Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:6669

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-09-2015
Datum publicatie
24-09-2015
Zaaknummer
14/8916
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar aanleiding van de tussenuitspraak van 1 april 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:2196) heeft verweerder Argonaut opgedragen een medisch advies uit te brengen. Op basis van een vergelijking van dit advies met de volgens het Protocol mogelijke compensatie heeft verweerder besloten eiseres in aanmerking te brengen voor 7,5 uur huishoudelijke ondersteuning per week. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee het gebrek in het bestreden besluit niet heeft hersteld. Verweerder mag in beginsel de in het Protocol neergelegde normtijden hanteren, maar dient daarnaast te onderzoeken of er sprake is van een medische noodzaak om extra tijd te indiceren. Toepassing van het Protocol leidt er in dit geval toe dat eiseres op het onderdeel zware huishoudelijke werkzaamheden onvoldoende wordt gecompenseerd. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het indiceren van 90 minuten per week extra tijd voor de zware huishoudelijke werkzaamheden, zodat eiseres in aanmerking komt voor 9 uur huishoudelijke ondersteuning per week.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/190
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 14/8916

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 september 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , te Dordrecht, eiseres,

gemachtigde: mr. F.M. van Hattum,

en

het Drechtstedenbestuur, verweerder,

gemachtigden: M. Euser en A. Kleijn.

Procesverloop

Voor het procesverloop verwijst de rechtbank naar haar tussenuitspraak van 1 april 2015.

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld een gebrek in het bestreden besluit van 13 augustus 2014 te herstellen.

Bij brief van 10 juni 2015 heeft verweerder een reactie ingezonden.

Bij brief van 10 juli 2015 heeft eiseres haar zienswijze naar voren gebracht.

Op 16 juli 2015 heeft verweerder een vraag van de rechtbank beantwoord.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Voor de feiten en omstandigheden en de toepasselijke regelgeving verwijst de rechtbank naar haar tussenuitspraak van 1 april 2015.

2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder niet zonder nader onderzoek naar de behoeften en de persoonskenmerken van eiseres en haar actuele gezondheidstoestand heeft mogen volstaan met het indiceren van HO+. Nu een dergelijk onderzoek niet heeft plaatsgevonden, is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

3. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen door nader onderzoek te doen of te laten doen naar de ondersteuningsbehoefte van eiseres en op grond daarvan te motiveren op welke wijze eiseres voldoende kan worden gecompenseerd voor haar beperkingen op het gebied van het voeren van een huishouden.

4.1.

Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder Argonaut Advies B.V. (Argonaut) verzocht een medisch advies uit te brengen. D. Gaasbeek Janzen, arts bij Argonaut (de arts), heeft een medisch onderzoek verricht. In het kader van dit onderzoek heeft de arts eiseres op 28 april 2015 thuis bezocht en heeft hij medische informatie ingewonnen bij de behandelend longarts en de behandelend uroloog van eiseres. De bevindingen van het onderzoek heeft hij neergelegd in een medisch advies van 5 juni 2015 (het advies). Verweerder heeft het advies vergeleken met het Protocol indicatiestelling Huishoudelijke ondersteuning Wmo Drechtsteden april 2012 (het Protocol). Uitgaande van de volgens het Protocol mogelijke compensatie stelt verweerder zich in de brief van 10 juni 2015 op het standpunt dat eiseres in aanmerking komt voor 420 minuten (7 uur) huishoudelijke ondersteuning per week. Dit is als volgt berekend:

- zwaar huishoudelijk werk: 100 minuten per week (80 minuten, verhoogd met 20 minuten omdat het een eengezinswoning betreft);

- licht huishoudelijk werk: 40 minuten per week;

- de was doen: 140 minuten per week (60 minuten met verhogingen wegens extra vervuiling, extra was vanwege bedlegerigheid en incontinentie);

- verzorgen broodmaaltijd: 70 minuten per week;

- verzorgen warme maaltijd: 70 minuten per week.

Vanwege het verbod van reformatio in peius heeft verweerder daarboven 30 minuten geïndiceerd voor regievoering. De totale huishoudelijke ondersteuning komt daarmee op 450 minuten (7,5 uur) per week.

4.2.

Verweerders brief van 10 juni 2015 dient vanwege de daaraan verbonden rechtsgevolgen voor de aard en omvang van de indicatie voor huishoudelijke ondersteuning te worden aangemerkt als een besluit tot wijziging van het bestreden besluit van 13 augustus 2014, en dus als een besluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb.

Op grond van dit artikellid heeft het beroep daarmee van rechtswege mede betrekking op het besluit van 10 juni 2015. Nu niet blijkt dat eiseres nog een belang heeft bij een rechterlijke beoordeling van het bestreden besluit van 13 augustus 2014 zal het beroep daartegen niet-ontvankelijk moeten worden geacht. De rechtbank zal hieronder het besluit van 10 juni 2015 beoordelen.

5. Eiseres stelt in haar zienswijze, kort weergegeven, dat verweerder er niet in is geslaagd het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, nu met het advies de ondersteuningsbehoefte nog altijd niet in kaart is gebracht. Eiseres is van mening dat zij met de toekenning van 7,5 uur per week onvoldoende wordt gecompenseerd en dat verweerder door het naast elkaar leggen van het advies en het Protocol geen maatwerk heeft geleverd.

6.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in beginsel de in het Protocol neergelegde normtijden mag hanteren. Dit laat echter onverlet dat verweerder op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wmo, moet onderzoeken of er sprake is van een medische noodzaak om extra tijd te indiceren vanwege de medische aandoeningen en beperkingen van eiseres.

6.2.

De medische aandoeningen en beperkingen, zoals door de medisch adviseur in kaart gebracht, zijn door eiseres niet betwist. De rechtbank neemt deze derhalve tot uitgangspunt. Op bepaalde onderdelen heeft de arts in het advies aangegeven dat hij daarover vanuit zijn competentie als arts geen uitspraak kan doen en dat aanvullend advies van een ergonomisch adviseur duidelijkheid zou kunnen geven. Gelet op hetgeen hieronder wordt overwogen en in aanmerking nemend dat verweerder in beginsel de in het Protocol gehanteerde normtijden mag hanteren ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder op te dragen een ergonomisch adviseur in te schakelen, dan wel om zelf een ergonomisch adviseur als deskundige te benoemen.

6.3.

De rechtbank is onder verwijzing naar het advies en de daaraan ten grondslag liggende medische informatie van oordeel dat niet is gebleken van een medische noodzaak om boven de door verweerder op basis van het Protocol geïndiceerde tijd meer tijd te indiceren voor licht huishoudelijke werk, het doen van de was en het verzorgen van de (brood)maaltijden.

6.4.

Onder verwijzing naar informatie van de longarts is het volgens het medisch advies van Argonaut noodzakelijk dat de woning van eiseres gesaneerd is voor stof. In het advies is gemotiveerd dat de daartoe vereiste maatregelen geen extra huishoudelijk werk met zich brengen. De rechtbank ziet geen reden om dit advies niet te volgen, zodat in de sanering voor stof als zodanig geen reden is gelegen voor verhoging van de tijdsindicatie voor huishoudelijk werk. Voor zover de woning van eiseres al is gesaneerd voor stof, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er niettemin meer tijd moet worden geïndiceerd voor licht huishoudelijk werk, nu de arts in het advies (herhaaldelijk) stelt dat de woning algemeen gebruikelijk (en niet meer dan gebruikelijk) schoon moet zijn.

6.5.

De incontinentie van eiseres kan voorts niet tot het oordeel leiden dat onvoldoende tijd is geïndiceerd voor het doen van de was. Vanwege deze incontinentie heeft verweerder immers al tijd geïndiceerd voor extra bewassing vanwege extra vervuiling van kleding en beddengoed.

6.6.

De rechtbank is echter van oordeel dat eiseres op het onderdeel zware huishoudelijke werkzaamheden, waaronder onder meer vallen het verschonen van het bed en het schoonmaken van de natte cel en het toilet, onvoldoende wordt gecompenseerd.

Volgens het Protocol bedraagt de normtijd voor het verschonen van het bed 10 minuten per week. De rechtbank is van oordeel dat eiseres met het eenmaal per week verschonen van het bed onvoldoende wordt gecompenseerd, nu uit het advies kan worden afgeleid dat het bed (bijna) dagelijks verschoond moet worden, eiseres reeds maximaal gebruik maakt van incontinentiemateriaal en verdere maatregelen ter voorkoming van vervuiling van kleding en beddengoed door de incontinentie niet meer mogelijk zijn. Daarom dient voor het verschonen van het bed op de dagen dat dit nog niet gebeurde dagelijks 10 minuten geïndiceerd te worden, dat wil zeggen 60 minuten per week extra.

6.7.

Voor het reinigen van de natte cel en het toilet is volgens het Protocol 20 minuten per week geïndiceerd. Uit de gedingstukken blijkt van incontinentie van eiseres en een dagelijkse bevuiling daardoor van de douchestoel en het toilet in de badkamer. Voor het extra en dagelijks reinigen van de douchestoel en het toilet in de badkamer moet een extra tijdsindicatie van vijf minuten per dag voor de overige dagen van de week noodzakelijk worden geacht, zodat in totaal per week 30 minuten extra dienen te worden geïndiceerd.

6.8.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank aanleiding ziet voor het indiceren van 90 minuten per week extra tijd voor de zware huishoudelijke werkzaamheden. Om voldoende te worden gecompenseerd dient eiseres dus geïndiceerd te worden voor 540 minuten (9 uur) per week in totaal voor huishoudelijke ondersteuning.

7. Uit hetgeen boven is overwogen volgt dat met het besluit van 10 juni 2015 het gebrek in het bestreden besluit van 13 augustus 2014 niet is hersteld. Het beroep tegen het besluit van 10 juni 2015 is gegrond en dit besluit dient te worden vernietigd.

8. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat eiseres in aanmerking komt voor 540 minuten (9 uur) huishoudelijke ondersteuning per week.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.470,00 (1 punt voor het indienen van het als beroepschrift aangemerkte bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het indienen van de zienswijze, met een waarde per punt van € 490,00 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 13 augustus 2014 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 10 juni 2015 gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 10 juni 2015;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen in dit geval inhoudt dat eiseres in aanmerking komt voor 9 uur huishoudelijke ondersteuning per week;

  • -

    bepaalt dat de in de tussenuitspraak van 1 april 2015 getroffen voorlopige voorziening eindigt op de vijfde dag na verzending van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 45,00 vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.470,00, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr. M. Schoneveld en

mr. J. Bergen, leden, in aanwezigheid van mr. A.M.P. Meijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 september 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.