Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:6319

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-08-2015
Datum publicatie
03-09-2015
Zaaknummer
4114761 / VZ VERZ 15-10093
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Procedure ex art.96 Rv. Vraag of werkgever, een woningcorporatie, gerechtigd is eenzijdig de autoregeling te wijzigen. Kantonrechter toetst aan art. 6:248 lid 2 BW en oordeelt dat het belang van de werkgever bij een sobere financiële huishouding in de gegeven omstandigheden niet opweegt tegen het belang van de werknemers bij handhaving van hun recht op een leaseauto.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Burgerlijk Wetboek Boek 6 258
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 613
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0830
AR 2015/1629
JAR 2015/240
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4114761 / VZ VERZ 15-10093

uitspraak: 20 augustus 2015

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

op het gezamenlijk verzoek ex artikel 96 Rv van:

de stichting

Stichting Havensteder,

gevestigd te Rotterdam,

(mede)verzoekster,

gemachtigden: mr. F.L. van den Boomgaard en mr. drs. J-W. van Geen,

advocaten te Rotterdam,

en

[verweerder 1] ,

wonende te Alblasserdam, en

[verweerder 2] ,

wonende te Ridderkerk,

(mede)verzoekers,

gemachtigde: mr. E.K.W. van Kampen, advocaat te Rotterdam.

Partijen worden hierna “Havensteder”, “[verweerder 1]” respectievelijk “[verweerder 2]” genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het gezamenlijk verzoekschrift ex artikel 96 Rv, met 29 producties, is op 8 mei 2015 ter griffie van de Rechtbank te Rotterdam ontvangen. In het verzoekschrift hebben beide partijen hun eigen visie gegeven op het gerezen dispuut, terwijl bij het verzoekschrift tevens de repliek van Havensteder en de dupliek van [verweerder 1] en [verweerder 2] zijn overgelegd.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 juli 2015. Namens Havensteder is de heer [P.] (manager HRM, hierna: “[P.]”) verschenen, bijgestaan door

mr. F.L. van den Boomgaard en mr. drs. J-W. van Geen. [verweerder 1] en [verweerder 2] zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. E.K.W. van Kampen. Ter zitting hebben partijen hun standpunt nader toegelicht, waarbij zijdens Havensteder een aanvullende productie is overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier aantekening gehouden.

1.3

Vervolgens is de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet voldoende gemotiveerd weersproken staat tussen partijen het volgende vast.

2.1

Havensteder is een woningcorporatie in de zin van artikel 70 Woningwet en heeft momenteel ruim 400 werknemers in dienst. Havensteder is op 1 juli 2011 ontstaan uit een fusie tussen Com*wonen en PWS Rotterdam (hierna: “PWS”). Als gevolg van deze fusie zijn binnen Havensteder drie autoleaseregelingen van toepassing:

- de PWS leaseregeling;

- de Autoregeling Com*wonen;

- de Regeling leaseauto’s Havensteder (die op 1 januari 2012 tot stand is gekomen).

2.2

In de PWS leaseregeling is – voor zover relevant – het volgende vermeld:

“(…)

Beëindiging van de overeenkomst door de werkgever. Werknemers komen niet meer in aanmerking voor een (lease)auto:

op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst is beëindigd;

wanneer door functiewijziging of - verandering een (lease)auto niet noodzakelijk is om de functie naar behoren uit te oefenen;

wanneer het rijbewijs van de werknemer is ingetrokken;

op het tijdstip waarop de werknemer tenminste zes (6) maanden arbeidsongeschikt is;

om andere gewichtige redenen naar het oordeel van de werkgever.

(…)

Privé-gebruik. Gebruik van de auto voor privé-doeleinden is toegestaan, mits voldaan wordt aan de daartoe gestelde c.q. te stellen voorwaarden.
(…)”

2.3

Inzake de verschillende autoleaseregelingen heeft [P.] op 1 februari 2012 aan diverse werknemers, waaronder [verweerder 2] en [verweerder 1], het volgende medegedeeld:

“(…)

Op 1 juli 2011 zijn Com.wonen en PWS gefuseerd en samen verder gegaan onder de naam Havensteder. Er is sprake geweest van een juridische fusie, hetgeen betekent dat alle rechten en verplichtingen, waaronder de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomst, van rechtswege zijn overgegaan op de rechtsopvolger, Havensteder. Dit heeft ertoe geleid dat binnen de nieuwe organisatie verschillen bestaan tussen de arbeidsvoorwaarden van de werknemers die voorheen bij Com.wonen werkzaam waren de arbeidsvoorwaarden van de werknemers die voorheen bij PWS werkzaam waren. Omdat dit als onwenselijk werd ervaren, heeft Havensteder de arbeidsvoorwaarden van beide organisaties zoveel mogelijk geharmoniseerd.

In dit verband heeft Havensteder de huidige leaseregelingen van Com.wonen en PWS beoordeeld en heeft zij zich beraden over een mogelijke wijziging van deze leaseregeling. Op grond van juridische analyses en een belangenafweging is besloten dat de huidige leaseregeling voor de werknemers die op grond van hun arbeidsovereenkomst met Com.wonen respectievelijk PWS of op basis van hun functie recht hebben op een leaseauto voorlopig ongewijzigd zal blijven en dat de huidige leaseregelingen, van Com.wonen en PWS, voor deze groep leaserijders van toepassing blijft.

Het voorgaande neemt echter niet weg dat Havensteder, indien de omstandigheden daar aanleiding toe geven, alsnog kan besluiten om tot wijziging van de leaseregeling over te gaan, hetgeen kan betekenen dat u in de toekomst mogelijk geen leaseauto meer toegekend zult krijgen. (…)”

2.4

Havensteder heeft in 2014 het voornemen geuit om de PWS leaseregeling en de Autoregeling Com*wonen binnen haar gehele organisatie af te schaffen. In dat kader heeft zij een ‘Overgangsregeling afbouw leaseauto’s Havensteder’ (hierna: “de afbouwregeling”) opgesteld, waarin – voor zover relevant – het volgende is vermeld:

“(…)

Doelgroep

Deze regeling is van toepassing op alle medewerkers van Havensteder die bij beide rechtsvoorgangers ook al de beschikking hadden over een leaseauto en die daarvoor nu, op basis van de vanaf 1 januari 2012 van toepassing zijnde leaseregeling, niet meer voor in aanmerking komen.

(…)

Afbouw

Voor alle medewerkers uit de doelgroep geldt dat ze vanaf 1 januari 2015 eerst het lopende leasecontract uitdienen en vervolgens een maandelijkse financiële compensatie ontvangen tot de periode van 48 maanden (gerekend vanaf 1 januari 2015) is volgemaakt. De hoogte van deze bruto financiële compensatie is 50% van het door Havensteder beschikbaar gestelde lease normbedrag. Hiermee wordt het privé gebruik van leasewagen gecompenseerd.

Dit brutobedrag wordt maandelijks met de salarisbetaling netto uitbetaald. Deze regeling maakt het verschil tussen nog lang- en kortlopende contracten vrijwel nihil.

Naast deze “leasevergoeding” ontvangt de betreffende medewerker ook, binnen de dan van toepassing zijnde fiscale mogelijkheden, een reguliere vergoeding voor woon-werkverkeer op grond van de regeling zoals deze binnen Havensteder op dat moment geldt.

Voor het zakelijk verkeer kan gebruik worden gemaakt van de beschikbaar gestelde poolauto’s.

Ingangsdatum

De ingangsdatum van deze overgangsregeling is vastgesteld op 1 januari 2015.

(…)”

2.5

Naar aanleiding van dit voornemen is binnen de onderneming van Havensteder een discussie ontstaan over het wel of niet mogen afschaffen (en onder welke voorwaarden) van de oude leaseregelingen. Havensteder heeft geprobeerd met de ondernemingsraad tot een oplossing te komen, naar de ondernemingsraad heeft aangegeven hierover geen oordeel te willen geven.

2.6

De afbouwregeling treft 33 werknemers, waaronder [verweerder 1] en [verweerder 2].

2.7

[verweerder 1] is op 1 januari 2008 in dienst getreden bij PWS als Manager VvE Beheer.

Artikel 11 van zijn arbeidsovereenkomst luidt als volgt:

“De werknemer krijgt de beschikking over een lease-auto. Het verstrekken van de lease-auto geschiedt overeenkomstig de door PWS opgestelde leaseregeling. De manager VvE is ingedeeld in categorie 2 van PWS leaseregeling.”

Op 26 mei 2009 heeft [verweerder 1] een gebruikersovereenkomst getekend met betrekking tot de door PWS met ingang van 30 juli 2009 aan hem ter beschikking gestelde leaseauto.

Op 29 maart 2013 zijn [verweerder 1] en Havensteder overeengekomen dat het voor [verweerder 1] geldende leasecontract van 30 juli 2009 zal worden verlengd tot 30 juli 2014.

Het laatste leasecontract tussen Havensteder en [verweerder 1] loopt van 1 augustus 2014 tot

1 augustus 2018. In het leasecontract is – voor zover relevant – het volgende vermeld:

“(…)

De voor de functie van de medewerker vastgestelde normleaseprijs is € 806,--.

Wegens overschrijding van de voor werknemer geldende maximale leaseprijs per maand als bedoeld in artikel 4 van de autoregeling bedraagt de in artikel 4 van de autoregeling bedoelde maandelijkse bijdrage van de werknemer: € 91,14 per maand.

Werknemer verklaart kennis te hebben genomen van de binnen de onderneming van werkgever voor werknemer geldende autoregeling. Hem is daarvan eerder een door werkgever en werknemer ondertekend exemplaar ter hand gesteld.

(…)”

Bij brief van 25 november 2014 heeft Havensteder [verweerder 1] geïnformeerd over het voorgenomen besluit om hem met ingang van 1 augustus 2018 geen leaseauto meer ter beschikking te stellen. De leasevergoeding aan [verweerder 1] is volgens de afbouwregeling vastgesteld op € 403,00 (zijnde 50% van het voor hem vastgestelde normleasebedrag) als maandelijkse bruto uitkering vanaf 1 augustus 2018 tot 1 januari 2019.

[verweerder 1] heeft tegen dit voornemen bezwaar gemaakt.

2.8

[verweerder 2] is op 1 maart 2009 in dienst getreden bij PWS als VvE Beheerder.

Met ingang van juni 2010 heeft PWS een leaseauto aan hem ter beschikking gesteld.

Het laatste leasecontract tussen Havensteder en [verweerder 2] loopt van 24 juni 2014 tot 25 juni 2018. In het leasecontract is – voor zover relevant – het volgende vermeld:

“(…)

De voor de functie van de medewerker vastgestelde normleaseprijs is € 592,--.

Wegens overschrijding van de voor werknemer geldende maximale leaseprijs per maand als bedoeld in artikel 4 van de autoregeling bedraagt de in artikel 4 van de autoregeling bedoelde maandelijkse bijdrage van de werknemer: € 109,04 per maand.

Werknemer verklaart kennis te hebben genomen van de binnen de onderneming van werkgever voor werknemer geldende autoregeling. Hem is daarvan een door werkgever en werknemer ondertekend exemplaar ter hand gesteld.

(…)”

Bij brief van 25 november 2014 heeft Havensteder [verweerder 2] geïnformeerd over het voorgenomen besluit om hem met ingang van 25 juni 2018 geen leaseauto meer ter beschikking te stellen. De leasevergoeding aan [verweerder 2] is volgens de afbouwregeling vastgesteld op € 296,00 (zijnde 50% van het voor hem vastgestelde normleasebedrag) als maandelijkse bruto uitkering vanaf 25 juni 2018 tot 1 januari 2019.

[verweerder 2] heeft tegen dit voornemen bezwaar gemaakt.

2.9

Naast de hiervoor genoemde 33 werknemers aan wie een leaseauto ter beschikking is gesteld, hebben ook nog circa 10 medewerkers die behoren tot het hoger management en strategische managers, de beschikking over een leaseauto. De kosten van de 33 leaseauto’s bedragen circa € 300.000,- op jaarbasis. De totale loonsom bedraagt op jaarbasis circa

19 miljoen euro.

2.10

Havensteder heeft [verweerder 1] en [verweerder 2] bereid gevonden om het gerezen dispuut ten aanzien van de leaseauto in een geschil ex artikel 96 Rv als proefprocedure voor te leggen aan de kantonrechter te Rotterdam.

3 Het gezamenlijk verzoek

3.1

Onder toepassing van artikel 96 Rv hebben partijen gezamenlijk de navolgende vraagpunten ter beslissing voorgelegd aan de kantonrechter:

Ten aanzien van [verweerder 1]:

1. Welke leaseregeling is op [verweerder 1] van toepassing: de PWS leaseregeling of de Regeling leaseauto’s Havensteder?

2. Is – gelet op de door partijen geschetste achtergrond, de van toepassing zijnde leaseregeling en de door Havensteder voorgestelde afbouwregeling – Havensteder, vanwege de in onderhavig verzoekschrift door Havensteder aangevoerde gewijzigde omstandigheden in de corporatiesector (waaronder de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen), gerechtigd om met ingang van 1 augustus 2018 geen leaseauto meer aan [verweerder 1] ter beschikking te stellen zonder instemming daartoe van [verweerder 1]?

3. Ingeval Havensteder niet eenzijdig mag overgaan tot de beoogde wijziging, mag dan – gelet op de door partijen geschetste achtergrond en de door Havensteder voorgestelde afbouwregeling – van [verweerder 1] worden verwacht dat hij, vanwege de in onderhavig verzoekschrift door Havensteder aangevoerde gewijzigde omstandigheden in de corporatiesector (waaronder de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen), instemt met het voorstel van Havensteder om hem met ingang van 1 augustus 2018 geen leaseauto meer ter beschikking te stellen?

4. Indien de vragen 2 en 3 ontkennend worden beantwoord, maken dan de in onderhavig verzoekschrift door Havensteder aangevoerde gewijzigde omstandigheden in de corporatiesector (waaronder de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen) dat – gelet op de door partijen geschetste achtergrond – [verweerder 1] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de leaseregeling niet mag verwachten, zodat Havensteder gerechtigd is om met ingang van 1 augustus 2018 de leaseregeling af te schaffen conform de door haar voorgestelde afbouwregeling?

Ten aanzien van [verweerder 2]:

1. Welke leaseregeling is op [verweerder 2] van toepassing: de PWS leaseregeling of de Regeling leaseauto’s Havensteder?

2. Is – gelet op de door partijen geschetste achtergrond, de van toepassing zijnde leaseregeling en de door Havensteder voorgestelde afbouwregeling – Havensteder, vanwege de in onderhavig verzoekschrift door Havensteder aangevoerde gewijzigde omstandigheden in de corporatiesector (waaronder de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen), gerechtigd om met ingang van 25 juni 2018 geen leaseauto meer aan [verweerder 2] ter beschikking te stellen zonder instemming daartoe van [verweerder 2]?

3. Ingeval Havensteder niet eenzijdig mag overgaan tot de beoogde wijziging, mag dan – gelet op de door partijen geschetste achtergrond en de door Havensteder voorgestelde afbouwregeling – van [verweerder 2] worden verwacht dat hij, vanwege de in onderhavig verzoekschrift door Havensteder aangevoerde gewijzigde omstandigheden in de corporatiesector (waaronder de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen), instemt met het voorstel van Havensteder om hem met ingang van 25 juni 2018 geen leaseauto meer ter beschikking te stellen?

4. Indien de vragen 2 en 3 ontkennend worden beantwoord, maken dan de in onderhavig verzoekschrift door Havensteder aangevoerde gewijzigde omstandigheden in de corporatiesector (waaronder de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen) dat – gelet op de door partijen geschetste achtergrond – [verweerder 2] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de leaseregeling niet mag verwachten, zodat Havensteder gerechtigd is om met ingang van 25 juni 2018 de leaseregeling af te schaffen conform de door haar voorgestelde afbouwregeling?

3.2

Partijen hebben te kennen gegeven af te zien van de mogelijkheid van hoger beroep.

4 De stellingen van Havensteder

4.1

Havensteder stelt zich op het standpunt dat zij op basis van de artikelen 7:613, 7:611, 6:248 én 6:258 BW (gecombineerd dan wel afzonderlijk) over kan gaan tot het afschaffen van het recht op een leaseauto voor bepaalde medewerkers. Daartoe heeft zij

– samengevat – het volgende aangevoerd.

4.2

Woningcorporaties hebben een aantal belangrijke maatschappelijke taken, zoals het huisvesten van ouderen, gehandicapten en andere personen die zorg of begeleiding behoeven, maar ook het leefbaar maken en houden van wijken waarin sociale huurwoningen staan. Ingevolge artikel 21 en 22 Besluit beheer sociale-huursector (BBSH) dient een woningcorporatie middels haar financiële beleid en beheer haar voortbestaan te waarborgen en de overige financiële middelen uitsluitend in te zetten ten behoeve van de volkshuisvesting. Artikel 24 BBSH weerspiegelt de maatschappelijke verwachting met betrekking tot woningcorporaties. Het artikel stelt dat een woningcorporatie zorg dient te dragen voor een sobere en doelmatige bedrijfsvoering. Deze maatschappelijke verwachting strookt vandaag de dag echter niet meer met het maatschappelijke imago van woningcorporaties. De laatste jaren zijn veel misstanden aan het licht gekomen binnen woningcorporaties. Onder andere door omvangrijke en riskante investeringen is veel maatschappelijk bestemd kapitaal verloren gegaan. Door deze ontwikkelingen is het maatschappelijk imago van woningcorporaties zwaar beschadigd. Het handelen van woningcorporaties vormde voor de Tweede Kamer aanleiding om in 2013 een beroep te doen op haar recht van enquête. De parlementaire commissie heeft daarop het corporatiestelsel in Nederland onderzocht en daarbij verschillende misstanden aan het licht gebracht. Een van de aanbevelingen van de commissie houdt in dat het creëren van een cultuurverandering een noodzakelijke voorwaarde is voor het herstellen van het imago van de sector. Bij corporaties moet het besef terugkomen dat zij zich bezighouden met maatschappelijke activiteiten en dat zij het daarvoor bestemde maatschappelijke kapitaal op een juiste manier aanwenden. Een wezenlijk onderdeel daarvan is de versobering van de financiële huishouding.

Voorts is Havensteder onderworpen aan de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT), als gevolg waarvan beperkingen zijn gesteld aan de bezoldiging van topfunctionarissen van woningcorporaties. Zeer recent is door de Eerste Kamer een wetswijziging aangenomen die het algemene bezoldigingsmaximum in de WNT verder verlaagt. De aanscherping van de WNT karakteriseert de wens van de Nederlandse volksvertegenwoordiging om tot een meer sobere corporatiesector te komen.

4.3

Daarnaast is de financiële huishouding van Havensteder de laatste jaren vanwege onder meer de invoering van vennootschapsbelasting, de crisis op de woningmarkt en nieuwe regels voor staatssteun zodanig onder druk komen te staan dat Havensteder in 2013 noodgedwongen een ingrijpende reorganisatie heeft moeten doorvoeren, waarbij ongeveer 100 fte aan arbeidsplaatsen zijn komen te vervallen. Daarbij heeft Havensteder niet alleen kostenbesparende maatregelen moeten nemen op het gebied van personeelskosten, maar ook met betrekking tot rentelasten, onderhoudslasten, organisatiekosten en zakelijke lasten. Dit pakket aan kostenbesparende maatregelen illustreert de versobering die Havensteder de laatste jaren doorvoert met betrekking tot haar uitgaven.

4.4

Regelgeving, de negatieve maatschappelijke opvatting én het feit dat Havensteder zeer zorgvuldig dient om te gaan met haar financiële middelen maken een sobere financiële huishouding derhalve noodzakelijk. Het aanbieden van een leaseauto aan een substantieel aantal medewerkers strookt daar niet mee. Op grond van de Regeling leaseauto’s Havensteder worden alleen leaseauto’s toegekend aan het hoger management en strategische managers. Havensteder wenst ten aanzien van de werknemers die niet onder die groep vallen, maar wel een leaseauto hebben op basis van de oude leaseregelingen, het recht op een leaseauto af te schaffen. Ter compensatie is een afbouwregeling opgesteld voor die werknemers.

4.5

Op de leasecontracten van [verweerder 1] en [verweerder 2] is de PWS leaseregeling van toepassing. Daarin is een eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen (zie punt 2.2). In dat beding zijn vijf gronden opgenomen op basis waarvan Havensteder de leaseregeling eenzijdig kan wijzigen. De eerste vier gronden zijn in zekere zin voorzienbaar. In casu is de vijfde grond van toepassing. Deze grond betreffende gewichtige redenen is nu juist opgenomen voor situaties als de onderhavige – de gewijzigde omstandigheden in de corporatiesector zoals hiervóór omschreven – die Havensteder niet kon voorzien.

4.6

Hetgeen Havensteder voorts heeft aangevoerd, wordt – voor zover relevant – besproken bij de beoordeling.

5 De stellingen van [verweerder 1] en [verweerder 2]

5.1

[verweerder 1] en [verweerder 2] stellen zich op het standpunt dat Havensteder niet gerechtigd is hun aanspraken ten aanzien van de leaseauto eenzijdig te wijzigen. Daartoe hebben zij

- samengevat - het volgende aangevoerd.

5.2

In de eerste plaats hebben [verweerder 1] en [verweerder 2] aangevoerd dat Havensteder zich niet kan beroepen op een eenzijdig wijzigingsbeding in de zin van artikel 7:613 BW teneinde de op hen van toepassing zijnde leaseregeling af te schaffen. Immers, voor zover de Regeling leaseauto’s Havensteder niet reeds vanaf 1 januari 2012 op [verweerder 1] en [verweerder 2] van toepassing was, is in ieder geval met het sluiten van de nieuwe leasecontracten met Havensteder deze leaseregeling voor hen gaan gelden, nu deze regeling van toepassing is op alle medewerkers van Havensteder aan wie een leaseauto ter beschikking is gesteld. De Regeling leaseauto’s Havensteder bevat geen eenzijdig wijzigingsbeding, zodat Havensteder niet bevoegd is tot eenzijdige afschaffing van de leaseregeling.

Ook indien moet worden aangenomen dat de PWS leaseregeling op [verweerder 1] en [verweerder 2] van toepassing is, hetgeen wordt betwist, dan geldt dat het daarin vervatte eenzijdige wijzigingsbeding niet jegens hen kan worden ingeroepen, nu dit beding niet schriftelijk is overeengekomen in de arbeidsovereenkomst en evenmin in de arbeidsovereenkomst is geïncorporeerd. Ten aanzien van [verweerder 1] wordt betwist dat het eenzijdig wijzigingsbeding door artikel 11 van zijn arbeidsovereenkomst is geïncorporeerd. In dat verband beroept [verweerder 1] zich op een uitleg contra preferentem. De onduidelijkheid in het artikel dient ten nadele van Havensteder te worden uitgelegd.

5.3

Indien wordt geoordeeld dat het eenzijdig wijzigingsbeding van de PWS leaseregeling gelding heeft tussen partijen, voeren [verweerder 1] en [verweerder 2] aan dat de door Havensteder gestelde gewijzigde omstandigheden in de corporatiesector niet kunnen worden beschouwd als gewichtige redenen zoals bedoeld in het eenzijdig wijzigingsbeding, noch kunnen die omstandigheden een zwaarwichtig belang vormen in de zin van artikel 7:613 BW.

Immers, nu de overige gevallen die in het beding zijn opgenomen, zien op objectiveerbare situaties waarin het evident is dat de werknemer niet langer in aanmerking komt voor een leaseauto, dient ook het begrip ‘gewichtige redenen’ in die context te worden uitgelegd.

De gewijzigde omstandigheden in de corporatiesector zijn vaag en niet-objectiveerbaar en kunnen daarom niet als gewichtige redenen worden beschouwd.

Bij een zwaarwichtig belang moet het gaan om zwaarwegende bedrijfseconomische of organisatorische omstandigheden die tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden noodzaken. Daarvan is hier geen sprake. Havensteder verkeert niet in financiële problemen.

Bovendien is het de wereld op zijn kop dat Havensteder de WNT en de maatschappelijke opvattingen over woningcorporaties aangrijpt als argument om de arbeidsvoorwaarden van de ‘gewone’ werknemers (verder) te versoberen. De WNT alsook de maatschappelijke en politieke discussie richten zich juist op de bestuurders van woningcorporaties en de misstanden in hun beloningen en niet op de ‘gewone’ werknemer.

Voorts dient de belangenafweging in het kader van artikel 7:613 BW in het voordeel van [verweerder 1] en [verweerder 2] te vallen.

Het recht van [verweerder 1] en [verweerder 2] op een leaseauto is aan te merken als een vorm van beloning (in natura) en derhalve als een primaire arbeidsvoorwaarde, nu zij gerechtigd zijn die auto ook voor privé doeleinden te gebruiken. Bij zijn indiensttreding bij PWS heeft [verweerder 1] zelfs expliciet bedongen dat hem een leaseauto ter beschikking zou worden gesteld.

[verweerder 1] en [verweerder 2] stellen dat zij een ambulante functie bekleden en dat het voor hun functie noodzakelijk is dat zij over een leaseauto beschikken. Het inzetten van poolauto’s is geen adequaat alternatief.

De voorgestelde afbouwregeling is niet redelijk. [verweerder 1] en [verweerder 2] zullen, indien het gebruik van hun leaseauto eindigt, zelf een auto moeten aanschaffen. Met de aangeboden compensatie is dit niet of nauwelijks mogelijk.

Tot slot is van belang dat [verweerder 1] en [verweerder 2] in 2012 al zijn geconfronteerd met het vervallen van een aantal niet-CAO-gebonden, secundaire arbeidsvoorwaarden in het kader van de fusie tussen PWS en Com*wonen, waarvoor zij slechts voor een klein gedeelte zijn gecompenseerd. De waarde van die vervallen voorwaarden bedroeg voor hen op jaarbasis

€ 1.320,40 bruto. Indien [verweerder 1] en [verweerder 2] na afloop van hun huidige leasecontract niet meer in aanmerking komen voor een leaseauto, worden zij wederom met een versobering van hun arbeidsvoorwaarden geconfronteerd, zonder dat hen hiervoor door Havensteder een adequate compensatie wordt geboden. Hetzelfde zal gelden voor de overige werknemers die door de afschaffing van de leaseregelingen worden getroffen.

5.4

Om dezelfde redenen waarom [verweerder 1] en [verweerder 2] menen dat Havensteder geen beroep toekomt op artikel 7:613 BW, menen zij dat Havensteder zich evenmin kan beroepen op artikel 6:248 lid 2 BW en artikel 6:258 lid 1 BW. De toetsingsnorm van artikel 7:613 BW is immers een lichtere dan die van artikel 6:248 lid 2 BW, terwijl artikel 6:258 lid 1 BW een lex specialis vormt van artikel 6:248 lid 2 BW voor een extreem geval. Artikel 7:611 BW en in dat verband het Taxi Hofman-criterium zijn in casu niet van toepassing, aangezien die bepaling is bedoeld voor wijzigingen van arbeidsvoorwaarden op individueel niveau en het in het onderhavige geval gaat om het afschaffen van een collectieve regeling.

5.5

Hetgeen [verweerder 1] en [verweerder 2] voorts hebben aangevoerd, wordt - voor zover relevant - besproken bij de beoordeling.

6 De beantwoording van de vragen

6.1

Vanwege de samenhang ziet de kantonrechter aanleiding om de positie van [verweerder 1] en [verweerder 2] tegelijkertijd te betrekken bij de behandeling van de vragen.

Vraag 1. Welke leaseregeling is van toepassing?

6.2

Vaststaat dat aan [verweerder 1] en [verweerder 2] hun eerste leaseauto ter beschikking is gesteld door PWS en daarop is de PWS leaseregeling van toepassing verklaard. Na de fusie tussen PWS en Com*wonen op 1 juli 2011 heeft Havensteder de mogelijkheden onderzocht om de leaseregelingen te harmoniseren, maar omdat dat toen op teveel weerstand stuitte, heeft zij uiteindelijk besloten om de oude leaseregelingen te handhaven. Bij e-mail van 1 februari 2012 (hiervóór in rechtsoverweging 2.3 gedeeltelijk geciteerd) heeft Havensteder aan de betreffende medewerkers, waaronder [verweerder 1] en [verweerder 2], medegedeeld dat de leaseregelingen van Com*wonen en PWS ongewijzigd van toepassing zullen blijven in hun situatie. Aldus wisten [verweerder 1] en [verweerder 2], althans hadden zij kunnen weten dat hun leasecontracten, ondanks de fusie en het ontstaan van een nieuwe leaseregeling van Havensteder, zouden blijven vallen onder de PWS leaseregeling.

6.3

De stelling van [verweerder 1] en [verweerder 2] dat zij, door het sluiten van een nieuw leasecontract met Havensteder, er gerechtvaardigd op hadden mogen vertrouwen dat de PWS leaseregeling was vervangen door de regeling van Havensteder, wordt niet gevolgd, nu uit de beide contracten niet kan worden afgeleid dat op dat punt een wijziging is overeengekomen. Immers, in de contracten is de regeling van Havensteder niet één keer vermeld en de enige concrete verwijzing naar een regeling ter zake de maximale leaseprijs per maand, namelijk artikel 4 van de autoregeling, sluit logischerwijze aan op artikel 4 van de PWS leaseregeling over de maandelijkse bijdrage (terwijl artikel 4 van de Havensteder regeling ziet op ‘offerte en bestellen’). In het geval van [verweerder 1] geldt bovendien dat hij, na de fusie, eerst nog met Havensteder is overeengekomen om zijn ‘oude’ leasecontract (waar de PWS leaseregeling op van toepassing was) met een jaar te verlengen, zodat hij toen al kon weten dat de PWS leaseregeling bleef gelden, ook in het geval dat de leaseauto op naam van Havensteder stond.

Dat in de regeling van Havensteder is vermeld dat de regeling van toepassing is op alle medewerkers van Havensteder die een personenwagen ter beschikking gesteld krijgen, kan [verweerder 1] en [verweerder 2] niet baten. Nog daargelaten dat deze zin vervolgens nader wordt toegelicht en geconcretiseerd met een categorie-indeling, geldt ook overigens dat een regeling eerst werking krijgt, indien partijen dat overeenkomen en niet omdat een regeling dat aangeeft.

Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden waaruit de conclusie kan worden getrokken dat de van toepassing zijnde regeling is gewijzigd.

6.4

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat op de leasecontracten van zowel [verweerder 1] als [verweerder 2] (nog steeds) de PWS leaseregeling van toepassing is.

Vraag 2. Is Havensteder gerechtigd om met ingang van 1 augustus 2018 respectievelijk

25 juni 2018 niet langer een leaseauto aan [verweerder 1] en [verweerder 2] ter beschikking te stellen zonder hun instemming?

6.5

In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of Havensteder een beroep toekomt op het eenzijdig wijzigingsbeding van de PWS leaseregeling. Daar waar Havensteder heeft gesteld dat [verweerder 1] en [verweerder 2], door het ondertekenen van de leasecontracten – en in het geval van [verweerder 1] ook op grond van artikel 11 van zijn arbeidsovereenkomst – ermee hebben ingestemd dat alle arbeidsvoorwaarden uit de toepasselijke PWS leaseregeling onderdeel zijn gaan uitmaken van hun arbeidsovereenkomst, hebben [verweerder 1] en [verweerder 2] aangevoerd dat het wijzigingsbeding niet dan wel niet op juiste wijze is geïncorporeerd in hun arbeidsovereenkomst, zodat dit beding jegens hen niet kan worden ingeroepen.

6.6

Over de vraag hoe het schriftelijkheidsvereiste voor een wijzigingsbeding begrepen dient te worden, zegt artikel 7:613 BW slechts dat sprake moet zijn van een ‘schriftelijk beding’, zonder dat duidelijk is waar dit beding moet zijn opgenomen. Hoewel de wetstekst de mogelijkheid openlaat dat het beding in bijvoorbeeld een CAO of andere collectieve regeling wordt vastgelegd in plaats van de arbeidsovereenkomst, valt uit de wetsgeschiedenis af te leiden dat de wetgever een strengere maatstaf heeft beoogd.

Het schriftelijkheidsvereiste is in de wet gekomen via een amendement dat zonder discussie is aangenomen. Uit de toelichting op het amendement blijkt dat het schriftelijkheidsvereiste de rechtszekerheid en kenbaarheid dient en als formeel vereiste moet worden gesteld dat het beding schriftelijk en in de arbeidsovereenkomst zelf is overeengekomen (Kamerstukken II, 1996/97, 24 615, nr. 15). In het Wegener-arrest ter zake een eenzijdig wijzigingsbeding in een winstdelingsregeling heeft de Hoge Raad (18 maart 2011, RAR 2011/76) het schriftelijkheidsvereiste enigszins versoepeld. In r.o. 3.6.4 is eerst opgemerkt dat de tekst van artikel 7:613 BW niet de eis stelt dat een wijzigingsbeding moet zijn vastgelegd in een arbeidsovereenkomst. Vervolgens is geoordeeld dat het formele vereiste zoals omschreven in de toelichting op het amendement niet geldt voor een wijzigingsbeding als het geval in die zaak. Met de incorporatie van de winstdelingsregeling in de arbeidsovereenkomst was immers voldoende tegemoetgekomen aan de eisen van rechtszekerheid en kenbaarheid waarop die passage doelde, nu over de inhoud en reikwijdte van het beding geen redelijke twijfel kon bestaan. Daarbij heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat artikel 7:613 BW al een behoorlijke bescherming biedt voor de werknemer én dat volgens het beding wijziging van de winstdelingsregeling was onderworpen aan het instemmingsrecht van de centrale ondernemingsraad.

6.7

Gelet op het voorgaande neemt de kantonrechter als uitgangspunt dat een eenzijdig wijzigingsbeding ook rechtsgeldig kan worden opgenomen in een schriftelijke collectieve regeling, mits deze regeling is geïncorporeerd in de individuele arbeidsovereenkomst op een wijze dat voldoende wordt tegemoetgekomen aan de eisen van rechtszekerheid en kenbaarheid.

6.8

De stelling van Havensteder ten aanzien van de leasecontracten wordt verworpen.

De tekst in het leasecontract, dat de werknemer kennis heeft genomen van de geldende autoregeling en dat hem een ondertekend exemplaar ter hand is gesteld, is voorgedrukt en gesteld noch gebleken is dat [verweerder 1] en [verweerder 2] enige invloed hebben gehad op deze tekst. Daarnaast hebben [verweerder 1] en [verweerder 2] ter zitting onweersproken aangevoerd dat zij nimmer een leaseregeling hebben ontvangen (noch van Havensteder, noch van PWS) of ondertekend en dat zij de leasecontracten hebben getekend omdat zij anders geen leaseauto zouden krijgen. Een door partijen ondertekend exemplaar is ook niet in het geding gebracht.

Gelet op deze omstandigheden wordt het ervoor gehouden dat hier sprake is van een verklaringsfictie waaraan niet de betekenis kan worden toegekend van een partijverklaring als bedoeld in artikel 157 lid 2 Rv. Derhalve is niet vast komen te staan dat de PWS leaseregeling aan [verweerder 1] en [verweerder 2] ter hand is gesteld. De ondertekende leasecontracten kunnen daarom niet leiden tot de conclusie dat de regeling (en dus ook het eenzijdig wijzigingsbeding) onderdeel is gaan uitmaken van de arbeidsovereenkomst.

Dat in het geval van [verweerder 1] de arbeidsovereenkomst in artikel 11 een incorporatiebeding bevat ten aanzien van de PWS leaseregeling, maakt het voorgaande niet anders, nu onvoldoende gebleken is dat Havensteder heeft voldaan aan de eisen van rechtszekerheid en kenbaarheid. Ten eerste speelt mee dat, zoals eerder overwogen, onvoldoende gebleken is dat de PWS leaseregeling aan [verweerder 1] ter hand is gesteld. Daarnaast twisten partijen over de inhoud en de reikwijdte van het beding, zodat anders dan in het Wegener-arrest ook daarover in dit geval twijfel bestaat. Partijen verschillen immers van mening over de vraag hoe de term ‘gewichtige redenen’ in de PWS leaseregeling moet worden uitgelegd, waarbij tevens is vermeld dat het gaat om ‘gewichtige redenen naar het oordeel van de werkgever’.

Niet alleen ontbeert [verweerder 1] de bescherming van het instemmingsrecht van de centrale ondernemingsraad die de werknemers wel genoten in het Wegener-arrest, het beding geeft Havensteder in feite een discretionaire bevoegdheid om het recht op een leaseauto in te trekken, hetgeen de rechtszekerheid van de werknemer ernstig aantast.

Dit leidt tot het oordeel dat de PWS leaseregeling niet dan wel niet op juiste wijze is geïncorporeerd in de arbeidsovereenkomst van [verweerder 1] en [verweerder 2]. Aan Havensteder komt daarom geen beroep toe op het eenzijdig wijzigingsbeding van de PWS leaseregeling.

6.9

Vervolgens moet beoordeeld worden welke norm dient te worden gebruikt als maatstaf bij de beoordeling van de vraag of Havensteder gerechtigd is om de betreffende arbeidsvoorwaarde van [verweerder 1] en [verweerder 2] eenzijdig te wijzigen. Uit het Stoof/Mammoet- arrest (HR 11 juli 2008, RvdW 2008/725) en het Wegener-arrest is de heersende leer ontstaan dat voor individuele wijzigingen de toets van artikel 7:611 BW geldt. In het geval van collectieve wijzigingen geldt de toets van artikel 7:613 BW bij toepassing van een eenzijdig wijzigingsbeding en de toets van artikel 6:248 lid 2 BW bij gebreke van een eenzijdig wijzigingsbeding.

6.10

Vaststaat dat het onderhavige geschil betrekking heeft een proefprocedure, waarbij het gaat om het voornemen van Havensteder het recht op een leaseauto van in totaal 33 werknemers te beëindigen. Aldus is sprake van een voorgenomen collectieve wijziging van een arbeidsvoorwaarde. Nu eerder is vastgesteld dat tussen partijen geen eenzijdig wijzigingsbeding geldt, heeft de norm van artikel 6:248 lid 2 BW te gelden. Dit betekent dat Havensteder dient aan te tonen dat instandhouding van het recht op de leaseauto van de voormelde groep werknemers naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tot onaanvaardbare gevolgen leidt. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

6.11

Vooropgesteld wordt dat het belang van Havensteder bij een sobere financiële huishouding wordt onderkend. Dit mag worden verwacht en geëist van een instantie met een maatschappelijke taak als Havensteder en in dat kader is het een en ander ook vastgelegd in de Woningwet en het BBSH. Verder is ook niet in geschil tussen partijen dat in de laatste jaren talloze misstanden bij woningcorporaties aan het licht zijn gekomen, waardoor het maatschappelijke imago van de woningcorporaties ernstig is aangetast, en dat de financiële huishouding van Havensteder onder druk is komen te staan als gevolg van politiek ingrijpen en de crisis op de woningmarkt.

De kantonrechter is echter van oordeel dat deze omstandigheden niet opwegen tegen de belangen van de werknemers bij handhaving van hun recht op een leaseauto. In dat verband neemt de kantonrechter de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking:

- Havensteder heeft geen bedrijfseconomische omstandigheden aan haar voornemen ten grondslag gelegd en evenmin is gebleken dat haar financiële situatie dusdanig nijpend is dat direct ingrijpen c.q. een reorganisatie noodzakelijk is. Evenmin is gebleken dat zij de kosten van de 33 leaseauto’s niet langer meer kan dragen.

- Niet in geschil is dat het gebruik van een leaseauto wordt beschouwd als een vorm van loon, nu de auto ook voor privé doeleinden mag worden gebruikt. Derhalve is hier sprake van een primaire arbeidsvoorwaarde. Voor [verweerder 1] was het bovendien een noodzakelijke voorwaarde om een dienstverband aan te gaan met PWS toentertijd.

- [verweerder 1] en [verweerder 2] hebben onweersproken aangevoerd dat zij voor het uitoefenen van hun functie zeer regelmatig gebruik dienen te maken van een auto, nu zij een ambulante functie bekleden. Niet duidelijk is of het inzetten van poolauto’s een adequaat alternatief is.

- De kosten die gemoeid zijn met de lease van de auto’s van [verweerder 1] en [verweerder 2] (overigens kleine middenklassers en dus geen “Maserati’s”) en van de 31 auto’s van de andere medewerkers, niet behorend tot het hoger management en strategische managers, corresponderen met een bedrag van circa € 300.000,- op jaarbasis, hetgeen afgezet tegen de totale loonkosten van circa 19 miljoen euro op jaarbasis, een relatief bescheiden bedrag is.

- De voorgenomen wijziging van de autoregeling geldt enkel voor de ‘gewone’ werknemer en dus niet voor het hoger management en de strategische managers. De stelling van Havensteder dat zij niet kan snijden in de arbeidsvoorwaarden van deze categorieën medewerkers, omdat zij anders geen ‘kwaliteit’ meer kan binnenhalen, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende komen vast te staan.

- De voorgestelde afbouwregeling is mager. Zo ontvangen [verweerder 1] en [verweerder 2] na afloop van hun huidige leasecontract slechts vijf respectievelijk zes maanden de helft van het normleasebedrag in het kader van de getroffen afbouwregeling.

- In 2012 zijn [verweerder 1] en [verweerder 2] reeds geconfronteerd met een eenzijdige versobering van hun arbeidsvoorwaarden. Havensteder stelt bij die reorganisatie tevens te hebben bespaard op andere lasten en dat er nog weinig kosten zijn overgebleven om in te snijden, maar zij heeft niet inzichtelijk gemaakt welke maatregelen zij heeft genomen ten aanzien van de topfunctionarissen, terwijl de maatschappelijke discussie juist is ontstaan door de cultuur en het gedrag binnen de hogere regionen.

- Havensteder heeft verwezen naar een onderzoek dat EVZ in opdracht van Aedes, de branchevereniging van woningcorporaties, heeft uitgevoerd naar de beloning binnen de corporatiesector in relatie tot haar marktconcurrenten op 1 juli 2013. Volgens Havensteder blijkt uit dat onderzoek dat met name de lagere functiegroepen boven de mediaan liggen qua beloning. Daar valt echter het een en ander op af te dingen, aangezien bij dat onderzoek, zoals [verweerder 1] en [verweerder 2] terecht hebben aangegeven, geen rekening is gehouden met eventuele vaste aanvullende beloningscomponenten die sectoren/bedrijven in de gemaakte benchmark hanteren. In de nadere toelichting van EVZ blijkt dat, indien daar wel rekening mee wordt gehouden, de conclusie van Havensteder niet helemaal klopt.

6.12

Derhalve is onvoldoende vast komen te staan dat instandhouding van de betreffende collectieve arbeidsvoorwaarde naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Havensteder is dan ook niet gerechtigd om met ingang van

1 augustus 2018 respectievelijk 25 juni 2018 geen leaseauto meer aan [verweerder 1] en [verweerder 2] ter beschikking te stellen zonder hun instemming.

Vraag 3. Mag van [verweerder 1] en [verweerder 2] worden verwacht dat zij instemmen met het voorstel van Havensteder om hen geen leaseauto meer ter beschikking te stellen?

6.13

Deze vraag ziet op de toets van artikel 7:611 BW. Onder randnummer 6.9 en 6.10 is al overwogen dat deze toets in het onderhavige geval niet van toepassing is, aangezien het niet gaat om een individuele wijziging van arbeidsvoorwaarden, maar een collectieve wijziging. Die vraag behoeft in dit kader dan ook geen verdere bespreking meer.

Vraag 4. Maken de aangevoerde gewijzigde omstandigheden in de corporatiesector dat [verweerder 1] en [verweerder 2] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de leaseregeling niet mogen verwachten, zodat Havensteder gerechtigd is om hun leaseregeling af te schaffen?

6.14

Deze vraag heeft betrekking op het wijzigen door de rechter van de gevolgen van een overeenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden zoals bedoeld in artikel 6:258 BW. Deze bepaling vormt een lex specialis van artikel 6:248 lid 2 BW voor een extreem geval en de rechter zal bij de toepassing van deze bepaling dezelfde terughoudendheid moeten betrachten als uit de bewoordingen van artikel 6:248 lid 2 BW (‘onaanvaardbaar’) voor de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid in het algemeen voortvloeit.

Gelet daarop en hetgeen reeds is overwogen onder randnummer 6.11 en 6.12 wordt geoordeeld dat Havensteder ook niet met een beroep op artikel 6:258 BW gerechtigd is om de leaseregeling van [verweerder 1] en [verweerder 2] af te schaffen.

Proceskosten

6.15

De kantonrechter stelt vast dat partijen geen beslissing hebben gevraagd omtrent de proceskosten. Havensteder heeft zich bereid verklaard de kosten van het geding te dragen.

7 De beslissing

De kantonrechter:

- bepaalt dat op de leasecontracten van zowel [verweerder 1] als [verweerder 2] (nog steeds) de PWS leaseregeling van toepassing is;

- bepaalt dat Havensteder niet gerechtigd is om met ingang van 1 augustus 2018 respectievelijk 25 juni 2018 geen leaseauto meer aan [verweerder 1] en [verweerder 2] ter beschikking te stellen zonder hun instemming.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

775