Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:6227

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-08-2015
Datum publicatie
31-08-2015
Zaaknummer
KTN-4130591_28082015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vaststellingsovereenkomst beëindiging arbeidsovereenkomst ondertekend onder protest en met voorbehoud. Geen duidelijke en ondubbelzinnige verklaring dat werknemer de dienstbetrekking vrijwillig heeft willen beëindigen. Ook misbruik van omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0826
AR 2015/1606
RAR 2015/167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4130591 CV EXPL 15-20691

uitspraak: 28 augustus 2015

vonnis in verzet van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te Spijkenisse,

eiseres,

gedaagde in verzet,

gemachtigde: mr. L.H.W.J. Rutten, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V. te Rijswijk,

tegen

de naamloze vennootschap

Eneco Beheer N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

eiseres in verzet,

gemachtigde: mr. J.H. Even, advocaat te Rotterdam.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als “[eiseres]” en “Eneco”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het inleidend exploot van dagvaarding d.d. 27 februari 2015, met producties;

  • -

    het verstekvonnis d.d. 17 april 2015;

  • -

    het verzetexploot d.d. 12 mei 2015, met producties;

  • -

    het vonnis d.d. 1 juni 2015 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van de op 9 juli 2015 gehouden comparitie van partijen.

1.2

De datum van de uitspraak van dit vonnis is nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten, nu deze enerzijds zijn gesteld dan wel uit de overgelegde stukken blijken en anderzijds zijn erkend dan wel niet althans onvoldoende gemotiveerd zijn bestreden:

2.1

[eiseres] werkt sinds 1 april 1981 bij Eneco, laatstelijk op de subafdeling die zich bezig hield met zogenoemde Cross Border Lease (het CBL-team) in de functie Senior Secretaresse tegen een salaris van € 3.264,53 bruto per maand, exclusief emolumenten, bij een 36-urige werkweek.

2.2

De werkzaamheden van het CBL-team zijn in de afgelopen jaren verminderd. Dat was reeds het geval toen [eiseres] in 2010 ging werken in het CBL-team. In 2013 is haar medegedeeld dat de CBL-portefeuille afnam en dat zij actief op zoek diende te gaan naar een andere functie.

2.3

Begin 2014 bestond het CBL-team uit nog maar drie medewerkers, onder wie [eiseres].

2.4

Bij brief van 1 april 2014 heeft Eneco - zakelijk weergegeven - aan [eiseres], onder verwijzing naar gesprekken met haar, waaronder een gesprek met haar diezelfde dag, bevestigd dat haar functie komt te vervallen, dat er voor haar geen passende functie is binnen de Eneco Groep en dat zij conform het Sociaal Plan Eneco Groep 1 juli 2013 - 1 januari 2015 (hierna: het Sociaal Plan) per direct boventallig wordt verklaard. [eiseres] is vier weken de tijd gegeven om een keuze te maken uit de twee wijzen van beëindiging van de arbeidsovereenkomst die het Sociaal Plan biedt, te weten externe begeleiding van werk naar werk tijdens een voortgezet doch eindig dienstverband dan wel het ontvangen van een beëindigingsvergoeding bij directe beëindiging van de arbeidsovereenkomst zonder externe begeleiding van werk naar werk. Daarbij is aangegeven dat bij het niet maken van een keuze vóór 29 april 2014 de gevolgen in werking zullen treden als vermeld in artikel 3.4 lid 4 van het Sociaal Plan. Tevens is aangegeven dat een beroep op de hardheidsclausule als vermeld in artikel 6.2 van het Sociaal Plan tot de mogelijkheden behoort als de uitwerking van het Sociaal Plan in de specifieke situatie van [eiseres] onvoldoende en/of onredelijk zou zijn.

2.5

Artikel 3.4 lid 4 van het Sociaal Plan luidt als volgt:

“De betrokken Boventallige Medewerker – met inbegrip van de Medewerker als bedoeld in lid 2 van dit artikel, ook als hij kiest voor de individuele beëindigingsregeling c.q. afvloeiingsregeling – dient (het voorstel als vastgelegd in) een van de twee vaststellingsovereenkomsten uiterlijk binnen vier weken na de schriftelijke mededeling Boventalligheid (uit artikel 3.3 van dit Sociaal Plan) onverkort en onvoorwaardelijk te aanvaarden (door te paraferen en te ondertekenen). Indien de Boventallige Medewerker dit niet doet, zal naar beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst worden gestreefd vanwege een dringende reden (weigeren aan een redelijke opdracht te voldoen).”

2.6

Artikel 6.2 lid 1 van het Sociaal Plan luidt als volgt:

“In die individuele gevallen waarin de toepassing van dit Sociaal Plan naar het oordeel van de Werkgever niet, onvoldoende dan wel niet in redelijkheid voorziet, beslist Werkgever na advies van de Toetsingscommissie, conform het bepaalde in lid 2, op verzoek van de Medewerker.”

2.7

Bij brief aan de Toetsingscommissie van 11 april 2014 heeft [eiseres] een beroep gedaan op artikel 6.2 lid 1 van het Sociaal Plan en - verkort weergegeven - gesteld dat Eneco zich niet, althans onvoldoende heeft ingespannen om een passende functie voor haar te vinden, dat zij op haar 23e in dienst is getreden, thans 56 jaar is en hoopt haar carrière bij Eneco te kunnen afsluiten, maar dat het Sociaal Plan die mogelijkheid niet biedt, dat het lastig zal zijn om een nieuwe baan te vinden, dat zij in haar huishouden de enige kostwinner is en dat bij werkloosheid haar gezin onredelijk zwaar wordt benadeeld. Verzocht is om Eneco te adviseren zich meer in te spannen bij het zoeken naar een passende functie voor haar en, mocht een passende functie na een bepaalde periode niet voorhanden blijken te zijn, een hogere beëindigingsvergoeding (bijvoorbeeld conform de Aanbevelingen van de Kring van Kantonrechters) toe te kennen, waarbij zij haar rechten in het kader van de Werkloosheidswet niet prijsgeeft.

2.8

Op 28 april 2014 heeft [eiseres] door middel van parafering en ondertekening van een vaststellingsovereenkomst gekozen voor externe begeleiding van werk naar werk tijdens een voortgezet doch eindig dienstverband tot 6 oktober 2015. Onder haar handtekening heeft [eiseres] het volgende geschreven:

“ik teken onder protest en onder voorbehoud van de uitspraak van de toetsingscommissie en/of kantonrechter.”

2.9

Bij brief van 15 mei 2014 heeft de toenmalig gemachtigde van [eiseres] het beroep op de hardheidsclausule aangevuld, alsmede bedenkingen geuit tegen de vaststellingsovereenkomst.

2.10

Op 23 augustus 2014 heeft de Toetsingscommissie geadviseerd het verzoek af te wijzen.

2.11

Bij per e-mail verzonden brief van de gemachtigde van [eiseres] van

14 november 2014 is - zakelijk weergegeven - medegedeeld dat Eneco zich dient in te spannen om [eiseres] te herplaatsen en daarbij functies in het hele concern dient te betrekken en zich niet dient te beperken tot het bedrijfsonderdeel waar zij werkzaam was en dat de vaststellingsovereenkomst onder protest is getekend, zodat er geen overeenstemming is over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

2.12

Bij brief van 28 november 2014 heeft Eneco - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - aan [eiseres] medegedeeld dat zij de vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend en dat de omstandigheid dat zij het niet eens is met het Sociaal Plan niet afdoet aan de gebondenheid daaraan doordat zij de overeenkomst heeft getekend. Daarbij is opgemerkt dat het voorbehoud dat [eiseres] bij de ondertekening heeft gemaakt verband hield met de procedure waarin een beroep op de hardheidsclausule is gedaan. Als dat beroep terecht zou zijn geweest dan was [eiseres] niet gebonden aan de inhoud van de vaststellingsovereenkomst. Het beroep is echter afgewezen.

2.13

Bij onder zaaknummer 3941126 CV EXPL 15-10677 gewezen verstekvonnis van de kantonrechter te Rotterdam van 17 april 2015 is voor recht verklaard dat tussen partijen geen overeenstemming is bereikt over de beëindiging van het dienstverband per 6 oktober 2015 en dat de arbeidsovereenkomst dientengevolge ook na 6 oktober 2015 blijft bestaan, en is Eneco veroordeeld om na 6 oktober 2015 het loon van € 3.264,53 bruto per maand plus emolumenten te betalen aan [eiseres], met veroordeling van Eneco in de kosten van het geding.

3 Het geschil

3.1

[eiseres] heeft bij (inleidende) dagvaarding gevorderd:

primair:

a. bij vonnis te verklaren voor recht dat tussen partijen geen overeenstemming is bereikt over de beëindiging van het dienstverband per 6 oktober 2015 en dat de arbeidsovereenkomst dientengevolge ook na 6 oktober 2015 blijft bestaan;

b. Eneco te veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, om ook na 6 oktober 2015 aan [eiseres] te betalen het loon van € 3.264,53 bruto per maand plus emolumenten;

subsidiair, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

c. de vaststellingsovereenkomst d.d. 28 april 2015 te vernietigen;

d. Eneco te veroordelen om ook na 6 oktober 2015 aan [eiseres] te betalen het loon van € 3.264,53 bruto per maand plus emolumenten;

primair en subsidiair:

e. Eneco te veroordelen in de proceskosten.

3.2

Aan het primair gevorderde heeft [eiseres] - zakelijke weergegeven en voor zover van belang - ten grondslag gelegd dat, nu tussen partijen geen overeenstemming is bereikt over de beëindiging van het dienstverband per 6 oktober 2015, de arbeidsovereenkomst ook na die datum blijft bestaan. Zij stelt daartoe dat het enkele feit dat zij de vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend onvoldoende is om aan te nemen dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de inhoud daarvan, want zij heeft onder protest getekend om ontslag op staande voet af te wenden. Uit het onder protest tekenen blijkt dat zij zich niet kan vinden in de inhoud van de vaststellingsovereenkomst.

3.3

Aan het subsidiair gevorderde heeft [eiseres] - zakelijke weergegeven en voor zover van belang - ten grondslag gelegd dat de vaststellingsovereenkomst door misbruik van omstandigheden, want onder dreiging van een ontslag op staande voet, tot stand is gekomen. Zonder deze dreiging had zij de vaststellingsovereenkomst niet ondertekend.

3.4

Eneco heeft gevorderd het onder 2.13 vermelde verstekvonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [eiseres] af te wijzen, met veroordeling van haar in de kosten van het geding.

3.5

Daartoe heeft Eneco - zakelijke weergegeven en voor zover van belang - aangevoerd dat

[eiseres] bij aanvang van haar werkzaamheden bij het CBL-team in 2010 wist dat haar functie op middellange termijn zou komen te vervallen. In 2013 is haar medegedeeld dat zij actief op zoek diende te gaan naar een andere functie. Zij heeft daarbij hulp en begeleiding gehad van Eneco. Eind januari 2014 wist zij dat haar functie per 1 april 2014 zou komen te vervallen. Op 27 maart 2014 zijn de exacte gevolgen daarvan medegedeeld. Op 1 april 2014 werden [eiseres] twee schriftelijke vaststellingsovereenkomsten overhandigd en heeft zij vier weken de tijd gekregen om een keuze uit één van de twee te maken. Zij werd daarbij bijgestaan door een gemachtigde (het Sociaal Plan voorziet in een vergoeding van de redelijke kosten van juridische bijstand). Op 28 april 2014 heeft [eiseres] de vaststellingsovereenkomst geparafeerd en ondertekend die voorziet in begeleiding van werk naar werk tot het einde van het dienstverband op 6 oktober 2015. Dat de vaststellingsovereenkomst is ondertekend onder protest en onder verwijzing naar het daarvoor ingediende beroep op de hardheidsclausule wordt aldus opgevat dat [eiseres] akkoord is gegaan met de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst, tenzij het beroep op de hardheidsclausule zou worden gehonoreerd. De Toetsingscommissie heeft dat beroep echter afgewezen. [eiseres] is dus gebonden aan de vaststellingsovereenkomst.

3.6

De stellingen van partijen worden voor zover nodig in het kader van de beoordeling van de vorderingen nader besproken.

4 De beoordeling

4.1

Vaststaat dat de afgelopen jaren de werkzaamheden van het CBL-team zijn afgenomen. Deze ontwikkeling deed zich al voor toen [eiseres] in 2010 in het team ging werken. Zij is hiervan op de hoogte geweest en in 2013 is haar te verstaan gegeven om naar ander werk uit te kijken. Dat heeft zij gedaan, ook met hulp van Eneco, zij het dat [eiseres] van mening is dat Eneco wat dit aangaat meer inspanningen had kunnen en moeten verrichten. In 2014 is [eiseres] medegedeeld dat zij boventallig werd verklaard. Dat is bevestigd met de onder 2.4 vermelde brief van Eneco van 1 april 2014, waarin haar tevens is medegedeeld dat zij een keuze diende te maken uit de twee wijzen van beëindiging van de arbeidsovereenkomst die het Sociaal Plan kent.

4.2

Duidelijk is dat [eiseres] een beëindiging van haar arbeidsovereenkomst niet zag zitten. Dat is helder verwoord in de onder 2.7 vermelde brief van 11 april 2014 aan de Toetsingscommissie en ook thans haar standpunt.

4.3

Niettemin heeft [eiseres] op 28 april 2014 de vaststellingsovereenkomst die voorziet in begeleiding van werk naar werk en leidt tot het einde van haar dienstverband op 6 oktober 2015, ondertekend. Daarbij is de onder 2.8 geciteerde kanttekening geplaatst.

4.4

Niet is komen vast te staan dat [eiseres] ten tijde van het zetten van haar handtekening juridische bijstand had, want dat heeft zij gemotiveerd betwist door te stellen dat zij alleen bij het beroep op de hardheidsclausule dergelijke bijstand genoot, hetgeen steun vindt in de onder 2.9 vermelde brief van 15 mei 2014. Eneco heeft geen feiten gesteld die tot een andere conclusie kunnen leiden.

4.5

De vraag dringt zich op wat [eiseres] heeft bedoeld met “ik teken onder protest en onder voorbehoud van de uitspraak van de toetsingscommissie en/of kantonrechter.” Dat dit, zoals Eneco voorstaat, dient te worden opgevat als een instemming door [eiseres] met de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst, tenzij het beroep op de hardheidsclausule zou worden gehonoreerd, is gezien de tekst bepaald niet aannemelijk omdat zij heeft getekend ‘onder protest’. In het licht van de inhoud van eerder genoemde brief van 11 april 2014 is de uitleg die Eneco aan voormelde passage geeft onbegrijpelijk. Gelet op de inhoud van die brief wilde [eiseres] bij Eneco blijven werken en alleen instemmen met een einde van haar dienstverband, als dat gepaard zou gaan met een (financieel) gunstiger regeling voor haar dan de twee varianten die het Sociaal Plan biedt. Het honoreren van het beroep op de hardheidsclausule, in de zin van het treffen van een gunstiger regeling, lijkt derhalve een voorwaarde te zijn geweest om in te kunnen stemmen met een einde van het dienstverband. [eiseres] heeft hierover geen uitsluitsel gegeven, want desgevraagd heeft zij op de zitting verklaard dat zij voormelde passage heeft bedoeld “zoals het er staat”.

4.6

Hoe dan ook: op zichzelf genomen, is genoemde kanttekening niet duidelijk, althans voor meerdere uitleg vatbaar. Dat maakt dat de ondertekening van de vaststellingsovereen-komst niet een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring betreft, welke strenge maatstaf moet worden gehanteerd bij de beantwoording van de vraag of een werknemer zijn dienstbetrekking vrijwillig heeft willen beëindigen, teneinde de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem kan hebben wat betreft ontslagbescherming en mogelijk verlies van aanspraken ingevolge de sociale zekerheidswetgeving. Daarom kan volgens vaste jurisprudentie (waaronder het door Eneco genoemde arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 1996, gepubliceerd in JAR 1996/219) niet worden aangenomen dat [eiseres] met de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst heeft ingestemd. Een en ander klemt temeer nu ook uit artikel 3.4 lid 4 van het Sociaal Plan volgt dat de vaststellingsovereenkomst onverkort en onvoorwaardelijk dient te worden aanvaard, en indien dat niet gebeurt naar beëindiging van de arbeidsovereenkomst wordt gestreefd vanwege een dringende reden. Ook volgens het Sociaal Plan kan de onderhavige geclausuleerde wijze van ondertekenen niet tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst leiden.

4.7

Dat [eiseres] haar handtekening heeft gezet, omdat zij vreesde voor een ontslag op staande voet, is aannemelijk. Immers, in de onder 2.4 vermelde brief van Eneco van 1 april 2014 is aangegeven dat bij het niet maken van een keuze vóór 29 april 2014 de gevolgen in werking zullen treden als vermeld in artikel 3.4 lid 4 van het Sociaal Plan, waar een beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden wordt genoemd.

Blijkens het verzetexploit en de Toelichting op het Sociaal Plan is dit artikel in het Sociaal Plan opgenomen om dwarsliggers bij een reorganisatie aan te pakken. Met dit artikel is dus kennelijk beoogd om boventallige medewerkers onder druk te zetten om in te stemmen met één van de aangeboden varianten van beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het is dan ook reëel te veronderstellen dat [eiseres] zich onder druk gezet voelde, omdat zij bang was op staande voet te worden ontslagen en dat zij met lege handen zou te komen staan, mede gezien de vermelding in de Toelichting op het Sociaal Plan dat bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden de medewerker geen recht heeft op een beëindigingsvergoeding, afvloeiingsregeling bij voorbaat, dan wel enigerlei uitkering.

4.8

Ter zitting heeft Eneco desverzocht aangegeven dat het niet ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst waarschijnlijk niet tot ontslag op staande voet zou hebben geleid. Mogelijk zou er een verzoek zijn ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van veranderde omstandigheden en niet vanwege een dringende reden. Dat standpunt is te billijken, omdat niet uitgesloten moet worden geacht dat de kantonrechter het niet ondertekenen van één van de vaststellingsovereenkomsten onder de gegeven omstandig-heden hoogstwaarschijnlijk niet als een dringende reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou hebben aangemerkt. Daarmee komt het bepaalde in artikel 3.4 lid 4 van het Sociaal Plan echter wel in een ander daglicht te staan, want de zinsnede dat bij het niet ondertekenen naar een beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden zal worden gestreefd, lijkt dan onjuist.

4.9

Het Sociaal Plan mag dan zijn overeengekomen tussen Eneco en enkele vakbonden en wellicht zullen die partijen redenen hebben gehad om het bepaalde in artikel 3.4 lid 4 daarin op te nemen, maar dat neemt niet weg dat die bepaling gezien het vorenstaande bedrieglijk oogt. In ieder geval wist Eneco of had Eneco moeten begrijpen dat [eiseres] haar arbeidsovereenkomst niet zonder meer wilde beëindigen en dat zij (als juridische leek) onder druk van het bepaalde in meergenoemd artikel en de Toelichting op het Sociaal Plan is overgegaan tot ondertekening van de vaststellingsovereenkomst, terwijl Eneco haar onder de gegeven omstandigheden van ondertekening had behoren te weerhouden, of haar had kunnen voorhouden dat zij niet hoefde te vrezen voor een ontslag op staande voet, maar dat zou worden gestreefd naar een andere wijze van beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dit betekent dat de subsidiaire vordering wegens misbruik van omstandigheden ook toewijsbaar zou zijn geweest.

4.10

Geen verweer is gevoerd met betrekking tot de verbindendheid van de niet algemeen verbindend verklaarde CAO PLb 2013 en het op basis daarvan tot stand gekomen Sociaal Plan ten opzichte van [eiseres], die geen lid is van één van de betrokken vakbonden, althans waarvan dat niet is komen vast te staan, zodat hierop verder niet zal worden ingegaan.

4.11

Gezien het vorenoverwogene ligt het primair gevorderde voor toewijzing gereed. Dat is ook toegewezen bij het onder 2.13 vermelde verstekvonnis van 17 april 2015. Dat vonnis zal daarom worden bekrachtigd.

4.12

Eneco zal worden veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 150,00 aan salaris voor de gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter:

bekrachtigt het op 17 april 2015 tussen partijen gewezen verstekvonnis met zaaknummer 3941126 CV EXPL 15-10677;

veroordeelt Eneco in de kosten van de verzetprocedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 150,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M. van de Ven en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

465