Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:6975

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-10-2015
Datum publicatie
02-10-2015
Zaaknummer
14/8454
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft een maatregel van 30% gedurende een maand omdat geweigerd is te tekenen voor een werkervaringsplaats bij Magis010. De rechtbank acht het in eerste instantie niet tekenen van het traject verwijtbaar, omdat eiser hierdoor niet dan wel onvoldoende heeft meegewerkt aan de uitvoering van het plan van aanpak, hetgeen een verplichting is als bedoeld in artikel 6b, aanhef en onder b, van de Verordening afstemming en handhaving WWB, IOAW, IOAZ Rotterdam 2013.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 9, 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 14/8454

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 oktober 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. M.A. Oosterveen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. S.B.H. Fijneman.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) met ingang van 1 juli 2014 voor de duur van één maand met 30% verlaagd.

Bij besluit van 23 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Met ingang van 1 januari 2015 is de Participatiewet in werking getreden en is de Wwb komen te vervallen. Op grond van het overgangsrecht Wwb, geregeld in artikel 78z, vierde lid, van de Participatiewet, wordt in het geval een bezwaar- of beroepschrift vóór of op de datum van de inwerkingtreding van de Participatiewet is ingediend, beslist met toepassing van de Wwb. Dit is in de onderhavige zaak het geval.

2.1.

Eiser ontvangt sinds 2002 een bijstandsuitkering.

2.2.

Bij brief van 21 mei 2014 is eiser uitgenodigd voor een gesprek over een werkervaringsplaats op 4 juni 2014. Tijdens dit gesprek heeft eiser het plan van aanpak getekend dat als doelstelling heeft de uitstroom naar regulier werk (lang traject) door middel van trajecten gericht op het wegnemen van belemmeringen, opdoen van specifieke kennis en vaardigheden en/of omscholing. Daarbij is hij aangemeld bij Magis010 voor een werkervaringsplaats (WEP) traject C.

2.3.

Eiser is vervolgens uitgenodigd voor een trajectaanbod en intakegesprek bij Magis010 op 9 juni 2014. Omdat eiser geweigerd heeft om tijdens dit gesprek het trajectplan te ondertekenen, is hij bij brief van 18 juni 2014 uitgenodigd voor een gesprek op 24 juni 2014. Hierna is eiser wederom uitgenodigd voor een trajectaanbod en intakegesprek bij Magis010 op 1 juli 2014. Op die dag heeft eiser het trajectplan ondertekend, waarna hij met ingang van 3 juli 2014 bij Magis010 is begonnen voor gemiddeld 16 uur per week, uit te breiden naar 24 uur per week.

2.4.

Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser een maatregel opgelegd omdat eiser geweigerd heeft het WEP-traject bij Magis010 te tekenen.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat eiser vanaf 2002 nog geen betaald werk heeft gevonden, om reden waarvan hij is aangemeld voor een WEP-traject richting algemeen geaccepteerde arbeid. Uit de gegevens blijkt dat eiser heeft aangegeven dat het werk onder zijn niveau is en dat hij de eerste keer heeft geweigerd te tekenen. Vanwege die weigering is eiser uitgenodigd voor een gesprek en in dit gesprek heeft eiser aangegeven dat het werk onder zijn niveau is en hij alleen aan de slag wil als dokter, alsmede dat hij in de zorg werkzaam is. Hiervan heeft eiser nooit een overeenkomst laten zien. Nadat eiser opnieuw is aangemeld voor een intake op 1 juli 2014, heeft eiser het trajectplan ondertekend. Hetgeen eiser in bezwaar heeft aangegeven, dat hij niet heeft geweigerd om het trajectplan te ondertekenen maar dat hij er over wilde nadenken, is door eiser niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft na het niet ondertekenen van het trajectplan niet alsnog contact opgenomen om aan te geven dat hij alsnog bereid was om het trajectplan te ondertekenen. Dat hij de tweede keer wel het trajectplan heeft ondertekend, doet hieraan niet af. Verweerder vindt eisers gedraging verwijtbaar en volgens de Verordening afstemming en handhaving WWB, IOAW, IOAZ Rotterdam 2013 (Afstemmingsverordening) leidt de gedraging tot een maatregel van 30%. Er is niet gebleken van persoonlijke omstandigheden op grond waarvan de maatregel moet worden verlaagd of van het opleggen van een maatregel moet worden afgezien. Ook is niet gebleken van dringende redenen om af te wijken van de regel dat altijd een maatregel wordt opgelegd.

4. Eiser stelt zich in beroep - samengevat - op het standpunt dat hij wel het WEP-trajectplan heeft ondertekend en ook daadwerkelijk is begonnen. Hij meent dat het gerechtvaardigd is dat hij eerst zijn werkzaamheden als vrijwilliger bij Korsakovcentrum Slingedael, gedurende drie dagen per week, beëindigde, alsmede dat hem de gelegenheid werd geboden om het trajectplan goed te lezen, alvorens over te gaan tot tekening. Drie weken na het gesprek van 4 juni 2014 is de vrijwilligersovereenkomst beëindigd, waarna op 1 juli 2014 het trajectplan is ondertekend. Verder bestrijdt eiser dat hij geen werk onder zijn niveau zou willen doen. Hij wil graag werken voor zijn geld, maar meent dat hij met zijn vrijwilligerswerk nuttiger werk deed dan met het volgen van het traject bij Magis010. Zijn onbegrip en weerstand kwamen niet voort uit luiheid of onwil om aan de slag te gaan, maar uit een gerechtvaardigde kritische houding over het nut van het opzeggen van zijn huidige vrijwilligerswerk om ander vrijwilligerswerk te gaan doen dat minder bij hem past. Ook dit valt eiser niet te verwijten. Gelet hierop meent eiser dat het opleggen van de maatregel niet rechtvaardig of redelijk en billijk was. Het besluit is onjuist gemotiveerd en in ieder geval kennelijk onredelijk, aldus eiser.

5.1.

Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en, indien van toepassing, mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a.

In artikel 18, tweede lid, van de Wwb is bepaald dat het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Op grond van artikel 44a, eerste lid, van de Wwb bevat het plan van aanpak indien van toepassing de uitwerking van de ondersteuning en de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling en de gevolgen van het niet naleven van die verplichtingen.

5.2.

Artikel 6, eerste lid, van de Afstemmingsverordening bepaalt dat het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 9 van de Wwb leidt tot een schriftelijke waarschuwing of een maatregel.

Op grond van het derde lid, aanhef en onder a, bedraagt de hoogte van de maatregel in verband met een gedraging, als bedoeld in het eerste lid, bij het onvoldoende nakomen van een verplichting: 30% gedurende een maand.

In artikel 6b, aanhef en onder b, van de Afstemmingsverordening is bepaald dat het niet nakomen van een verplichting bedoeld in artikel 6, eerste lid, tot een maatregel van 30% gedurende een maand leidt, indien onvoldoende wordt meegewerkt aan het opstellen, uitvoeren dan wel evalueren van het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44, vierde lid en artikel 44a van de Wwb.

6.1.

Aan de orde is of verweerder terecht aan eiser een maatregel van 30% verlaging van zijn bijstandsuitkering over de maand juli 2014 heeft opgelegd. Hiervoor dient allereerst de vraag te worden beantwoord of eiser zich verwijtbaar heeft gedragen door op 9 juni 2014 te weigeren het trajectplan bij Magis010 te tekenen.

6.2.

De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende. In het door eiser op 4 juni 2014 ondertekende plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Wwb is onder meer aangegeven dat eiser wordt aangemeld bij Magis010 en dat alle aanvullende afspraken worden vastgelegd in een afsprakenplan. Ten aanzien van eisers verplichtingen is opgenomen dat eiser zijn uiterste best doet om de doelen van het plan te bereiken en volledig meewerkt aan de inhoud. Tijdens het intakegesprek van 9 juni 2014 is aan eiser het WEP-trajectplan (in de vorm van een plaatsingsovereenkomst) voorgehouden, waarin concreet de afspraken en verplichtingen zijn opgenomen voor het volgen van het WEP-traject bij Magis010. Door eisers weigering om deze overeenkomst te tekenen, heeft hij niet dan wel onvoldoende meegewerkt aan de uitvoering van het plan van aanpak, hetgeen een verplichting is als bedoeld in artikel 6b, aanhef en onder b, van de Afstemmingsverordening.

6.3.

Dat aan eiser, naar hij stelt, tijdens het gesprek van 9 juni 2014 door medewerkers van Magis010 desgevraagd is meegedeeld dat eiser niet verplicht is de overeenkomst te tekenen, leidt de rechtbank niet tot de conclusie dat de weigering de overeenkomst te tekenen hem niet te verwijten valt. In het plan van aanpak staat dat eiser op grond van artikel 9 van de Wwb verplicht is om medewerking aan dit plan te verlenen en tevens is vermeld dat hem is uitgelegd wat de consequenties zijn indien hij afspraken niet nakomt en dat dit gevolgen kan hebben voor zijn uitkering. Voorts staan in elke uitnodiging van de zijde van de gemeente de regels die gelden voor bijstandsgerechtigden. Hierin is onder meer vermeld dat het niet nakomen van afspraken met de gemeente Rotterdam leidt tot een korting op de uitkering of een boete. Dat eiser bij Magis010 aan de slag zou gaan is een afspraak die eiser met de gemeente Rotterdam heeft gemaakt. Het feit dat eiser jegens Magis010 geen verplichting heeft te tekenen laat onverlet dat hij jegens de gemeente Rotterdam in het kader van zijn bijstandsuitkering wel de verplichting had om de WEP-overeenkomst met Magis010 aan te gaan.

6.4.

Met betrekking tot zijn vrijwilligerswerk is allereerst niet gebleken dat eiser, zoals hij stelt, hierover met de klantmanager heeft gesproken tijdens het gesprek van 4 juni 2014. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij direct na het ondertekenen van het plan van aanpak op 4 juni 2014 actie heeft ondernomen om dit vrijwilligerswerk te beëindigen. Uit de door eiser overgelegde brief van Korsakovcentrum Slingedael van 29 augustus 2014 blijkt slechts dat hij er tot 24 juni 2014 vrijwilligerswerk heeft gedaan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door zijn verplichtingen aan Korsakovcentrum Slingedael de WEP-overeenkomst met Magis010 niet heeft kunnen ondertekenen.

6.5.

Gelet op het feit dat eiser eerst ter zitting heeft gesteld dat hij tijd nodig had om de WEP-overeenkomst rustig te lezen vanwege zijn matige kennis van de Nederlandse taal, kan aan die stelling niet de betekenis worden toegekend die eiser daaraan klaarblijkelijk toegekend wenst te zien. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van verminderde of ontbrekende verwijtbaarheid voor het niet op 9 juni 2014 ondertekenen van de overeenkomst bij Magis010.

6.6.

Voorts is gesteld noch gebleken dat er dringende redenen zijn op grond waarvan verweerder had dienen af te zien van het opleggen van een maatregel.

7. Gelet hierop dient het beroep van eiser ongegrond te worden verklaard.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzitter, en mr. A. van Gijzen en

mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van J. van Mazijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.