Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:7040

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-09-2015
Datum publicatie
02-10-2015
Zaaknummer
3890184 CV EXPL 15-8621
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verschuldigdheid van overliggeld in verband met vertraging. Artikel 8:932 lid 1 BW. Artikel 8:931 lid 6 BW. Tijdelijk besluit laden en lossen binnenvaart van 8 juli 2014.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 3890184 CV EXPL 15-8621

datum: 18 september 2015

vonnis van de kantonrechter, zittinghoudende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres],

gevestigd te Groningen,

eiseres,
gemachtigde: Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders B.V.,

tegen

[gedaagde] ,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,
gedaagde,

verschenen in persoon.


Eiseres zal hierna [eiseres] genoemd worden en gedaagde [gedaagde] .

1 Het verloop van de procedure


Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 5 februari 2015, met producties;

  • -

    de aantekeningen van 4 maart 2015 van de mondelinge genomen conclusie van [gedaagde] ;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van de rolzitting van 7 april 2015;

  • -

    de conclusie van repliek van [eiseres] ;

  • -

    de aantekeningen van 2 juni 2015 van het mondelinge antwoord van [gedaagde] ;

  • -

    de conclusie van dupliek van [gedaagde] , met producties.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil
2.1 [eiseres] heeft gevorderd [gedaagde] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting van € 1.949,77, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 3 februari 2015 over een bedrag van € 1.651,65 tot de dag van de algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, waaronder de nakosten.

2.2

[eiseres] heeft hieraan de volgende stellingen ten grondslag gelegd - weergegeven voor zover relevant:

- [gedaagde] heeft [eiseres] op maandag 18 augustus opgedragen tot het vervoer per schip van een kolli van 361.100 kg met maten 10.66 m x 5.32 x 4.50 m [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) in Vlissingen naar Keulen in Duitsland;

- de prijs van dit vervoer bedroeg € 21.500,-- exclusief BTW (€ 26.015,-- inclusief BTW);

- [eiseres] heeft [gedaagde] vervolgens per e-mailbericht van 18 augustus 2014 om 19:35 uur (prod. 1 van [eiseres] ) bericht dat dit transport uitgevoerd zou worden met het ms ‘Laus-Deo’, dat op dinsdag 19 augustus 2014 om 7:00 uur zou arriveren bij [bedrijf] in Vlissingen;

- als gevolg van een storing in een kraan van [bedrijf] was het niet mogelijk de ‘Laus-Deo’ op dinsdag 19 augustus 2014 te beladen; [eiseres] heeft [gedaagde] hiervan per e-mailbericht van dinsdag 19 augustus 2014 (prod. 2 van [eiseres] ) op de hoogte gebracht; in dit e-mailbericht heeft [eiseres] [gedaagde] ook geïnformeerd over de extra kosten die door deze vertraging zouden ontstaan;

- de ‘Laus-Deo’ is uiteindelijk beladen op woensdag 20 augustus 2014 om 15:30 uur, zoals ook blijkt uit het laaddocument (prod. 3 van [eiseres] );

- als gevolg van genoemde vertraging in de belading was [eiseres] een bedrag van
€ 1.365,-- exclusief BTW (€ 1.651,65 inclusief BTW) verschuldigd aan extra liggeld (21 uren x € 65,-- exclusief BTW (€ 78,65 inclusief BTW)); [eiseres] heeft [gedaagde] hiervan per e-mailbericht van woensdag 20 augustus 2014 (prod. 4 van [eiseres] ) op de hoogte gebracht;

- ook na terzake in gebreke te zijn gesteld (prod. 6 van [eiseres] ) heeft [gedaagde] de factuur van 5 september 2014 inzake het liggeld ten bedrage van € 1.651,65 inclusief BTW (prod. 5 van [eiseres] ) onbetaald gelaten;

- nu [gedaagde] ondanks aanmaningen niet aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, heeft [eiseres] de vordering ter incasso uit handen gegeven aan een incasso-intermediair, ter vergoeding waarvan zij deze incasso-intermediair een bedrag van € 247,75 heeft betaald, overeenkomstig het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten; [gedaagde] is ook dit bedrag derhalve verschuldigd.

2.3

[gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

2.4

Hiertoe heeft [gedaagde] het volgende aangevoerd - weergegeven voor zover relevant:
- [gedaagde] heeft op 12 augustus 2014 een opdracht van Ultra Bag AG te Basel, Zwitserland (hierna: Ultra Bag) aanvaard voor het vervoer van een kolli (een generator) van Vlissingen naar Keulen, Duitsland, met als aankomsttijd 6:00 uur op donderdag 21 augustus 2014;

- ter uitvoering van deze opdracht heeft [gedaagde] op haar beurt een binnenvaartschip laten stellen door [eiseres] ;

- genoemde opdracht van Ultra Bag aan [gedaagde] betrof uitsluitend het vervoer van de kolli; voor het laden van de kolli met een kraan in Vlissingen heeft Ultra Bag opdracht gegeven aan [bedrijf] ; voor het uitladen per kraan van de kolli in Keulen heeft Alstom, die op haar beurt opdrachtgever was van Ultra Bag, opdracht gegeven aan [eiseres] ;

- wegens een defecte kraan kon de ‘Laus-Deo’ niet volgens planning geladen worden; de feitelijke laadtijd heeft ongeveer 33 uur bedragen, te weten van dinsdag 19 augustus 2014 om 7:00 uur tot woensdag 20 augustus 2014 om 15:30 uur;

- er bestaat geen reden waarom [gedaagde] de gevorderde liggelden van in totaal € 1.365,-- exclusief BTW verschuldigd is;

- ten eerste geldt dat [eiseres] en [gedaagde] nooit zijn overeengekomen dat eventuele extra kosten, zoals liggelden en kosten van de supervisor, in rekening gebracht konden worden bij de opdrachtgever, [gedaagde] ; de opdracht omvat het vervoer per binnenvaartschip van een kolli van Vlissingen naar Keulen met als uiterste aankomstdatum donderdag 21 augustus 2014 tegen een vaste prijs - ‘en bloc’, zoals is vermeld in het e-mailbericht van 18 augustus 2014 van [gedaagde] aan [eiseres] ; andere voorwaarden zijn niet overeengekomen; zulke andere voorwaarden zijn evenmin om andere redenen van toepassing;

- hierbij komt dat in het onderhavige geval in het geheel geen liggelden verschuldigd zijn; zie het Tijdelijk besluit laden en lossen binnenvaart van 8 juli 2014 (bijlage I bij conclusie van dupliek); dit besluit, dat van regelend recht is, is in het onderhavige geval van toepassing, omdat [gedaagde] en [eiseres] niet anders zijn overeengekomen op dit punt; op grond van dit besluit geldt voor de door [eiseres] te vervoeren kolli - deze betreft de laagste gewichtscategorie - een laadtijd van 39 uur; eerst bij overschrijding hiervan is overliggeld verschuldigd;

- ten tweede geldt dat de vermeende kosten van liggelden niet voor rekening van [gedaagde] komen; zoals [eiseres] heeft aangegeven, zijn deze kosten immers ontstaan door vertraging bij het laden van de kolli wegens een defecte kraan, een vertraging die niet door [gedaagde] is veroorzaakt en ook niet aan [gedaagde] valt toe te rekenen of in diens risicosfeer ligt;

- ten derde is het zo dat [eiseres] in strijd met het vaste gebruik in de binnenscheepvaart alsmede met goed opdrachtnemerschap verzuimd heeft [gedaagde] tijdig op de hoogte te stellen van het feit dat er aanzienlijke vertraging was ontstaan bij het laden van de kolli; was dat wél gebeurd, dan had [gedaagde] zonodig andere maatregelen kunnen treffen om eventuele schade te beperken; nu [gedaagde] daartoe niet in de gelegenheid is gesteld, moeten ook om deze redenen de kosten van de liggelden voor rekening van [eiseres] blijven;

- daarnaast komt het [gedaagde] niet meer dan redelijk voor dat de liggelden inbegrepen worden geacht in het genoemde bedrag van € 21.500,-- ter zake van de opdracht van [gedaagde] aan [eiseres] , dat immers buitensporig hoog is en niet marktconform;

- dat [eiseres] geen liggelden bij Alstom in rekening heeft gebracht moet voor rekening van [eiseres] blijven;

- de werkzaamheden van de deurwaarder zijn zeer beperkt geweest en moeten beschouwd worden als verrichtingen ter voorbereiding van de gedingstukken; [gedaagde] is dan ook geen buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd;

- voor zover de vordering van [eiseres] tot betaling van de hoofdsom geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen, is [gedaagde] van mening dat de vertraging die het gevolg is van het tweemaal door [eiseres] verzochte uitstel voor het nemen van een conclusie van repliek voor rekening van [eiseres] moet blijven en eventueel verschuldigde wettelijke rente niet over de periode van deze vertraging kan worden toegewezen.

3
3. De beoordeling

3.1

Als onbetwist gesteld is komen vast te staan dat [eiseres] geen afspraken met [gedaagde] heeft gemaakt over de verschuldigdheid van overliggeld. Naar niet in geschil is, is op de bepaling van de hoogte van overliggeld dan ook van toepassing het Tijdelijk besluit laden en lossen binnenvaart van 8 juli 2014 (hierna: het Besluit), welke regeling strekt ter uitvoering van het vierde lid van artikel 8:932 BW (‘Voorts gelden de regels, zo nodig vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur, ten aanzien van het aantal der laad- en losdagen, de berekening van de laad-, los- en overligtijd, het bedrag van het overliggeld, de wijze waarop het gewicht der te vervoeren of vervoerde zaken wordt bepaald, de duur van de werktijd en de uren, waarop deze begint en eindigt, voor zover niet bij plaatselijke verordening andere uren van aanvang en einde zijn bepaald, en de vergoeding voor of het meetellen van nachten, zaterdagen, zondagen en daarmede geheel of gedeeltelijk gelijkgestelde dagen, indien des nachts of op genoemde dagen geladen, gestuwd of gelost wordt, alsmede het begin van laad- en lostijd en de dagen en uren, waarop kennisgevingen van laad- of losgereedheid kunnen worden gedaan’).

3.2

Wat er ook zij van de uit het Besluit volgende hoogte van overliggeld, volgens [gedaagde] is hij in het geheel geen overliggeld verschuldigd omdat de vermeende kosten van liggelden in dit geval niet voor zijn rekening moeten komen maar voor die van [eiseres] . Dit is door [eiseres] op haar beurt betwist.

De kantonrechter overweegt in dit verband als volgt.

3.3

Niet in geschil is dat de onderhavige vertraging, bij het beladen van de ‘Laus-Deo’, is ontstaan door de defecte staat van de kraan die nodig was voor dit laden. De vraag is of deze omstandigheid voor rekening van [gedaagde] moet komen, zoals [eiseres] heeft gesteld en [gedaagde] , de afzender, heeft betwist.

3.4

Het criterium voor de verschuldigdheid van overliggeld in verband met vertraging is vermeld in het eerste lid van artikel 8:932 BW:

De afzender is gehouden tot betaling van overliggeld voor de overligtijd met uitzondering van de uren vermeld in de eerste zin van het zesde lid van artikel 931. Hij is bovendien verplicht de vervoerder de schade te vergoeden wanneer, door welke oorzaak dan ook, vervoer van zaken van de betrokken of van een andere afzender op de onderhavige reis wordt verlengd ten gevolge van vertraging in de aanvang of het verloop van dit vervoer, ontstaan doordat de afzender belading en stuwing niet had voltooid in de laadtijd en de bedongen of wettelijke overligtijd. Deze schadevergoeding zal niet minder bedragen dan het overliggeld over het aantal uren, waarmee het vervoer is verlengd.

De eerste volzin van het zesde lid van artikel 8:931 BW luidt als volgt:

Laadtijd, bedongen overligtijd en de in het vierde lid bedoelde overligdagen worden, voor zover de afzender tot laden of stuwen verplicht is, verlengd met de uren, dat niet kan worden geladen of gestuwd door schuld van de vervoerder of door omstandigheden gelegen in het schip of in het materiaal van het schip waarvan de vervoerder of de afzender zich bedient.

Op grond van artikel 8:932 lid 1 is [gedaagde] in deze zaak overliggeld verschuldigd. Als onbetwist gesteld is komen vast te staan dat Ultra Bag opdracht had gegeven aan [bedrijf] voor het laden van de kolli in de ‘Laus-Deo’ met een kraan. De defecte kraan die voor dit laden werd gebruikt behoorde toe aan [bedrijf] , zo is niet in geschil. De vertraging bij het laden van de kolli in de ‘Laus-Deo’ is dan ook niet de schuld van de vervoerder, [eiseres] , in de zin van genoemde eerste volzin van artikel 8:931 lid 6 BW. In het midden kan dan ook blijven of hier sprake is van een situatie in de zin van deze eerste volzin waarin de afzender, de wederpartij van de vervoerder, in dit geval [gedaagde] , tot dit laden verplicht was.

3.5

Niet in geschil is dat [eiseres] geen liggelden bij Alstom in rekening heeft gebracht. Waarom deze omstandigheid in de weg zou moeten staan aan de gehoudenheid van [gedaagde] tot vergoeding van liggelden aan [eiseres] kan de kantonrechter echter niet inzien. Het is [gedaagde] immers, niet Alstom, die als afzender een vervoerovereenkomst heeft gesloten met [eiseres] als vervoerder.

3.6

Aangezien alle gevoerde verweren van [gedaagde] falen waarom zij zonder meer geen overliggeld verschuldigd zou zijn aan [eiseres] , is vervolgens de hoogte aan de orde van dit door [gedaagde] aan [eiseres] verschuldigd overliggeld. In dat verband overweegt de kantonrechter als volgt.

3.7

Partijen verschillen van mening over het aantal overliguren. Volgens [eiseres] gaat het om 21 uren, volgens [gedaagde] om geen enkel uur. In geschil is evenwel niet de gewichtsklasse van de onderhavige generator als bedoeld in artikel 6 van het Besluit: 0-400 kg.

3.8

Met betrekking tot de berekening van het aantal overliguren is in het Besluit het volgende bepaald - aangehaald voor zover relevant:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

[..]

laadtijd: maximaal aantal uren in werktijd dat de afzender gerechtigd is het schip voor het laden op te houden zonder overliggeld verschuldigd te zijn;

[..]

verwachte tijd van aankomst: door de vervoerder voorziene tijd waarop het schip losgereed zal zijn in de losplaats, welke tijd op werkdagen is om 6:00 uur, om 12:00 uur of om 18:00 uur;

[..]

Artikel 3

1. Indien een tijdstip is overeengekomen waarop het schip laadgereed dient te zijn in de laadplaats en het schip op dat tijdstip laadgereed is op de laadplek, gaat de laadtijd in op dat tijdstip en geldt de korte laadtijd, bedoeld in artikel 6.
[..]

Artikel 6

1. De laadtijd respectievelijk de lostijd bedraagt afhankelijk van het gewicht van de te vervoeren onderscheidenlijk de vervoerde goederen:
gewicht in 1.000 kg laadtijd in uren lostijd in uren laadtijd in uren lostijd in uren
werktijd werktijd werktijd werktijd
ten kleiner kort lang
minste dan
0 400 27 36 39 48

[..]

Artikel 7

1. De werktijd vangt aan op maandag om 6.00 uur en eindigt op zaterdag om 18.00 uur. [.]

[..]

5.Met laden of lossen in de zin van dit artikel wordt gelijk gesteld het zich op verzoek van de afzender of ontvanger daartoe gereedhouden.

Artikel 8

[..]

2. Het overliggeld bedraagt voor elk overliguur:
a. voor motorschepen: € 6,25 vermeerderd met € 0,019 per m3 van de verplaatsing;
[.]

3. Voor de berekening van het overliggeld wordt de verplaatsing rekenkundig afgerond op hele m3 en het overliggeld per uur op centen.

Artikel 9

Voor de berekening van laadtijd, lostijd en overliggeld telt een aangebroken klokuur als een heel uur.

[..].”

3.9

Als onbetwist gesteld is komen vast te staan dat partijen waren overeengekomen dat de ‘Laus-Deo’ vanaf 7.00 uur op dinsdag 19 augustus 2014 laadgereed moest zijn in Vlissingen en vanaf 6.00 uur op donderdag 21 augustus losgereed in Keulen.

Naar niet in geschil is, was het schip op genoemd overeengekomen tijdstip van 7:00 uur op dinsdag 19 augustus 2014 ook daadwerkelijk laadgereed.

Als onbetwist gesteld is verder komen vast te staan dat de feitelijke (afgeronde) laadtijd 33 uur is geweest, namelijk van dinsdag 19 augustus 2014 om 7:00 uur tot woensdag 20 augustus 2014 om 15:30 uur.

[eiseres] is bij de berekening van de overliguren uitgegaan van 12 uur vrije laadtijd en derhalve 21 overliguren (33 minus 12). [gedaagde] gaat op grond van het bepaalde in artikel 6 van het Besluit uit van 39 uur vrije laadtijd en derhalve 0 overliguren.

3.10

Met [eiseres] is de kantonrechter van oordeel dat uit het bepaalde in artikel 3 lid 1 juncto artikel 6 lid 1 van het Besluit in dit geval geen lange laadtijd van 39 uur maar een korte laadtijd van 27 uur volgt. Er was immers een tijdstip overeengekomen waarop het schip laadgereed diende te zijn in de laadplaats en het schip was op dat tijdstip in die laadplaats ook daadwerkelijk gereed.
Daargelaten deze in artikel 6 van het Besluit bepaalde lange laadtijd van 39 uur en korte laadtijd van 27 uur, meent [eiseres] dat in deze beide gevallen het voor het schip absoluut onmogelijk was om op donderdag 21 augustus 2014 om 7:00 uur in Keulen te arriveren, ook indien er geen storing in de kraan van [bedrijf] was opgetreden. De ‘zuivere vaartijd voor een binnenvaartschip’ van Vlissingen naar Keulen bedraagt volgens [eiseres] ‘bij gangbare kruissnelheid’ namelijk 40 tot 42 uur. Wanneer zou worden uitgegaan van de minimale vaartijd van 40 uur, zou dat betekenen, aldus [eiseres] , dat er slechts een laadtijd van 7 uur kon worden gehanteerd (van 7:00 tot 14:00 uur op dinsdag 19 augustus 2014), gegeven het overeengekomen tijdstip van losgereedheid om 6.00 uur te Keulen op donderdag 21 augustus 2014. Om [gedaagde] nog enigszins tegemoet te komen is [eiseres] bij de berekening van het overliggeld evenwel uitgegaan van een vrije laadtijd van 12 in plaats van 7 uur; 12 uur is volgens haar namelijk een gebruikelijk aantal uren in de projectladingsfeer.

3.11

Dit standpunt van [eiseres] , zo volgt uit haar processtukken, komt neer op het buiten toepassing laten van de in artikel 6 van het Besluit bepaalde vrije-laadtijd-uren op grond van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

3.12

[gedaagde] heeft tegen dit standpunt het volgende ingebracht. Het Besluit kent een uitgebreide staffel van gewichtscategorieën en laad- en lostijden met een evenwichtige regulering voor alle partijen. [eiseres] is een professionele partij en vervoerder. Indien toepassing van het Besluit voor haar onaanvaardbare gevolgen met zich zou brengen, had zij van dit Besluit afwijkende afspraken met [gedaagde] kunnen maken. [eiseres] heeft dat echter niet gedaan. Van onvoorziene omstandigheden in de zin van de overeenkomst tussen partijen is geen sprake. Ook leidt toepassing van het Besluit niet tot onaanvaardbare gevolgen voor [eiseres] . Dat [eiseres] een aanname van 12 uur vrije laadtijd heeft gedaan moet voor rekening van (een professionele partij als) [eiseres] blijven.

3.13

De kantonrechter is met [gedaagde] van oordeel dat er om deze door [gedaagde] uiteengezette redenen geen voldoende aanleiding is voor het buiten toepassing laten van de in artikel 6 van het Besluit bepaalde vrije-laadtijduren op grond van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Daarbij kan nog in het midden worden gelaten of de bewering van [gedaagde] juist is dat de vaartijd voor een binnenvaartschip met een laadgewicht kolli als de onderhavige opdracht eerder 32 dan 42 uur is (randnr. 7 van de conclusie van dupliek).

3.14

Uit het bovenstaande volgt dat op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 1 juncto artikel 6 lid 1 van het Besluit een korte laadtijd van 27 uur van toepassing is. Dit leidt tot een aantal overliguren van 6 uren (33 minus 27). [gedaagde] is derhalve in totaal een bedrag van
€ 390,-- exclusief BTW (€ 471,90 inclusief BTW) verschuldigd aan extra liggeld (6 uren x
€ 65,-- exclusief BTW (€ 78,65 inclusief BTW)).

3.15

De gevorderde wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW zal worden afgewezen, nu deze rente niet van toepassing is op een schadevergoedingsvordering als de onderhavige.

3.16

Gelet op het terzake gevoerde partijdebat ziet de kantonrechter onvoldoende aanleiding voor toewijzing van een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.

3.17

Aangezien beide partijen in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten gecompenseerd worden, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 390,-- exclusief BTW tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2015 tot de dag van de algehele voldoening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

463/16744