Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:7537

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-10-2015
Datum publicatie
23-10-2015
Zaaknummer
10/751009-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het (mede) plegen van voorbereidingshandelingen van de invoer van cocaïne via de Rotterdamse haven. De verdachte heeft onbevoegd toegang gekregen tot de haven door zich voor te doen als een bezoeker van een schip, gelegen aan de APM-Terminal. In de auto van de verdachte is een containerverzegeling aangetroffen, die te koppelen was aan een container in de Rotterdamse haven. In deze container stond een sporttas met daarin 30 kilogram cocaïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/751009-14

Datum uitspraak: 23 oktober 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Dordrecht,

raadsman mr. T. den Haan, advocaat te Amsterdam.

Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 oktober 2015.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. D. Grip heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest.

Waardering van het bewijs

1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde, nu er geen sprake is van medeplegen (feit 1) en de verdachte geen opzet heeft gehad om een drugsfeit voor te bereiden (feit 2).

1.2.

Beoordeling

1.2.1.

Vaststaande feiten

Op basis van de bewijsmiddelen (als bijlage II aan dit vonnis gehecht) en de overige stukken in het dossier, wordt van het volgende uitgegaan.

De verdachte is op 31 december 2014 in een auto, met daarin twee medeverdachten, aangetroffen op het terrein van het havenbedrijf ECT Delta. In de auto is een containerverzegeling aangetroffen. De containerverzegeling, met als opschrift [opschrift] , [nummer] ’, bleek gekoppeld te kunnen worden aan een container met nummer [container] , waarin een sporttas werd aangetroffen met daarin 30 kilogram cocaïne.

1.2.2.

Betrokkenheid verdachte

De verdachte heeft bij de politie op 31 december 2014 verklaard dat hij op het ECT terrein was omdat hij, samen met zijn [medeverdachte] , aan ‘ [persoon] ’ moest bewijzen dat hij op het ECT terrein kon komen zodat zij bij de drugs konden komen. Hij zou hiervoor 2.500,-- euro krijgen. [medeverdachte] zou aan ‘ [persoon] ’ doorgeven of zij daadwerkelijk toegang hadden gekregen tot de ECT Delta. De verdachte heeft als (valse) reden voor zijn bezoek aan de portier van de haven opgegeven dat hij een bezoek wilde brengen aan het schip [naam schip] .

1.2.3.

Tussenconclusie

Gelet op voornoemde verklaring van de verdachte en de omstandigheden waaronder de verdachte en zijn medeverdachte op het haventerrein zijn aangetroffen was zijn opzet gericht op het voorbereiden van de invoer van de cocaïne.

Onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is in het dossier voorhanden om te kunnen stellen dat de verdachte, naast het plegen van voorbereidingshandelingen, zich (ook) schuldig heeft gemaakt aan de invoer van de in de container aangetroffen 30 kilogram cocaïne.

1.2.4.

Eindconclusie

Het onder 1 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Het onder 2 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.

1.3. ‘

‘Voorwaardelijk’ verzoek

Het verzoek van de raadsman om de verbalisanten te horen die de verdachte op 31 december 2014 hebben verhoord wordt afgewezen. De verdachte heeft in zijn eerste verhoor bij de politie in december 2014 verklaard dat hij wilde laten zien dat hij op het terrein kon komen om bij de spul te komen. En op de vraag ‘welk spul?’ heeft de verdachte geantwoord: ‘drugs’. In zijn tweede verhoor heeft de verdachte op de vraag ‘Wilt u nog iets toevoegen aan uw eerder afgelegde verklaring?’ geantwoord: ‘Ik wil het laten bij de verklaring die ik eerder heb afgelegd.’ Beide verklaringen heeft de verdachte doorgelezen, daarin volhard en daarna ondertekend. Onder deze omstandigheden is, mede gelet op de motivering van de verzoeken onvoldoende de noodzaak gebleken om de verzoeken toe te wijzen.

1.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

hij op 31 december 2014 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander,

om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van

een handelshoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden,

een voorwerp en een vervoermiddel voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit

is verdachte en zijn mededader:

- aangemeld bij de APM-terminal voor een bezoek aan een schip gelegen aan de ECT Delta Terminal, en

- zich aan de portier van APM-Terminal voorgedaan als bezoekers van het schip genaamd [naam schip] en

- voor hem, verdachte, en zijn mededader een dagpas geregeld, die hem en zijn mededader onbevoegd toegang gaven tot het terrein van de ECT Delta Terminal, en

- in één auto onbevoegd het terrein van de APM-terminal en de ECT Terminal opgereden, en

- geld in het vooruitzicht gesteld gekregen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

2.

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Motivering straf

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich, samen met een ander, schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor het invoeren van 30 kilogram cocaïne in Nederland. Wanneer deze partij cocaïne niet door de politie zou zijn onderschept, zou deze op de markt zijn gebracht met alle schadelijke gevolgen van dien. Harddrugs vormen een ernstige bedreiging van de volksgezondheid en bevorderen de toename van vermogensdelicten. Het is algemeen bekend dat gebruikers, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen, veelvuldig strafbare feiten plegen. Dit is maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat dit soort feiten veel geld oplevert voor alle personen die zitten in de organisatie van de invoer tot aan de uiteindelijke verkoop aan de gebruiker. De verdachte heeft zich bij zijn handelen kennelijk uitsluitend laten leiden door zijn streven naar geldelijk gewin.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
5 augustus 2015, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 27 februari 2015. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Straffen

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals door de reclassering is geadviseerd, een deel van de voorgenomen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Het door de reclassering opgestelde plan van aanpak kan desgewenst op een later moment, tijdens de detentie of in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de verdachte, worden uitgevoerd.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op het reeds genoemde artikel, is gelet op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (éénentwintig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst af het verzoek tot het horen van de verbalisanten die de verdachte op 31 december 2014 hebben verhoord.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. J. de Lange en H.A.C. Smid, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. W.A.J.A. Welten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 oktober 2015.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 31 december 2014 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld

in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 30 kilogram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 5 Opiumwet

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 november 2014 tot en met 31 december

2014 te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet,

te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van

een (handels)hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te

plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit

hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):

- verdachte en/of zijn mededader(s) aangemeld bij de APM-terminal voor

een bezoek aan een of meer schip/schepen gelegen aan de APM-terminal en/of

de ECT Delta Terminal, en/of

- zich aan de portier van APM-Terminal voorgedaan als (een) bezoeker(s) van

het schip genaamd [naam schip] en/of

- ( aldus) voor hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) een dagpas geregeld,

die hem en/of zijn mededader(s) (onbevoegd) toegang gaf/gaven tot het

terrein van de APM-terminal en de ECT Delta Terminal, en/of

- in één (of meer) auto('s) (onbevoegd) het terrein van de APM-terminal en de

ECT Terminal opgereden, althans betreden, en/of

- afspraken gemaakt en/of informatie uitgewisseld met één of meer van zijn/hun

mededader(s) met betrekking tot het uithalen en/of verstrekken en/of

vervoeren van die cocaïne, en/of

- geld in het vooruitzicht gesteld (gekregen) en/of verstrekt (gekregen) en/of

ontvangen, en/of

- een betonschaar en/of een kniptang en/of één of meer helm(en) en/of één of

meer mobiele (organisatie)telefoons en/of één of meer (vervalste en/of

gemanipuleerde) (rederij en douane)zegel(s) voorhanden gehad;

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet