Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:7477

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-10-2015
Datum publicatie
19-11-2015
Zaaknummer
C-10-462017 - HA ZA 14-1064
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbitraal tussen- of eindvonnis? Aanduiding ‘gedeeltelijk eindvonnis’ in de kop van document is niet doorslaggevend. Arbitrale vonnissen zijn voldoende met redenen omkleed, ondanks dat procedure bij rechtbank mogelijk tot een ander resultaat had geleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/32
TvA 2016/38
NTHR 2016, afl. 2, p. 102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/462017 / HA ZA 14-1064

Vonnis van 21 oktober 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UPS SCS (NEDERLAND) B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres,

advocaat mr. V. Holthuizen te Amsterdam

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BLOMSON INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Spaarndam,

gedaagde,

advocaat mr. T. van der Valk te Rotterdam.

Partijen zullen hierna UPS en Blomson genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 4 maart 2015

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 24 augustus 2015 en de daaraan gehechte pleitaantekeningen van mr. Holthuizen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

UPS heeft vanaf 2008 in opdracht van Blomson expediteursdiensten verricht, waaronder het inklaren van goederen (fietsonderdelen) uit China onder gebruikmaking van bepaalde Taric codes. Voor het gebruik van de gehanteerde codes was onder meer vereist dat Blomson beschikte over een vergunning bijzondere bestemmingen. Bij een controle door de Belastingdienst/douane is geconstateerd dat Blomson niet over deze vergunning beschikte, waarop de Belastingdienst/douane UPS een antidumpingheffing heeft opgelegd van € 292.950,70. Deze antidumpingheffing betreft zendingen in de periode van 20 november 2009 tot en met oktober 2012.

2.2.

UPS heeft de aan haar opgelegde antidumpingheffing aan Blomson doorbelast. Blomson heeft geweigerd de antidumpingheffing aan UPS te betalen. UPS heeft vervolgens op 11 februari 2013 een verzoek ingediend tot arbitrage op grond van de Nederlandse Expeditievoorwaarden van de Fenex (hierna: de Fenex-voorwaarden). Blomson heeft ingestemd met deze arbitrage, waarna er drie arbiters zijn benoemd. UPS vorderde in deze procedure van Blomson betaling van de antidumpingheffing vermeerderd met rente en incassokosten.

2.3.

Op 24 maart 2014 is door arbiters een beslissing geven met als opschrift ‘Arbitraal gedeeltelijk eindvonnis’. Deze uitspraak is op 28 maart 2014 gedeponeerd ter griffie van de rechtbank Rotterdam onder nummer 14.23. In dit vonnis is onder meer beslist dat de Fenex-voorwaarden in beginsel van toepassing zijn op de overeenkomst tussen UPS en Blomson. Arbiters hebben voorts geoordeeld dat UPS Blomson de Fenex-voorwaarden niet ter hand heeft gesteld, waardoor het beroep van Blomson op vernietiging van de door UPS gehanteerde Fenex-voorwaarden zou kunnen slagen. In het vonnis is UPS echter eerst in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de vraag of de voorwaarden voor Blomson gemakkelijk elektronisch toegankelijk waren op een door haar meegedeeld adres (artikel 6:230c onder 3 BW). Vervolgens heeft een nadere aktewisseling plaatsgevonden.

2.4.

Op 14 juli 2014 is door arbiters een ‘Arbitraal vonnis’ gewezen. Dit vonnis is op dezelfde datum gedeponeerd ter griffie van de rechtbank Rotterdam onder nummer 14.39. In dit vonnis is onder meer beslist dat de in het vonnis van 24 maart 2014 gegeven eindbeslissingen worden gehandhaafd. Met betrekking tot de toepasselijkheid van de Fenex-voorwaarden is geoordeeld dat artikel 6:230c BW werking toekomt ten aanzien van partijen. Voorts concluderen arbiters dat UPS niet voldaan heeft aan haar informatieplicht ex artikel 6:230c onder 2 en/of 3 BW. Arbiters komen op grond daarvan tot het oordeel dat dat Blomson de Fenex-voorwaarden tijdig en op goede gronden heeft vernietigd.

2.5.

In het vonnis van 14 juli 2014 is verder geoordeeld – verkort weergegeven – dat UPS geen beroep toekomt op artikel 8:66 en 8:67 BW of op artikel 7:406 BW. Arbiters zijn van oordeel dat het vermelden van de juiste goederencode de verantwoordelijkheid was van UPS als opdrachtnemer, zodat Blomson niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de door UPS geleden schade. De vorderingen van UPS zijn daarom afgewezen, met veroordeling van UPS in de kosten van de arbitrage van € 25.000,00 (exclusief btw).

3 Het geschil

3.1.

UPS vordert bij dagvaarding – samengevat – voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    vernietiging van de arbitrale vonnissen van 14 juli 2014 en 24 maart 2014 (beide met kenmerk 13/094-775) op grond van artikel 1064 Rv [oud];

  • -

    veroordeling van Blomson tot betaling aan UPS van de kosten van arbitrage van € 25.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente;

  • -

    veroordeling van Blomson in de proceskosten.

De vordering tot veroordeling van Blomson in de kosten van de arbitrage heeft UPS ter comparitie ingetrokken.

3.2.

UPS heeft ter onderbouwing van haar vorderingen aangevoerd – kort

weergegeven – dat:

  1. de arbitrale vonnissen niet met redenen zijn omkleed (artikel 1065 lid 1 onder d Rv), in het bijzonder omdat arbiters in het vonnis van 14 juli 2014 niet zijn ingegaan op verweren die van belang zijn ten aanzien van de vernietiging van de Fenex-voorwaarden. Daarnaast hebben arbiters ten onrechte het beroep van UPS op artikel 7:406 BW afgewezen;

  2. de totstandkoming van de arbitrale vonnissen in strijd is met de openbare orde (artikel 1065 lid 1 onder e Rv), nu het vonnis van 24 maart 2014 ten onrechte is aangeduid als gedeeltelijk eindvonnis. Vernietiging van het vonnis van 24 maart 2014 houdt in dat het vonnis van 14 juli 2014 – dat op het eerste vonnis voortbouwt – evenmin stand kan houden;

  3. arbiters zich niet aan de opdracht hebben gehouden (artikel 1065 lid 1 onder c Rv) door geen oordeel te geven over de acceptatie van de Fenex-voorwaarden door Blomson.

De tweede en derde grond zijn door UPS ter comparitie van partijen met instemming van Blomson ingetrokken.

3.3.

Blomson voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van UPS in de proceskosten, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente. Blomson heeft daartoe – kort weergegeven – aangevoerd dat de termijn voor vernietiging van het vonnis van 24 maart 2014 is verstreken en dat de totstandkoming en de motivering van de vonnissen niet gebrekkig is.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Beoordeeld moet worden of de arbitrale vonnissen wegens motiverings- of totstandkomingsgebreken vernietigd moeten worden. De wettelijke regeling ten aanzien van de vernietiging van een arbitraal vonnis is per 1 januari 2015 gewijzigd, als gevolg waarvan dergelijke vorderingen thans bij het gerechtshof moeten worden ingesteld. Op de onderhavige zaak blijft echter ingevolge artikel IV lid 2 Wijzigingswet Rv Modernisering arbitragerecht de tot 1 januari 2015 geldende regeling van toepassing, waardoor de rechtbank Rotterdam op grond van artikel 1064 lid 2 Rv [oud] bevoegd is om over deze zaak te oordelen. Onder de oude regeling is vernietiging slechts mogelijk, wanneer er geen hoger beroep openstaat van het arbitrale vonnis. Van de zijde van Blomson is ter comparitie bevestigd dat die mogelijkheid in dit geval niet openstond.

4.2.

Tegen een arbitraal tussenvonnis kan de vordering tot vernietiging slechts worden ingesteld tezamen met de vordering tot vernietiging van een arbitraal geheel of gedeeltelijk eindvonnis. In dat verband is de vraag gerezen of het vonnis van 24 maart 2014 als tussenvonnis dan wel als gedeeltelijk eindvonnis moet worden beschouwd. In het laatste geval is, zoals door Blomson is betoogd, de vordering tot vernietiging van dat vonnis gelet op het feit dat de dagvaarding op 1 oktober 2014 is betekend, te laat ingesteld. In artikel 1049 Rv [oud] is geen definitie gegeven van de term (gedeeltelijk) eindvonnis, maar uit de

– analoog op arbitrage toegepaste – jurisprudentie van de Hoge Raad over artikel 232 Rv volgt dat hiervan slechts sprake is wanneer in een uitdrukkelijk dictum aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde een einde wordt gemaakt (bevestigd voor het sinds 2002 geldende Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in ECLI:NL:HR:2003:AI0309). Dit criterium is vanaf 1 januari 2015 opgenomen in het nieuwe artikel 1049 Rv, waarmee de wetgever heeft beoogd de staande jurisprudentie van de Hoge Raad vast te leggen (Kamerstukken II, 33 611, nr. 3, Onderdeel LL). Hoewel in het vonnis van 24 maart 2014 wel enkele eindbeslissingen zijn opgenomen, is in het dictum nog niets beslist. Het vonnis is daarmee geen gedeeltelijk eindvonnis. Dat op het document zelf anders is vermeld, is niet van doorslaggevende betekenis. De vordering tot vernietiging hiervan kon op grond van artikel 1064 lid 4 Rv [oud] slechts worden ingesteld tegelijk met de vordering tot vernietiging van het eindvonnis van 14 juli 2014. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de vordering tot vernietiging van het tweede vonnis op tijd is gedaan, wordt geoordeeld dat de vordering tot vernietiging wat betreft beide arbitrale vonnissen tijdig is ingesteld.

4.3.

De stelling van UPS dat de arbitrale vonnissen niet met redenen zijn omkleed (artikel 1065 lid 1 onder d Rv) betreft enerzijds de motivering ten aanzien van de toepasselijkheid en vernietigbaarheid van de Fenex-voorwaarden (de acceptatie door Blomson en de mogelijkheid om van de Fenex-voorwaarden kennis te nemen) en anderzijds de motivering van de afwijzing van het beroep op artikel 7:406 BW van UPS. Tijdens de comparitie van partijen heeft UPS te kennen gegeven haar stellingen ten aanzien van de acceptatie van de Fenex-voorwaarden door Blomson niet langer te handhaven (arbiters hebben zoals opgemerkt onder 2.3 ook tot toepasselijkheid van de Fenex-voorwaarden geconcludeerd).

Hoewel de toetsing van de arbitrale vonnissen aan artikel 1065 lid 1 onder d Rv het inhoudelijke debat raakt, wordt vooropgesteld dat dit een marginale toetsing van de motiveringsplicht betreft en er dus geen ruimte is voor een nieuwe beoordeling van de inhoudelijke standpunten.

4.4.

Ten aanzien van de vernietigbaarheid van de Fenex-voorwaarden heeft UPS zich in haar akte na het vonnis van 24 maart 2014 uitgelaten over de wijze waarop zij aan haar verplichting op grond van artikel 6:230c onder 3 BW heeft voldaan. Een deel van de door UPS in haar akte aangevoerde argumenten over de vernietigbaarheid van de Fenex-voorwaarden was reeds in het vonnis van 24 maart 2014 besproken. Arbiters hebben, naar aanleiding van hetgeen door UPS in haar akte naar voren is gebracht, onder 4.2 van het vonnis van 14 juli 2014 geoordeeld dat UPS onvoldoende had aangetoond dat de door haar gehanteerde voorwaarden voor Blomson gemakkelijk elektronisch toegankelijk waren op een door UPS meegedeeld adres. Niet valt in te zien dat dit oordeel een uitgebreidere motivering behoefde dan in het vonnis is gegeven. Arbiters zijn met betrekking tot de vernietigbaarheid van de Fenex-voorwaarden onder 4.4 van het vonnis van 14 juli 2014 voorts ingegaan op het voor het eerst bij akte door UPS aangevoerde standpunt dat zij voldaan had aan haar informatieplicht op de wijze als beschreven in artikel 6:230c lid 2 BW. De rechtbank is dan ook van oordeel dat arbiters ten aanzien van de vernietigbaarheid van de Fenex-voorwaarden zijn ingegaan op de essentiële stellingen van UPS en deze voldoende gemotiveerd hebben verworpen.

4.5.

UPS heeft tijdens de arbitrage een beroep gedaan op artikel 7:406 BW. Dit beroep is door arbiters niet gehonoreerd, kort gezegd omdat verwezenlijking van het onderhavige risico (gebruik van de verkeerde Taric codes) volgens hen aan UPS is toe te rekenen. Deze beslissing is gemotiveerd in de overwegingen 5.3 tot en met 5.9 van het vonnis van 14 juli 2014. Deze motivering kent een logische opbouw, is begrijpelijk en relevant voor de beantwoording van de voorliggende rechtsvraag. Er is derhalve geen sprake van een motiveringsgebrek. Een eventueel ander oordeel van de civiele rechter op dit onderdeel van het geschil (door UPS is in dat verband verwezen naar ECLI:NL:RBROT:2014:6974), betreft een andere juridische interpretatie die, wat daarvan zij, niet afdoet aan de deugdelijkheid en de motivering van het oordeel in het vonnis van 14 juli 2014.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat de arbitrale vonnissen van 24 maart 2014 en 14 juli 2014 voldoende met redenen zijn omkleed. Nu niet is gebleken dat zich een andere vernietigingsgrond voordoet, is er dan ook geen reden voor vernietiging van deze vonnissen. De vorderingen van UPS worden derhalve afgewezen.

4.7.

UPS zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Blomson worden begroot op:

- griffierecht € 1.892,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 3.050,00

4.8.

Voor een zelfstandige veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten (€ 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat UPS niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak) een executoriale titel oplevert.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt UPS in de proceskosten, aan de zijde van Blomson tot op heden begroot op € 3.050,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na uitspraak van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A. Baggerman en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2015.

2711/2537