Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:7286

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-10-2015
Datum publicatie
16-10-2015
Zaaknummer
ROT 14/4548
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wwb - artikel 54, vierde lid - intrekking na opschorting - in beroep gevraagde gegevens overgelegd - 9 dagen na intrekking toekenning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Zittingsplaats Dordrecht

Team Bestuursrecht 1

zaaknummers: ROT 14/4548

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 oktober 2015 in de zaak tussen

[naam] , te Dordrecht, eiseres,

gemachtigde: mr. T.M. Briggeman,

en

het Drechtstedenbestuur, verweerder,

gemachtigde: M. de Wolf.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2014 (bestreden besluit 1) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 21 november 2013 (het primaire besluit) ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is op de zitting van 10 april 2015 gevoegd behandeld met de zaak ROT 14/4547. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Ter zitting is het onderzoek geschorst.

Op 11 mei 2015 heeft verweerder een vervangend besluit (bestreden besluit 2) genomen.

Het beroep wordt mede gericht geacht tegen bestreden besluit 2.

Nadat partijen toestemming hebben verleend voor het achterwege laten van een nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Na de sluiting van het onderzoek zijn de gevoegde zaken gesplitst.

Overwegingen

1.1.

Eiseres ontving ten tijde van belang een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) van verweerder. In verband met de rechtmatigheid van deze uitkering heeft verweerder onderzoek ingesteld naar de financiële situatie van eiseres. In het kader van dat onderzoek is eiseres bij brief van 31 oktober 2013 verzocht een kopie van het laatste dagafschrift van haar spaarrekening(en) en/of spaarboek(jes) in te leveren.

Eiseres is vervolgens bij brief van 11 november 2013 uitgenodigd om tijdens een gesprek op 13 november 2013 afschriften van haar bankrekening(en) en spaarrekening(en) over de periode van 1 juni tot en met 1 november 2013 mee te brengen. Eiseres is, met bericht van ziekmelding, niet verschenen op deze afspraak.

1.2.

Bij besluit van 13 november 2013 (het opschortingsbesluit) heeft verweerder met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wwb het recht op bijstand van eiseres met ingang van 31 oktober 2013 opgeschort. Hierbij is eiseres in de gelegenheid gesteld de gevraagde gegevens uiterlijk binnen 7 dagen na verzending van het besluit (lees: voor 20 november 2013) alsnog in te leveren.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder 1) de over de periode van 1 juni 2013 tot en met 31 oktober 2013 aan eiseres toegekende bijstand herzien, 2) de aan eiseres toegekende bijstand met ingang van 1 oktober 2013 ingetrokken en 3) de over de periode van 1 juni 2013 tot en met 7 november 2013 aan eiseres betaalde bijstand tot een bedrag van € 5.262,15 van eiseres teruggevorderd.

3. Verweerder heeft aan bestreden besluit 1 ten grondslag gelegd dat eiseres over de periode van 1 juni 2013 tot en met 31 oktober 2013 niet de originele dagafschriften heeft ingeleverd van haar internetspaarrekening bij de ABN-AMRO (NL52 ABNA 0545 8465 60).

4. Eiseres heeft de gevraagde afschriften in beroep overgelegd. Verweerder heeft in reactie op de in beroep overgelegde gegevens bestreden besluit 2 genomen, waarbij hij uitsluitend de in het bestreden besluit opgenomen intrekking van de bijstand na opschorting (onderdeel 2) per 13 november 2013 heeft gehandhaafd.

Verder blijkt uit de stukken dat aan eiseres met ingang van 22 november 2013 opnieuw bijstand is verleend.

5. Partijen verschillen uitsluitend nog van opvatting over het antwoord op de vraag of verweerder met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Wwb terecht en op goede gronden heeft besloten het recht op uitkering met ingang van 13 november 2013 in te trekken.

6. Eiseres heeft betoogd dat zij de in het opschortingsbesluit gevraagde informatie niet heeft verstrekt omdat zij in een situatie verkeerde waarin het voor haar niet mogelijk was om alle gevraagde informatie direct te verstrekken. Eiseres ontving wegens internetbankieren geen bankafschriften meer en beschikte niet meer over een inlogcode. Zij heeft zich op 12 november 2013 tot de bank gewend voor het opnieuw aanvragen van een nieuwe inlogcode. Tussentijdse overzichten kunnen volgens de bank alleen met de nodige moeite worden geleverd. Verder heeft eiseres erop gewezen dat haar per 22 november 2013 opnieuw een uitkering is verstrekt. Kennelijk speelde het ontbreken van de dagafschriften daarbij geen enkele rol. De toekenning per 22 november 2013 valt niet te rijmen met het gehandhaafde besluit de uitkering met ingang van 13 november 2013 in te trekken.

7.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de Wwb gewijzigd en vernoemd tot Participatiewet. Uit het daarbij gegeven overgangsecht volgt dat dit geding wordt beoordeeld naar het voor die datum geldende recht, dus de Wwb.

7.2.

Op grond van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevraagde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt, dan wel anderszins onvoldoende medewerking heeft verleend en hem dit te verwijten valt, het recht op bijstand opschorten vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft.

Op grond van het tweede lid doet het college mededeling van de opschorting aan belanghebbende en nodigt hem uit binnen de door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.

Artikel 54, vierde lid, van de Wwb bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

7.3.

Eiseres heeft tegen het opschortingsbesluit geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dat in rechte vaststaat.

7.4.

Bij de beantwoording van de vraag of verweerder op grond van artikel 54, vierde lid, van de Wwb bevoegd was tot intrekking van het besluit tot toekenning van bijstand staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt.

Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:857) komt bij de beoordeling van een besluit tot intrekking van bijstand na en in verband met de opschorting van het recht daartoe in beginsel geen betekenis toe aan gegevens of stukken die tijdens de bezwaarfase (of in beroep) alsnog zijn verstrekt.

7.5.

In dit geval is niet in geschil dat eiseres de gevraagde stukken niet heeft verstrekt binnen de daartoe gestelde termijn. Eiseres kan hiervan een verwijt worden gemaakt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in het opschortingsbesluit duidelijk staat vermeld welke gegevens (bankafschriften) eiseres nog moest aanleveren en wat de gevolgen (kunnen) zijn van het niet-tijdig aanleveren. Eiseres heeft de gegevens niet ingeleverd en ook geen contact opgenomen met verweerder voor bijvoorbeeld het vragen van uitstel.

Hieruit volgt dat verweerder bevoegd was de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Wwb met ingang 13 november 2013 in te trekken. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen grond om te oordelen dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken. Dat verweerder eiseres per 22 november 2013 zonder te beschikken over de eerder gevraagde bankafschriften opnieuw een uitkering heeft toegekend, brengt, wat hier ook van zij, geen verandering in dit oordeel, nu de rechtmatigheid van het toekenningsbesluit niet ter discussie staat.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, voorzitter, en mr. A.M.E.A. Neuwahl en mr. I.S. Vreken-Westra, leden, in aanwezigheid van J. Bijleveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.