Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:6381

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-08-2015
Datum publicatie
07-09-2015
Zaaknummer
C/10/431652 / HA ZA 13-871
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding, huwelijksvermogensrecht, ipr, artikel 4 lid 2 sub 1 onder a juncto artikel 15 lid 1 sub 1 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978, afwikkeling huwelijksgoederenregime naar Turks recht, deelgenootschapsvordering en bijdragevordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Rotterdam

zaaknummer / rolnummer: C/10/431652 / HA ZA 13-871

Vonnis van 5 augustus 2015

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. Ph.J.N. Aarnoudse te Deventer,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. K. el Joghrafi te Rotterdam.

Partijen zullen hierna “de man” en “de vrouw” genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 9 oktober 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van de comparitie van partijen van 20 november 2013;

  • -

    de brief van 23 juni 2014 namens de man;

  • -

    de brief van 7 juli 2014 namens de vrouw.

De rechtbank merkt op dat de man niet ter comparitie van partijen aanwezig is geweest. In zoverre wordt het proces-verbaal verbeterd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Partijen zijn op 5 september 2005 te [plaats] (Turkije) met elkaar gehuwd.

2.1.

De vrouw heeft de Nederlandse en Turkse nationaliteit. De man heeft de Turkse nationaliteit.

2.2.

Bij verzoekschrift van 23 juni 2011 heeft de vrouw de echtscheiding van partijen verzocht. Bij beschikking van 19 januari 2012 is de echtscheiding vervolgens van partijen uitgesproken, welke beschikking op 16 oktober 2012 is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand;

3 Het geschil

in conventie en in reconventie:

3.1.

Partijen vorderen ieder voor zich de verdeling van tussen hen bestaande gemeenschap van goederen op de door hem c.q. haar voorgestelde wijze de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap die tussen partijen.

in reconventie voorts:

3.2.

Daarnaast vordert de vrouw voorts dat de man

  • -

    de helft van de waarde van de opgenomen bedragen aan de vrouw vergoedt, en

  • -

    de schulden voor zijn rekening neemt en tot slot

  • -

    dat de man de helft van de aan de echtelijke woning verbonden lasten vanaf december 2010 aan de vrouw vergoedt.

in conventie en in reconventie verder:

3.3.

De man en de vrouw voeren beiden verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In conventie en in reconventie:

Bevoegdheid van de rechtbank en het toepasselijk recht op de verdeling

4.1.

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft gehad met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij op grond van artikel 4 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

4.2.

Gesteld noch gebleken is dat partijen voor het huwelijk het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen dan wel huwelijkse voorwaarden hebben opgemaakt. Krachtens het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1998, 130, (hierna: het Verdrag) artikel 4 lid 2 sub 1 onder a juncto artikel 15 lid 1 sub 1 wordt het huwelijksvermogensregime in beginsel beheerst door het Turkse recht als het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen.

Zowel de man als de vrouw hadden ten tijde van het huwelijk beiden de Turkse nationaliteit (artikel 4 lid 2) en op grond van artikel 15 lid 1 sub 1 is er dan sprake van een gemeenschappelijke nationaliteit in de zin van het Verdrag.

Het feit dat de vrouw daarnaast nog de Nederlandse nationaliteit bezit zat, brengt hierin geen verandering, omdat in het Verdrag geen effectiviteitstoets wordt aangelegd.

In de tweede plaats is Turkije een nationaliteitsland dat geen partij is bij het Verdrag (artikel 4 lid 2 sub 2). In de derde plaats is de eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk in Nederland, een verdragsstaat die de in artikel 5 bedoelde verklaring heeft afgelegd (artikel 4 lid 2 sub 1 onder a).

De peildatum

4.3.

Dit geschil betreft de verdeling van de gemeenschap van goederen van partijen. Ingevolge artikel 225 van het Turks Burgerlijk Wetboek eindigt het huwelijksgoederenregime in geval van echtscheiding van rechtswege door indiening van het verzoek tot echtscheiding. In dit geval heeft de vrouw op 23 juni 2011 het verzoek tot echtscheiding ingediend, zodat de gemeenschap per die datum is ontbonden. Zo partijen al in onderling zouden kunnen afwijken van de wettelijke peildatum, kan dit niet meebrengen dat een datum wordt bepaald die na het einde van het huwelijksgoederenregime is gelegen.

De omvang van de huwelijksgoederengemeenschap (de verwervingen)

4.4.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen de verwervingen en het persoonlijk vermogen van ieder van de echtgenoten (art. 218 TBW). Het vermogen van iedere echtgenoot bestaat uit twee deelvermogens, de verwervingen en het persoonlijk vermogen, zodat in totaal vier vermogens te onderscheiden zijn.

Als verwervingen worden beschouwd de tijdens dit deelgenootschap om baat verworven vermogensbestanddelen, in het bijzonder: de inkomsten uit arbeid, sociale verzekeringen, uitkeringen wegens verlies aan arbeidsvermogen, inkomsten uit persoonlijk vermogen, vervangende vermogensbestanddelen (art. 219 TBW).

Tot het persoonlijk vermogen behoren op grond van de wet: de ten huwelijk aangebrachte en staande huwelijk door erfrecht of schenking verworven vermogensbestanddelen, de voor persoonlijk gebruik bestemde goederen, vorderingen uit immateriële schadevergoeding en de vervangende vermogensbestanddelen (art. 220 TBW). Iedere echtgenoot beheert zijn eigen vermogen en beschikt daarover.

Bij echtscheiding vindt een financiële afrekening plaats voor wat betreft hetgeen tijdens het huwelijk is verworven. Daarbij wordt de nettowaarde van de verwervingen in aanmerking genomen: van de verwervingen van de echtgenoot worden eerst de daarop drukkende schulden afgetrokken en de andere echtgenoot krijgt op hem een vordering ten bedrage van de helft van de nettowaarde (de zgn. deelgenootschapsvordering). Waardevermindering wordt niet in aanmerking genomen, een negatief saldo evenmin.

Tevens wordt nagegaan of eventueel een echtgenoot op de andere echtgenoot een vordering heeft vanwege investering in een goed van die ander welke heeft plaatsgevonden zonder enige of zonder passende vergoeding (de zgn. bijdragevordering). Is dit vermogensbestanddeel bij echtscheiding in waarde gestegen, dan verkrijgt de echtgenoot die heeft bijgedragen voor het bijgedragen deel een vorderingsrecht op de ten tijde van de vereffening bij dit goed vastgestelde vermeerderde waarde. Is de waarde ten opzichte van de waarde aan het begin van de bijdrage gedaald, dan verkrijgt hij het geïnvesteerde bedrag.

Al deze vorderingen worden uiteindelijk tegenover elkaar gezet en in voorkomend geval verrekend. Het persoonlijk vermogen wordt hierbij in beginsel niet betrokken.

Verder geldt dat de echtgenoten met hun hele vermogen aansprakelijk zijn voor hun schulden (art. 224 TBW). Bij de beëindiging van het regime moet worden vastgesteld welke schulden er zijn, zowel onderlinge schulden als de schulden jegens derden. Vervolgens wordt een schuld toegerekend aan het deelvermogen waarop zij rust (art. 230 tweede volzin TBW). Is zulks niet mogelijk, dan wordt zij toegerekend aan de verwervingen.

4.5.

Partijen verschillen van mening welke vermogensbestanddelen al dan niet tot de verwervingen van partijen gedurende het huwelijk behoren.

4.5.1

De (voormalige) echtelijke woning aan de Vondelweg 142

Door de vrouw is onbetwist gesteld dat de echtelijke woning door haar al is gekocht vóór het huwelijk van partijen. In beginsel behoort de woning dan ook tot het persoonlijk vermogen van de vrouw. Gesteld noch gebleken is dat de man een vordering heeft op de vrouw vanwege enige investering door hem in de woning, waartegenover geen passende vergoeding heeft gestaan. Eerder is sprake van het tegendeel, nu de vrouw onweersproken heeft gesteld dat zij gedurende het huwelijk steeds degene is geweest die alle aan de woning verbonden lasten voor haar rekening heeft genomen. De woning behoort dan ook niet tot de verwervingen van partijen.

4.5.2.

De hypotheek en de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering

De echtelijke woning is belast met een hypothecaire lening, die in beginsel dient te worden toegerekend aan het vermogen van de vrouw. Immers de schuld is door haar aangegaan en heeft betrekking op de woning. Slechts voor zover dit vermogen ontoereikend is om deze schuld te voldoen kan deze ten laste van de verwervingen gebracht worden.

De vrouw heeft gesteld dat er sprake is van een onderwaarde. Zij is daarbij uitgegaan van de waarde van die woning in 2013, terwijl aangesloten moet worden bij de waarde van de woning en de hoogte van de schuld op de peildatum, 23 juni 2011. Daarbij dient verder ook de opgebouwde waarde van de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering in aanmerking genomen te worden. Deze dient eveneens tot het persoonlijk vermogen van de vrouw gerekend te worden, nu zij die verzekering is aangegaan en de premies steeds heeft voldaan. Ook dit vermogen dienst eerst aangesproken te worden voordat zij een beroep op de verwervingen mag doen.

Hoewel niet ondenkbaar is dat er sprake is van een onderwaarde van de woning kan de hoogte thans niet op basis van de overgelegde stukken worden vastgesteld. De rechtbank zal dan ook de vrouw in de gelegenheid stellen om met in achtneming van het bovenstaande de hoogte van haar vordering op de man uit hoofde van de resterende onderwaarde aan te tonen. Indien zij hierin niet slaagt, dan wel geen gebruik van deze mogelijkheid wil maken, zal zij de onderwaarde voor haar rekening moeten nemen.

4.5.3.

De inboedel van de echtelijke woning

De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de inboedel deels voor het huwelijk door haar is aangekocht. In zoverre valt de inboedel buiten de gemeenschappelijke verwervingen.

Zij betwist verder de waarde van de inboedel. De man schat deze € 10.000,--, terwijl de vrouw meent dat het een oude inboedel betreft. Mocht de inboedel tegen die prijs getaxeerd moeten worden dan stelt de vrouw geen prijs op de inboedel en laat deze onder verrekening van € 5.000,-- aan de man. De man wenst uit de inboedel echter slechts het horloge van zijn vader, de laptop en overige computermaterialen toebedeeld te krijgen. De vrouw heeft evenwel betwist dat zij deze goederen in haar bezit heeft en stelt dat de man die goederen met vele andere inboedelgoederen al onder zich met hebben genomen.

Nu geen van partijen aangeeft de inboedel tegen de door de man voorgestelde prijs toebedeeld te willen krijgen, terwijl evenmin een taxatie van die inboedel aan de rechtbank is verstrekt zal de rechtbank bepalen dat, voor zover de inboedel is aangeschaft gedurende het huwelijk, ieder van partijen hetgeen zich thans onder hem bevindt behoudt zonder nadere verrekening.

4.5.4.

[auto]

De auto is rond de peildatum nog in het bezit van partijen geweest. In juni 2011 is hij volgens de man verkocht voor een bedrag van € 4.500,--, terwijl de vrouw aangeeft dat hij toen naar de sloop is gegaan maar geen waarde vertegenwoordigde. Het staat dan ook niet vast dat de auto voor of na de peildatum is weggedaan. Nu de man stelt dat deze na de peildatum is verkocht, is het aan hem om aan te tonen dat de auto pas ná 23 juni 2011 het bezit van partijen heeft verlaten en, zo hij in dat bewijs slaagt, aan te tonen dat de vrouw hiervoor een bedrag van € 4.500,-- heeft ontvangen. Slaagt hij in het opgedragen bewijs, dan dient de vrouw de helft daarvan aan de man te voldoen.

4.5.5

Gouden sieraden

De man stelt dat de vrouw de gouden sieraden ter waarde van € 9.000,-- heeft ondergebracht bij haar moeder, terwijl de vrouw op haar beurt verklaart dat deze sieraden zich in een kluis van de man in Turkije bevinden.

Gelet op de tegenstrijdige verklaringen van partijen en het ontbreken van bewijsstukken is tot op heden nog niet aannemelijk geworden dat de sieraden nog voor handen waren op het moment dat het huwelijksgoederenregime een einde nam en, zo dat al het geval zou zijn, wie van beide partijen welke gouden sieraden dan precies in zijn of haar bezit had. De rechtbank zal dan ook niet overgaan tot verdeling van sieraden waarvan niet is komen vast te staan dat deze zich op de datum waarop het huwelijksgoederenregime is geëindigd nog in de gemeenschappelijke verwervingen bevonden.

4.5.6.

Bankrekeningen

Uit de overgelegde afschriften in combinatie met de stellingen van partijen blijkt voldoende van de aanwezigheid van de volgende bankrekeningen:

ten name van partijen gezamenlijk: AbnAmro [rekeningnummer] ;

ten name van de man: AbnAmro [rekeningnummer] ;

ten name van de vrouw: AbnAmro [rekeningnummer] .

De vrouw heeft gesteld dat zij deze rekening heeft geopend na de peildatum. Dit komt evenwel niet overeen met de overgelegde afschriften, zodat ook deze rekening tot de gemeenschappelijke verwervingen wordt gerekend.

De man heeft betwist dat hij een bankrekening heeft bij de ING. Nu de vrouw het bestaan van die rekening niet heeft onderbouwd., noch het bestaan daarvan anderszins aannemelijk is geworden, zal de rechtbank deze verder buiten beschouwing laten.

De man heeft tot slot gesteld dat de vrouw de beschikking had over een spaarrekening met nummer [rekeningnummer] . Uit overboekingen naar dat nummer blijkt dat deze rekening in ieder geval nog wel voorafgaand aan de peildatum door de vrouw werd gebruikt. Daar waar de vrouw dan ook stelt dat die rekening al was opgeheven voor de peildatum is het aan haar te bewijzen dat deze rekening al voor die datum is opgeheven.

Geen van partijen heeft tot slot het saldo op bovenstaande rekeningen opgegeven op de peildatum. De rechtbank zal dan ook de wijze van verdelen aangeven en bepalen dat het saldo op die rekeningen op de peildatum door partijen bij helfte moet worden gedeeld.

4.5.7.

de lening van de moeder van de man.

De man stelt dat de moeder van de man ten behoeve van de aanschaf van meubels in september of oktober 2000 een bedrag van € 10.000,- aan partijen heeft geleend. Een bedrag van € 6.500,-- zouden partijen al hebben gespaard om die lening af te lossen.

Hij wijst daarbij op een afschrift van 8 juni 2010, waarbij dit bedrag onder vermelding van “1000 euro moeder en 5500 euro spaar” op de spaarrekening van de vrouw is overgeschreven.

De vrouw heeft het bestaan van de lening evenwel betwist. Zij stelt dat de overboeking een tegemoetkoming ten behoeve van de zoon van partijen betrof, die zonder inkomen vanuit Turkije naar Nederland kwam.

De rechtbank is van oordeel dat het - gelet op de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering - op de weg van de man ligt te bewijzen dat tussen partijen en zijn moeder een geldovereenkomst tot stand is gekomen, zoals door hem is gesteld. Nu de man verder echter geen enkele onderbouwing heeft gegeven, noch duidelijkheid heeft verschaft over de voorwaarden waaronder een dergelijke overeenkomst zou zijn aangegaan is het bestaan van een leenovereenkomst met de moeder van de man niet komen vast te staan. Voor zover de vrouw op de peildatum spaargelden van partijen in haar bezit zou hebben gehad is daarover in het licht van overweging 4.5.6. al beslist.

In reconventie voorts:

4.5.8.

De vrouw heeft gevorderd dat de helft van de aan de woning verbonden lasten voor rekening komt van de man. Op gronden als in overweging 4.5.1. en 4.5.2. is de rechtbank van oordeel dat deze lasten betrekking hebben op het persoonlijk vermogen van de vrouw, en dat de man daarin ook niet heeft hoeven bijdragen. Deze vordering wordt afgewezen.

4.5.9.

De vrouw vordert verder dat de man aan haar voldoet de door hem van de gezamenlijke rekening afgeboekt bedragen. De man stelt daar tegenover dat ook de vrouw van die rekening gelden op haar eigen rekening overboekte. De rechtbank constateert dat alle overboekingen waarover partijen spreken hebben plaatsgevonden vóór de peildatum zodat deze nog in de gemeenschappelijke verwervingen vielen. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat de man ook in 2013 nog geld heeft overgeboekt, is dat juist, zij het dat de bank deze overboeking per omgaande ook weer heeft teruggedraaid, zodat niet gebleken is dat daaruit een vordering op de man is ontstaan. Ook deze vordering zal dan ook worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

In conventie en in reconventie:

Laat de man toe tot het bewijs als bedoeld in rechtsoverweging 4.5.4.;

Laat de vrouw toe tot het bewijs als bedoeld in rechtsoverweging 4.5.2. en 4.5.6.;

bepaalt dat indien partijen dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter-commissaris mr. C.G. van de Grampel;

bepaalt dat de raadslieden van partijen binnen vier weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer [adres] Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen in de maanden september, oktober en november 2015, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd.

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.G. van de Grampel en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2015.1

f 121

1 type: coll: