beroepsgronden kunnen – gelet op het vorenstaande – verder buiten bespreking blijven.

7. De beroepen zijn gegrond en de bestreden besluiten moeten worden vernietigd voor zover deze betrekking hebben op de aanslag rioolheffing.

8. Omdat de beroepen gegrond worden verklaard dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

9. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door de gemachtigde van eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.185,04 (€ 6,04 wegens reiskosten, 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 235,- en een wegingsfactor 1, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten voor zover deze betrekking hebben op de rioolheffing en herroept de aanslagen voor dat deel;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 44,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.185,04 aan eiser te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzitter, en mrs. L.A.C. van Nifterick en A.P. Hameete, leden, in aanwezigheid van E.R. Schook, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).