Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:7100

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-08-2015
Datum publicatie
06-10-2015
Zaaknummer
C/10/482253 / KG ZA 15-871
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

vordering opheffen conservatoir beslag / is vordering uitzendbureau een bevoorrechte vordering ex art. 8:821 aanhef en onder sub b BW? Nee. / geen uitzicht op voldoening vordering bij executoriale verkoop – misbruik van bevoegdheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2016/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/482253 / KG ZA 15-871

Vonnis in kort geding van 20 augustus 2015

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. T.C. Wiersma te Amsterdam,

tegen

de rechtspersoon naar vreemd recht

GYRON CREW INC.,

gevestigd te Manila, Filippijnen

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. T. Bezmalinovic te Rotterdam.

Partijen zullen hierna ABN en Gyron genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 7 augustus 2015 met producties 1 tot en met 13

  • -

    de akte houdende overlegging producties 1 tot en met 10 van de zijde van Gyron

  • -

    de door Gyron op 17 augustus 2015 overgelegde producties 11 en 12

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 18 augustus 2015

  • -

    de pleitnota van ABN

  • -

    de akte houdende exceptie van onbevoegdheid van de zijde van Gyron

  • -

    de pleitnota van Gyron.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 18 respectievelijk 27 april 2011 hebben ABN en de vennootschap onder firma [bedrijf1] (hierna te noemen “ [bedrijf1] ”) in het kader van de (voortgezette)

financiering van de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf1] als binnenvaartschippersbedrijf

en de aan haar in eigendom toebehorende binnenvaartschepen de [schip1] en de [schip2] een kredietovereenkomst gesloten, omvattende een voortgezette lening van € 820.750,00 en de terbeschikkingstelling van een rekening-courantkrediet van € 82.500,00 (hierna te noemen de “kredietovereenkomst”).

2.2.

Ter verzekering van hetgeen ABN ter zake de kredietovereenkomst van [bedrijf1] te vorderen had en nog nader te vorderen zou kunnen krijgen, werd aan ABN bij hypotheekakten van 5 november 2001 en 25 oktober 2010 onder meer een recht van eerste hypotheek verleend op de [schip1] en de [schip2] voor een totaalbedrag van € 1.813.000,00 inclusief rente en kosten.

2.3.

Op 6 november 2014 heeft Gyron met toestemming van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg conservatoir beslag doen leggen op de [schip1] voor een op € 23.930,00 (inclusief rente en kosten) begrote vordering op [bedrijf1] .

2.4.

Vervolgens heeft Gyron ten aanzien van haar vordering op [bedrijf1] een bodemprocedure bij de Rechtbank Rotterdam, team kanton, aanhangig gemaakt, welke procedure thans nog loopt. Ten aanzien van een deel van die vordering hebben [bedrijf1] en Gyron een regeling getroffen. Deze regeling voorziet in een maandelijkse betalingsverplichting van [bedrijf1] , die deze tot op heden nakomt. Op dit moment beloopt de vordering van Gyron op [bedrijf1] nog een bedrag van ongeveer € 10.000,00, waarvan ongeveer € 7.000,00 door [bedrijf1] wordt betwist.

2.5.

Op 11 februari 2015 heeft ABN de kredietovereenkomst opgezegd, wegens het niet voldoen door [bedrijf1] van haar aflossings- en rentebetalingsverplichtingen onder aanzegging van de verkoop van de schepen de [schip1] en de [schip2] . ABN heeft, te rekenen per 29 juli 2015, van [bedrijf1] een bedrag te vorderen van € 874.155,43.

2.6.

Sedert februari 2015 is getracht de schepen onderhands te verkopen. Op 17 juli 2015 heeft [bedrijf1] ten aanzien van de [schip1] een koopovereenkomst gesloten met de vennootschap onder firma Danmartrans (hierna te noemen de “koper”) voor een verkoopprijs van € 550.000,00.

2.7.

De koper heeft bedongen dat de levering van de [schip1] , vrij van beslag, zal plaatsvinden binnen drie werkdagen na de doorhaling van de op het schip rustende tweede hypotheek (waarvoor de volmacht op 17 augustus 2015 is ondertekend).

3 Het incidentele geschil en de beoordeling daarvan

3.1.

Gyron vordert bij incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid dat de voorzieningenrechter te Rotterdam zich onbevoegd verklaart en zij verzoekt de zaak te verwijzen naar de voorzieningenrechter van de Rechtbank Limburg, locatie Maastricht.

Gyron voert hiertoe het volgende aan.

Het verlof tot het leggen van beslag is verleend door de voorzieningenrechter van de Rechtbank Limburg, locatie Maastricht. Op grond van artikel 705 lid 1 Rv is deze rechter bevoegd om in kort geding het beslag op vordering van elke belanghebbende op te heffen. Zodoende is enkel die voorzieningenrechter bevoegd om van deze zaak kennis te nemen, te meer nu ABN niet heeft gesteld wat haar belang is om de zaak bij de rechtbank Rotterdam aanhangig te maken.

Daarnaast heeft Gyron een vestiging in Werkendam, zodat, indien ABN de vordering in een bodemprocedure had ingesteld, de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda bevoegd zou zijn geweest.

3.2.

ABN voert verweer en verzoekt de incidentele vordering van Gyron af te wijzen.

3.3.

De incidentele conclusie is tijdig en voor alle weren genomen, zodat Gyron ontvankelijk is in het incident.

3.4.

In artikel 705 lid 1 Rv is bepaald dat, onverminderd de bevoegdheid van de gewone rechter, de voorzieningenrechter die verlof heeft gegeven tot het beslag, het beslag op vordering van elke belanghebbende kan opheffen. Het gaat daarbij om een aanvullende bevoegdheid van de voorzieningenrechter die het beslagverlof heeft verleend, naast de bevoegdheid die welke uit artikel 254 Rv voortvloeit. Onjuist is de (mogelijke) opvatting van Gyron dat de eisende partij een (bijzonder) belang moet hebben bij het aanhangig maken van de procedure tot het opheffen van het beslag bij de rechter die uit hoofde van artikel 254 Rv bevoegd is en zodoende geen gebruik maakt van de in artikel 705 lid 1 Rv opgenomen aanvullende bevoegdheid.

Uit de stukken volgt dat in dit geval ook de voorzieningenrechter te Rotterdam bevoegd is.

Op grond van artikel 99 Rv is bevoegd de rechter van de woonplaats van de gedaagde partij. Nog daargelaten wat de woonplaats van Gyron is, kan zij op grond van artikel 1:15 BW een andere woonplaats dan haar werkelijke kiezen, indien de wet haar daartoe verplicht. Op grond van artikel 565 lid 2 Rv is de executant, in dit geval Gyron, verplicht in het proces-verbaal van beslaglegging tot het einde van de executie woonplaats te kiezen in Nederland, waarbij op grond van 728 lid 2 Rv, in plaats van bij een notaris, woonplaats kan worden gekozen ten kantore van de deurwaarder. Uit het proces-verbaal van beslaglegging blijkt dat Gyron woonplaats heeft gekozen ten kantore van de beslagleggende deurwaarder te Rotterdam. Dit houdt in dat in deze (mede) bevoegd is de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam, zodat de incidentele vordering wordt afgewezen.

3.5.

Gyron zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld, aan de zijde van ABN begroot op € 408,00.

4 Het geschil in de hoofdzaak

4.1.

ABN vordert, na haar eiswijziging, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

Primair

Opheffing van het op 6 november 2014 namens Gyron op de [schip1] gelegde beslag;

Subsidiair

Gyron te bevelen om tot opheffing van het beslag over te gaan (door schriftelijke bevestiging daarvan aan de beslagleggende deurwaarder met gelijktijdige verzending van kopie van de bevestiging aan de advocaat van [bedrijf1] en aan die van ABN) indien en nadat ABN aan de advocaat van Gyron ten behoeve van Gyron zal hebben doen afgeven een originele en door ABN ondertekende bankgarantie met de tekst en bewoordingen van het formulier zoals door ABN in het geding gebracht als productie 12 en wel binnen 24 uur na zodanige afgifte en in dit verband, voor zover nodig, medewerking aan de doorhaling van het beslag in het scheepsregister, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Gyron met zodanige opheffing na verloop van die 24 uur na afgifte in gebreke blijft en met een maximum van € 500,000,00;

Primair en Subsidiair

veroordeling van Gyron in de proceskosten.

4.2.

Gyron voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in de hoofdzaak

Ontvankelijkheid ABN

5.1.

Uit het verweer van Gyron kan worden opgemaakt dat zij aan de zijde van ABN geen spoedeisend belang aanwezig acht, nu het beslag reeds negen maanden geleden is gelegd. De voorzieningenrechter volgt Gyron niet in dit verweer. Het spoedeisend belang is ontstaan door de verplichting van [bedrijf1] om de [schip1] op korte termijn te leveren. Niet ter discussie staat dat het doorgaan van die levering in het belang van ABN is, omdat, gelet op de huidige marktomstandigheden, een goede koopprijs voor de [schip1] is bedongen. Daaraan doet niet af dat het enkele maanden heeft geduurd voordat een koper werd gevonden. In deze omstandigheden is het spoedeisend belang van ABN gegeven. Volledigheidshalve overweegt de voorzieningenrechter dat niet is betwist dat ABN een belanghebbende is in de zin van artikel 705 lid 1 Rv. ABN is dan ook ontvankelijk in haar vordering.

Opheffing conservatoir beslag

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat het beslag bevoegdelijk door Gyron op 6 november 2014 is gelegd. Ten aanzien van de vordering tot opheffing van het beslag wordt als volgt geoordeeld.

5.3.

Onherroepelijkheid beslag

Gyron heeft aangevoerd dat ABN als belanghebbende en feitelijk onderhandelaar heeft ingestemd met en gebonden is aan de tussen Gyron en [bedrijf1] overeengekomen onherroepelijkheid van het varend beslag op de [schip1] totdat het niet-betwiste deel van de vordering zou zijn afbetaald en de kantonrechter uitspraak zou hebben gedaan omtrent het betwiste deel van de vordering, hetgeen thans nog niet het geval is. Haar vordering tot opheffing van het beslag zou dan ook moeten worden afgewezen, aldus Gyron.

De voorzieningenrechter deelt dit standpunt niet. In de eerste plaats is van belang dat uit een e-mail van de advocaat van [bedrijf1] , overgelegd door ABN, volgt dat [bedrijf1] zich op het standpunt stelt dat zij met Gyron geen onherroepelijkheid van het beslag is overeengekomen, maar uitsluitend dat gedurende de procedure bij de kantonrechter niet “het varende van het beslag” zal worden gehaald. Wat daar verder ook van zij, zelfs al zou moeten worden uitgegaan van de door Gyron bedoelde afspraak, dan is niet aannemelijk geworden dat ABN hieraan gebonden is of afstand heeft gedaan van haar bevoegdheid om opheffing van het beslag te vorderen. Op 11 november 2014 heeft ABN zich weliswaar bereid verklaard om ter finale kwijting in de zaak tussen Gyron en [bedrijf1] een bedrag van € 2.000,00 beschikbaar te stellen, welk voorstel direct door Gyron is afgewezen, maar vervolgens heeft de advocaat van [bedrijf1] de onderhandeling met Gyron gevoerd naar aanleiding waarvan afspraken zijn gemaakt. Behalve die aanvankelijke bereidheid van ABN om bij te dragen aan een definitieve oplossing van het geschil tussen [bedrijf1] en Gyron, heeft Gyron geen concrete feiten gesteld waaruit de gebondenheid van ABN of de afstand van recht zou kunnen worden afgeleid. In dit verband is van belang dat de (actieve) rol die Gyron ABN toedicht bij de onderhandelingen en de uitvoering van de afspraken door ABN zijn betwist en vervolgens niet door Gyron zijn onderbouwd. Het enkele feit dat [bedrijf1] bij ‘Bijzonder Beheer’ van ABN zit is in dit verband onvoldoende.

Dit geldt ook voor het verweer dat ABN [bedrijf1] zou aanzetten tot wanprestatie jegens Gyron. Nog daargelaten dat dit verweer niet tot afwijzing van de vordering zou kunnen leiden, is een dergelijk aanzetten, indien al sprake zou zijn van wansprestatie van de zijde van [bedrijf1] , niet gebleken.

5.4.

Summierlijk ondeugdelijke vordering

De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag.

5.5.

Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is. ABN heeft, gezien de door Gyron bij productie 6 overgelegde overzichten, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de vordering van Gyron op [bedrijf1] ondeugdelijk of onnodig is.

5.6.

Misbruik van recht

De voorzieningenrechter begrijpt de stellingen van ABN aldus dat zij zich op het standpunt stelt dat de weigering van Gyron om het conservatoir beslag van de [schip1] af te halen als misbruik van recht en daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt, nu gezien de hoogte van de (onderhandse) verkoopprijs van de [schip1] , de hoogte van de vordering van ABN en de omstandigheid dat de vordering van Gyron op [bedrijf1] niet bevoorrecht is in de zin van artikel 8:821 aanhef en onder sub b BW, Gyron geen zicht heeft op voldoening van de door haar gestelde vordering en aldus geen belang heeft bij handhaving van het beslag.

5.7.

Hieromtrent oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.

Vast staat dat [bedrijf1] , als gevolg van de opzegging van de kredietovereenkomst met ABN, een bedrag van € 874.155,43 aan ABN verschuldigd is. Vast staat ook dat [bedrijf1] , na enkele maanden zoeken, een partij bereid heeft gevonden de [schip1] te kopen voor een bedrag van € 550.000,00. Gyron heeft niet betwist dat dit, gelet op de huidige marktomstandigheden, een goede prijs is. Volgens ABN zal de koopprijs bij een eventuele executoriale verkoop lager zijn dan voornoemde verkoopprijs, hetgeen evenmin door Gyron is betwist. Voorts staat vast dat de [schip2] onverkoopbaar is.

Dit betekent dat Gyron, gezien de verkoopopbrengst bij zowel onderhandse als executoriale verkoop van de [schip1] en de hoogte van de vordering van ABN op [bedrijf1] uit hoofde van de lening onder hypothecair verband, geen zicht heeft op voldoening van (een deel van) haar vordering, tenzij haar vordering bevoorrecht is boven alle andere vorderingen (waaronder de vordering van ABN) op grond van artikel 8:821 aanhef en onder sub b BW.

5.8.

Tussen partijen is in geschil of de vordering van Gyron op [bedrijf1] bevoorrecht is als bedoeld in artikel 8:821 aanhef en onder sub b BW.

Dit artikel bepaalt dat een vordering op een binnenschip ontstaan uit de arbeidsovereenkomsten van de schipper of de andere leden der bemanning bevoorrecht is boven alle andere vorderingen waaraan bij een wet een voorrecht is toegekend, met dien verstande dat de vorderingen met betrekking tot loon, salaris of beloningen slechts bevoorrecht zijn tot op een bedrag over een tijdvak van zes maanden verschuldigd.

Tussen partijen staat vast dat Gyron aan [bedrijf1] een bemanningslid ter beschikking heeft gesteld ten behoeve van werkzaamheden op de [schip1] , zulks op basis van een tussen Gyron en [bedrijf1] gesloten overeenkomst. Voorts staat vast dat het loon reeds aan dit bemanningslid is uitbetaald. De vordering die Gyron stelt te hebben op [bedrijf1] heeft betrekking op de tegenprestatie die [bedrijf1] (volgens Gyron) verschuldigd is in verband met deze terbeschikkingstelling. Gyron meent dat deze vordering op grond van voornoemd artikel eveneens bevoorrecht is en rang neemt boven de vordering van ABN op [bedrijf1] .

Het aan de vordering ex artikel 8:821 aanhef en onder sub b BW verbonden hoge voorrecht strekt ertoe, met het oog op de bescherming van de belangen van het bemanningslid, diens verhaalsmogelijkheden voor zijn loonvordering zo veel mogelijk te waarborgen. In dit geval is het loon reeds aan het betrokken personeel uitbetaald, zodat het belang dat deze regeling beoogt te beschermen al is gewaarborgd. De vordering van Gyron op [bedrijf1] kan niet met de loonvordering van de bemanning worden gelijk gesteld, nu het bij de vordering van Gyron niet gaat om loon maar om een vergoeding voor de door Gyron als uitzendbureau verleende diensten.

De voorzieningenrechter acht het niet aannemelijk dat de rechter in een eventuele bodemprocedure zal oordelen dat ook de vordering van het uitzendbureau dat het desbetreffende bemanningslid ter beschikking heeft gesteld, net als de vordering van het bemanningslid zelf, bevoorrecht is. Dit geldt te minder in de situatie, zoals hier, dat het betrokken bemanningslid zijn loon al betaald heeft gekregen. Dat een deel van de vordering van Gyron betrekking heeft op de loonkosten die zij heeft moeten maken ten aanzien van dat bemanningslid, maakt dit naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet anders. Ook is niet van belang dat het voorrecht mede toekomt aan bemanningsleden die als uitzendkracht werkzaam zijn. Ook dan is slechts de loonvordering van het bemanningslid zelf en niet de vordering van het uitzendbureau (of crewing agent) bevoorrecht. Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat de vordering van Gyron op [bedrijf1] niet bevoorrecht is.

5.9.

Gezien het in 5.7 overwogene is het aannemelijk geworden dat de verkoopopbrengst met betrekking tot de [schip1] niet toereikend zal zijn om (een deel van) de niet-bevoorrechte vordering van Gyron te kunnen voldoen. Dit brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat handhaving van het beslag door Gyron misbruik van bevoegdheid oplevert. Het beslag dient immers tot verhaal op het beslagen vermogen en niet – bijzondere omstandigheden daargelaten – om de beslagene (en in dit geval ook de hypotheekhouder) op oneigenlijke wijze in een dwangpositie te brengen en zodoende het beslag enkel als pressiemiddel te gebruiken om, hoewel haar vordering geen rang neemt boven de vordering van ABN, alsnog een deel van haar vordering voldaan te krijgen.

Dat Gyron het beslag in deze enkel gebruikt als pressiemiddel is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden. Bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld zijn gesteld noch gebleken. Daar komt bij dat hier sprake is van een vordering van ABN ad € 874.155,43 tegen een relatieve geringe resterende vordering van Gyron van (nu nog) € 10.000,00, waarvan tevens nog een deel betwist wordt. Door de handhaving van het beslag maakt Gyron de incasso door ABN van een substantieel deel van haar vordering door middel van de meer winstgevende route van onderhandse verkoop onmogelijk, zonder dat Gyron daarbij een rechtens te respecteren belang heeft.

Al met al is de voorzieningenrechter van oordeel dat Gyron door handhaving van het beslag misbruik van bevoegdheid maakt. De primaire vordering zal dan ook als hierna bepaald worden toegewezen. Aan een beoordeling van de subsidiaire vordering komt de voorzieningenrechter derhalve niet toe.

5.10.

Proceskosten

Gyron zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ABN worden begroot op:

- dagvaarding € 94,19

- griffierecht 613,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.523,19

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in het incident

6.1.

wijst de vordering af,

6.2.

veroordeelt Gyron in de proceskosten, aan de zijde van ABN tot op heden begroot op € 408,00,

in de hoofdzaak

6.3.

heft op het door Gyron op 6 november 2014 ten laste van [bedrijf1] op het binnenvaartschip de [schip1] gelegde beslag,

6.4.

veroordeelt Gyron in de proceskosten, aan de zijde van ABN tot op heden begroot op € 1.523,19,

6.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

6.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2015.2026/1980