Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:6303

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-08-2015
Datum publicatie
02-09-2015
Zaaknummer
C/10/437464 / HA ZA 13-1141
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil tussen erfgenamen over omvang nalatenschap. Wanprestatie dan wel onrechtmatig handelen bij gesteld beheer door één van de erfgenamen van de financiën van erflaatster is niet komen vast te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0305
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie 1

zaaknummer / rolnummer: C/10/437464 / HA ZA 13-1141

Vonnis van 26 augustus 2015

in de zaak van

1 [eiser1] ,

wonende te Capelle aan den IJssel,

2. [eiser2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser3],

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. J.C. Moree te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente Schouwen-Duiveland,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. E.S. van Aken te Zierikzee.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 12 maart 2014 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 mei 2014;

  • -

    de akte houdende overlegging producties van [gedaagde] ;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn de enige kinderen en erfgenamen van mevrouw [moeder] (hierna: moeder), geboren te Rotterdam op [geboortedatum] , destijds in gemeenschap van goederen gehuwd met de heer [echtgenoot] , welk huwelijk door overlijden van de heer [echtgenoot] op 18 april 1976 te Rotterdam, is ontbonden.

2.2.

Vanaf 1999/2000 verbleef moeder in diverse instellingen van de BAVO. Zij stond niet onder curatele.

2.3.

Moeder is op 30 augustus 2011 te Lansingerland overleden. Zij had geen testament op laten maken.

2.4.

[gedaagde] heeft de uitvaartplechtigheid geregeld. De uitvaartkosten bedroegen een bedrag van € 4.280,45. Daarnaast zijn een urn en vier bokalen aangeschaft voor een totaal bedrag van € 837,50. Een uitkering van het spaarfonds bedroeg € 908,32.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eisers] vorderen samengevat - :

  1. de omvang van de nalatenschap van moeder vast te stellen op € 26.568,--;

  2. [gedaagde] te veroordelen om aan ieder van [eisers] te betalen primair het bedrag van € 6.600,--, subsidiair het bedrag van € 3.300,-- vermeerderd met wettelijke rente;

  3. met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert samengevat na vermindering van eis - veroordeling van [eisers] tot betaling van € 2.472,-- althans € 824,-- per persoon, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten.

3.5.

[eisers] voeren verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

[eisers] wensen te komen tot een vaststelling van de omvang en de verdeling van de nalatenschap van moeder. [eisers] zijn van mening dat [gedaagde] wanprestatie heeft gepleegd bij het gevoerde financiële beheer voor moeder, ten gevolge waarvan de omvang van de nalatenschap van moeder volgens [gedaagde] nihil is, terwijl de nalatenschap een substantieel bedrag had moeten zijn, ten gevolge waarvan [eisers] schade lijden. Deze schade is het gevolg van het onvoldoende en verkeerde beheer c.q. de onrechtmatig opgenomen gelden van de bankrekeningen van moeder door [gedaagde] , welke schade hij dient te vergoeden. Bij gelegenheid van de conclusie van repliek in conventie vullen [eisers] de grondslag van hun vordering aan stellende dat er sprake is geweest van ongerechtvaardigde verrijking en dat [gedaagde] jarenlang misbruik heeft gemaakt van de slechte geestesgesteldheid van moeder dan wel haar handelingsonbekwaamheid.

4.2.

[eisers] vorderen de omvang van de nalatenschap van moeder vast te stellen op een bedrag van € 26.568,--. Zij hebben dit bedrag berekend aan de hand van de inkomsten die moeder vanaf 1999/2000 (zijnde een AOW-uitkering en een netto pensioen van € 49,00 per maand) heeft genoten verminderd met een bedrag aan redelijk bevonden uitgaven. Het voornoemde bedrag is aldus het saldo van de niet verantwoorde c.q. onjuist verantwoorde opnamen en bestedingen. Primair stellen [eisers] zich op het standpunt dat het door hun becijferde tekort in de nalatenschap van € 26.568,-- door [gedaagde] dient te worden aangezuiverd, zodat [eisers] ieder hun erfdeel ontvangen.

4.3.

[gedaagde] voert aan dat moeder zelf verantwoordelijk was voor haar inkomsten en uitgaven. Hij heeft enkel in samenspraak en op verzoek van moeder en met haar instemming geldopnamen gedaan en verantwoorde uitgaven gedaan. Alle opnamen en uitgaven zijn ten goede gekomen aan moeder. [gedaagde] voert voorts aan in de loop van de jaren afspraken te hebben gemaakt met moeder over een bijdrage in de onkosten die hij maakte in verband met de bezoekjes aan moeder en het verblijf van moeder bij [gedaagde] thuis en in de caravan op de camping. Hij voert aan daar geen voordeel van te hebben gehad. Het waren reële kosten waarvoor hij een vergoeding kreeg.

4.4.

[eisers] stellen zich op het standpunt dat [gedaagde] inmiddels rekening en verantwoording heeft afgelegd zodat hetgeen daarover is aangevoerd buiten beschouwing kan blijven.

4.5.

[eisers] leggen aan hun vordering primair ten grondslag de stelling dat [gedaagde] het financiële beheer voor moeder heeft gevoerd. [gedaagde] betwist dit gemotiveerd. Het had vervolgens op de weg van [eisers] gelegen hun stelling nader met feiten en omstandigheden te onderbouwen. Dit hebben zij niet dan wel onvoldoende gedaan. Het enkele feit dat [gedaagde] in het bezit was van de bankpas van moeder is onvoldoende om aan te nemen dat hij haar financiën beheerde. Weliswaar heeft [gedaagde] met deze bankpas ook zelf bedragen opgenomen, doch hij heeft aangegeven dat dit met medeweten en toestemming van moeder was. [eisers] hebben dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Derhalve is niet komen vast te staan dat er sprake was van een overeenkomst tussen moeder en [gedaagde] op grond waarvan hij haar financiën beheerde, zodat van wanprestatie geen sprake kan zijn.

4.6.

[eisers] stellen dat uit het enkele feit dat moeder verbleef in een Bavo instelling volgt dat zij psychisch niet in staat was haar belangen te behartigen. Volgens [eisers] leed moeder aan schizofrenie waarvoor zij ook medicatie kreeg. [gedaagde] betwist dat moeder niet meer in staat was haar wil te bepalen. Zij verbleef weliswaar in een BAVO instelling, maar verbleef op een open afdeling op een eigen kamer, aldus [gedaagde] .

4.7.

Op grond van artikel 3:32 BW is iedere natuurlijke persoon bekwaam tot het verrichten van rechtshandelingen, voor zover de wet niet anders bepaalt. De wet bepaalt anders ten aanzien van minderjarigen en onder curatele gestelden. Vaststaat dat moeder niet onder curatele stond, zodat zij niet handelingsonbekwaam was. Dat [gedaagde] misbruik heeft gemaakt van de geestesgesteldheid van moeder hadden [eisers] nader met feiten en omstandigheden dienen te onderbouwen. De enkele stelling dat moeder schizofreen was, is - gezien de betwisting door [gedaagde] - onvoldoende. Nu een nadere onderbouwing door [eisers] ontbreekt, neemt de rechtbank aan dat moeder in staat was haar financiële belangen te behartigen en ten aanzien van haar financiën haar wil te bepalen.

4.8.

Onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 juni 2011 (ECLI:NL:RBSGR:2011:BU8572) stellen [eisers] dat [gedaagde] moeder van hem afhankelijk heeft gemaakt en haar heeft afgezonderd van haar sociale omgeving met het doel om [eisers] met betrekking tot het financiële beheer c.q. de financiële middelen van moeder en de ontwikkeling daarvan in de loop van de jaren buiten spel te zetten en zichzelf daarmee te bevoordelen, hetgeen onrechtmatig is. De rechtbank kan deze stelling niet rijmen met de stellingen van [eisers] dat moeder in een instelling verbleef - dus in haar eigen sociale omgeving - en dat zij met grote regelmatig bij moeder op bezoek kwamen. Evenmin verbinden [eisers] rechtsgevolgen aan deze stelling, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat. Ditzelfde geldt voor de stelling van [eisers] dat [gedaagde] geen rechten kan ontlenen aan het door moeder aan hem verstrekt hebben van haar bankpas. Zonder toelichting valt niet in te zijn welk rechtsgevolg [eisers] met deze stelling voor ogen hebben.

4.9.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat in rechte niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] onrechtmatige opnamen heeft gedaan, noch dat [gedaagde] misbruik heeft gemaakt van de geestesgesteldheid van moeder.

4.10.

Tenslotte leggen [eisers] aan hun (primaire) vordering ten grondslag dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Zij lichten deze grondslag verder niet toe. Wil er sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking dan dient er geen redelijke grond aanwezig te zijn voor de verarming. Zoals uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt, was moeder wilsbekwaam ten aanzien van haar financiën en is voorts vast komen te staan dat de financiële transacties van moeder met haar medeweten en instemming zijn verricht. Hierdoor is een redelijke grond voor de verarming van moeder aanwezig. Voorts is onvoldoende komen vast te staan dat [gedaagde] is verrijkt. Hij heeft immers gesteld dat de bankopnames ten goede zijn gekomen aan moeder en dat banktransacties naar zijn bankrekening een (tussen hem en moeder overeengekomen) vergoeding van door hem gemaakte kosten betroffen. [eisers] hebben deze stelling niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken.

4.11.

De slotsom is dat niet geoordeeld kan worden dat [gedaagde] gehouden is het gestelde tekort aan te zuiveren, zodat de primaire grondslag faalt.

4.12.

Subsidiair stellen [eisers] zich op het standpunt dat, indien en voor zover de financiële tekorten dienen te worden beschouwd als door moeder aan [gedaagde] verstrekte giften, het recht van [eisers] op hun legitieme portie is geschonden en dat het tekort door [gedaagde] aan ieder van [eisers] dient te worden vergoed. Gesteld noch gebleken is echter dat sprake is van giften zodat ook deze grondslag faalt.

4.13.

De vordering wordt dan ook afgewezen, waarbij de rechtbank de proceskosten zal compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in reconventie

4.14.

[gedaagde] stelt dat de nalatenschap van moeder ontoereikend was om de kosten van de uitvaart te voldoen en dat [eisers] daarin dienen bij te dragen.

4.15.

[eisers] betwisten de hoogte van het gestelde tekort en voeren voorts aan dat [gedaagde] dat tekort ruimschoots heeft weggewerkt middels door hem gedane pinopnamen voorafgaand aan het overlijden van moeder. Zij voeren in dat verband aan dat in de loop van 2011 en in het zicht van het overlijden van moeder geen uitgaven meer kunnen zijn gedaan ten behoeve van moeder.

4.16.

[eisers] stellen zich zelf op het standpunt dat zij de nalatenschap zuiver hebben aanvaard. Dit betekent dat zij verplicht zijn de schulden van de nalatenschap te voldoen. Dit wordt op zich ook niet betwist.

4.17.

Tussen partijen staat vast dat de totale uitvaartkosten € 5.117,95 (€ 4.280,45 en

€ 837,50) bedroegen. Voorts staat als onweersproken vast dat deze kosten deels zijn voldaan door de uitkering uit het spaarfonds van € 908,32 en de nog resterende saldi op de bankrekeningen van moeder van € 822,00 en € 113,66, zijnde een totaal bedrag van

€ 1.843,98.

4.18.

Tevens staat tussen partijen vast dat [gedaagde] een bedrag van

€ 1.650,37 heeft ontvangen uit hoofde van een begrafenispolis. [eisers] stellen dat deze uitkering in mindering dient te strekken op de kosten van de uitvaart.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] middels overlegging van bankafschriften aangetoond - nu [eisers] de juistheid daarvan niet hebben weersproken - dat hij altijd de premie voor die polis voldeed. Hierdoor behoort de uitkering niet tot de nalatenschap doch is deze in het privévermogen van [gedaagde] gevloeid. De uitkering strekt derhalve niet in mindering op de kosten van de uitvaart. [gedaagde] heeft berekend dat hij uiteindelijk in totaal een hoger bedrag aan premie heeft betaald dan het bedrag dat is uitgekeerd. Dit tekort van € 660,00 maakt echter geen deel uit van de vordering en behoeft dan ook geen bespreking.

4.19.

Het tekort ter zake de kosten van de uitvaart wordt gezien het voorgaande bepaald op een bedrag van € 3.273,97. Het verweer dat resteert is de vraag of [gedaagde] voldoende geld van de rekeningen van moeder tot zich heeft genomen waaruit de uitvaartkosten konden worden betaald. [eisers] geven ter onderbouwing van dit verweer een overzicht van de gedane opnamen in 2011 voor totaalbedragen van € 1.700,00 en € 3.861,40. De rechtbank is echter in conventie tot het oordeel gekomen dat in rechte niet is komen vast te staan dat [gedaagde] onrechtmatig bedragen heeft opgenomen. Deze opnamen worden dan ook geacht ten goede te zijn gekomen aan moeder en dienen niet in mindering te strekken op de uitvaartkosten.

4.20.

De slotsom is dat de vordering in reconventie zal worden toegewezen tot een bedrag van € 3.273,97, zijnde € 818,50 per persoon. Voor zover [gedaagde] de gevorderde hoofdelijke veroordeling heeft gehandhaafd, wordt deze afgewezen. Niet valt immers in te zien waarom [eisers] hoofdelijk verbonden zijn tot betaling.

4.21.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in reconventie

5.3.

veroordeelt [eisers] om ieder aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 818,50 (achthonderdachttien euro en vijftig eurocent),

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2015.

1510/204