Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2015:6209

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-08-2015
Datum publicatie
27-08-2015
Zaaknummer
10/997514-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplichting en bedreiging van het slachtoffer. De verdachte deed zich voor als handelaar in exotische dieren (fennekvos en sugargliders) en bewoog het slachtoffer ertoe deze dieren bij hem te bestellen en hem daar op voorhand voor te betalen. Nadat het slachtoffer te kennen had gegeven aangifte van oplichting te gaan doen, werd zij door de verdachte bedreigd.

In de onderhavige zaak is meer aan de hand dan het slechts te koop aanbieden van (in dit geval) exotische dieren, waarbij na betaling de levering uitblijft. De verdachte heeft immers de door hem gecreëerde waan bij de aangeefster, dat hij ter zake kundig was en in staat was de door haar gewenste dieren te kunnen leveren, op verschillende momenten onderhouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/997514-15

Parketnummer vordering TUL VV: 10/994555-13

Datum uitspraak: 27 augustus 2015

Tegenspraak (art. 279 Sv)

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

verblijvend op het adres [adres] ,

bepaaldelijk gemachtigd raadsman mr. F. Uzumcu, advocaat te Den Haag.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 13 augustus 2015. Tijdens dit onderzoek heeft de rechtbank beslist dat de behandeling van het op de dagvaarding onder bovenvermeld parketnummer onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt afgesplitst van het op de dagvaarding onder 3 ten laste gelegde. Het onderhavige vonnis heeft betrekking op de feiten 1 en 2.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. F. de Nerée tot Babberich heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde (medeplegen van oplichting) en het onder 2 ten laste gelegde (bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht);

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

4 Waardering van het bewijs

De verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan, kort gezegd, zowel de oplichting als de bedreiging van de aangeefster [aangeefster] .

De verweten oplichting heeft hierin bestaan dat de verdachte zich heeft voorgedaan als een handelaar in exotische dieren. De verdachte zou, na een vooruitbetaald bedrag van vijfhonderd euro van de aangeefster te hebben ontvangen, voor haar een “Fennekvos” en drie witte “Sugargliders” ophalen in Duitsland en Limburg en deze vervolgens aan haar leveren. De aangeefster heeft de verdachte op 1 februari 2015 om 01.02 uur een WhatsApp-bericht gestuurd met de vraag een foto te sturen als hij “ze” heeft. De verdachte heeft haar op 1 februari 2015 om 13.59 een foto ge-appt waarop zijn gezicht deels zichtbaar is en waarop kisten te zien zijn met het opschrift “live animals”. Voorafgaand aan deze foto heeft de verdachte aan de aangeefster het bericht gestuurd: “De wagen leg vol met beesten”. Op de terugweg vanuit Duitsland zou hij echter zijn bestolen, waarna de aangeefster nog eens een bedrag van honderd euro per bankrekening ten behoeve van de verdachte heeft overgemaakt, zodat hij daarvan benzine voor de verdere terugreis kon betalen. De toegezegde dieren werden echter niet aan de aangeefster geleverd, de verdachte is nimmer komen opdagen. Uit het politieonderzoek is gebleken dat de bovenbedoelde foto in 2013 is gemaakt.

De verweten bedreiging heeft hierin bestaan dat de verdachte, nadat de aangeefster te kennen had gegeven dat zij aangifte zou gaan doen bij de politie van de hiervoor omschreven oplichting, de aangeefster via WhatsApp-berichten heeft gestuurd waarin hij haar dreigend de woorden “iedereen die me bedreigt gaat zonder meer de kofferbak in en anders knal ik ze gewoon af” en “ik naar binnen jij naar het kerkhof” heeft toegevoegd.

Standpunt van de verdediging

De verdachte dient van zowel het onder 1 als het onder 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Wat betreft de onder 1 ten laste gelegde oplichting is, onder verwijzing naar het arrest van het Gerechtshof Leeuwarden van 4 mei 2011 (ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ3822), mogelijk sprake van niet meer dan een door de verdachte niet nagekomen leveringsverplichting uit een koopovereenkomst tussen hem en de aangeefster. Een civielrechtelijk geschil, hetgeen niet zonder meer impliceert dat in strafrechtelijke zin kan worden gesproken van oplichting.

Wat betreft de onder 2 ten laste gelegde bedreiging ontkent de verdachte dat hij degene is geweest die de ten laste gelegde bedreigingen via WhatsApp heeft geuit. Daarnaast kan het gebezigde taalgebruik de verdachte gelet op zijn persoonlijkheid niet worden toegerekend, hetgeen volgens de raadsman blijkt uit het reclasseringsrapport dat betreffende de verdachte is opgemaakt.

Oordeel van de rechtbank

Beide hiervoor genoemde verweren worden verworpen.

De rechtbank stelt voorop, dat voor het antwoord op de vraag of uit door de verdachte gebezigde mededelingen kan worden afgeleid dat het slachtoffer door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot de afgifte van een geldbedrag zoals bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht het aankomt op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer (vgl. HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011: BQ8600, NJ 2012/279, rov. 3.2).

Wat betreft het verweer ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, kan in de onderhavige zaak niet gesproken worden van een situatie die vergelijkbaar is met die in het door de verdediging aangehaalde arrest en evenmin met een situatie waarvan sprake is in de zogenoemde “Marktplaatsjurisprudentie”. In de onderhavige zaak is meer aan de hand dan het slechts te koop aanbieden van (in dit geval) exotische dieren, waarbij na betaling de levering uitblijft. De verdachte heeft immers de door hem gecreëerde waan bij de aangeefster, dat hij ter zake kundig was en in staat was de door haar gewenste “Fennekvos” en “Sugargliders” te kunnen leveren, op verschillende momenten onderhouden. Hij heeft daartoe in de ten laste gelegde periode, door middel van WhatsApp-berichten - waarvan één bericht de bovenbedoelde foto bevatte van de verdachte met houten kisten waarop te lezen stond ‘live animals’ - voortdurend contact gehad met de aangeefster omtrent zijn reis naar de leveranciers van de dieren, zijn aanvankelijk succesvolle aanschaf in Duitsland van de “Fennekvos” en de omstandigheid dat hij vervolgens onderweg terug naar Nederland was bestolen van zijn geld. Naar aanleiding van laatstgenoemde omstandigheid maakte de aangeefster, bovenop het totaalbedrag van vijfhonderd euro dat zij al deels had overhandigd aan de verdachte en deels had overgemaakt op de bankrekening van diens kompaan [betrokkene] , nog eens honderd euro over op deze bankrekening, zodat de verdachte met dat geld de benzine voor zijn verdere terugreis kon betalen.

Uit de verklaring van [betrokkene] blijkt dat, anders dan eerst mondeling tegenover aangeefster en later in de whatsapp-berichten is voorgedaan, dat de verdachte en [betrokkene] niet naar Duitsland (en Limburg) zijn gegaan.

In het licht van hetgeen is voorop gesteld, kunnen bovenstaande feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, niet anders worden beschouwd dan als een zodanige opeenstapeling van leugens, dat sprake is van een samenweefsel van verdichtsels en dus van oplichting als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafvordering. Van één enkele leugen is geen sprake. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de afgifte van beide geldbedragen (vijfhonderd euro en honderd euro) kunnen worden aangemerkt als één doorlopende oplichting. Met zijn handelen heeft verdachte de oorspronkelijke twijfel van aangeefster weten te overwinnen.

De verwerping van het verweer ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde volgt reeds uit de, hierna weergegeven, gehanteerde bewijsmiddelen op grond waarvan tot een bewezenverklaring is gekomen. Door de verdediging is bovendien geen begin van aannemelijkheid gemaakt waaruit zou kunnen worden afgeleid dat een ander dan de verdachte verantwoordelijk is voor het opstellen en verzenden van de desbetreffende WhatsApp-berichten. Dit geldt overigens ook voor feit 1.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, doet aan het bedreigende karakter van de uitlatingen van de verdachte niet af dat de verdachte vanwege zijn persoonlijkheid gewoon is scheldwoorden en dreigende uitlatingen te bezigen. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is in een geval als het onderhavige vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht (vgl. HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3630, rov. 2.3). In het licht van de omstandigheden waaronder de verdachte de WhatsApp-berichten naar de aangeefster heeft verzonden, kon bij de aangeefster door de daarin gebezigde woorden “iedereen die me bedreigt gaat zonder meer de kofferbak in en anders knal ik ze gewoon af” en “ik naar binnen jij naar het kerkhof” in redelijkheid de vrees ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen.

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij omstreeks de periode van 31 januari 2015

tot en met 1 februari 2015 te Capelle aan den IJssel en/of 's-Gravenhage en/of

Rotterdam, althans in Nederland,

met het oogmerk om zich wederrechtelijk te

bevoordelen, door een samenweefsel van

verdichtsels,

[aangeefster] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen,

van 500 euro en 100 euro,

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk -

zakelijk weergegeven - bedrieglijk of in strijd met de waarheid

op 31 januari 2015 die [aangeefster] (via What's App, danwel mondeling)

medegedeeld dat

- hij aan een Fennekvos en witte sugargliders kon komen en

- hij voor haar heeft gebeld en de Fennekvos en de witte sugargliders er nog

zijn en hij ze voor haar heeft gereserveerd en

- de Fennekvos bij een handelaar in Duitsland zit en de witte sugargliders

zich in Limburg bevinden en- die handelaar de Fennekvos alleen via verdachte zou leveren en

- hij een aanbetaling wilde hebben omdat hij anders mogelijk met die Fennekvos

zou blijven zitten en voor niets helemaal naar Duitsland zou rijden en

- hij witte sugargliders kon leveren voor 600 euro,

en

op 1 februari 2015 die [aangeefster] (via What's App, danwel mondeling)

medegedeeld dat

- hij een wagen vol met beesten heeft en/hij vervolgens een foto met daarop dozen

op de achterbank (via What's App) aan die [aangeefster] heeft verstuurd

en

- hij alles kwijt was, waaronder 5000 euro en zijn paspoort en rijbewijs

en

- hij dat beest echt wel naar haar zou brengen en

- hij niet wist hoe hij die gliders nu moest halen en

- hij wel zou zien hoe hij het met die man van die gliders zou regelen die op

hem stond te wachten bij Venlo,

waardoor [aangeefster] werd bewogen tot afgifte van

geldbedragen, van 500 euro en100 euro;

2.

hij op 7 februari 2015 te Rotterdam, althans

in Nederland,

[aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangeefster] (via What's App)

dreigend de woorden toegevoegd:

- " Iedereen die me bedreigt gaat zonder pardon de kofferbak in en anders knal

ik ze gewoon af"

- " Ik naar binnen jij naar het kerkhof".

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

oplichting;

2.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Standpunt van de verdediging

De onder 2 ten laste gelegde bedreigingen kunnen de verdachte niet worden toegerekend. Immers, zoals blijkt uit het adviesrapport van de reclassering van 7 augustus 2015 heeft de verdachte een persoonlijkheidsstoornis. Uit de processtukken in het dossier blijkt bovendien dat de verdachte zelfs in het bijzijn van de politieambtenaren en de reclasseringsambtenaar deze ambtenaren bedreigt. Een normaal persoon doet dat niet en dus blijkt ook daaruit van de antisociale persoonlijkheidsstoornis van de verdachte. Een en ander dient tot de conclusie te leiden dat de verdachte niet strafbaar is.

Oordeel van de rechtbank

Voor zover de raadsman beoogd heeft te bepleiten dat de feiten niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend vanwege een persoonlijkheidsstoornis, slaagt dit niet. Het is niet aannemelijk geworden dat er sprake is van een zodanige stoornis dat de verdachte terzake zijn handelen geen keuze had. Het verweer wordt verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zowel oplichting als bedreiging van het slachtoffer [aangeefster] . Nadat [aangeefster] de verdachte had benaderd met haar wens een Fennekvos te kopen, heeft de verdachte haar, door middel van een opeenstapeling van leugens, ertoe bewogen niet alleen een Fennekvos maar tevens drie witte Sugargliders via hem te kopen. De verdachte zou deze dieren aan haar kunnen leveren na vooruitbetaling van een bedrag van vijfhonderd euro. Na betaling van dit bedrag door het slachtoffer aan de verdachte, zegde de verdachte haar toe de dieren in respectievelijk Duitsland en Limburg te gaan ophalen. Op enig moment berichtte de verdachte haar dat hij onderweg van zijn geld was bestolen, waarna het slachtoffer honderd euro ten behoeve van het kopen van benzine voor het vervolg van de terugreis van de verdachte heeft overgemaakt.

Levering van de toegezegde dieren door de verdachte aan het slachtoffer bleef echter uit. Daarop aangesproken door het slachtoffer via WhatsApp, bedreigde de verdachte haar vervolgens, eveneens via WhatsApp, met de bewoordingen zoals thans bewezen is verklaard.

Met het plegen van de oplichting heeft de verdachte niet alleen het slachtoffer financieel benadeeld, maar heeft hij tevens het vertrouwen dat ook in het particuliere handelsverkeer moet kunnen worden gesteld geschonden. De verdachte heeft zich hierbij kennelijk slechts laten leiden door eigen financieel gewin.

Door het plegen van de bedreiging heeft de verdachte het slachtoffer via het medium van WhatsApp op agressieve wijze vrees aangejaagd. Dit is voor haar een beangstigende ervaring geweest. Door het slachtoffer aldus onder druk te zetten ontstond bij haar de vrees dat zij het leven zou kunnen verliezen.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 juli 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor onder meer soortgelijke strafbare feiten.

Zoals eerder in dit vonnis aangehaald, heeft Reclassering Nederland op 7 augustus 2015 een adviesrapport betreffende de verdachte opgemaakt. Dit adviesrapport houdt, voor zover hier van belang, in dat de verdachte nauwelijks tot zelfreflectie in staat is en zich moeilijk op zijn gedrag laat aanspreken. Hij stelt dat hij is wie hij is en dat hij niet gaat veranderen. Hij komt er openlijk voor uit bewust te kiezen voor illegale activiteiten.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte de onderhavige feiten heeft gepleegd enkele weken nadat hij uit detentie is ontslagen en dat hij de feiten heeft begaan gedurende de proeftijd van een eerdere veroordeling. De verdachte is, ondanks een veroordeling en ondanks detentie, dus blijven doorgaan met het plegen van strafbare feiten, zonder zich te bekommeren om de gevolgen daarvan voor anderen. De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de persoon van de verdachte. Anders dan de raadsman heeft bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding voor de strafmodaliteit aansluiting te zoeken bij het in het reclasseringsrapport opgenomen strafadvies.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

Bovendien zal de rechtbank de gevangenneming van de verdachte bevelen. Hiervoor geldt hetzelfde als hiervoor is overwogen in verband met de hoogte van de straf: de verdachte was net vrijgekomen, liep in een proeftijd van een (aanzienlijke) voorwaardelijke veroordeling en pleegde vervolgens twee nieuwe strafbare feiten. Gelet op deze combinatie van feiten en omstandigheden dient er ernstig rekening mee te worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de bewezenverklaarde oplichting en bedreiging in artikel 67a, tweede lid, onder 3, van het Wetboek van Strafvordering met name genoemde misdrijven betreffen. Ook aan de overige voorwaarden voor voorlopige hechtenis op de in die bepaling genoemde grond is voldaan.

8 Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [aangeefster] , wonende te [woonplaats] , ter zake van de onder 1 en 2 thans bewezen verklaarde feiten. De benadeelde partij vordert een totaalbedrag van € 620,88 aan materiële schade en een bedrag van € 250,- aan immateriële schade.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering worden toegewezen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente.

Bovendien is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 250,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 870,88, vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens wordt als extra waarborg voor betaling van de vordering van de benadeelde partij oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Vordering tenuitvoerlegging (TUL Algemeen)1

Beoordeling

Uit het onderzoek ter terechtzitting en de onderliggende dossierstukken is niet gebleken van een rechtsgeldige oproeping van de verdachte in de zaak onder parketnummer 10/994555-13, hetgeen tot nietigheid van de oproeping dient te leiden. Deze nietigheid wordt, gelet op het verhandelde ter terechtzitting, ook overigens niet door andere omstandigheden gedekt.

Conclusie

De oproeping vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling (tul-algemeen) is nietig.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 24c, 47, 57, 285 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beveelt de gevangenneming van verdachte en bepaalt dat de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan in een huis van bewaring;

wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] , wonende te [woonplaats] , toe tot een totaalbedrag van € 870,88 (zegge: achthonderdzeventig euro en achtentachtig eurocent), bestaande uit € 620,88 aan materiële schade en € 250,- aan immateriële schade;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf heden tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 870,88 (zegge: achthonderdzeventig euro en achtentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf heden tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van voornoemd bedrag vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 17 (zeventien) dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verklaart de oproeping vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling nietig.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter,

en mrs. J.L.M. Boek en E.A. van der Giessen, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Meulendijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 augustus 2015.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging, na splitsing van de zaak op de terechtzitting van 13 augustus 2015

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 januari 2015

tot en met 1 februari 2015 te Capelle aan den IJssel en/of 's-Gravenhage en/of

Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid

en/of door (een of meer) listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van

verdichtsels,

[aangeefster] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en),

500 euro en/of 100 euro, althans enig (geld)bedrag,

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk -

zakelijk weergegeven - bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

op 31 januari 2015 die [aangeefster] (via What's App, danwel mondeling)

medegedeeld dat

- hij aan een Fennekvos en/of witte sugargliders kon komen en/of

- hij voor haar heeft gebeld en de Fennekvos en/of de witte sugargliders er nog

is/zijn en hij ze voor haar heeft gereserveerd en/of

- de Fennekvos bij een handelaar in Duitsland zit en/of de witte sugargliders

zich in Limburg bevinden en/of

- die handelaar de Fennekvos alleen via verdachte zou leveren en/of

- hij een aanbetaling wilde hebben omdat hij anders mogelijk met die Fennekvos

zou blijven zitten en voor niets helemaal naar Duitsland zou rijden en/of

- hij twee witte sugargliders kon leveren voor 600 euro,

en/of

op 1 februari 2015 die [aangeefster] (via What's App, danwel mondeling)

medegedeeld dat

- hij een wagen vol met beesten heeft en/of hij vervolgens een foto (met dozen

op de achterbank) (via What's App) aan die [aangeefster] heeft verstuurd

en/of

- hij alles kwijt was, waaronder 5000 euro en/of zijn paspoort en/of rijbewijs

en/of

- hij dat beest echt wel naar haar zou brengen en/of

- hij niet wist hoe hij die gliders nu moest halen en/of

- hij wel zou zien hoe hij het met die man van die gliders zou regelen die op

hem stond te wachten bij Venlo,

waardoor [aangeefster] werd bewogen tot afgifte van een of meer

geldbedrag(en), 500 euro en/of 100 euro, althans enig geldbedrag;

[artikel 326 Wetboek van Strafrecht]

2.

hij op of omstreeks 7 februari 2015 te 's-Gravenhage en/of Rotterdam, althans

in Nederland,

[aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangeefster] (via What's App)

dreigend de woorden toegevoegd :

- " Iedereen die me bedreigt gaat zonder pardon de kofferbak in en anders knal

ik ze gewoon af"

- " Ik naar binnen jij naar het kerkhof",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

[artikel 285 Wetboek van Strafrecht]

1 Door de officier van justitie is een vordering ten uitvoerlegging ingediend op grond van de zogeheten algemene voorwaarde (TUL-algemeen) en een vordering ten uitvoerlegging op grond van de zogeheten bijzondere voorwaarde (TUL-bijzonder). De TUL-algemeen is in dit vonnis meegenomen, omdat deze aan de hoofdzaak is gekoppeld. De beoordeling van de TUL-bijzonder is neergelegd in een separate beslissing.