Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:7479

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-10-2015
Datum publicatie
20-10-2015
Zaaknummer
C/10/472787 / FA RK 15-2365
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

“Na indiening van het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning door verwekker medio 2015, blijkt de minderjarige al door een ander te zijn erkend. De gemeente had de erkenning, die reeds in 2006 plaatsvond, abusievelijk niet verwerkt op de geboorteakte. De verwekker vult zijn verzoek aan, in die zin, dat hij vernietiging van de erkenning vraagt.

Indien en voor zover moeder vóór de erkenning wist van het voornemen van verwekker om vervangende toestemming te vragen, is het eventueel voorwaardelijke karakter van de door haar gegeven toestemming inmiddels komen te vervallen nu sinds bedoeld voornemen een periode van negen jaar is verstreken. Het verzoek tot vervangende toestemming kan niet worden gekoppeld aan een mogelijk reeds in 2006 bestaand voornemen. Een voorwaardelijkheid verstaat zich niet met een dergelijk tijdsverloop.

De erkenning door de niet-verwekker kan alleen dan worden aangetast indien komt vast te staan dat de moeder misbruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt. Daar is in de onderhavige zaak geen sprake van, zodat het verzoek tot vernietiging wordt afgewezen en verwekker niet wordt ontvangen in zijn verzoek tot vervangende toestemming.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0316
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie 1

zaaknummer / rekestnummer: C/10/472787 / FA RK 15-2365

Beschikking van 7 oktober 2015 betreffende vervangende toestemming voor erkenning/ uitoefening van het omgangsrecht/ vaststelling informatie-en consultatieregeling

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr.drs. J.F.M. van Weegberg te Den Haag.

t e g e n

[verweerster] ,

wonende op een aan haar advocaat bekend adres,

hierna te noemen de moeder,

advocaat mr. W.A. van der Stroom-Willemsen te Rotterdam.

In deze zaak is als bijzondere curator opgetreden:

Mr. C.W.F. Jansen, advocaat te Rotterdam, hierna te noemen de bijzondere curator.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 26 maart 2015;

- de beschikking van deze rechtbank d.d. 6 mei 2015, waarbij mr. Jansen is benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige;

- het verslag van bevindingen van de bijzondere curator;

- het F9-formulier van de vrouw, gedateerd 16 juni 2015, met bijlagen;

- het aanvullend verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 20 augustus 2015;

- het verweerschrift van de moeder, ingekomen ter griffie op 8 september 2015.

1.2.

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 9 september 2015.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. Van Weegberg;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. Van der Stroom-Willemsen;

  • -

    de bijzondere curator;

  • -

    [vertegenwoordiger van de raad] namens de raad voor de kinderbescherming.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn van [huwelijksdatum] tot [einde huwelijk] gehuwd geweest.

2.2.

Op [geboortedatum 1] is te [geboorteplaats 1] uit de moeder geboren: [voornaam 1] [achternaam 1] , hierna te noemen [minderjarige] .

2.3.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam d.d. 4 mei 2006 is de man ontvangen in zijn verzoek, strekkende tot de vaststelling van een omgangsregeling. De behandeling van het verzoek is pro forma aangehouden in verband met een onderzoek van de raad voor de kinderbescherming.

2.4.

Bij beschikking van het hof Den Haag d.d. 7 februari 2007 is de beslissing van de rechtbank bekrachtigd. Daarbij heeft het hof onder meer overwogen dat tussen de man en [minderjarige] een nauwe persoonlijke betrekking bestaat.

2.5.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam d.d. 7 januari 2008 is het verzoek van de man, strekkende tot de vaststelling van een omgangsregeling en een informatieregeling afgewezen.

3 De beoordeling

3.1.

Vernietiging erkenning en vervangende toestemming tot erkenning

3.1.1.

Het verzoek en de aanvulling daarop strekken tot vernietiging van de erkenning van de minderjarige door [voornaam 2] [achternaam 2] respectievelijk tot het aan de man verlenen van vervangende toestemming [minderjarige] te erkennen.

3.1.2.

De moeder voert verweer.

3.1.3.

De bijzondere curator acht zich onvoldoende ingelicht om een standpunt in te nemen.

3.1.4.

De man, die aanvankelijk alleen om vervangende toestemming tot erkenning heeft gevraagd, heeft een – op 10 april 2015 door de ambtenaar van de burgerlijke stand afgegeven – geboorteakte van [minderjarige] overgelegd waarop geen vadergegevens staan vermeld. De moeder heeft vervolgens een – op 10 juni 2015 door de ambtenaar van de burgerlijke stand afgegeven – geboorteakte van [minderjarige] overgelegd, waaraan een latere vermelding betreffende erkenning is gevoegd. Hieruit volgt dat op 15 juni 2006 te

Bloemendaal een akte van de erkenning van [minderjarige] door de heer [voornaam 2] [achternaam 2] (hierna: [achternaam 2] ), geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] , is opgemaakt die kennelijk pas op 10 juni 2015 is ingeschreven. De man heeft daarop zijn verzoek aangevuld, in die zin, dat hij de vernietiging van bedoelde erkenning verzoekt.

3.1.5.

Ter zitting is de moeder gevraagd om een toelichting op het vorenstaande. Zij heeft daarop verklaard dat haar tijdens de onderhavige procedure eerst is gebleken dat de

akte van erkenning destijds niet in het geboorteregister is verwerkt. Volgens de moeder heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand te Bloemendaal de akte van erkenning destijds wél naar de toenmalige woonplaats van [minderjarige] verzonden maar niet naar zijn geboorte-plaats. Deze omissie, die naar de moeder zegt te hebben vernomen wel vaker voor komt, is op 10 juni jl. hersteld.

De rechtbank stelt vast dat dit relaas van de moeder op zich niet door de man is betwist. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat [minderjarige] op 15 mei 2006 rechtsgeldig is erkend.

3.1.6.

Op grond van artikel 1:205 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank worden ingediend door het kind zelf, de erkenner, de moeder of het openbaar ministerie. De verwekker van een kind kan ingevolge deze wettelijke bepaling niet een dergelijk verzoek indienen.

Dat is evenwel anders indien de verwekker niet of niet tijdig om vervangende toestemming heeft kunnen vragen. Naar vaste rechtspraak geldt de toestemming die een moeder aan een ander dan de verwekker (hierna: de niet-verwekker) heeft gegeven als voorwaardelijk als deze volgt op een verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning door de verwekker (ECLI:NL:HR:2002:AE0745). Indien de verwekker vóór de erkenning door de niet-verwekker een verzoek tot vervangende toestemming heeft ingediend dan wel zijn wens of voornemen daartoe aan de moeder schriftelijk kenbaar heeft gemaakt (ECLI:NL:GHLEE: 2012:BW9305), is (in beginsel) de leer van de voorwaardelijke toestemming van toepassing. In een dergelijk geval dient te worden beoordeeld of de moeder, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen de belangen van de verwekker bij erkenning en de daartegen staande belangen van de moeder – telkens in verband met de belangen van het kind – in redelijkheid tot het verlenen van toestemming aan de niet-verwekker heeft kunnen komen. Indien een afweging van alle betrokken belangen in het voordeel van de verwekker uitvalt, zal de erkenning door de niet-verwekker gezien het voorwaardelijk karakter ervan worden doorgehaald.

Ook de verwekker die wél vervangende toestemming heeft kunnen vragen maar dit heeft nagelaten, kan de door de niet-verwekker gedane erkenning aantasten indien de moeder van haar bevoegdheid hiertoe misbruik heeft gemaakt. Hiervan is sprake als zij de niet-verwekker toestemming heeft gegeven het kind te erkennen met slechts het oogmerk de belangen van de verwekker te schaden.

3.1.7.

Om het beoordelingskader voor de onderhavige zaak vast te stellen, is het in beginsel van belang of de moeder al dan niet vóór 15 juni 2006 door de man schriftelijk geïnformeerd was over zijn wens de minderjarige te erkennen. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

3.1.8.

In de beschikking van 4 mei 2006 is opgenomen dat volgens de man de vrouw weigerde mee te werken aan de erkenning van [minderjarige] . De man heeft ter zitting in de onderhavige procedure gesteld dat zijn toenmalige advocaat bij brief van 23 maart 2006 de advocaat van de moeder heeft geïnformeerd over het voornemen van de man om [minderjarige] te erkennen.

Indien en voor zover uit het voorgaande dient te worden afgeleid dat de vrouw op de hoogte was van de wens van de man [minderjarige] te erkennen, betekent zulks in de onderhavige zaak niet tevens dat de naderhand aan [achternaam 2] gegeven toestemming thans (nog) een voorwaardelijk karakter heeft, omdat naar het oordeel van de rechtbank de leer van de voorwaardelijke toestemming om het hierna overwogene niet (langer) van toepassing is.

Vast staat dat de man eerst op 26 maart 2015 een verzoek tot vervangende toestemming heeft ingediend. Zou hij op 23 maart 2006 de moeder schriftelijk hebben geïnformeerd over zijn voornemen hiertoe, dan heeft hij een periode van ruim negen jaar laten verstrijken. Naar het oordeel van de rechtbank verstaat een eventueel voorwaardelijke karakter van de door moeder gegeven toestemming zich niet met de tijd die de man ten aanzien van de erkenning verloren heeft laten gaan. De voorwaardelijkheid geldt immers om te voorkomen dat een ander dan de verwekker diens voorgenomen erkenning doorkruist.

In dit oordeel ligt besloten dat blijkens de parlementaire geschiedenis met de hiervoor onderscheiden situatie dat de verwekker niet of niet tijdig tot erkenning heeft kunnen komen, wordt gedacht aan de situatie dat het de verwekker niet bekend was dat hij de verwekker van het betrokken kind is, doordat hij niet bekend was met de geboorte van het kind of dat hij dacht dat een ander de verwekker was (vgl. NJ 2005/248, met noot JdB). In het onderhavige geval doet die situatie zich juist niet voor, nu de man ten tijde van vorenbedoelde procedure reeds anderhalf jaar op de hoogte was van de geboorte van [minderjarige] en van de omstandigheid dat hij diens verwekker is. Anders dan de man doet voorkomen heeft de erkenning door [achternaam 2] de man destijds niet belet (vervangende) toestemming te vragen. Ofschoon de vrouw de man niet in kennis heeft gesteld van de erkenning door [achternaam 2] , heeft de man op zijn beurt naderhand in de toentertijd nog lopende procedure noch later in hoger beroep uit zichzelf alsnog (vervangende) toestemming tot de erkenning verzocht. Voor zover al zou vaststaan dat zijn voornemen hiertoe bekend was op 15 juni 2006, dan heeft de man daaraan destijds noch in de jaren daarna gevolg gegeven. Het onderhavige verzoek kan met andere woorden niet worden gekoppeld aan een mogelijk reeds in 2006 bestaand voornemen. Dat hij zich niet bewust was van het belang van erkenning, zoals de man thans stelt, brengt hierin geen enkele verandering. Zulks is overigens niet zeer aannemelijk, omdat daarmee de grondslag aan zijn eerdere voornemen komt te ontvallen.

Dat de man door (andere) bijzondere omstandigheden niet eerder dan in de onderhavige procedure de (vervangende) toestemming tot erkenning heeft verzocht, acht de rechtbank onvoldoende gesteld en gebleken, althans de door de man in dat verband aangehaalde omstandigheden bieden hiertoe onvoldoende verklaring.

Voor zover de toestemming door de vrouw aan [achternaam 2] al een voorwaardelijk karakter heeft gehad, is de voorwaardelijkheid derhalve door tijdsverloop aan de verleende toestemming komen te ontvallen en mitsdien zal er geen belangenafweging plaatsvinden.

3.1.9.

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat zelfs indien de moeder op

15 juni 2006 wist van een voorgenomen verzoek, ervan uit wordt gegaan dat de man wèl

in de gelegenheid is geweest [minderjarige] te erkennen maar dat hij dit heeft nagelaten. Zoals reeds overwogen kan de erkenning door [achternaam 2] in de gegeven situatie alleen dan worden doorgehaald wanneer vast staat dat de toestemming door de moeder enkel is gegeven met de bedoeling om de man te schaden. De man betoogt in feite ook dat van die situatie sprake is. De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

3.1.10.

De moeder heeft gesteld dat [achternaam 2] haar destijds gedurende haar zwangerschap heeft gesteund en dat hij na de bevalling een vaderrol voor [minderjarige] heeft vervuld. Hoewel hun (affectieve) relatie inmiddels is beëindigd en de moeder met een ander samenleeft, bestaat er volgens de moeder nog steeds een intensieve band tussen [achternaam 2] en [minderjarige] .

De man heeft deze stellingen naar het oordeel van de rechtbank niet althans onvoldoende weersproken, zodat deze als vaststaand worden aangenomen. De rechtbank acht het tegen die achtergrond niet aannemelijk dat de erkenning door [achternaam 2] (enkel) tot doel had de belangen van de man te schaden, maar mede tot doel had om de toen bestaande rol van [achternaam 2] als vader van [minderjarige] te juridificeren en aldus zijn positie in het gezin van de vrouw te bekrachtigen. Dat de moeder misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid, met als uitsluitende bedoeling de man te schaden, is derhalve niet komen vast te staan. De erkenning door [achternaam 2] blijft in stand en het verzoek van de man tot vernietiging daartoe wordt afgewezen.

De man kan, nu [minderjarige] reeds een juridische vader heeft, niet worden ontvangen in zijn verzoek dat strekt tot het verkrijgen van vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] . De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

De rechtbank overweegt ambtshalve dat in de omstandigheid dat [achternaam 2] niet als belanghebbende is opgeroepen, gegeven het voorgaande geen grond is de zaak aan te houden teneinde hem alsnog in de gelegenheid te stellen zijn visie over het voorgaande te geven.

3.1.11.

Het betoog dat een in beginsel tot stand gekomen erkenning schending van artikel 8 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) oplevert, omdat erkenning onder de gegeven omstandigheden niet strookt met de bedoeling dat bij afstemming aansluiting wordt gezocht bij de biologische werkelijkheid, faalt. Verwezen wordt naar het voorgaande. Het is de bedoeling van de wetgever vernietiging van de erkenning onder de gegeven omstandigheden niet mogelijk te maken. Als er al inbreuk zou worden gemaakt op 8 EVRM, hetgeen de man niet nader toelicht, dan is een dergelijke inbreuk gerechtvaardigd.

3.2.

Omgangsregeling en informatieregeling

Omgangsregeling

3.2.1.

De man heeft verzocht de volgende omgangsregeling vast te stellen:

  • -

    4 weken achtereen een dagdeel op zaterdag of zondag van 10:00 uur tot 14:00 uur of van 13:00 uur tot 17:00 uur;

  • -

    4 weken achtereen een dag op zaterdag of zondag van 10:00 uur tot 19:00 uur;

  • -

    vervolgens een weekend per 14 dagen van zaterdag 10:00 uur tot zondag 19:00 uur;

  • -

    vervolgens een weekend per 14 dagen van vrijdag uit school tot zondag 19:00 uur;

  • -

    gedurende de helft van de gebruikelijke schoolvakanties, waarvan drie weken aaneengesloten in de zomervakantie, waarbij de verdeling aansluit op of aan het reguliere zorg-en opvoedingsweekend;

  • -

    de helft van de algemene feestdagen, waarvan in ieder geval met Sinterklaas, Kerstmis, Pasen in de oneven jaren op de 1e feestdag en Oud en Nieuw per jaar afgewisseld;

  • -

    bijzondere gelegenheden zoals de verjaardag van de kinderen (bij toerbeurt, te beginnen met 2015 bij de man), vaderdag en de verjaardag van de man,

waarbij het halen en brengen door partijen wordt gedeeld en op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- voor (samengevat) iedere keer dat de moeder in gebreke blijft.

De man verzoekt voorts om een machtiging deze beschikking uit te doen voeren met behulp van de sterke arm en te bepalen dat moeder onvoorwaardelijk zal meewerken aan omgangs-contacten, begeleidingstrajecten, onderzoeken of anderszins op te leggen maatregelen op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat zij in gebreke blijft.

3.2.2.

De moeder voert verweer.

3.2.3.

Zoals ter zitting gesproken zal de behandeling van de zaak op dit punt pro forma worden aangehouden zodat de raad voor de kinderbescherming onderzoek kan doen naar de omgangsregeling. Beide partijen hebben hun medewerking aan een dergelijk onderzoek toegezegd.

Informatie- en consultatieregeling

3.2.4.

De man heeft verzocht de volgende informatie- en consultatieregeling vast te stellen:

  • -

    de man zal bij iedere zich daarvoor lenende relevante gelegenheid die zich voordoet, op deugdelijke wijze worden geconsulteerd door de vrouw;

  • -

    de man zal per kwartaal door de vrouw op deugdelijke wijze per e-mail, whatsapp, brief, sms, telefoon of anderszins schriftelijk worden geïnformeerd over de (sociale) ontwikkelingen, activiteiten, gezondheid en medische zaken van [minderjarige] en, zolang er geen zorg-en opvoeding plaatsvindt, door de vrouw per drie maanden over te leggen een recente en goedgelijkende foto van [minderjarige] , met bepaling dat de man binnen twee weken na de datum van de beschikking voor het eerst geïnformeerd wordt en een foto ontvangt,

zulks op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere keer, nadat de vrouw, nadat twee dagen na betekening zijn verstreken, in gebreke blijft om aan de in dezen te wijzen beschikking te voldoen, een en ander zonder maximum vast te stellen.

3.2.5.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.2.6.

De rechtbank zal de raad voor de kinderbescherming vragen dit onderwerp mee te nemen in haar onderzoek. De behandeling van de zaak zal derhalve tevens op dit punt pro forma worden aangehouden.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijst het verzoek tot vernietiging van de erkenning af;

4.2.

verklaart de man niet ontvankelijk in zijn verzoek tot vervangende toestemming;

En alvorens verder te beslissen:

4.3.

bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 februari 2016 pro forma;

4.4.

verzoekt de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht om onderzoek of andere bemoeienis met betrekking de regeling inzake de verzochte omgangsregeling en de verzochte informatie-en consultatieregeling en tegen bedoelde datum aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;

4.5.

bepaalt dat - zodra de rechtbank in de onderhavige zaak de verzochte rapportage heeft ontvangen - partijen in de gelegenheid gesteld zullen worden hierop schriftelijk te reageren, waarna - indien nodig - de mondelinge behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een dan te bepalen datum en tijdstip;

4.6.

bepaalt dat partijen noch hun raadslieden op de genoemde datum behoeven te verschijnen.

Deze beschikking is gegeven door mr. Y.H.M. Marijs, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Ligthart op 7 oktober 2015.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.